Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7118

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-06-2017
Datum publicatie
29-06-2017
Zaaknummer
AWB 17/8274
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft als Afghaanse tolk voor het Amerikaanse leger en een Amerikaanse overheidsdienst in Afghanistan gewerkt. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat hij de Verenigde Staten (VS) voor eiser als veilig derde land beschouwt.

Er is geen grond voor het oordeel dat het beleid, opgenomen in paragraaf C2/6.3 Vc, op grond waarvan ook in andere gevallen dan eerder verblijf een band met het derde land wordt aangenomen, in strijd is met de wet. Er is evenmin grond voor het oordeel dat de wet en het beleid in strijd zijn met de Procedurerichtlijn.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser, ondanks dat hij niet eerder in de VS heeft verbleven, een band heeft met de VS in de zin van artikel 3.106a, tweede en derde lid, Vb en paragraaf C2/6.3 Vc.

Er is geen grond voor het oordeel dat het beleid van verweerder, zoals opgenomen in paragraaf C2/6.3 Vc, op grond waarvan verweerder een aanvraag alleen niet-ontvankelijk verklaart op grond van artikel 30a, eerste lid, onder c, Vw, indien er redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling wordt toegelaten tot het veilige derde land, buiten toepassing dient te blijven wegens strijd met de Procedurerichtlijn of de Terugkeerrichtlijn.

Naar het oordeel van de rechtbank is echter onvoldoende aannemelijk dat eiser binnen afzienbare tijd zal worden toegelaten tot de VS, nu die toelating afhankelijk is van de afgifte van een ‘Special Immigrants Visa’ die eiser nog zal moeten aanvragen. Uit de ingebrachte informatie van het US Department of State volgt dat eiser voorlopig een dergelijk visum niet zal kunnen aanvragen.

Het zal aannemelijk moeten zijn dat eiser binnen de aan hem opgelegde vertrektermijn zal worden toegelaten tot de VS. Bij een besluit waarbij een asielaanvraag niet-ontvankelijk wordt verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, Vw ligt het op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat de vreemdeling zal kunnen voldoen aan zijn terugkeerverplichting, in de zin van artikel 3, aanhef en onder 3, aanhef en onder het derde gedachtestreepje, van de Terugkeerrichtlijn, namelijk dat hij zal worden toegelaten tot het veilige derde land. De aannemelijkheid van de toelating tot het veilige derde land moet ook worden gezien in het licht van de uit artikel 38, vierde lid, van de Procedurerichtlijn voortvloeiende verplichting de vreemdeling alsnog toe te laten tot de asielprocedure, indien hij niet wordt toegelaten tot het veilige derde land, om een situatie te voorkomen waarin een vreemdeling nergens kan verblijven in afwachting van een beoordeling van zijn verzoek om internationale bescherming.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/8274

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 26 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Afghaanse nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. E. van Kempen, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. B. van Beers, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)).

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen schriftelijk een nadere toelichting te geven. Bij brief van 15 mei 2017 heeft verweerder die nadere toelichting gegeven. Bij brief van 22 mei 2017 heeft eiser daarop gereageerd.

De rechtbank heeft het onderzoek op 20 juni 2017 gesloten, met toestemming van partijen zonder het houden van een nadere zitting.

Overwegingen

1. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Eiser komt uit [plaats] in Afghanistan. Eiser is van juli 2007 tot en met september 2015 in Afghanistan als tolk in dienst geweest van het Amerikaanse leger en de Office of Global Affairs (OGA). Eiser is acht jaar werkzaam geweest voor de OGA. Dat was een gevoelige afdeling binnen het Amerikaanse leger. De OGA heeft veel van de Taliban gearresteerd en verhoren afgenomen. Eiser was in de unit een bekend persoon. Vanwege deze werkzaamheden loopt zijn leven in Afghanistan gevaar. Er zijn al een aantal pogingen gedaan om hem van het leven te beroven. Een andere reden voor zijn vertrek heeft te maken met een Japanse landbouw ingenieur die op 26 augustus 2008 werd ontvoerd door de Taliban. Samen met anderen uit zijn dorp is eiser achter de ontvoerders aangegaan. Er ontstond een vechtpartij als gevolg daarvan is de ingenieur vermoord door de Taliban. De Taliban vluchtte, maar één terrorist die gewond was geraakt, heeft eiser opgepakt. Later bleek dat zijn buurman [naam] uit Pakistan te zijn. Hij is berecht en gevangengenomen. Van een familielid en tevens vriend van [naam] begreep hij dat de familie van [naam] naar hem op zoek is. De Taliban kan niet met de Amerikanen afrekenen, maar de Taliban is wel op zoek naar de tolken en vertalers. Ook vermoedt eiser dat de mensen die hij heeft ontslagen naar hem op zoek zijn.

1.1

Het wettelijk kader is opgenomen in de aangehechte bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet 2000 (Vw ) niet-ontvankelijk verklaard, omdat verweerder de Verenigde Staten (hierna: de VS) voor eiser als veilig derde land beschouwt.

3. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij een zodanige band heeft met de VS dat van hem redelijkerwijs mag worden verwacht dat hij naar dat land gaat, omdat hij nooit in de VS heeft verbleven. Uit artikel 3.106a, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en de memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van Vw ter implementatie van Richtlijn 2013/32/EU (PB 2013, L 180; hierna: de (huidige) Procedurerichtlijn; Tweede Kamer, 2014-2015, 34 088, nr. 3) volgt volgens eiser dat slechts sprake is van een zodanige band als de vreemdeling voor zijn komst naar Nederland in dat derde land heeft verbleven. Uit de nota van toelichting bij het Besluit tot wijzing van het Vb in verband met de implementatie van de Procedurerichtlijn, blijkt volgens eiser voorts dat met de implementatie van de huidige Procedurerichtlijn geen wijziging is beoogd van het voordien geldende uitgangspunt dat de vreemdeling reeds in het derde land diende te hebben verbleven alvorens dat voor hem als veilig derde land kan worden aangemerkt. De aanpassing van het beleid van verweerder in paragraaf C2/6.3 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) bij Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV) 2015/9, op grond waarvan ook in andere gevallen een band met het derde land wordt aangenomen, is niet door de wetgever beoogd bij de implementatie van de huidige Procedurerichtlijn. Eiser wijst er ook op dat artikel 38 van de huidige Procedurerichtlijn, waarin het concept van het veilig derde land is opgenomen, niet verschilt van het voordien geldende artikel 27 van Richtlijn 2005/85/EG (PB 2005, L 326; hierna: de oude Procedurerichtlijn).
Eiser verwijst daarnaast naar de conclusie van de staatsraad advocaat generaal mr. R.J.G.M. Widdershoven van 20 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2040), punt 3.47. Voorts wijst hij op het rapport van Asylum Information Database (AIDA) van 2016, ‘Admissibility, responsibility and safety in European asylum procedures’ (www.asylumineurope.org), waaruit blijkt dat de meeste lidstaten van de Europese Unie (EU) ervan uitgaan dat een vreemdeling eerder moet hebben verbleven in het derde land, om dat land als veilig derde land te kunnen aanmerken.
3.1 Verweerder erkent dat volgens het beleid over het veilig derde land, zoals dat gold voor de implementatie van de huidige Procedurerichtlijn en was opgenomen in paragraaf C2/6.2.4 Vc (oud), was vereist dat de vreemdeling eerder in het veilige derde land had verbleven. Uit de thans geldende paragraaf C2/6.3 Vc volgt echter dat het geen vereiste meer is dat de vreemdeling eerder in het veilige derde land heeft verbleven. De in paragraaf C2/6.3 Vc opgenomen opsomming van gevallen waarin wordt aangenomen dat de vreemdeling een band heeft met het betreffende derde land, is immers niet limitatief. Er kunnen ook andere redenen zijn om aan te nemen dat een band bestaat tussen een vreemdeling en een bepaald land, ook als hij daar niet eerder heeft verbleven. Verweerder verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 20 januari 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:489) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 februari 2017 (201700851/1/V2; niet gepubliceerd), waarin voormelde uitspraak van de rechtbank is bevestigd.

3.2

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h, Vw (oud), zoals dat gold voor de implementatie van de huidige Procedurerichtlijn, werd bij het onderzoek naar de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd mede de omstandigheid betrokken dat de vreemdeling heeft verbleven in een derde land. Volgens het beleid over de toepassing van die bepaling in paragraaf C2/6.2.4 Vc (oud), leidde die omstandigheid, als de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat het derde land zijn verdragsverplichtingen ten aanzien van hem niet nakomt, tot afwijzing van de aanvraag.
Op grond van het huidige artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, Vw kan een aanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard indien een derde land voor de vreemdeling als veilig derde land wordt beschouwd. Ingevolge het derde lid van artikel 30a Vw wordt voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de Vw die niet-ontvankelijkverklaring gelijkgesteld met een afwijzing van de aanvraag.
Aan de toepassing van het begrip ‘veilig derde land’ wordt in de wet, anders dan voor de implementatie van de huidige Procedurerichtlijn, dus niet meer de voorwaarde verbonden dat de vreemdeling heeft verbleven in het derde land. Volgens het huidige beleid in paragraaf C2/6.3 Vc is het eerdere verblijf in het derde land een van de omstandigheden waarin verweerder in elk geval aanneemt dat de vreemdeling een band heeft met dat derde land.

Eiser stelt op zichzelf terecht dat uit de memorie van toelichting bij de wet tot implementatie van de huidige Procedurerichtlijn niet duidelijk blijkt dat sprake is van een wijziging van het tot dan toe geldende uitgangspunt van de wettelijke regeling, dat de vreemdeling eerder heeft verbleven in het derde land, met name niet omdat de voorbeelden die in de toelichting worden gegeven steeds betrekking hebben op de situatie dat de vreemdeling eerder heeft verbleven in een veilig derde land. Anders dan eiser heeft betoogd, blijkt uit de memorie van toelichting, of uit de nota van toelichting bij de wijziging van het Vb, echter ook niet dat met de wetswijziging uitdrukkelijk geen wijziging is beoogd van het uitgangspunt dat de vreemdeling eerder in het derde land moet hebben verbleven. De wettekst van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, Vw is in die zin op zichzelf voldoende duidelijk, omdat daarin aan het niet-ontvankelijk verklaren van de aanvraag omdat een derde land voor de vreemdeling als veilig derde land wordt beschouwd, niet de voorwaarde wordt verbonden dat de vreemdeling eerder heeft verbleven in dat derde land. Gelet daarop kan verweerder voorts worden gevolgd in zijn uitleg van het bepaalde in artikel 3.106a, derde lid, Vb, dat, indien sprake is van een situatie dat de vreemdeling eerder heeft verbleven in het derde land, de aard, duur en omstandigheden van dat eerdere verblijf in de beoordeling moeten worden betrokken. Aan die bepaling kan derhalve evenmin een zelfstandige voorwaarde worden ontleend dat de vreemdeling eerder in het veilig derde land moet hebben verbleven.

Uit het voorgaande volgt dat na de implementatie van de huidige Procedurerichtlijn niet slechts sprake is van een beleidswijziging, op grond waarvan thans niet meer als voorwaarde geldt dat de vreemdeling eerder moet hebben verbleven in het veilige derde land, maar dat die wijziging is voorzien bij wet. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat het thans geldende beleid, opgenomen in paragraaf C2/6.3 Vc, op grond waarvan ook in andere gevallen dan eerder verblijf een band met het derde land wordt aangenomen, in strijd is met de wet. Er is evenmin grond voor het oordeel dat de wet en het beleid in strijd zijn met de Procedurerichtlijn. In artikel 38, tweede lid, aanhef en onder a, van de richtlijn is immers bepaald dat de toepassing van het begrip ‘veilig derde land’, waaronder voorschriften waarbij een band tussen de verzoeker en het betrokken derde land wordt vereist op grond waarvan het voor de betrokkene redelijk zou zijn naar dat land te gaan, is onderworpen aan voorschriften in het nationale recht.
De conclusie van de staatsraad advocaat-generaal van 20 juli 2016, waarnaar eiser heeft verwezen, biedt geen grond voor een ander oordeel, nu daarin niet wordt gesteld dat een voorwaarde voor toepassing van het begrip ‘veilig derde land’ is dat de vreemdeling eerder in dat land moet hebben verbleven
Dat de meeste lidstaten van de EU, anders dan Nederland en overigens het Verenigd Koninkrijk, aan de toepassing van het begrip ‘veilig derde land’ wel de voorwaarde stellen dat de vreemdeling eerder in dat land moet hebben verbleven, maakt het voorgaande niet anders, nu artikel 38 van de Procedurerichtlijn de ruimte laat aan een nationale invulling van het begrip en de voorwaarden waaronder een band van de vreemdeling met het veilige derde land wordt aangenomen.

De beroepsgrond slaagt niet.

4. Eiser voert subsidiair aan dat verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 3.106a, derde lid, Vb niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser, zonder eerder te hebben verbleven in de VS, een zodanige een band heeft met de VS dat van hem gevergd kan worden zich voor bescherming tot de VS te wenden en waarom het werken voor de Amerikaanse strijdkrachten in Afghanistan tot een dergelijke band met de VS leidt. Eiser behoort tot geen van de in paragraaf C2/6.3 Vc genoemde categorieën vreemdelingen, voor wie in ieder geval wordt aangenomen dat zij een band met een derde land hebben. De situatie van eiser heeft ook geen enkel raakvlak met de in het beleid genoemde gevallen. Daarom rust op verweerder de plicht om te motiveren waarom wel sprake is van een dergelijke band.
Eiser verwijst naar de rapporten van de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) van 23 maart 2016, ‘Legal considerations on the return of asylm-seekers and refugees from Greece to Turkey as part of the EU-Turkey Cooperation in Tackling the Migration Crisis under the safe third country and first country of asylum concept’ (www.refworld.org) en van de European Council of Refugees and Exiles (ECRE) van november 2016, ‘ECRE Comments on the Commission Proposal of an Asylum Procedures Regulation COM (2016) 467’ (www.ecre.org). In die rapporten wordt betoogd dat een betekenisvolle band met het veilige derde land noodzakelijk is en dat zelfs doorreis niet genoeg is om deze band aan te nemen.
Eiser verwijst voorts naar de brief van verweerder aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, in antwoord op kamervragen, van 18 september 2014 (558046), waarin verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat het enkele feit dat iemand een beperkte periode voor een Nederlandse missie heeft gewerkt, onvoldoende is om de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een asielaanvraag over te nemen. Niet duidelijk is waarom verweerder dan aanneemt dat eiser wegens zijn werkzaamheden voor de Amerikanen in Afghanistan wel een zodanige band heeft met de VS dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.

4.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser een zodanige band heeft met de VS dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Daartoe wijst verweerder op sectie 602b van de Amerikaanse ‘Afghan Allies Protection Act of 2009’, een speciaal beschermingsprogramma voor plaatselijke Afghaanse medewerkers die voor de Amerikaanse autoriteiten hebben gewerkt. Op grond daarvan kan eiser een visum aanvragen voor verblijf in de VS. Uit door eiser overgelegde verklaringen van de Amerikaanse autoriteiten in Afghanistan van 14 mei 2016 en 1 mei 2014 blijkt dat eiser in aanmerking komt voor bescherming in de VS op grond van het speciale beschermingsprogramma. Uit de door eiser overgelegde verklaringen van de Amerikaanse autoriteiten blijkt ook dat hij daartoe een verzoek heeft ingediend, en dat dat verzoek is geaccepteerd. Gelet op zijn dienstverband voor de Amerikanen van meer dan acht jaar en de verklaringen die eiser heeft overgelegd, waaruit blijkt dat zij zijn diensten waarderen en hem op basis daarvan bescherming aanbieden, heeft eiser een band met de VS.

4.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met voormeld standpunt deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser, ondanks dat hij niet eerder in de VS heeft verbleven, een band heeft met de VS in de zin van artikel 3.106a, tweede en derde lid, Vb en paragraaf C2/6.3 Vc. Eiser heeft immers gedurende een periode van acht jaar voor de Amerikaanse autoriteiten in Afghanistan gewerkt en zij hebben blijkens de door eiser overgelegde verklaringen zijn werkzaamheden gewaardeerd. Daarin verschilt de situatie van eiser van die in de door hem aangehaalde rapporten van de UNHCR en ECRE, waarin het gaat om een band die wordt aangenomen uitsluitend omdat het derde land als doorreisland heeft gefungeerd. Daarbij komt in het bijzonder betekenis toe aan de omstandigheid dat de VS eiser wegens zijn werkzaamheden voor de Amerikanen in Afghanistan bescherming hebben aangeboden op grond van het speciale beschermingsprogramma, op grond waarvan eiser in beginsel gerechtigd is een visum aan te vragen voor verblijf in de VS.
Dat Nederland zich blijkens de door eiser aangehaalde brief van verweerder aan de Tweede Kamer van 18 september 2014 kennelijk niet verantwoordelijke achtte voor het asielverzoek van een Afghaanse tolk die voor de Nederlandse autoriteiten in Afghanistan had gewerkt, maakt op zichzelf niet dat verweerder daarom thans ten onrechte een band van eiser met de VS heeft aangenomen. Anders dan Nederland, hebben de VS immers een speciaal beschermingsprogramma voor Afghanen die in Afghanistan voor hen hebben gewerkt, waardoor zij zich in beginsel wel verantwoordelijk achten voor de bescherming van eiser.

De beroepsgrond slaagt niet.

5. Eiser voert voorts aan dat verweerder niet heeft aangetoond dat de VS eiser daadwerkelijk zullen toelaten tot hun grondgebied. Uit de bewoordingen in artikel 38, vierde lid, van de Procedurerichtlijn, wanneer het derde land een verzoeker niet tot zijn grondgebied toelaat, volgt volgens eiser dat verweerder op voorhand moet vaststellen of eiser toegang krijgt tot de Verenigde Staten. Als hier geen sprake van is, moet hij immers zorgdragen voor een inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag overeenkomstig de waarborgen van de Procedurerichtlijn. De bewijslast of eiser tot de VS zal worden toegelaten ligt volgens eiser daarom bij verweerder. Het beleid, opgenomen in paragraaf C2/6.3 Vc, op grond waarvan er redenen dienen te zijn om aan te nemen dat de vreemdeling zal worden toegelaten tot het veilige derde land, moet daarom buiten toepassing worden gelaten wegens strijd met artikel 38 van de Procedurerichtlijn.
Volgens eiser is het bestreden besluit, met als rechtsgevolg dat hij Nederland en de EU binnen vier weken moet verlaten, daarom voorts in strijd met artikel 3 van de Richtlijn 2008/115/EG (Pb 2008 L 348/98, hierna: de Terugkeerrichtlijn). Op grond van die bepaling is sprake van ‘terugkeer’ indien een onderdaan van een derde land terugkeert naar, voor zover hier van belang, een derde land waarnaar hij besluit vrijwillig terug te keren en waar deze wordt toegelaten. Dit impliceert dat toelating tot het derde land zeker moet zijn.
Het gevolg van het bestreden besluit is, dat eiser niet in Nederland mag blijven om de uitkomst van de Amerikaanse procedure tot afgifte van een visum af te wachten, terwijl hij zich volgens het bestreden besluit juist tot de VS dient te wenden voor bescherming en verweerder, als de VS eiser niet toelaten tot hun grondgebied, eiser alsnog toegang zal moeten geven tot de Nederlandse asielprocedure. Eiser wijst ook op de lange duur van de Amerikaanse visumprocedure (410 dagen).
Eiser betoogt voorts dat niet vaststaat dat hij daadwerkelijk toegang zal krijgen tot de VS op grond van de ‘Afghan Allies Protection Act of 2009’. Uit de website van US Department of State (travel.state.gov) blijkt dat er te weinig visa beschikbaar zijn voor Afghanen die voor de Amerikanen hebben gewerkt om alle aanvragers van een visum te kunnen voorzien. Voorts blijkt uit die website dat geen interviews met aanvragers meer worden gepland na 1 maart 2017. Volgens het departement zijn er inmiddels zoveel aanvragen in het laatste stadium van de procedure dat daarmee alle resterende visa worden vergeven. Eiser beschikt weliswaar over de vereiste aanbevelingsbrief om een visum te kunnen aanvragen op grond van de ‘Afghan Allies Protection Act of 2009’, maar dat zegt niet dat eiser zeker is van een verblijf in de VS op grond van het beschermingsprogramma voor tolken of op basis van het algemene beschermingsprogramma voor Afghanen die voor de Amerikanen hebben gewerkt.
5.1 Verweerder stelt zich onder verwijzing naar het beleid in paragraaf C2/6.3 Vc op het standpunt dat eiser niet heeft aangetoond dat er redenen zijn om aan te nemen dat hij niet zal worden toegelaten tot de VS. Gelet op het sectie 602b van de ‘Afghan Allies Act of 2009’ en de twee brieven van de Amerikaanse autoriteiten van 14 mei 2016 en 1 mei 2014 zijn er voldoende redenen om aan te nemen dat eiser toegang zal krijgen tot de VS. Verder wijst verweerder op informatie op de websites van de US Citizenship and Immigration Services (USCIS), de US State Department en de Amerikaanse Ambassade in Kaboel. Hieruit blijkt dat er twee speciale programma’s bestaan voor Afghaanse medewerkers: ‘Special immigrant visas for Afghan translaters/interpreters’ en ‘Special immigrants visas for Afghans who were employed by/on behalf of the U.S government’ (travel.state.gov). Uit de policy manual van USCIS blijkt dat Afghanen die als tolk/vertaler hebben gewerkt de ‘code of admission’ “SI” krijgen en andere Afghanen die voor de Amerikaanse overheid hebben gewerkt de ‘code of admission’ “SQ” (www.uscis.gov; policy manual geldig vanaf 5 januari 2017).
Eiser is tussen 2007 en 2015 als tolk/vertaler en in andere functies werkzaam geweest voor het Amerikaanse leger en een andere Amerikaanse overheidsinstelling. In beginsel zal eiser dus voor beide speciale regelingen in aanmerking komen. Uit de website van de US State Department volgt, anders dan eiser stelt, volgens verweerder niet dat eiser niet (meer) in aanmerking komt voor verblijfsaanvaarding op grond van de ‘Afghan Allies Protection Act’. De opmerking dat er na 1 maart 2017 geen interviews worden gepland, gaat enkel over aanvragers in de SQ categorie. Voorts blijkt niet dat er geen visa in de SQ meer worden afgegeven. Daarnaast komt eiser nog in aanmerking voor de categorie visa SI. Bovendien zijn er 1.500 extra visa voor Afghaanse medewerkers toegezegd en is de deadline om de aanvraag in te dienen verlengd tot 31 december 2020.

5.2

Anders dan eiser heeft betoogd, volgt uit artikel 38, vierde lid, van de Procedurerichtlijn niet dat op voorhand, ten tijde van het besluit, dient vast te staan dat de vreemdeling wordt toegelaten tot het veilige derde land. In voornoemde bepaling is immers niet meer tot uitdrukking gebracht dan dat de lidstaat de vreemdeling toegang dient te verlenen tot zijn asielprocedure, wanneer het derde land de vreemdeling niet tot zijn grondgebied toelaat. Niet is niet bepaald op welke wijze de lidstaten moeten beoordelen of een vreemdeling zal worden toegelaten tot het derde land. Uitgangspunt is het bepaalde in het tweede lid van artikel 38, op grond waarvan de toepassing van het begrip ‘veilig derde land’ is onderworpen aan voorschriften in het nationale recht.
Uit artikel 3, aanhef en onder 3, aanhef en onder het derde gedachtestreepje, van de Terugkeerrichtlijn volgt evenmin dat op voorhand dient vast te staan dat de vreemdeling wordt toegelaten tot het veilige derde land. Uit de bepaling volgt niet meer dan dat eerst sprake is van terugkeer in de zin van de richtlijn indien de betrokken vreemdeling daadwerkelijk toegang heeft verkregen tot zijn land van herkomst of, zoals in dit geval, het derde land (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 5 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3473). In de Terugkeerrichtlijn is niet bepaald dat reeds bij het nemen van het terugkeerbesluit dient vast te staan dat de vreemdeling ook zal worden toegelaten tot het land waarnaar hij moet terugkeren.

5.3

Gelet op het voorgaande is er geen grond voor het oordeel dat het beleid van verweerder, zoals opgenomen in paragraaf C2/6.3 Vc, op grond waarvan verweerder een aanvraag alleen niet-ontvankelijk verklaart op grond van artikel 30a, eerste lid, onder c, Vw, indien er redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling wordt toegelaten tot het veilige derde land, buiten toepassing dient te blijven wegens strijd met de Procedurerichtlijn of de Terugkeerrichtlijn. Dat in het beleid zoals dat van toepassing was voor de implementatie van de huidige Procedurerichtlijn, opgenomen in C2/6.2.4 Vc (oud), nog was bepaald dat verweerder diende vast te stellen dat het derde land de vreemdeling toelaat, zoals eiser heeft opgemerkt, maakt niet dat het huidige beleid om die reden kennelijk onredelijk moet worden geacht. Verweerder heeft ter toelichting op het huidige beleid verwezen naar punt 44 van de preambule van de huidige Procedurerichtlijn, waaruit ook volgt dat het concept van ‘veilig derde land’ kan worden toegepast, indien er redenen zijn om aan te nemen dat de verzoeker tot dat land zal worden toegelaten of opnieuw zal worden toegelaten. Dat een overweging van een preambule niet op zichzelf het materiële recht kan bepalen, zoals eiser onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van Hof van Justitie heeft opgemerkt, maakt niet dat verweerder niet ter toelichting van zijn beleid naar de preambule kan verwijzen. Het is immers niet de overweging van de preambule, maar het beleid van verweerder dat in dit geval het materiële recht bepaalt. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, is dat beleid niet strijdig met enige materiële bepaling van de Procedurerichtlijn of de Terugkeerrichtlijn.

5.4

Anders dan verweerder in het bestreden besluit en zijn toelichting daarop lijkt te veronderstellen, volgt uit het beleid, bedoeld in paragraaf C2/6.3 Vc, niet dat het op de weg van de vreemdeling ligt om aan te tonen dat hij geen toegang zal krijgen tot het veilige derde land. Uit het beleid volgt dat het op de weg van verweerder ligt om redenen aan te dragen om aan te nemen dat de vreemdeling wordt toegelaten tot het veilige derde land.

5.5

Niet in geschil is dat eiser op grond van de door hem overgelegde verklaringen van de Amerikaanse autoriteiten van 14 mei 2016 en 1 mei 2014 in beginsel in aanmerking kan komen voor het speciale beschermingsprogramma op grond van sectie 602b van de Amerikaanse ‘Afghan Allies Protection Act’. Voorts is niet in geschil dat eiser, om daadwerkelijk te kunnen worden toegelaten tot de VS op grond van dat beschermingsprogramma, eerst een ‘Special Immigrants Visa’ zal dienen aan te vragen en dat hij dat tot op heden niet heeft gedaan. In geschil is, gelet op de beperkingen die er zijn in het aantal visa die de VS op grond van het speciale beschermingsprogramma afgeven, of aannemelijk is dat een dergelijk visum aan eiser zal worden verstrekt, op grond waarvan hij zal worden toegelaten tot de VS.

Volgens verweerder blijkt uit de door hem aangehaalde informatie van de website van de US Department of State (geraadpleegd op 31 maart 2017) dat de VS eind december 2016 1.500 extra visa voor Afghaanse medewerkers hebben toegezegd en dat er daarom reden is om aan te nemen dat eiser nog in aanmerking komt voor verblijfsaanvaarding op grond van het speciale beschermingsprogramma.
Uit diezelfde informatie blijkt echter ook dat die 1.500 visa beschikbaar zijn gesteld voor in totaal 8.500 aanvragen sinds 19 december 2014 en dat er voldoende aanvragen zijn in het laatste stadium van de procedure om alle resterende visa te kunnen uitgeven. Daarom zullen er na 1 maart 2017 geen interviews meer worden gepland met aanvragers in de categorie SQ. Voorts blijkt uit het ‘Visa Bulletin for May 2017’ van US Department of State (travel.state.gov), waarnaar eiser heeft verwezen, dat na 30 mei 2017 geen verdere visaverlening in de categorie SQ meer mogelijk zijn.
Dat eiser in elk geval nog in aanmerking kan komen voor een visum in de categorie SI, zoals verweerder heeft gesteld, kan niet worden afgeleid uit de door partijen ingebrachte informatie van de US Department of State. Voor alle visa geldt immers dat er voldoende aanvragen in het laatste stadium van de procedure zijn om alle resterende visa te kunnen uitgeven. Voorts blijkt uit voormeld ‘Visa Bulletin’ dat uitgifte van visa in de SI categorie pas weer mogelijk zal zijn vanaf oktober 2017, met een limiet van 50 visa voor het fiscale jaar 2018.

Gelet op voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk dat eiser binnen afzienbare tijd zal worden toegelaten tot de VS, nu die toelating afhankelijk is van de afgifte van een ‘Special Immigrants Visa’ die eiser nog zal moeten aanvragen. Uit de ingebrachte informatie van het US Department of State volgt dat eiser voorlopig een dergelijk visum niet zal kunnen aanvragen.

Als gevolg van het bestreden besluit zal eiser Nederland binnen 28 dagen dienen te verlaten.
Uit het voorgaande volgt dat hij binnen die termijn geen toegang zal kunnen verkrijgen tot de VS. Daarnaast zal verweerder eiser na afloop van de vertrektermijn niet kunnen uitzetten naar zijn land van herkomst, zolang hij het asielverzoek van eiser niet inhoudelijk heeft beoordeeld. Voorts zal verweerder, zoals volgt uit artikel 38, vierde lid, van de Procedurerichtlijn, eiser alsnog moeten toelaten tot de Nederlandse asielprocedure, als blijkt dat de VS eiser niet toelaten tot hun grondgebied. Daarom zal aannemelijk moeten zijn dat eiser binnen de aan hem opgelegde vertrektermijn zal worden toegelaten tot de VS. Verweerder heeft op zichzelf terecht erop gewezen dat eiser op grond van artikel 62, derde lid, Vw de mogelijkheid heeft om verlenging van de vertrektermijn te verzoeken. Op grond van artikel 6.3, tweede lid, Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV) kan die verlenging echter maximaal 90 dagen bedragen. Gelet op voormelde informatie van het US Department of State en de duur van een eventuele toekomstige visumprocedure, is evenmin aannemelijk dat eiser binnen die verlengende termijn in het bezit kan worden gesteld van een ‘Special Immigrants Visa’ en daarmee toegang zal verkrijgen tot de VS.

Anders dan verweerder heeft betoogd, volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 1 oktober 2003 (200303193/1, JV 2003/529) en 9 juni 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BQ7947) niet dat de aan de aan eiser opgelegde vertrektermijn niet in de beoordeling kan worden betrokken. Zoals in die uitspraken is overwogen, dient de rechter het besluit op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel te toetsen in het licht van de mede daaraan verbonden rechtsgevolgen. Anders dan in die uitspraken aan de orde, beoordeelt de rechtbank in dit geval die rechtsgevolgen niet los van de strekking van de beschikking op de aanvraag waaruit deze voortvloeien. Daarbij is van belang dat het in dit geval gaat om een besluit waarbij de asielaanvraag niet-ontvankelijk is verklaard omdat een derde land als veilig derde land wordt beschouwd. Anders dan bij een besluit tot afwijzing van een asielaanvraag, waarbij de wijze van terugkeer of uitzetting naar het land van herkomst niet binnen de strekking van dat besluit valt, ligt het bij een besluit waarbij een asielaanvraag niet-ontvankelijk wordt verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, Vw op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat de vreemdeling zal kunnen voldoen aan zijn terugkeerverplichting, in de zin van artikel 3, aanhef en onder 3, aanhef en onder het derde gedachtestreepje, van de Terugkeerrichtlijn, namelijk dat hij zal worden toegelaten tot het veilige derde land. De aannemelijkheid van de toelating tot het veilige derde land moet ook worden gezien in het licht van de uit artikel 38, vierde lid, van de Procedurerichtlijn voortvloeiende verplichting de vreemdeling alsnog toe te laten tot de asielprocedure, indien hij niet wordt toegelaten tot het veilige derde land, om een situatie te voorkomen waarin een vreemdeling nergens kan verblijven in afwachting van een beoordeling van zijn verzoek om internationale bescherming. Die beoordeling valt daarom binnen de strekking van het besluit waarbij de aanvraag op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, Vw niet-ontvankelijk is verklaard.

De beroepsgrond slaagt.

6. Het beroep is gegrond.

7. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

8. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.237,50 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de nadere schriftelijke reactie, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1.237,50 te betalen.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S.O.L. Chung A Hing, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2017.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


BIJLAGE

Recht van de Europese Unie

Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013

betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking); de Procedurerichtlijn

Artikel 38

[…]

2. De toepassing van het begrip „veilig derde land” is onderworpen aan voorschriften in het nationale recht, waaronder:

a. a) voorschriften waarbij een band tussen de verzoeker en het betrokken derde land wordt vereist op grond waarvan het voor de betrokkene redelijk zou zijn naar dat land te gaan;

(…)

c) voorschriften overeenkomstig de internationale wetgeving die voorzien in een afzonderlijke studie om na te gaan of het betrokken derde land voor een bepaalde verzoeker veilig is; deze voorschriften moeten ten minste de verzoeker in staat stellen de toepassing van het begrip „veilig derde land” aan te vechten op grond van het feit dat het derde land in zijn specifieke omstandigheden niet veilig is. De verzoeker moet ook in de gelegenheid worden gesteld om het bestaan van de onder a) bedoelde band tussen hem en het derde land aan te vechten.

[…]

4. Wanneer het derde land de verzoeker niet tot zijn grondgebied toelaat, zorgen de lidstaten ervoor dat toegang wordt verstrekt tot een procedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen die zijn beschreven in hoofdstuk II.

[…]

Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven; de Terugkeerrichtlijn

Artikel 3

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

[…]

3. “ terugkeer”: het proces waarbij een onderdaan van een derde land, vrijwillig gevolg gevend aan een terugkeerverplichting of gedwongen, terugkeert naar:
- zijn land van herkomst, of
- een land van doorreis overeenkomstig communautaire of bilaterale overnameovereenkomsten of andere regelingen; of
- een ander derde land waarnaar de betrokken onderdaan van een derde land besluit vrijwillig terug te keren en waar deze wordt toegelaten;

Nationale regelgeving

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 30a

1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien:

[…]

c. een derde land voor de vreemdeling als veilig derde land wordt beschouwd;

[…]

2. Het besluit een aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren, wordt voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet gelijkgesteld met een afwijzing.


[…]

Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 3.106a

[…]

2. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Wet wordt slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, van de Wet indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.

3. Bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, worden alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het eerder verblijf.

[…]

Vreemdelingencirculaire 2000

Paragraaf C2/6.3
[…]
De IND onderzoekt of de vreemdeling een zodanige band heeft met het derde land dat het van de vreemdeling redelijkerwijs verwacht mag worden dat hij naar dat land gaat.

De IND neemt in het de volgende gevallen in ieder geval aan dat de vreemdeling een band heeft met een derde land:
- de echtgenoot of partner van de vreemdeling heeft de nationaliteit van dat land;
- in dat land is de eerstelijns of directe familie woonachtig van de vreemdeling, waarmee nog contact is; of
- de vreemdeling heeft eerder in dat land verbleven.
[…]
De IND verklaart een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd alleen niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, onder c, Vw, indien er redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling wordt toegelaten tot het veilige derde land.