Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7110

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-06-2017
Datum publicatie
30-06-2017
Zaaknummer
16/29937
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- afwijzing aanvraag verlenging verblijfsvergunning bij partner en intrekking verblijfsvergunning

- Chakroun

- uitkering

- 8 EVRM

- belangenafweging

- kinderen

- ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/29937

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 14 juni 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. X.J. Polak.

Procesverloop

Eiseres heeft op 20 december 2016 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 2 december 2016 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 8 maart 2017. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Tunesische nationaliteit. Zij is op 25 juli 2008 gehuwd met [referent] (hierna: referent). Op 3 maart 2010 is aan eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend met als doel verblijf bij echtgenoot. Deze vergunning is laatstelijk verlengd op 13 april 2011. Op 22 januari 2016 heeft eiseres een aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning ingediend. Op 25 februari 2016 heeft verweerder een voornemen uitgebracht tot intrekking van de verleende verblijfsvergunning. Bij besluit van 7 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen en de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 1 januari 2012 ingetrokken.

2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat referent en eiseres sinds 1 januari 2012 een bijstandsuitkering ontvangen. Niet is aangetoond dat eiseres en referent buiten hun schuld een beroep doen op de bijstand terwijl evenmin is gebleken dat eiseres en referent voldoende inspanningen hebben verricht om de uitkering te beëindigen. Eiseres heeft van het faillissement van referent geen melding gemaakt bij verweerder, terwijl zij hiertoe wel gehouden was. De afwijzing van de aanvraag en de intrekking van de verblijfsvergunning leveren geen schending op van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) op.

3. Op wat eiseres daartegen heeft aangevoerd, wordt in het navolgende ingegaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

4. Tussen partijen is niet in geschil dat referent met ingang van 1 januari 2012 een uitkering naar de norm voor gehuwden ontvangt op grond van de Wet Werk en Bijstand en vervolgens per 1 januari 2015 op grond van de Participatiewet en dat eiseres thans niet meer voldoet aan de voorwaarden voor de aan haar verleende vergunning voor verblijf bij haar echtgenoot. Verweerder heeft op grond hiervan terecht geoordeeld dat het ontvangen van een bijstandsuitkering geen zelfstandig verworven inkomsten betreft en dat eiseres geen eigen middelen heeft om in haar levensonderhoud te voorzien. Het beroep van eiseres op de rechtspraak naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 4 maart 2010, C-578/08, Chakroun, (ECLI:EU:C:2010:117) kan reeds hierom niet slagen. Dat referent volgens eigen zeggen buiten zijn schuld om failliet is verklaard maakt dit niet anders.

5. Als de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan worden afgewezen, omdat de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft geheel of ten dele een beroep doet op de publieke middelen, zal verweerder moeten bezien of de gevolgen voor de vreemdeling niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het middelenvereiste te dienen doelen.

6. Vast staat verder dat eiseres niet eerder dan op 21 januari 2016 aan verweerder heeft doorgegeven dat haar inkomenssituatie was gewijzigd. Uit de toepasselijke regelgeving, artikel 19 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) jo. artikel 18, eerste lid, sub d, van de Vw en gelezen in samenhang met artikel 4.43, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 volgt dat een vreemdeling die niet langer aan een beperking voldoet waaronder de verblijfsvergunning is verleend, dit binnen vier weken meedeelt aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Daarnaast staat op het aanvraagformulier vermeld ‘wijzigingen in mijn situatie die te maken hebben met mijn verblijfsrecht geef ik direct door aan de IND’. Vast staat dat eiseres dan ook had moeten of had behoren te weten dat zij wijzigingen direct door diende te geven aan de IND. Dit heeft zij niet gedaan. De vraag is of eiseres dit verwijtbaar heeft nagelaten. Bij de verlengingsaanvraag heeft eiseres verklaard dat zij dacht dat het faillissement en de periode van een bijstandsuitkering een tijdelijke situatie zou zijn. De rechtbank leidt hieruit af dat eiseres wist dat zij het faillissement van referent en de verkrijging door hem van de bijstandsuitkering had dienen te melden, maar er vanwege haar moverende redenen voor heeft gekozen het destijds niet te doen. Dit nalaten is verwijtbaar. Verweerder heeft het niet tijdig melden dan ook terecht bij de belangenafweging betrokken.

7. Verder is in geschil de vraag of eiseres en referent voldoende inspanningen hebben verricht om zelfstandig inkomsten te verwerven om daarmee een beroep op de openbare kas te voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, ondanks dat tussen partijen niet in geschil is dat referent gelet op zijn faillissement niet vrijwillig werkloos is geworden, de belangenafweging daarmee niet in het voordeel van eiseres uitvalt, omdat referent en eiseres niet hebben aangetoond voldoende inspanningen te hebben verricht om het beroep op de openbare kas te voorkomen en onvoldoende hebben aangetoond dat zij niet in staat waren om (wederom) zelfstandig te beschikken over voldoende middelen van bestaan. Referent heeft al sinds januari 2012 een bijstandsuitkering naar de voornoemde norm en eiseres heeft ook geen betaalde arbeid verricht gedurende de periode dat zij over een verblijfsvergunning beschikte die haar daartoe in staat stelde. Eiseres en referent hebben weliswaar gesteld vele inspanningen te hebben verricht om een baan te vinden, maar hebben deze inspanningen niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Zij hebben zelfs niet aannemelijk gemaakt dat zij in de relevante periode daadwerkelijk hebben gesolliciteerd. De enkele omstandigheid dat eiseres naar aanleiding van de hoorzitting in de bezwaarfase in september 2016 vrijwilligerswerk is gaan verrichten, maakt niet dat voldoende inspanningen zijn verricht.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heef verweerder alle relevante belangen in de afweging betrokken. Van belang hierbij is nog dat referent weliswaar medische klachten heeft, maar dat hij volgens een in opdracht van de Sociale Dienst Drechtsteden verricht arbeidskundig onderzoek wel in staat wordt geacht om aangepast werk - zoals conciërge, huismeester, portier of receptionist - te verrichten. Eiseres heeft in dit verband geen andersluidende medische of arbeidskundige stukken overgelegd. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de belangenafweging niet in haar nadeel zou mogen uitvallen.

9. Voorts is niet in geschil dat eiseres, referent en hun minderjarige kinderen met elkaar een familieleven hebben in Nederland, zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Dienaangaande geldt dat dit artikel op zich geen recht geeft op toelating of domiciliekeuze. Verder geldt dat op grond van dit artikel een restrictief migratiebeleid mag worden gevoerd in het algemeen belang van het economisch welzijn van een land, hetgeen erop neer komt dat alleen een verblijfsvergunning wordt verleend, indien aan de voorwaarden voor toelating is voldaan.

10. Niet kan worden gezegd dat verweerder het algemeen belang van de Nederlandse staat niet op een evenwichtige manier heeft afgewogen tegen het individuele belang van eiseres om haar familieleven in Nederland voort te zetten. Verweerder heeft daarbij alle belangen op kenbare wijze in de afweging betrokken. Verweerder heeft in dit verband mogen verwijzen naar de reeds eerder gemaakte belangenafweging in het kader van het middelenvereiste. In dat kader is reeds in zijn algemeenheid een afweging gemaakt tussen het belang van eiseres op uitoefening van familie- of gezinsleven en het belang van de Nederlandse overheid. Verweerder heeft doorslaggevende betekenis mogen toekennen aan de vaststelling dat niet is gebleken van objectieve belemmeringen voor eiseres en referent om hun familieleven in Tunesië uit te oefenen. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiseres eerst in 2010 Nederland is ingereisd en dat zij het grootste deel van haar leven in dat land heeft doorgebracht. Nu ook de kinderen een deels Tunesische achtergrond hebben en referent en eiseres in 2008 in Tunesië in het huwelijk zijn getreden, worden banden met Tunesië aanwezig geacht. Noch de worteling van eiseres in Nederland, de jonge kinderen met de Nederlandse nationaliteit noch de fysieke problemen van referent kunnen gelden als objectieve belemmering. Dat verweerder, zoals eiseres stelt, de banden van eiseres en haar gezin met Tunesië nader had moeten onderzoeken, volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft immers niet met objectieve gegevens aannemelijk gemaakt dat er sprake is van objectieve belemmeringen. Voor zover eiseres daarnaast heeft gesteld dat een en ander subjectieve belemmeringen oplevert en dat sprake is van ‘a certain degree of hardship’, heeft verweerder er terecht op gewezen dat dit door eiseres niet is geconcretiseerd. Bovendien is niet gebleken dat eiseres in de toekomst niet aan de voorwaarden voor verblijf in Nederland kan voldoen. Weigering om eiseres verblijf in Nederland toe te staan betekent daarom niet dat gezinsleven in Nederland op lange termijn onmogelijk is.

11. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het algemeen belang dan aan het persoonlijk belang van eiseres. Het beroep op artikel 8 van het EVRM faalt derhalve.

12. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden de aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft afgewezen en de eerder verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2012 heeft ingetrokken.

13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Valk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2017.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.