Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7115

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-06-2017
Datum publicatie
30-06-2017
Zaaknummer
C/09/529180 / KG ZA 17-367
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

IE: proceskostenveroordeling artikel 1019h Rv na intrekking kort geding over gestelde merkinbreuk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/529180 / KG ZA 17-367

Vonnis in kort geding van 28 juni 2017

in de zaak van

de vennootschap naar Frans recht

NAFTIS SAS,

gevestigd te Massy (Frankrijk),

eiseres,

advocaat mr. L. Kröger te Den Haag,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SYMEX B.V.,

gevestigd te Zeewolde,

gedaagde,

advocaat mr. E. Doornhein te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Naftis en Symex genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Naftis heeft op 22 maart 2017 Symex in kort geding doen dagvaarden om op 30 maart 2017 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Bij brief van 28 maart 2017 heeft Naftis de zaak ingetrokken. Bij brief van 10 april 2017 heeft Symex de voorzieningenrechter verzocht Naftis te veroordelen in de proceskosten, overeenkomstig artikel 1019h Rv1 te begroten op € 11.968,50 (exclusief BTW), te vermeerderen met eventueel griffierecht en de verdere kosten die Naftis nog maakt. Naftis heeft bij brief van 1 mei 2017 tegen deze vordering bezwaar gemaakt. Bij brief van 10 mei 2017 heeft Symex haar verzoek om voortzetting van de procedure in verband met de door Symex gemaakt proceskosten nader toegelicht. Bij brief van 19 mei 2017 heeft Naftis haar bezwaren tegen voortzetting toegelicht.

1.2.

Gelet op de door partijen ingenomen standpunten en nu partijen zulks niet verzoeken, acht de voorzieningenrechter behandeling ter zitting niet noodzakelijk. Vonnis is nader bepaald op heden.

2 Overwegingen

2.1.

In artikel 249 Rv is met betrekking tot de bodemprocedures bepaald dat de eiser bij afstand van instantie verplicht is de proceskosten van gedaagde te betalen. In zijn uitspraak van 3 juni 20162 heeft de Hoge Raad overwogen dat voormelde bepaling, tezamen met de artikelen 125-127 en 250 Rv, niet op het kort geding in eerste aanleg van toepassing is. Deze regels bieden echter wel aanknopingspunten op grond waarvan de voorzieningenrechter onder de door de Hoge Raad gegeven voorwaarden op vordering van gedaagde beslist op een tussen partijen gerezen geschil over de vergoeding van proceskosten na intrekking van een kort geding.

2.2.

In zijn uitspraak van 3 juni 2016 heeft de Hoge Raad voorts overwogen dat indien eiser het kort geding intrekt de aanhangigheid daarvan niet komt te vervallen indien de gedaagde tijdig aan de eiser en de voorzieningenrechter mededeelt dat het geding desondanks doorgang dient te vinden omdat hij een beslissing van de voorzieningenrechter omtrent de proceskosten verlangt. De door de Hoge Raad vastgestelde termijn waarbinnen de mededeling dient te worden gedaan, bedraagt veertien dagen na datum waartegen gedaagde oorspronkelijk was opgeroepen, waarna een dergelijke vordering (ook in een afzonderlijke procedure) niet meer mogelijk is (uitgezonderd het in door de Hoge Raad in r.o. 3.8.3-3.8.4 bepaalde overgangsregime).

2.3.

In deze zaak is de mededeling van Symex dat zij vergoeding van haar kosten vordert binnen de gestelde veertiendagentermijn gedaan. Immers, Symex is opgeroepen tegen de datum van 30 maart 2017 en haar brief met het verzoek tot vergoeding van haar kosten dateert van 10 april 2017.

2.4.

In de dagvaarding vorderde Naftis - kort gezegd - een bevel om iedere inbreuk op haar Uniemerkrecht te staken in het bijzonder door ieder gebruik van het teken Symex zowel online als offline en als handelsnaam te staken. Ook vorderde Naftis een verbod voor Symex om tijdens de beurs StocExpoEurope 2017 (te Rotterdam van 28 tot en met 30 maart 2017) het teken zoals in de dagvaarding onder I en/of II van het petitum beschreven te gebruiken, alles met nevenvorderingen. Bij brief van 28 maart 2017 heeft de advocaat van Naftis de voorzieningenrechter meegedeeld dat zij de procedure intrekt omdat de zitting pas op 30 maart 2017 kon plaatsvinden en “weinig soelaas voor de acute problemen van cliënte” kon bieden. Zij heeft aangekondigd een bodemprocedure te zullen starten aangezien dit een “geschikter forum” biedt voor het geschil. Bij brief van 1 mei jl. heeft zij als reden voor de intrekking daarnaast aangevoerd de omvang en inhoud van de door Symex op 28 maart 2017 ingediende stukken.

2.5.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter komt deze intrekking van de procedure ten gunste van het starten van een bodemprocedure voor risico van Naftis. Aan het argument dat de zittingsdatum te laat was om nog een verbod te kunnen bewerkstelligen tijdens de beurs StocExpoEurope 2017 en dat daarom het kort geding geen zin meer zou hebben, gaat de voorzieningenrechter voorbij. De vorderingen waren immers allereerst gericht op het verkrijgen van een algemeen inbreukverbod en zagen niet alleen op deze beurs. Bovendien was Naftis al vanaf 21 maart 2017 op de hoogte van de datum van de zitting en heeft vervolgens op 22 maart 2017 ervoor gekozen de dagvaarding daadwerkelijk uit te doen brengen. Desalniettemin heeft zij pas op 28 maart 2017 het kort geding ingetrokken, naar eigen zeggen mede naar aanleiding van de inhoud en omvang van de producties van Symex. Nu evenmin gebleken is dat Symex na dagvaarding vrijwillig aan de vorderingen heeft voldaan, betekent dit dat Naftis moet worden beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij en zal worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

2.6.

Symex vordert vergoeding van haar kosten die volgens haar gespecificeerde opgave tot en met de datum van intrekking € 11.483,50 (exclusief BTW en exclusief verschotten) bedragen. Aangezien Naftis bezwaar heeft gemaakt tegen de redelijkheid en evenredigheid van deze kosten, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de kosten te begroten op basis van de IE-indicatietarieven.3 Deze zaak moet worden aangemerkt als een normaal kort geding als bedoeld in de IE-indicatietarieven, waarbij het tarief van € 15.000,- geldt bij het voltooien van de kort geding procedure. Nu de zitting vanwege de intrekking niet is gehouden en de zaak kort voor de geplande datum is ingetrokken, acht de voorzieningenrechter een vergoeding van 2/3 deel van het tarief redelijk en evenredig, hetgeen neerkomt op € 10.000,-.

2.7.

Aangezien de voorzieningenrechter op het geschil over de proceskosten moet beslissen, zijn partijen op grond van artikel 3 lid 1 WGBZ4 (alsnog) griffierecht verschuldigd.5

2.8.

Naftis zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de overige kosten van deze procedure. Op de na intrekking gemaakte kosten is artikel 1019h Rv niet van toepassing, zodat deze kosten hierna overeenkomstig het liquidatietarief worden begroot.6 Nu ter beoordeling van dit proceskostengeschil geen zitting heeft plaatsgevonden en de verrichtingen van de advocaat ter zake vergoeding van een half punt (zijnde een kwart van het in kort geding gebruikelijke tarief van € 818,-, waarin twee punten zijn verdisconteerd), rechtvaardigen, worden de kosten aan de zijde van Symex begroot op € 822,-, waarvan € 618,- aan griffierecht en € 204,- aan salaris advocaat. De kostenveroordeling komt daarmee op € 10.822,-.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1.

veroordeelt Naftis in de proceskosten, tot dusver aan de zijde van Symex begroot op € 10.822,-;

3.2.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.M. Loos en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

2 ECLI:NL:HR:2016:1087

3 Indicatietarieven in IE-zaken, versie 1 april 2017

4 Wet griffierechten burgerlijke zaken

5 Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087, r.o. 3.7

6 Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087, r.o. 3.6