Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7072

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-06-2017
Datum publicatie
28-06-2017
Zaaknummer
C-09-474064-HA ZA 14-1101
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Collectieve actie tegen Aegon over KoersPlan, VermogensPlan en FundPlan in de periode van 1989 tot en met 2004. Riav en ongeschreven rechtsnormen. Bijzondere zorgplicht? Onvoldoende voorlichting? Misleiding? Crashrisico. Fata morgana-effect. Wilsovereenstemming (hoogte van) kosten en overlijdensricisopremie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/474064 / HA ZA 14-1101

Vonnis van 28 juni 2017

in de zaak van

1. de vereniging

VERENIGING WOEKERPOLIS.NL,

gevestigd te Amsterdam,

2. [eiser 2] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

3. [eiser 3] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

4. [eiser 4] ,

wonende te [woonplaats 3] ,

eisers,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

TEGEN

1. de naamloze vennootschap

AEGON LEVENSVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Den Haag,

advocaat: mr. B.W.G. van der Velden te Amsterdam,

2. de naamloze vennootschap

AEGON SPAARKAS N.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

advocaat: mr. A.Ch.H. Franken te Amsterdam,

gedaagden.

Eiseres sub 1 zal hierna de Vereniging worden genoemd. Eisers sub 2, 3 en 4 zullen worden aangeduid als respectievelijk [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] . Eisers zullen gezamenlijk worden aangeduid als de Vereniging c.s. Gedaagden zullen worden aangeduid als Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas en zullen gezamenlijk (in enkelvoud) Aegon worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 28 oktober 2015 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de akte overlegging producties, tevens akte vermeerdering (grondslag) van eis van de zijde van de Vereniging;

  • -

    de antwoordakte van de zijde van Aegon;

  • -

    het proces-verbaal van pleidooi van 17 januari 2017, het daarin genoemde stuk en de tijdens het pleidooi door partijen voorgedragen pleitnota’s.

1.2. Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

I Inleiding

2.1. De op de voet van artikel 3:305a BW ingestelde primaire vordering van de Vereniging had betrekking op 115 producten, die waren opgesomd in een door haar bij de dagvaarding overgelegd “Overzicht Woekerpolissen” met productnamen van beleggingsverzekeringen van Aegon. In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de primaire vordering dient te worden afgewezen, omdat de Vereniging ten aanzien van 112 van de 115 genoemde producten niet voldoet aan de in artikel 3:305a BW gestelde eisen voor ontvankelijkheid in een collectieve actie.

2.2. Nu resteren de drie voorbeeldproducten waarop de subsidiaire vordering ziet: KoersPlan, VermogensPlan en FundPlan (tezamen ook: ‘de voorbeeldproducten’), die zijn aangeboden door Aegon en haar rechtsvoorgangers, waaronder Spaarbeleg. Dat zijn ook de door de drie individuele eisers afgesloten beleggingsverzekeringen. Ten aanzien van de voorbeeldproducten is in het tussenvonnis geoordeeld dat de vorderingen onder XXXIV, XXXVIII, LIII, LVII, LXXI en LXXV niet toelaatbaar zijn op grond van artikel 3:305a BW en daarom moeten worden afgewezen.

2.3. Na het tussenvonnis, waarin ook is beslist dat de incidentele vordering ex art 843a Rv van de Vereniging zal worden afgewezen, heeft de Vereniging haar eis in de hoofdzaak gewijzigd. De gewijzigde eis is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

2.4. Na het tussenvonnis heeft een aktewisseling plaatsgehad, naar aanleiding van het op de voet van artikel 22 Rv aan de Vereniging gegeven bevel van de rechtbank alle relevante contractdocumentatie met betrekking tot de voorbeeldproducten over de relevante periode in het geding te brengen en deze vergezeld te laten gaan van een nadere concretisering van haar verwijten per periode waarin de bedoelde contractdocumentatie voor het desbetreffende voorbeeldproduct werd gebruikt. De aktes na het tussenvonnis worden hierna per partij aangeduid als ‘(de) akte’.

kern van het geschil

2.5. De kern van het geschil is of Aegon met de door haar verstrekte informatie de verzekeringnemers in staat heeft gesteld een goed geïnformeerde en weloverwogen aankoopbeslissing te nemen en of zij – zoals de Vereniging stelt – haar verzekeringnemers heeft misleid. In verband daarmee is onderwerp van debat of (de hoogte van) alle in rekening gebrachte kosten en overlijdenspremies zijn overeengekomen. Voorts is in geschil of Aegon gebrekkige producten in het verkeer heeft gebracht en of de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten oneerlijke bedingen bevatten.

2.6. Aegon heeft de voorbeeldproducten in de relevante periode (van 1989 tot en met 2004) op grote schaal verkocht aan consumenten, in een tijd dat de maatschappelijke belangstelling voor beleggen fors toenam, met een door Aegon onbetwist aangeduide stijging van ‘het aantal beleggende huishoudens’ tussen 1997 en 2000 van 600.000 tot ruim 1,9 miljoen.

2.7. De informatieverstrekking over beleggingsverzekeringen, die door de Vereniging worden aangeduid als ‘woekerpolissen’, een term waartegen Aegon zich verzet, is een onderwerp waarover de in de maatschappij levende inzichten in de loop der jaren zijn veranderd. Naar niet in geschil is, is de aanleiding voor de maatschappelijke onrust over beleggingsverzekeringen in de eerste plaats gelegen in de tegenvallende rendementen als gevolg van het feit dat de rendementen van beleggingen in toenemende mate onder druk kwamen te staan. Deze onrust heeft vanaf 2005 geleid tot de in het tussenvonnis onder 2.10 en verder aangeduide onderzoeken en adviezen van de Autoriteit Financiële Markten (AFM), de Commissie De Ruiter en de Ombudsman Financiële Dienstverlening en voorts tot de Stichtingsakkoorden die Aegon in 2009 heeft gesloten met twee stichtingen en drie verenigingen, met afspraken over een vergoeding in de vorm van maximering van de in rekening gebrachte kosten en risicopremies van door Aegon aangeboden beleggingsverzekeringen, waaronder de voorbeeldproducten.

2.8. Naar aanleiding van deze ontwikkelingen heeft Aegon productverbeteringen doorgevoerd, ook met betrekking tot de voorbeeldproducten. In dat verband zijn onder meer de overlijdensrisicopremies en de kosten verlaagd. Naar aanleiding van de hierna te noemen KoersPlanzaak heeft Aegon de overlijdensrisicopremies van de spaarkasverzekeringen die in de periode van 1989 tot en met 1998 door Spaarbeleg zijn aangeboden, herberekend. Aegon heeft onweersproken toegelicht dat dit bij veel verzekeringnemers leidt tot (verdere) verlaging van de overlijdensrisicopremie.

2.9. De in de loop der jaren gewijzigde maatschappelijke opvattingen hebben hun weerslag gevonden in een ingrijpende wijziging van de regelgeving voor informatieverstrekking door aanbieders van beleggingsverzekeringen vanaf 2006. De door de rechtbank aan te leggen toets is niet die van het nu geldende aangescherpte normenkader. De rechtbank dient te toetsen aan het normenkader dat gold ten tijde van het aanbieden van de voorbeeldproducten door Aegon, van 1989 tot en met 2004. Dat normenkader dateert van vóór de vanaf 2005 uitgebrachte, hiervoor genoemde, adviezen over beleggingsverzekeringen en de daarna doorgevoerde aanscherpingen van de regelgeving en stelt minder verstrekkende eisen aan de informatieverstrekking over beleggingsverzekeringen dan de nu geldende regels.

de KoersPlanzaak

2.10. Over KoersPlan is eerder een collectieve actie gevoerd, door Stichting Koersplandewegkwijt. In die procedure, die hierna ook wordt aangeduid als ‘de KoersPlanzaak’ heeft het gerechtshof te Amsterdam op 26 juli 2011 arrest gewezen (ECLI:NL:GHAMS:2011:BR2836), dat hierna wordt aangeduid als ‘het arrest van het gerechtshof in de KoersPlanzaak’, dat is gevolgd door het arrest van 14 juni 2013 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2013:BZ3749).

2.11. De KoersPlanzaak had betrekking op KoersPlanovereenkomsten die tussen 1989 en 1998 zijn afgesloten. Deze zaak gaat over de hele periode dat KoersPlan werd aangeboden, van 1989 tot 2004. In deze zaak is een aantal dezelfde onderwerpen aan de orde als in de KoersPlanzaak. De Vereniging heeft ook nieuwe verwijten geformuleerd, die niet in de KoersPlanzaak aan de orde zijn geweest. De in de KoersPlanzaak gegeven oordelen zijn niet bindend in deze zaak. Alle verwijten van de Vereniging over KoersPlan dienen op hun eigen merites te worden bezien, op grond van de in deze zaak gevoerde partijdiscussie.

de verwijten van de Vereniging

2.12. Samengevat en op hoofdlijnen verwijt de Vereniging Aegon het volgende:

  1. het in het verkeer brengen van gebrekkige producten die niet bestand zijn tegen forse koersdalingen;

  2. het onvoldoende waarschuwen voor en/of voorlichten over een aantal risicovolle eigenschappen van de producten, zoals het hefboomeffect, het inteereffect, het fata morgana-effect en het crashrisico;

  3. het onvoldoende informeren over hoge (eerste) kosten die op de producten werden ingehouden en de effecten hiervan op het met de producten op te bouwen vermogen;

  4. het in rekening brengen van niet-contractueel overeengekomen kosten en van kosten waarvan de hoogte niet is overeengekomen;

  5. het hanteren van oneerlijke bedingen.

2.13. Verwijt i) – het gestelde in het verkeer brengen van gebrekkige producten – heeft betrekking op een eigenschap van de voorbeeldproducten, die de Vereniging aanduidt als het ‘crashrisico’. De Vereniging verstaat onder het crashrisico het risico dat een of meer (forse) koersdalingen – zeker als die zich aan het eind van de looptijd van de beleggingsverzekering voordoen – tot gevolg hebben dat het feitelijk niet meer mogelijk is om het genoemde eindkapitaal te kunnen bereiken, ook als gemiddeld wel het genoemde rendementspercentage wordt behaald.

2.14. Het crashrisico is tevens een van de producteigenschappen waarop verwijt ii) ziet. De andere eigenschap van de voorbeeldproducten waarvoor Aegon volgens de Vereniging onvoldoende heeft gewaarschuwd, is het fata morgana-effect. Het in de dagvaarding genoemde hefboomeffect en het inteereffect doen zich niet voor bij de voorbeeldproducten en behoeven dus geen bespreking.

2.15. Verwijt ii) ziet daarmee op het hiervoor omschreven crashrisico en het fata morgana-effect, dat volgens de Vereniging in de kern erop neerkomt dat de voorbeeldberekeningen die Aegon hanteerde onjuist of misleidend zijn.

2.16. Net als verwijt ii) heeft verwijt iii) betrekking op gesteld onvoldoende voorlichten door Aegon, in dit geval over de hoge (eerste) kosten die op de producten werden ingehouden en de effecten hiervan op het met de producten op te bouwen vermogen. De kosten van de voorbeeldproducten spelen ook een rol bij verwijt iv) dat inhoudt dat Aegon niet overeengekomen kosten en/of overlijdensrisicopremie in rekening heeft gebracht.

2.17. In de dagvaarding stelde de Vereniging in verband met de kosten dat Aegon zich schuldig heeft gemaakt aan ‘churning’. Nu zij deze algemeen geformuleerde en door Aegon gemotiveerd betwiste stelling in haar akte niet heeft uitgewerkt, wordt zij geacht dit verwijt niet (langer) te maken ten aanzien van de voorbeeldproducten.

2.18. Bij haar verwijten ii) en iii) stelt de Vereniging niet alleen dat Aegon verzekeringnemers onvoldoende heeft voorgelicht of gewaarschuwd, maar ook dat Aegon haar verzekeringnemers heeft misleid met de door haar aangeboden informatie.

2.19. Het tot slot gemaakte verwijt v) heeft betrekking op volgens de Vereniging oneerlijke bedingen in alle drie de voorbeeldproducten.

2.20. Aegon betwist alle verwijten van de Vereniging. Samengevat komt haar verweer erop neer dat zij steeds alle informatie heeft verstrekt die zij moest verstrekken op grond van de destijds geldende wet- en regelgeving en dat zij haar verzekeringnemers niet heeft misleid. Aegon betwist dat zij niet overeengekomen kosten in rekening heeft gebracht. Zij betwist dat de overeenkomsten oneerlijke bedingen bevatten en dat zij met de voorbeeldproducten gebrekkige producten in het verkeer heeft gebracht.

plan van behandeling

2.21. Voordat de rechtbank de verwijten van de Vereniging behandelt, gaat zij in op het (nadere) verweer van Aegon met betrekking tot de collectieve actie op de voet van artikel 3:305a BW en het door Aegon betwiste belang van de Vereniging bij haar vorderingen (II). Dan staat de rechtbank stil bij de voorbeeldproducten (III). Vervolgens bespreekt de rechtbank de verwijten van de Vereniging (IV). Onder V volgt de slotsom in de zaak tegen de Vereniging, waarna de rechtbank (onder VI) de zaken van [eiser 4] , [eiser 3] en [eiser 2] zal beoordelen.

II Collectieve actie en belang

Vereniging ontvankelijk in collectieve actie?

2.22. In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de Vereniging ten aanzien van 112 van de 115 genoemde beleggingsverzekeringen van Aegon niet voldoet aan de in artikel 3:305a BW gestelde eisen voor ontvankelijkheid in een collectieve actie. Dit geldt volgens Aegon ook voor de drie resterende voorbeeldproducten.

2.23. Voor ontvankelijkheid van een collectieve actie ex artikel 3:305a BW is vereist dat een belangenorganisatie aan drie vereisten voldoet. De vordering moet (ten eerste) zijn ingesteld door een stichting of een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, die (ten tweede) een toereikende statutaire doelomschrijving moet hebben. Ten derde dienen de belangen waarvoor de belangenorganisatie opkomt gelijksoortig te zijn om zich zodoende voor bundeling te lenen.

2.24. Niet in geschil is dat de statuten van de Vereniging voorzien in belangenbehartiging van verzekeringnemers die bij Aegon KoersPlan-, VermogensPlan- en FundPlanovereenkomsten hebben afgesloten. Het verweer van Aegon ziet op de derde eis: Aegon betwist dat de door de Vereniging behartigde belangen voldoende gelijksoortig zijn. Zij voert aan dat de overeenkomsten verschillen ten aanzien van hun aard, looptijd en het door Aegon aangeboden informatiemateriaal, de manier waarop ze zijn afgesloten, de risico’s die aan die producten verbonden zijn, het toepasselijk wettelijk kader en de specifieke eigenschappen van de individuele contracten (op basis van de door de verzekerde gemaakte keuzes). Dat betekent volgens Aegon dat in de gegeven omstandigheden uitsluitend op basis van een individuele beoordeling van alle betrokken klanten een oordeel kan worden gevormd over de verwijten van de Vereniging. Daar leent een collectieve actie zich niet voor, aldus Aegon.

2.25. De rechtbank volgt Aegon niet in dit betoog. De collectieve actie van de Vereniging ziet nu nog op de drie voorbeeldproducten, die – naar niet in geschil is – vanwege de onderlinge verschillen niet zonder meer aan elkaar gelijk te stellen zijn. Zij hebben gemeen dat het beleggingsverzekeringen zijn die door Aegon werden aangeboden.

2.26. Per voorbeeldproduct is voldaan aan het vereiste van een voldoende gelijksoortig belang. De FundPlanovereenkomsten hadden allemaal dezelfde productkenmerken. Dat geldt ook voor de KoersPlanovereenkomsten respectievelijk de VermogensPlanovereenkomsten. Alle drie de voorbeeldproducten kwamen overwegend via een tussenpersoon tot stand. Aegon verstrekte bij het aanbieden van alle FundPlanovereenkomsten min of meer vergelijkbare bescheiden. Dat deed zij ook bij het aanbieden van alle KoersPlanovereenkomsten respectievelijk alle VermogensPlanovereenkomsten. Anders dan Aegon betoogt, is – per voorbeeldproduct – zowel de wijze van aanbieden en afsluiten van de desbetreffende producten als de contractdocumentatie voldoende uniform om de verwijten te kunnen beoordelen zonder onderzoek te doen naar de situatie van de individuele verzekeringnemers.

2.27. Daarmee voldoet de Vereniging in ieder geval per voorbeeldproduct aan het vereiste van een voldoende gelijksoortig belang. Het komt een doelmatige en efficiënte procesvoering ten goede dat de Vereniging deze drie door Aegon aangeboden voorbeeldproducten gelijktijdig aan de rechtbank voorlegt, temeer omdat de contractdocumentatie van KoersPlan en VermogensPlan op onderdelen gelijkluidend is en een aantal verwijten ten aanzien van de onderscheidene voorbeeldproducten hetzij gelijkluidend is, hetzij zich voor gezamenlijke behandeling leent.

Belang van de Vereniging bij haar vordering?

2.28. Aegon betoogt dat met de productverbeteringen een ‘totaaloplossing’ is geboden voor alle klachten van verzekeringnemers met een beleggingsverzekering van Aegon, aangezien niet alleen de kosten en overlijdensrisicopremies – voor zover nodig – op een redelijk niveau zijn gebracht, maar ook een oplossing is geboden voor enige bijzondere en specifieke productrisico’s (niet zijnde het reguliere beleggingsrisico). Nu hiermee reeds is voorzien in een oplossing voor de verwijten die de Vereniging maakt, heeft de Vereniging geen belang bij haar vorderingen, aldus Aegon, die voorts erop wijst dat de grote meerderheid (97% en 98,6%) van de achterban van de stichtingen heeft ingestemd met de Stichtingsakkoorden. Volgens Aegon voorzien de Stichtingsakkoorden daarmee in een breed gedragen, ook door anderen onderschreven oplossing.

2.29. De rechtbank stelt voorop dat zij terughoudend dient te zijn met het afwijzen van een vordering vanwege het ontbreken van voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW. In het algemeen mag voldoende belang worden verondersteld. Alleen bij uitzondering moet een eiser bewijzen voldoende belang te hebben. Zo’n uitzonderingssituatie doet zich ten aanzien van de gevorderde verklaringen voor recht in dit geval naar het oordeel van de rechtbank niet voor. Uit het eigen standpunt van Aegon volgt reeds dat het door haar als regulier beleggingsrisico en door de Vereniging als crashrisico aangeduide risico van de voorbeeldproducten niet is begrepen in de Stichtingsakkoorden en andere productverbeteringen. Voorts betekent het breed gedragen zijn van de door velen geaccepteerde oplossing waarin Aegon heeft voorzien, niet dat de Vereniging daarmee geen processueel of materieel belang in de zin van artikel 3:303 BW heeft of kan hebben bij haar vorderingen. Nu ook overigens niet is gesteld of gebleken dat zij dergelijk belang ontbeert, dient te worden aangenomen dat zij voldoende belang heeft. Ook dit verweer van Aegon faalt derhalve.

III De voorbeeldproducten

2.30. De voorbeeldproducten zijn beleggingsverzekeringen. Het zijn gemengde levensverzekeringen, waarbij zowel het risico van overlijden als het risico van leven op de einddatum wordt gedekt. Bij beleggingsverzekeringen wordt (een deel van) de premie aangewend voor de dekking van het overlijdensrisico en wordt (een deel van) de premie belegd om vermogensopbouw te bewerkstelligen. Het beleggingsdeel van de premie van de voorbeeldproducten wordt belegd in beleggingsfondsen van Aegon. Het risico van beleggen ligt geheel of grotendeels bij de verzekeringnemer. Bij overlijden vóór het einde van de looptijd wordt een uitkering gedaan van een bedrag dat is gerelateerd aan de inleg of aan het opgebouwde beleggingstegoed. Indien de looptijd verloopt bij leven wordt het met de inleg behaalde beleggingsresultaat uitgekeerd.

KoersPlan en VermogensPlan

2.31. KoersPlan en VermogensPlan zijn spaarkasverzekeringen. Bij deze vorm van beleggingsverzekering wordt (een deel van) de inleg (de spaarstorting) door storting in een spaarkas gebruikt voor collectieve opbouw van vermogen, door te beleggen in participaties van beleggingsfondsen. Het opgebouwde vermogen komt tot uitkering bij leven op de einddatum. Een ander deel van de inleg bestaat uit een overlijdensrisicopremie, die als tegenprestatie dient voor de verplichting van de verzekeraar tot het doen van een uitkering aan de begunstigde(n) bij overlijden van de verzekerde. Op het moment van overlijden vervalt het aandeel in de spaarkas aan de spaarkas. Op de einddatum van de overeenkomst wordt dit verdeeld onder de nog in leven zijnde deelnemers.

2.32. Aegon heeft KoersPlan van 1989 tot 2004 aangeboden aan deelnemers, die een vaste periodieke inleg per maand betalen. Aegon heeft VermogensPlan van 1990 tot 2001 aangeboden aan deelnemers die na een eerste inleg een jaarlijks te verhogen of verlagen inleg van minimaal 1/10 van het eerst ingelegde bedrag betalen. Beide producten hebben een vaste looptijd van minimaal twintig jaar (tot 1992)/vijftien jaar (vanaf 1992) en maximaal 40 jaar. Aan het einde van de looptijd ontvangt de deelnemer het eindkapitaal, bestaande uit zijn opgebouwde vermogen en de overlevingswinst. Bij overlijden wordt de ingelegde som, vermeerderd met 4% rente op rente, uitgekeerd.

FundPlan

2.33. FundPlan is een zogenoemde united linked beleggingsverzekering. Daarbij verbindt de verzekeraar zich ertoe een deel van de premie (de spaarpremie) te beleggen om vermogensopbouw te bewerkstelligen. De belegging geschiedt individueel in voor rekening van de verzekeringnemer verworven beleggingseenheden (units). De uitkering bij leven op de einddatum bestaat uit de tegenwaarde op die datum van de met de spaarpremies verworven units.

2.34. Aegon heeft FundPlan van 1990 tot 2002 aangeboden aan deelnemers, die een jaarlijkse premie betalen die wordt geïnvesteerd in een door Aegon beheerd beleggingsfonds naar keuze. Dat kan één fonds zijn, maar ook een combinatie van fondsen. De deelnemer kan gedurende de looptijd wisselen tussen de fondsen. Eenmaal per jaar kan dit gratis. Er is een open einddatum, die naar voren of naar achteren kan worden geschoven. De hoogte van de uitkering direct na overlijden kan bestaan uit de som van de betaalde premies of uit een vast bedrag danwel een gegarandeerd bedrag, vermeerderd met de eventuele beleggingswinst. Indien de laatste tien jaar is belegd in bepaalde fondsen is (een evenredig deel van) het kapitaal bij leven op de einddatum gegarandeerd.

2.35. Bij deze deelname van minimaal tien jaar voorafgaand aan de einddatum in een fonds met een garantiebepaling, ontvangt de verzekeringnemer op de einddatum een gegarandeerd minimumkapitaal, dat bij een gunstig beleggingsresultaat kan worden vermeerderd met een hogere uitkering. Aegon heeft onweersproken aangevoerd dat zij aan meer dan 80% van de deelnemers van FundPlan een gegarandeerde uitkering bij leven biedt. In deze gevallen van een gegarandeerde uitkering bij leven is – naar de Vereniging ook niet weerspreekt – sprake van een garantieverzekering en niet van een beleggingsverzekering (vergelijk gerechtshof Amsterdam 28 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1641).

IV Bespreking van de verwijten

2.36. Als eerste bespreekt de rechtbank (onder 1) de verwijten ii) en iii) over informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten. Vervolgens bespreekt de rechtbank (onder 2) verwijt iv) over het in rekening brengen van niet overeengekomen kosten en daarna (onder 3) verwijt i) over het in het verkeer brengen van ondeugdelijke producten en tot slot (onder 4) verwijt v) over de gestelde oneerlijke bedingen.

1 Informatieverstrekking bij aanbieding van de voorbeeldproducten

2.37.

De kern van het geschil bij de verwijten ii) en iii) over de informatieverstrekking is of Aegon met de door haar verstrekte informatie bij het aanbieden van de voorbeeldproducten de verzekeringnemers in staat heeft gesteld een goed geïnformeerde en weloverwogen aankoopbeslissing te nemen en of zij – zoals de Vereniging ook stelt – de verzekeringnemers heeft misleid.

2.38.

De verwijten van de Vereniging zien op informatieverstrekking over de als (zuivere) beleggingsverzekeringen aan te merken voorbeeldproducten waarvan de uitkering afhankelijk is van de uitkomst van de beleggingen. De verwijten zijn toegespitst op informatieverstrekking door middel van voorbeeldkapitalen met aanvullende informatie. Dit is de wijze waarop informatie wordt verstrekt in gevallen waarin de uitkering onzeker is, zoals bij beleggingsverzekeringen het geval is. De informatieverstrekking over levensverzekeringen met een gegarandeerde uitkering (garantieverzekeringen) – zoals FundPlan kan zijn – die ook is onderworpen aan de hierna te bespreken Riav, geschiedt op een andere wijze, te weten door het noemen van de gegarandeerde uitkering (vergelijk het hierna te bespreken artikel 2 lid 2 onder b Riav, dat ook het daarvóór geldende ongeschreven recht weergeeft). Indien en voor zover FundPlan voorziet in een garandeerde uitkering – en dus is aan te merken als een garantieverzekering – valt dit voorbeeldproduct dus buiten de reikwijdte van het geschil. Het navolgende geldt daarmee niet voor FundPlan voor zover dit voorbeeldproduct voorziet in een gegarandeerde uitkering bij leven aan het eind van de looptijd.

2.39.

De rechtbank staat stil bij het toetsingskader voor de verwijten over de informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten (A) en de uitgangspunten voor de beoordeling van de verwijten (B), die daarna plaatsvindt (C).

A toetsingskader voor beoordeling van de verwijten over informatieverstrekking

2.40.

Als Aegon – getoetst aan de destijds geldende normen – haar informatieverplichting bij het aanbieden van de voorbeeldovereenkomsten niet heeft nageleefd, heeft zij onrechtmatig gehandeld jegens haar verzekeringnemers. Nu de voorbeeldproducten na 2004 niet werden aangeboden, is de door de Vereniging aangehaalde regelgeving die vanaf 2006 in werking is getreden niet relevant. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan hetgeen de Vereniging daarover naar voren heeft gebracht.

2.41.

De Vereniging grondt de gestelde misleiding door Aegon bij het verstrekken van informatie bij het aanbieden van de voorbeeldproducten op artikel 6:194 (oud) BW, zoals dit luidde voor 15 oktober 2008, toen deze bepaling – anders dan daarna, met de inwerkingtreding van artikel 6:193a BW – nog gold voor consumenten. Niet in geschil is dat artikel 6:194 (oud) BW van toepassing is op deze zaak, omdat vóór die datum was voldaan aan alle vereisten voor de gestelde aansprakelijkheid van Aegon op grond van deze bepaling.

2.42.

Hierna wordt eerst ingegaan op de indirecte transparantie, dat, naar de destijds geldende normen, als uitgangspunt gold voor de informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten (a). Daarna komen aan de orde de betekenis van het arrest van het HvJ EU van 29 april 2015 voor deze zaak (b) en de vraag of op Aegon de door de Vereniging gestelde bijzondere zorgplicht rust (c), gevolgd door de slotsom over het toetsingskader voor de verwijten over informatieverstrekking en de uitgangspunten voor de verdere beoordeling (d).

(a) indirecte transparantie als uitgangspunt

2.43.

De toepasselijke regelgeving voor informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten vormt de implementatie van de Richtlijn 92/96/EEG van de Raad van 10 november 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de Richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG (Pb 1992, L 360, hierna: Derde Levensrichtlijn). Volgens de preambule (onder 23) moet de consument beschikken over “de nodige inlichtingen om de overeenkomst te kunnen kiezen die het beste bij zijn behoeften past” en worden minimumvoorschriften gegeven “opdat de consument duidelijke en nauwkeurige informatie ontvangt over de wezenlijke kenmerken van de hem aangeboden producten.”

Artikel 31 lid 1 van de Derde Levensrichtlijn bepaalt dat de verzekeraar vóór het sluiten van de overeenkomst de in bijlage II genoemde gegevens moet verstrekken, te weten onder meer over:

  • -

    de wijze en duur van betaling van de premies,

  • -

    de wijze van berekening en toewijzing van winstdelingen,

  • -

    inlichtingen over de premies voor iedere verzekeringsdekking, zowel de hoofddekking als

de aanvullende dekkingen, indien zulke inlichtingen dienstig blijken.

2.44.

De Derde Levensrichtlijn is met ingang van 1 juli 1994 geïmplementeerd in de op artikel 51 Wet Toezicht verzekeringsbedrijf (Wtv) gebaseerde Regeling informatieverstrekking aan verzekeringnemers (Riav 1994), die per 1 januari 1999 is vervangen door de Riav 1998. Beide versies van de Riav tezamen worden hierna ook aangeduid als ‘de Riav’, dat hierna ook wordt gebruikt in de gevallen dat beide versies gelijkluidend zijn.

2.45.

Vóór deze implementatie van de Derde Levensrichtlijn was er geen specifieke regelgeving betreffende de informatieverstrekking door verzekeraars over beleggingsverzekeringen. Aegon heeft onweersproken toegelicht dat verzekeraars voordien – overeenkomstig het destijds breed gedragen uitgangspunt dat de verzekeringnemer daarmee adequaat werd geïnformeerd – informatie verstrekten over de premie en de verzekerde uitkeringen bij leven of overlijden. Dit gebeurde aan de hand van voorbeeldkapitalen, die werden berekend op grond van historische rendementen.

2.46.

Zoals partijen ook tot uitgangspunt nemen, is in de Riav 1994 het voordien geldende ongeschreven recht vastgelegd. Dat betekent dat hetgeen hierna wordt overwogen over de Riav 1994 ook ziet op de in de relevante periode van 1989 tot de inwerkingtreding van de Riav 1994 geldende normen voor informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten.

2.47.

De Riav heeft betrekking op de aanbodzijde bij de totstandkoming van de beleggingsverzekeringsovereenkomsten. De toelichtingen op de Riav vermelden allebei:

de toepassing van deze regeling (wordt) beheerst door het burgerlijk recht, waarbij bijvoorbeeld ook de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 2 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek) gelden.”

2.48.

Destijds werd algemeen onderschreven dat de informatieverstrekking over beleggingsverzekeringen het beste indirect kon geschieden aan de hand van voorbeeldkapitalen, waarin de factoren waarvan de uitkering afhankelijk was – waaronder de kosten – waren verdisconteerd. De gedachte was dat moest worden voorkomen dat de consument, door méér informatie dan over de prijs en de potentiële opbrengst, juist minder begrip zou krijgen voor de kenmerken en de werking van de producten. Gedetailleerde informatie over kosten en risicopremie zou volgens de toen geldende inzichten niet bijdragen aan de mogelijkheid voor de consument weloverwogen en geïnformeerd te kunnen kiezen. Vergelijkbaarheid van de verschillende verzekeringen, wat betreft prijs en opbrengst, stond destijds voorop.

2.49.

Deze zienswijze komt onder meer tot uiting in de parlementaire geschiedenis van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf, waarin de wetgever te kennen heeft gegeven het niet nodig te vinden voor één van de kostenposten van de beleggingsverzekering – de provisie voor de assurantietussenpersoon – nader te regelen dat een tussenpersoon steeds aan een verzekeringnemer diende duidelijk te maken welke provisie is verbonden aan elk verzekeringsproduct waarover hij de verzekeringnemer informeert en de uitbetaalde provisie op de premie-nota specificeert, aangezien:

aparte vermelding van de aan de assurantietussenpersoon uitbetaalde provisie leidt tot meer complicaties dan men op het eerste gezicht zou denken en geeft o.i. slechts aanleiding tot het ontstaan van een vertekend beeld bij de consument. (...) Bovendien is naar onze mening aparte vermelding van de provisie voor het beslissingsproces niet van belang. Voor de consument is uitsluitend interessant wat de hoogte van de te betalen eindprijs is. Alleen door vergelijking van eindprijzen verkrijgt hij een inzicht in de markt; «kale» prijzen, na aftrek van provisie, hebben geen zelfstandige betekenis. Op basis van een eindprijsvergelijking kan de consument bepalen in hoeverre de meerprijs hem een betere dienstverlening waard is.”

Zie: TK 1989/1990, 20 925, nr. 10, p 11.

2.50.

Op grond van artikel 2 lid 2 Riav 1994 moet de verzekeraar de verzekeringnemer in kennis stellen van – onder meer:

- een omschrijving van de uitkering of uitkeringen waartoe de verzekeraar zich verplicht

(sub b),

- de premie verschuldigd voor de hoofddekking, en, indien de overeenkomst voorziet in een

of meer nevenuitkeringen, de premies die voor ieder van de nevenuitkeringen zijn verschuldigd (sub h).

De hoofddekking is de dekking van het overlijdensrisico. Nevendekkingen zijn uitkeringen in geval van een risico anders dan het risico van overlijden.

2.51.

Indien de overeenkomst voorzag in een afkoop- of premievrije waarde, diende op grond van sub k van artikel 2 lid 2 Riav 1994 de verzekeraar de verzekeringnemer voorts in kennis te stellen van:

een opgave of indicatie van deze waarden of een opgave van de wijze waarop deze waarden worden berekend

De toelichting vermeldt dat met opgave van de afkoop- en premievrije waarde wordt gedoeld op:

“een eventuele gegarandeerde afkoop- of premievrije waarde, dit in tegenstelling tot een ‘indicatie’ van die waarden, of een opgave van de berekeningswijze”.

2.52.

In januari 1996 heeft de minister van financiën antwoord gegeven op vragen over (te) hoge kosten van koopsompolissen:

“Aan elk produkt, ook aan een levensverzekering, zijn kosten verbonden. Deze kosten treden zowel op daar waar verzekeraars de verzekeringnemers direct benaderen (direct writers) als door waar de distributie verloopt via tussenpersonen. In dit laatste geval is sprake van kosten, welke worden gemaakt in het kader van de advisering door de tussenpersoon, en de kosten die de verzekeraar zelf nog maakt. Bij elk produkt worden de totale kosten uit de eindprijs betaald. Bij een levensverzekering is de eindprijs de te betalen premie(s).”

Zie TK 1995-1996, Aanhangsel nr. 430.

2.53.

In de in april 1996 door de minister van financiën gegeven antwoorden op Kamervragen over een door OHRA aangeboden beleggingsverzekering, waarbij werd belegd in teakhout in Costa Rica, staat onder meer:

“In het algemeen is de regering van mening dat de aanbiedende partij in documentatie over beleggingen dient zorg te dragen voor zorgvuldige en heldere informatie ook waar het de gebruikte begrippen betreft. Dat geldt ook bij beleggingen die in het kader van een levensverzekeringsovereenkomst plaatsvinden. Het is de verantwoordelijkheid van die aanbiedende partij daarbij inzichtelijk te maken door welke factoren het rendement wordt bepaald, wat de aard van de beleggingen is en door wie de risico's uiteindelijk worden gedragen. Eén en ander laat onverlet dat het bij een financieel produkt, waarbij veelal grote bedragen in het geding zijn, van belang is weloverwogen tot een beslissing te komen. Het is daarbij primair de eigen verantwoordelijkheid van de belegger c.q. de verzekeringnemer zich op de hoogte te stellen van de modaliteiten van het produkt of zich daarover door een deskundige te laten adviseren.”

Zie TK 1995-1996, Aanhangsel nr. 911.

2.54.

Voorafgaand aan de invoering van de Riav 1998 heeft de branche nadere regels gesteld over de informatievoorziening over beleggingsverzekeringen in de opeenvolgende versies van de “Code Rendement en Risico. Gedragscode betreffende de voorlichting over het rendement en risico van beleggingsverzekeringen en levensverzekeringen met winstdeling” (hierna: de CRR). Deze zelfregulering is door het Verbond van Verzekeraars in nauw overleg met de Consumentenbond opgesteld. De CRR geldt voor alle aangesloten leden, waaronder Aegon.

2.55.

Het doel van de CRR was erin gelegen dat:

door toepassing van de Code (…) de (adspirant)koper van het product inzicht (moet) krijgen in de wijze waarop rendement en risico van beleggingen van invloed zijn op toekomstige uitkeringen uit spaarkasovereenkomsten en individuele kapitaalverzekeringen.”

2.56.

De CRR, die vermeldt: “het begrip “prognoses” dient te allen tijde te worden vermeden”, gaat uit van het gebruik van op historische rendementen gebaseerde voorbeeldkapitalen. Het moeten netto-voorbeeldkapitalen zijn, waarin de in de bruto-premie begrepen kosten en de overlijdensrisicopremie zijn verdisconteerd.

2.57.

De voorbeeldkapitalen worden berekend aan de hand van het voorbeeldpercentage, dat in de CRR is omschreven als:

het rendement (…) waarmee het voorbeeldkapitaal wordt berekend”.

In de op 1 januari 1997 in werking getreden CRR 1996 is vermeld dat het voorbeeldpercentage zowel een fonds- als een productrendement kan zijn. Het fondsrendement is in de CRR 1996 gedefinieerd als:

inkomsten uit beleggingen en waardeverschillen bij verkoop van beleggingen alsmede niet gerealiseerde waardeverschillen, na aftrek van de kosten voor het beheer van de beleggingen, uitgedrukt in een gemiddeld percentage per jaar en toe te rekenen aan de reserve c.q. het spaartegoed.”

Het productrendement is in de CRR 1996 omschreven als:

het rendement dat de deelnemer in de spaarkas op de inleg behaalt.”

Bij een spaarkasovereenkomst is de inleg het spaarbedrag plus de bruto risicopremie tezamen. De CRR 1996 schrijft voor dat, indien het voorbeeldpercentage dan wel het voorbeeldkapitaal wordt berekend op basis van het productrendement, dit uitdrukkelijk dient te worden vermeld. Daarvóór bevatte de CRR geen bepalingen over deze verschillende rendementen.

2.58.

In 1996 heeft de minister van financiën tijdens de parlementaire behandeling van wijziging van de financiële toezichtwetgeving opgemerkt (over de Riav 1994): “Verzekeraars zijn evenmin als de producenten van andere (financiële) producten, niet verplicht inzicht te geven in de kostenstructuur.”

Zie TK 1995/1996, nr. 24 456 en 23 669, nr. 12, p 17.

2.59.

In mei 1997 heeft de minister van financiën over de toen geldende CRR opgemerkt:

Een van de uitgangspunten van de Code is dat het begrip prognose niet gebruikt mag worden. Dit is gedaan ten einde zoveel mogelijk tegen te gaan dat het voorbeeld zou kunnen worden aangezien voor een toekomstvoorspelling. De methodiek van de Code voorziet, voor zover hiervoor gegevens beschikbaar zijn, in het systematisch gebruik van de in het verleden behaalde rendementen. (...)

Ik ben van mening dat het nuttig is dat de consument bij de aankoopbeslissing van een kapitaalverzekering of spaarkasovereenkomst een voorstelling heeft van de mogelijke einduitkering van zijn verzekering en van de door hem te lopen risico's. Dat in de markt mechanismen worden gevonden om de consument inzicht te bieden in rendement en risico van verzekeringsproducten vind ik dan ook op zich wenselijk. Het initiatief van het Verbond moet in dit licht worden bezien. De in de Code gehanteerde techniek maakt gebruik van de beleggingsprestaties die de verzekeraar in het verleden heeft geboekt en die voor dat product in het verleden relevant waren. (...)”

Zie TK 1996-1997, Aanhangsel nr. 1265.

2.60.

In de Riav 1998 is het begrip ‘uitkering’ van artikel 2 lid 2 onder b aangescherpt met de verplichting om de verzekerde in kennis te stellen van:

“het bedrag van de uitkering of uitkeringen waartoe de verzekeraar zich verplicht of, voor zover dit bedrag niet op voorhand nauwkeurig kan worden bepaald, een nauwkeurige omschrijving van die uitkering of uitkeringen, alsmede van de factoren waarvan de hoogte van de uitkering of uitkeringen afhankelijk is

De toelichting vermeldt over deze aanscherping:

“De formulering van het begrip uitkering(en) in onderdeel b is aangescherpt in vergelijking met de regeling van 1994. Op grond van het onderzoek van de Verzekeringskamer blijkt dat de formulering in de oude regeling te veel ruimte liet voor verschil in interpretatie. In een aantal gevallen werd volstaan met een globale omschrijving van de uitkering(en) waartoe de verzekeraar zich verplichtte, waardoor de consument zich geen duidelijk beeld kon vormen van de te verwachten prestaties. Op grond van de huidige regeling moet nu het bedrag genoemd worden of, indien dit niet mogelijk is, een nauwkeurige omschrijving van de uitkering(en), met vermelding van de factoren waarvan de hoogte afhankelijk is.”

2.61.

Het in de Riav 1998 ingevoegde lid 4 van artikel 2 bepaalt dat:

de verzekeringnemer op overzichtelijke wijze inzicht wordt geboden in de wezenlijke kenmerken van de aangeboden overeenkomst van levensverzekering.”

De toelichting vermeldt:

“Bij wezenlijke kenmerken van het product wordt, voor zover van toepassing, onder meer gedacht aan de doelstelling van het product, premie en uitkering, informatie te verstrekken door de verzekeringnemer, risicofactoren, (voorbeeld)waarde van de polis aan het einde van de looptijd, informatie over de afkoop- en premievrije waarde en de invloed van kosten en inhoudingen.”

2.62.

Artikel 2 lid 2 is in de Riav 1998 uitgebreid met onderdeel q, dat de verzekeraar verplicht de verzekeringnemer in kennis te stellen van:

de invloed van kosten en inhoudingen ten laste van de verzekeringnemer op het rendement en de uitkering verbonden aan de overeenkomst”.

De toelichting op de Riav 1998 vermeldt hierover:

“Onderdeel q beoogt de verzekeringnemer inzicht te geven hoe inhoudingen en kosten zijn rendement en de uiteindelijke uitkering kunnen beïnvloeden. Met de systematiek van de nieuwe Code rendement en risico van het Verbond van Verzekeraars, waarbij gebruik wordt gemaakt van rekenvoorbeelden waarin de kosten en inhoudingen worden verwerkt, wordt invulling gegeven aan deze verplichting.”

2.63.

Ook is artikel 2 lid 2 in de Riav 1998 uitgebreid met onderdeel r, dat de verzekeraar opdracht geeft – indien van toepassing – kennis te geven van:

de kosten die naast de bruto-premie in rekening worden gebracht;

De toelichting op de Riav 1998 bepaalt hierover:

“In sommige gevallen worden kosten van levensverzekeringen of spaarkasovereenkomsten met een beleggingscomponent naast de brutopremie in rekening gebracht. In dat geval is het van belang dat de consument hiervan op de hoogte wordt gebracht. Het betreft hier niet slechts de kostensoorten, maar ook een kwantitatieve weergave van de kosten. Met onderdeel r wordt de verplichting hiertoe geregeld. Voor zover alle kosten al verwerkt zijn in de brutopremie, legt onderdeel r geen extra verplichtingen op ten opzichte van onderdeel q.”

2.64.

De naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten worden onttrokken aan de spaarkas (van KoersPlan en VermogensPlan) respectievelijk de beleggingen (van FondsPlan). Daarvan te onderscheiden zijn de kosten die ten laste van de bruto-premie komen, doordat zij, net als de overlijdensrisicopremie, daarop worden ingehouden voordat het na deze inhouding resterende deel van premie (de netto-premie) wordt belegd.

2.65.

Sub k, van artikel 2 lid 2 van de Riav, dat zag op de afkoop- of premievrije waarde, is in de Riav 1998 komen te luiden:

indien de overeenkomst voorziet in een afkoop- of premievrije waarde, een opgave van deze waarden of een opgave van de wijze waarop deze waarden worden berekend

De toelichting vermeldt hierover:

“De formulering over afkoop- en premievrije waarde in onderdeel k is aangescherpt ten opzichte van de regeling van 1994. Uit het onderzoek van de Verzekeringskamer blijkt dat het inzicht dat geboden werd in de afkoop- en premievrije waarde op basis van de regeling van 1994 onvoldoende was. Met de zinsnede ’afkoop- of premievrije waarde’ in het onderhavige onderdeel is bedoeld dat indien de overeenkomst voorziet in zowel een afkoop- als premievrije waarde, een opgave van beide waarden of opgave van de berekeningswijze van beide waarden wordt gegeven. De in de regeling van 1994 gehanteerde term ’indicatie’ gaf aanleiding tot onduidelijkheid. Door schrapping van deze term in de onderhavige regeling, moet een verzekeraar ofwel het bedrag opgeven, ofwel een opgave van de berekeningswijze. Dit impliceert dat de verzekeraar, indien hij een opgave van de berekeningswijze geeft, vooraf dient aan te geven welke kostensoorten voor rekening van de polishouder komen.”

2.66.

Tot slot is in de Riav 1998 artikel 2 lid 2 uitgebreid met onderdeel s, dat inhoudt dat – indien van toepassing – de verzekeringnemer moet worden geïnformeerd over:

het aan de overeenkomst verbonden beleggingsrisico en de mate waarin dit risico ten laste is van de verzekeringnemer

De toelichting op de Riav 1998 vermeldt hierover:

“Onderdeel s beoogt dat de verzekeringnemer duidelijk op de hoogte wordt gebracht van het beleggingsrisico dat verbonden is aan levensverzekeringen of spaarkasovereenkomsten met een beleggingscomponent en in hoeverre dat voor zijn rekening komt. Bij veel van de nieuwe overeenkomsten met een beleggingscomponent komt dit risico al dan niet geheel voor rekening van de verzekeringnemer. In geval van rekenvoorbeelden moet duidelijk aangegeven worden wat de effecten zijn van lagere rendementen dan de rendementen die in voorgaande periodes zijn gerealiseerd door het relevante fonds of de passende index-reeks. Met de Code rendement en risico van het Verbond van Verzekeraars wordt door middel van zowel tekstblokken als bepalingen voor rekenvoorbeelden invulling gegeven aan de verplichting om de verzekeringnemer inzicht te verschaffen in het beleggingsrisico.”

2.67.

De op de informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten toepasselijke regels zijn verder uitgebreid met het op 1 juli 2002 in werking getreden Besluit financiële bijsluiter (Besluit van 20 december 2001, houdende regels met betrekking tot het door financiële ondernemingen ter beschikking stellen van een financiële bijsluiter bij complexe producten, Stbl. 2001, 670, hierna: Bfb 2002) en de Nadere regeling financiële bijsluiter 2002 (Stcrt. 2002, nr. 121, hierna Nrfb 2002).

2.68.

In het aan deze regelgeving voorafgaande advies van de Raad van Financiële Toezichthouders met betrekking tot de Financiële Bijsluiter van 5 juni 2001 staat onder meer:

“Consumenten hebben in het kader van de Financiële Bijsluiter kennelijk niet zozeer behoefte aan meer inzicht in de aard van de kosten doch ‘wat men inlegt en wat het uiteindelijk opbrengt’. Consumenten willen een netto-opbrengst zien.”

2.69.

Op grond van artikel 3 Bfb 2002 wordt in de financiële bijsluiter in duidelijke en voor de afnemer begrijpelijke bewoordingen onder meer informatie gegeven over de met het product samenhangende financiële risico’s (i) en het voorbeeldrendement en de voor de afnemer aan het product verbonden kosten (ii). In de Nrfb worden nadere regels gegeven over de inhoud van de financiële bijsluiter, met meer gedetailleerde voorschriften voor de voorlichting over de beleggingen, de kosten en de premies.

2.70.

In 2002 is een nieuwe versie van de CRR ingevoerd. Hierin werd het gebruik van voorbeeldrendementen voorgeschreven, zonder dat de afzonderlijke vermelding van de (hoogte van de) inhoudingen en kosten op de bruto-premie vereist was.

2.71.

Vanaf 2006 is de regelgeving over de informatieverstrekking over beleggingsverzekeringen ingrijpend gewijzigd. Op grond van deze regelgeving diende naast de voorbeeldkapitalen – die nog steeds werden gehanteerd bij de informatieverstrekking bij het aanbieden van beleggingsverzekeringen – afzonderlijk informatie te worden verstrekt over de premies en de kosten.

2.72.

Hierna wordt ‘de regelgeving’ gebruikt ter aanduiding van de in de relevante periode geldende regelgeving met betrekking tot de informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten, te weten de Riav, Bfr en Nrfr. De in de relevante periode geldende zelfregulering van de verzekeringsbranche, neergelegd in de opeenvolgende versies van de CRR, wordt hierna aangeduid als ‘de CRR’.

(b) de betekenis van het arrest van het HvJEU van 29 april 2015

2.73.

Bij de aanduiding van de grondslag van haar verwijten wijst de Vereniging in haar akte op bepalingen uit de Riav die Aegon in haar optiek niet of onvoldoende heeft nageleefd. Zij stelt voorts dat de wijze waarop Aegon in de relevante periode informatie verstrekte bij het aanbieden van de voorbeeldproducten in strijd is met ongeschreven recht.

2.74.

Aegon voert aan dat zij heeft voldaan aan de destijds geldende voorschriften voor informatieverstrekking en betoogt dat er geen ruimte is voor het aannemen van aanvullende verplichtingen op grond van het ongeschreven recht. Daarmee rijst de vraag of op een verzekeraar uit het ongeschreven recht voortvloeiende informatieverplichtingen kunnen rusten. Partijen zijn hierover verdeeld en verwijzen beide naar het arrest van het HvJEU van 29 april 2015.

2.75.

Dat arrest heeft betrekking op de betekenis van het derde lid van artikel 31 Derde Levensrichtlijn, dat bepaalt:

De Lid-Staat van de verbintenis mag van de verzekeringsondernemingen niet verlangen dat zij aanvullende gegevens naast de in bijlage II vermelde gegevens verstrekken, tenzij deze nodig zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis.” Het HvJEU heeft – samengevat – overwogen dat op een verzekeraar op grond van open normen en/of ongeschreven recht in de precontractuele fase een aanvullende verplichting kan rusten om een consument die overweegt een levensverzekering te sluiten, naast de in Bijlage II bij de richtlijn genoemde gegevens, aanvullende informatie over de betreffende verzekering te verstrekken. Voor het aannemen van deze verplichting dient aan drie cumulatieve voorwaarden te zijn voldaan, te weten:

  1. de verlangde aanvullende informatie moet duidelijk en nauwkeurig zijn;

  2. de verlangde informatie moet noodzakelijk zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis;

  3. de rechtszekerheid voor de verzekeraar is voldoende gewaarborgd, in die zin dat ook de verzekeraar kon voorzien dat hij de aanvullende informatie diende te verstrekken.

Het is aan de nationale rechter om te beoordelen of ‘open en/of ongeschreven regels’ (hierna: het ongeschreven recht), aan deze voorwaarden voldoen.

2.76.

De rechtbank volgt Aegon niet in haar betoog dat er geen ruimte is om naast de regelgeving, op het ongeschreven recht gegronde aanvullende eisen te stellen aan de informatieverstrekking van verzekeraars. Zij licht dat als volgt toe.

2.77.

De Riav ziet op de (pre)contractuele verhouding tussen de verzekeraar en de verzekeringnemer en bevat voorschriften voor het aanbod bij de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst. De toelichting op de Riav vermeldt (in beide versies) dat “de toepassing van deze regeling (wordt) beheerst door het burgerlijk recht”. Andersom kan de Riav (ook) worden gezien als een invulling van de op de verzekeraar rustende mededelingsplicht bij het aangaan van beleggingsverzekeringen. De wetgever verwijst in de toelichting van beide versies van de Riav – zonder enige beperking – als voorbeeld naar de toepasselijkheid van“de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 2 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek)”. Daarmee omvat deze verwijzing naar artikel 6:2 BW zowel de beperkende als de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Hieruit leidt de rechtbank af dat de Riav in de optiek van de wetgever ruimte biedt voor aanvullende, uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeiende normen. Deze zienswijze strookt met de door de rechtbank toe te passen richtlijnconforme uitleg van de Riav, die inhoudt dat, indien is voldaan aan de drie door het HvJEU geformuleerde eisen, op grond van het ongeschreven recht aanvullende informatieverplichtingen kunnen worden aangenomen.

2.78.

Gezien de door het HvJEU gestelde eis dat het voorzienbaar moest zijn voor verzekeraars dat het ongeschreven recht aanvullende eisen aan hen stelde, dient, om in rechte zo’n aanvullende informatieverplichting te kunnen aannemen, vast te staan dat destijds sprake was van een breed gedragen maatschappelijke opvatting dat verzekeraars deze aanvullende informatie – naast de voorgeschreven informatie – moesten verstrekken.

2.79.

Het is in de eerste plaats aan de Vereniging om het ongeschreven recht waarop zij haar verwijten grondt concreet aan te duiden. Daarbij kan van haar in het bijzonder worden gevergd dat zij concrete feiten en omstandigheden stelt waaruit kan worden afgeleid dat het door haar gestelde ongeschreven recht in de relevante periode een breed gedragen maatschappelijke opvatting vormde, waaruit een ongeschreven rechtsnorm kan worden gedestilleerd die aan de door het HvJEU gestelde eisen voldoet.

2.80.

Zoals partijen ook tot uitgangspunt nemen, vormde de destijds geldende regelgeving de weerslag van de toen levende maatschappelijke opvattingen over informatieverstrekking door aanbieders van beleggingsverzekeringen. Vóór 1994 gold het ongeschreven recht, zoals dat in de Riav 1994 is gecodificeerd. Niet ter discussie staat dat de maatschappelijke opvattingen in de loop der tijd zijn gewijzigd en in de relevante periode zijn vastgelegd in de opeenvolgende versies van de Riav en (vanaf 1 juli 2002) daarnaast in het Bft 2002 en de Nrbf 2002.

2.81.

De rechtbank gaat ervan uit dat de zelfregulering van de branche in de CRR de weerslag is van de destijds breed gedragen maatschappelijke opvattingen over de informatie die aanbieders van beleggingsverzekeringen dienden te verstrekken. Redengevend daarvoor is dat de CRR steeds door het Verbond van Verzekeraars is opgesteld in samenspraak met de Consumentenbond. Zowel (vertegenwoordigers van) de aanbieders als (vertegenwoordigers van) de afnemers van beleggingsverzekeringen zijn dus betrokken geweest bij de formulering van daarin neergelegde eisen. Voor zover de CRR destijds aanvullende eisen stelde ten opzichte van de regelgeving, is dat dus ongeschreven recht dat voor Aegon aanvullende verplichtingen met zich bracht. Partijen, die beide naar de CRR verwijzen bij bespreking van de destijds geldende normen voor informatieverstrekking bij het aanbieden van beleggingsverzekeringen, nemen dit ook tot uitgangspunt.

2.82.

Wel stelt de Vereniging dat de CRR ‘bij invoering nog lang niet voldeed’ en wijst zij op kritiek op de CRR en het uitgangspunt van indirecte transparantie. Tijdens de relevante periode geuite kritiek en vragen van Tweede Kamerleden kunnen een indicatie vormen van een breed gedragen maatschappelijke opvatting. Om uit deze kritiek en de vragen een ongeschreven rechtsnorm te kunnen afleiden is echter, mede gezien de door het HvJEU gestelde eisen, vereist dat daaruit een voldoende concrete aanvullende norm valt te destilleren en dat deze aanvullende norm destijds zodanig breed werd onderschreven dat kon worden gesproken van een breed in de maatschappij levende opvatting, die – voorspelbaar voor de verzekeraars – aanvullende eisen stelde aan de informatieverstrekking.

2.83.

Het enkele bestaan van kritiek is dus onvoldoende om daaruit te kunnen afleiden dat deze in de relevante periode de weerslag vormde van een breed gedragen maatschappelijke opvatting, die aan de door het HvJEU gestelde eisen voldeed. Dat kan anders zijn als vaststaat dat de kritiek de weerslag is van de opvattingen van bijvoorbeeld Consumentenorganisaties, Toezichthoudende instanties of brancheverenigingen. Om dezelfde reden is het enkele feit dat Kamervragen zijn gesteld onvoldoende.

2.84.

Een deel van de kritiek waarnaar de Vereniging verwijst dateert van na de voor deze zaak relevante periode. Reeds daarom kan daaraan geen ongeschreven rechtsnorm worden ontleend die relevant is voor deze zaak. Dit geldt voor het feitenonderzoek van de AFM van 9 oktober 2008, waarnaar de Vereniging verwijst en het rapport van de Commissie Transparantie Beleggingsverzekeringen van 20 december 2006, dat zij aanhaalt ter onderbouwing van haar standpunt dat het verzekeringselement van de voorbeeldproducten ‘een farce’ is.

2.85.

Wel uit de relevante periode dateert het door de Vereniging genoemde rapport van prof. [A] uit 1995, “Koopsommen en premiestortingen een goudmijn: maar voor wie?”. Voorts zijn in de relevante periode vragen over (de informatieverstrekking over) beleggingsverzekeringen gesteld door Tweede Kamerleden. Niet steeds valt echter uit deze kritische noten een aanvullende norm te destilleren. Voor zover dit al het geval is, zijn geen aanvullende feiten en omstandigheden gesteld of gebleken, die de conclusie kunnen dragen dat deze kritiek en vragen een voor de verwijten van de Vereniging relevante ongeschreven rechtsnorm tot uiting brengen, die voldoet aan de door het HvJEU gestelde eisen.

2.86.

Onder verwijzing naar uitspraken van het Kifid (het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening) beroept de Vereniging zich op een ongeschreven rechtsnorm, die inhoudt dat informatie over kosten en premies niet mag worden opgenomen in algemene voorwaarden of polisvoorwaarden. Deze uitspraken binden de rechtbank echter niet. Los daarvan, verschillen deze uitspraken op onderdelen van elkaar en kan uit die uitspraken niet worden afgeleid dat, wat betreft de informatieverstrekking in algemene voorwaarden of polisvoorwaarden, sprake is van een ongeschreven rechtsnorm in de door het HvJEU bedoelde zin. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond om aan te nemen dat het ongeschreven recht destijds eiste dat informatie over kosten en premies niet in de algemene voorwaarden of polisvoorwaarden kon worden opgenomen, temeer nu de toelichting op de Riav met zoveel woorden uitgaat van verstrekking van deze informatie in de polisvoorwaarden, daar waar deze (in beide versies) vermeldt:

veel van de ingevolge het tweede lid voorgeschreven informatie zal reeds uit de polisvoorwaarden blijken. Voor zover dat niet het geval is, moet de informatie op andere wijze (in de polis of door middel van bijvoorbeeld een brochure) worden verstrekt.”

2.87.

De Vereniging stelt voorts dat een ongeschreven rechtsnorm voor de informatieverstrekking over spaarkassen (de voorbeeldproducten KoersPlan VermogensPlan) kan worden afgeleid uit de door een aantal verzekeringsmaatschappijen, waaronder Aegon, uitgegeven brochure ‘Spaarkassparen dat gaat zo!” uit 1985. In deze brochure, die Aegon tot mei 1999 heeft gehanteerd en die hierna ook wordt aangeduid als ‘de Spaarkas-brochure’ staat onder het kopje “Kosten en opbrengsten”:

“De periodieke stortingen zijn opgebouwd uit drie onderdelen: spaarstorting, overlijdensrisicopremie en vergoeding voor de kosten die de maatschappij maakt voor ondermeer het administreren en beheren van de jaarkas. De maatschappij vertelt u hoe deze posten zijn onderverdeeld zodat ook duidelijk is welk deel wordt belegd. Spaarders ontvangen, meestal een keer per jaar, een overzicht van de meest recente uitkeringsresultaten bij afloop van een jaarkas.”

2.88.

Aegon heeft zich als een van de verzekeringsmaatschappijen die deze brochure heeft uitgegeven, in algemene zin gecommitteerd aan de daarin omschreven wijze van informatieverstrekking voor spaarkasverzekeringen. Van Aegon kon op grond daarvan worden verwacht dat zij handelde overeenkomstig hetgeen in deze brochure staat over informatieverstrekking over spaarkasverzekeringen, zoals de voorbeeldproducten KoersPlan en VermogensPlan in de periode 1989 tot mei 1999. Deze, op het ongeschreven recht gebaseerde, door Aegon op zich genomen verplichting, wordt tot uitgangspunt genomen bij de verdere beoordeling. Daarmee kan onbesproken blijven of dit ongeschreven recht is dat voldoet aan de door het HvJEU gestelde eisen.

2.89.

Afgezien van de hierna te bespreken bijzondere zorgplicht, heeft de Vereniging het aan haar verwijten ten grondslag gelegde ongeschreven recht verder niet nader geconcretiseerd. In de opsomming van de geschonden normen per verwijt wijst zij steeds, na een verwijzing naar artikelen uit de Riav, onder meer op ‘het ongeschreven recht’. De Vereniging stelt echter geen concrete feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat het ongeschreven recht in de relevante periode op de door haar genoemde punten aanvullende eisen stelde ten opzichte van de regelgeving, de CRR en de door Aegon op zich genomen informatieverplichtingen uit de Spaarkas-brochure. Ook overigens is niet gebleken van voor de beoordeling van de verwijten van de Vereniging relevante ongeschreven rechtsnormen die aan de door het HvJEU genoemde eisen voldeden, op grond waarvan in 1989 tot en met 2004 voor Aegon op de door de Vereniging genoemde punten, aanvullende informatieverplichtingen golden bij het aanbieden van de voorbeeldproducten.

(c) bijzondere zorgplicht?

2.90.

De Vereniging stelt dat op Aegon als aanbieder van beleggingsverzekeringen een bijzondere zorgplicht rust, hetgeen Aegon betwist.

2.91.

De rechtbank volgt de Vereniging niet in haar betoog dat de voorbeeldproducten ‘in feite’ beleggingsproducten zijn, omdat het verzekeringsaspect louter secondair is, ‘van ondergeschikt belang’ en ‘alleen maar’ om Aegon in staat te stellen deze te verkopen en vanwege het daarmee samenhangende fiscale voordeel voor de verzekeringnemers. Ook als dat zo zou zijn – wat onbesproken kan blijven – neemt dat niet weg dat de voorbeeldproducten een verzekeringselement hebben, in de vorm van de uitkeringen bij overlijden vóór de einddatum en bij leven op de einddatum, terwijl het aan dit verzekeringsaspect verbonden fiscale voordeel, naar niet in geschil is, voor veel verzekeringnemers een belangrijke reden was om een beleggingsverzekering aan te gaan.

2.92.

In ieder geval zijn de voorbeeldproducten complexe financiële producten, die Aegon als professionele dienstverlener aanbiedt aan consumenten. Het beleggingselement – met de daaraan verbonden bijzondere kenmerken en risico’s – is een belangrijk onderdeel van de voorbeeldproducten. De gemiddelde consument kan in beginsel als niet deskundig op het terrein van beleggingen worden aangemerkt. Op Aegon rust als professionele en bij uitstek deskundige dienstverlener op het terrein van beleggingsverzekeringen, een bijzondere zorgplicht die ertoe strekt de gemiddelde consument te beschermen tegen de gevaren van een gebrek aan inzicht. Het gegeven dat de voorbeeldproducten ook een verzekeringselement hebben, staat niet in de weg aan deze conclusie. Juist de combinatie van elementen draagt bij aan de complexiteit van de voorbeeldproducten.

2.93.

De inhoud en reikwijdte van de op Aegon als aanbieder van beleggingsverzekeringen rustende bijzondere zorgplicht is vergelijkbaar met de bancaire bijzondere zorgplicht. Deze is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de ingewikkeldheid van het product en de daaraan verbonden risico’s. De bijzondere zorgplicht noopt tot het verstrekken van informatie over de relevante kenmerken en risico’s van de voorbeeldproducten en kan vergen dat daarvoor wordt gewaarschuwd. Uit de bijzondere zorgplicht vloeit voort dat Aegon informatie moet verstrekken over de aard en kenmerkende eigenschappen van de voorbeeldproducten, om de verzekeringnemer, die niet beschikt over de bij Aegon aanwezige professionaliteit en deskundigheid, in staat te stellen weloverwogen te kiezen welke beleggingsverzekering het beste bij zijn behoeften past. Als bijzonder deskundig te achten aanbieder van beleggingsverzekeringen rust op Aegon de verplichting om ten aanzien van de complexe voorbeeldproducten die aan een breed publiek zijn aangeboden, zich adequaat de belangen de verzekeringnemers aan te trekken door – indien aan de orde – indringend te waarschuwen voor de aan dit product verbonden specifieke risico’s. Deze waarschuwingsplicht dient ertoe de verzekeringnemer onmiskenbaar duidelijk te maken dat de betreffende overeenkomst tot gevolg kan hebben dat dat specifieke risico zich openbaart.

2.94.

De rechtbank vat de stelling van de Vereniging dat Aegon had moeten waarschuwen voor de door haar gestelde productspecifieke kenmerken (crashrisico en fata morgana-effect) op als de stelling dat Aegon daartoe was gehouden uit hoofde van de op haar rustende bijzondere zorgplicht. Dat zal de rechtbank hierna bespreken. Het per verwijt in de opsomming van de geschonden normen verwijzen naar ‘de bijzondere zorgplicht’, zoals de Vereniging verder heeft gedaan, is onvoldoende om te kunnen aannemen dat voor Aegon aanvullende eisen voortvloeiden uit de bijzondere zorgplicht.

(d) slotsom toetsingskader en uitgangspunten voor de verdere beoordeling

2.95.

Uit het voorgaande volgt dat er ruimte bestaat voor op het ongeschreven recht gebaseerde aanvullende normen voor informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten, naast de daarvoor geldende regelgeving. Wel moet dit ongeschreven recht voldoen aan de door het HvJ EU genoemde eisen. De zelfregulering van de branche in de CRR voldoet aan deze eisen en is dus ongeschreven recht waaraan de rechtbank zal toetsen. Indien en voor zover uit de CRR verstrekkender verplichtingen voortvloeien voor verzekeraars, zijn dat dus op het ongeschreven recht gebaseerde aanvullende informatieverplichtingen, waaraan Aegon zich diende te houden. De door Aegon met de Spaarkas-brochure op zich genomen informatieverplichting geldt voor KoersPlan en VermogensPlan eveneens als een ongeschreven rechtsnorm waaraan Aegon is gebonden.

2.96.

Op Aegon rust als aanbieder van beleggingsverzekeringen een bijzondere zorgplicht. Of deze noopte tot waarschuwen voor de door de Vereniging gestelde productspecifieke kenmerken van de voorbeeldproducten komt hierna aan de orde. Voor het overige is niet gesteld of gebleken dat daaruit aanvullende eisen voortvloeiden naast in de regelgeving en de CRR neergelegde voorschriften betreffende de informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten en de door Aegon op zich genomen informatieverplichtingen uit de Spaarkas-brochure.

2.97.

Ook overigens is niet gebleken van voor de beoordeling van de verwijten van de Vereniging relevante ongeschreven rechtsnormen die aan de door het HvJEU genoemde eisen voldeden, op grond waarvan in 1989 tot en met 2004 voor Aegon op de door de Vereniging genoemde punten, naast de toen geldende regelgeving en de CRR, aanvullende informatieverplichtingen golden bij het aanbieden van de voorbeeldproducten. Aegon heeft zich voor KoersPlan en VermogensPlan gecommitteerd aan de in de Spaarkas-brochure omschreven wijze van informatieverstrekking. Van Aegon kon op grond daarvan worden verwacht dat zij handelde overeenkomstig hetgeen in deze brochure staat over informatieverstrekking over spaarkasverzekeringen, zoals de spaarkasvoorbeeldproducten KoersPlan en VermogensPlan in de periode 1989 tot mei 1999. Zoals hiervoor is overwogen, is deze, op het ongeschreven recht gebaseerde, door Aegon op zich genomen verplichting, tot uitgangspunt genomen bij de verdere beoordeling. Voor zover deze verder strekt dan de verplichtingen van Aegon op grond van de regelingen en de CRR, zijn dat aanvullende eisen waaraan Aegon bij Koersplan en VermogensPlan van 1989 tot mei 1999 diende te voldoen.

2.98.

Gezien het voorgaande wordt het toetsingskader voor de verwijten ii) en iii) over de informatievoorziening van Aegon over de voorbeeldproducten in de relevante periode gevormd door de regelgeving en de CRR. Voor KoersPlan en VermogensPlan diende Aegon van 1989 tot mei 1999 informatie te verstrekken op de in de Spaarkas-brochure omschreven wijze. Beslissend voor het oordeel over de verwijten betreffende informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten, is dus of Aegon de regelgeving en de CRR heeft nageleefd en of zij (van 1989 tot mei 1999) voor KoersPlan en VermogensPlan heeft gehandeld op de in de Spaarkas-brochure omschreven wijze.

2.99.

De regelgeving en de CRR gingen uit van indirecte transparantie, ook toen de daarin neergelegde voorschriften gaandeweg werden aangescherpt. Niet ter discussie staat dat de informatie over de voorbeeldproducten ook op een andere, meer directe wijze verstrekt had kunnen worden. Voor zover de verwijten van de Vereniging (impliciet) ertoe strekken te betogen dat Aegon had moeten afwijken van dit uitgangspunt van indirecte transparantie, kunnen zij echter niet opgaan. Alsdan zou immers van Aegon worden gevergd dat zij had moeten afwijken van het uitgangspunt dat was neergelegd in de regelgeving en de CRR waaraan zij zich moest houden.

2.100. Het voorgaande betekent dat indien Aegon op de door de Vereniging genoemde punten bij het aanbieden van de voorbeeldproducten gedurende de gehele periode van 1989-2004 de regelgeving en de CRR heeft nageleefd en wat betreft KoersPlan en VermogensPlan van 1989-mei 1999 ook de in de Spaarkas-brochure vermelde informatie heeft verstrekt, zij volgens de toen geldende normen voldoende informatie over deze onderwerpen heeft verstrekt aan de verzekeringnemers van de voorbeeldproducten om hen in staat te stellen een goed geïnformeerde en weloverwogen keuze te maken bij het afsluiten van een beleggingsverzekering. Volgens de toen geldende normen heeft zij – naar de rechtbank als uitgangspunt neemt – in dat geval de verzekeringnemers van de voorbeeldproducten juist en volledig geïnformeerd over deze onderwerpen bij het aanbieden van de voorbeeldproducten. In dat geval heeft zij, naar de toen geldende normen, ook geen onjuiste of onvolledige mededelingen over deze onderwerpen gedaan in de zin van artikel 6:194 (oud) BW.

2.101. In de in 2.100 genoemde situatie, treffen de verwijten van de Vereniging dus geen doel en heeft zij zich niet schuldig gemaakt aan de door de Vereniging gestelde misleiding.

2.102. Als Aegon bij het aanbieden van de voorbeeldproducten gedurende de periode 1989-2004 op de door de Vereniging genoemde punten de regelgeving en de CRR niet heeft nageleefd en wat betreft KoersPlan en VermogensPlan van 1989-mei 1999 de in de Spaarkas-brochure vermelde informatie niet of onvolledig heeft verstrekt, heeft zij naar de toen geldende normen onvoldoende informatie over deze onderwerpen verstrekt aan de verzekeringnemers. In dat geval heeft zij onrechtmatig gehandeld jegens de betreffende verzekeringnemers van de voorbeeldproducten. Indien aan de overige vereisten daarvoor is voldaan, is Aegon in dat geval aansprakelijk jegens deze verzekeringnemers uit hoofde van onrechtmatige daad. In deze collectieve actie – die geen betrekking kan hebben op schadevergoeding – gaat het echter alleen om de vraag of Aegon onrechtmatig heeft gehandeld door op de door de Vereniging gestelde wijze haar informatieverplichtingen te schenden.

2.103. In de in 2.102 bedoelde situatie is ook – naar de rechtbank als uitgangspunt neemt – volgens de toen geldende normen geen juiste of volledige informatie over deze onderwerpen verstrekt aan de verzekeringnemers van de voorbeeldproducten en is een onjuiste of onvolledige mededeling gedaan in de zin van artikel 6:194 (oud) BW.

2.104. Indien in dat geval, vervolgens, redelijkerwijs aannemelijk is dat de onjuiste of onvolledige mededeling, gelezen in de context waarin deze is geplaatst, van materieel belang is voor de beleggingsbeslissing van de verzekeringnemer, is sprake van misleiding in de zin van artikel 6:194 BW (oud). Het gaat daarbij om de hierna aan te duiden gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone verzekeringnemer van een beleggingsverzekering. Het is aan de Vereniging, die zich op het rechtsgevolg beroept, een en ander voldoende concreet en onderbouwd te stellen.

2.105. Bepalend voor de uitkomst van de beoordeling van de verwijten over de informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten is dus of Aegon de regelgeving en de CRR heeft nageleefd, alsook of zij heeft gehandeld op de in de Spaarkas-brochure omschreven wijze.

B uitgangspunten voor de beoordeling van de verwijten over de informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten

2.106. Achtereenvolgens worden besproken de bij het aanbieden van de voorbeeldproducten verstrekte informatie (a) en ‘de verzekeringnemer’ die door de rechtbank tot uitgangspunt wordt genomen (b).

( a) de bij het aanbieden van de voorbeeldproducten verstrekte informatie

2.107. De Vereniging heeft polisbladen, polisvoorwaarden en de algemene voorwaarden van de voorbeeldproducten in de relevante periode in het geding gebracht, die de rechtbank tot uitgangspunt neemt bij haar beoordeling. Deze bescheiden worden hierna tezamen ook aangeduid als ‘de contractdocumenten’. Niet ter discussie staat dat de verzekeringnemers van de voorbeeldproducten waarvoor de Vereniging opkomt de contractdocumenten hebben ontvangen.

2.108. Daarnaast heeft de Vereniging brochures in het geding gebracht. Ook Aegon heeft brochures in het geding gebracht, onder meer de Spaarkas-brochure (voor KoersPlan en VermogensPlan). De Vereniging stelt dat Aegon de Spaarkas-brochure niet heeft verstrekt aan haar verzekeringnemers, aangezien nergens in de contractdocumentatie wordt aangegeven dat deze is verstrekt.

2.109. De rechtbank laat onbesproken of de Spaarkas-brochure al dan niet aan alle verzekeringnemers van de spaarkasvoorbeeldproducten KoersPlan en VermogensPlan zijn verstrekt. Voor de hiervoor gedane vaststelling dat Aegon zich in algemene zin heeft gecommitteerd aan de in de Spaarkas-brochure omschreven wijze van informatieverstrekking – hetgeen ook aan de orde is als zij de brochure niet aan alle verzekeringnemers heeft verstrekt – is niet relevant of deze brochure steeds is verstrekt bij het aanbieden van deze voorbeeldproducten. Voor het overige betrekt de rechtbank deze brochure niet in haar beoordeling.

2.110. De contractdocumenten werden in de regel na het afsluiten van de voorbeeldproducten toegezonden. Niet in geschil is dat de verzekeringnemer zich op dat moment nog kon onttrekken aan de overeenkomst, aangezien hij binnen twee weken na het afsluiten van de voorbeeldproducten daarvan kon afzien.

2.111. Het merendeel van de voorbeeldproducten is afgesloten via een onafhankelijke tussenpersoon. Aegon wijst op de positie en de eigen verantwoordelijkheid van dergelijke tussenpersonen, overigens zonder daaraan een conclusie te verbinden. De betekenis hiervan daargelaten, neemt de rechtbank bij de beoordeling van de verwijten tot uitgangspunt dat de betrokkenheid van een tussenpersoon de verantwoordelijkheid van Aegon voor de naleving van de op haar rustende informatieverplichtingen niet wegneemt. Zie ook de toelichting op Riav 1998, waarin staat dat:

de verzekeraar een derde kan inschakelen om namens hem aan de in dit artikel [artikel 2 Riav, toevoeging rechtbank] bedoelde verplichting te voldoen, met dien verstande dat dit niet afdoet aan de verantwoordelijkheid van de verzekeraar.”

( b) ‘de verzekeringnemer’

2.112. De Vereniging maakt haar verwijten over de informatieverstrekking in een collectieve actie, waarin in beginsel geen plaats is voor de beoordeling van individuele gevallen. Aegon heeft de informatie over de voorbeeldproducten aangeboden aan een grote groep verzekeringnemers, die in de relevante periode bovendien substantieel is uitgebreid door de toegenomen belangstelling van consumenten voor beleggen. Deze informatie was vervat in gestandaardiseerde contractdocumentatie en brochures.

2.113. De regelgeving voor informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten strekte ertoe ‘de consument’ te voorzien van de nodige inlichtingen teneinde een goed geïnformeerde en weloverwogen keuze te maken bij het afsluiten van een beleggingsverzekering. Het gaat hier om de consument die, om ten volle te kunnen profiteren van de diversiteit en toegenomen concurrentie van een ééngemaakte verzekeringsmarkt met een grotere en meer gediversifieerde keuze, moet beschikken over de nodige inlichtingen om de overeenkomst te kunnen kiezen die het beste bij zijn behoeften past. Zie de considerans van de Derde Levensrichtlijn (onder 23).

2.114. Deze regelgeving voorzag in standaardisatie van de verstrekte informatie, uitgaande van indirecte transparantie. De in de regelgeving neergelegde normen gelden voor de aanbieding van alle beleggingsverzekeringen. De regelgeving, gericht op het maken van een goed geïnformeerde en weloverwogen keuze door de hiervoor bedoelde consument, moet dus geacht worden te zijn afgestemd op de informatie die de gemiddelde verzekeringnemer van een beleggingsverzekering nodig heeft om deze keuze te maken.

2.115. Bij de toetsing aan artikel 6:194 (oud) BW moet worden uitgegaan van de vermoedelijke verwachting van de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument tot wie de mededeling zich richt of die zij bereikt, de ‘maatman’ (HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2820, NJ 2010/622, TMF en HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:178 (Stichting Loterijverlies).

2.116. Gezien het hiervoor geformuleerde uitgangspunt voor de beoordeling – dat inhoudt dat Aegon bij naleving van de regelgeving, de CRR en Spaarkas-brochure op de door de Vereniging genoemde punten bij het aanbieden van de voorbeeldproducten, volgens de toen geldende normen de verzekeringnemers juist en volledig heeft geïnformeerd over deze onderwerpen en geen onjuiste of onvolledige mededelingen over deze onderwerpen heeft gedaan in de zin van artikel 6:194 (oud) BW – gaat de rechtbank bij de beoordeling van deze verwijten over de verstrekte informatie op beide grondslagen uit van dezelfde gemiddelde verzekeringnemer.

2.117. Bij de invulling van deze tot uitgangspunt te nemen verzekeringnemer zoekt de rechtbank aansluiting bij artikel 6:193a BW, dat thans voor consumenten in de plaats is gekomen van artikel 6:194 (oud) BW en de implementatie vormt van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken, waarin wordt verwezen naar de ‘gemiddelde consument’ (de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument) die in de relevante periode is ontwikkeld in de jurisprudentie van het HvJEG over misleidende reclame. Zie bijvoorbeeld HvJEG 16 juli 1998, C-210/96 (Gut Springenheide), HvJ EG 28 januari 1999, C-303/97 (Sektkellerei Kessler), HvJ EG 13 januari 2000, C-220/98 (Lifting) en HvJ EG 4 april 2000, C-465/98 (Adolf Darbo). In de wetsgeschiedenis van artikel 193a BW is opgemerkt:

“Het gebruik van het begrip gemiddelde consument voorkomt dat de handelaar rekening moet houden met iedere consument ongeacht zijn vaardigheden of capaciteiten waaronder bijvoorbeeld de «naïeve» consument.”

Zie: TK 2007-2007, nr. 30 928, nr. 3, p 14.

2.118. Voorts zoekt de rechtbank aansluiting bij hetgeen volgens de toen geldende normen werd verwacht van de verzekeringnemer die kennisnam van de op grond van de regelgeving voorgeschreven informatie, die niet te gedetailleerd moest zijn, zorgvuldig en helder en op overzichtelijke wijze moest worden aangeboden, in de polisvoorwaarden en zo nodig aanvullend, bijvoorbeeld in brochures. De verzekeringnemer waarop de Riav het oog had, werd dus geacht kennis te kunnen opnemen uit verschillende bronnen en de daarin verstrekte informatie met elkaar in verband te brengen. Ook werd het primair tot de eigen verantwoordelijkheid van de verzekeringnemer gerekend dat deze zich op de hoogte stelde van de modaliteiten van het product (zie onder 2.53), hetgeen vanzelfsprekend niet afdoet aan de verplichting van de verzekeraar om hem goed en volledig te informeren.

2.119. Dit een en ander leidt ertoe dat de rechtbank de volgende gemiddelde verzekeringnemer, die verder wordt aangeduid als ‘de verzekeringnemer’ tot uitgangspunt neemt bij de beoordeling van de verwijten over de informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten: een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument die een beleggingsverzekering afsluit. Van deze verzekeringnemer mag worden verwacht dat hij bereid is zich te verdiepen in de kenmerken van het voorbeeldproduct en zich af te vragen of het voorbeeldproduct voor hem geschikt is, waarbij denkbaar is dat informatie langs verschillende wegen wordt aangeboden. De verzekeringnemer wordt in beginsel geacht in staat te zijn om verstrekte informatie op waarde te schatten, om zo nodig nadere informatie te zoeken en om vervolgens informatie uit verschillende bronnen met elkaar in verband te brengen.

C bespreking van de verwijten over de informatievoorziening bij het aanbieden van de voorbeeldproducten

2.120. Eerst komt verwijt ii) over het verstrekken van informatie over het crashrisico (a) en het fata morgana-effect (b) aan de orde, daarna verwijt iii) over het verstrekken van informatie over de (eerste) kosten en de overliojdensrisicopremies.

verwijt ii) – informatievoorziening over crashrisico en fata morgana-effect

( a) het crashrisico

2.121. Met het crashrisico doelt de Vereniging op het feit dat koersdalingen – zeker aan het eind van de looptijd van een beleggingsverzekering met periodieke inleg – tot gevolg kunnen hebben dat het vermelde voorbeeldeindkapitaal nooit gehaald zal kunnen worden, ook als de vermelde gemiddelde rendementen wel worden gehaald gedurende de looptijd van de polis.

2.122. Aegon presenteerde bij haar aanbod van de voorbeeldproducten voorbeeldberekeningen met een constant berekend, vast gemiddeld rendement, dat was gebaseerd op historische gegevens. De Vereniging stelt dat hiermee onjuiste en misleidende voorlichting is gegeven, omdat de indruk wordt gewekt dat het crashrisico niet bestaat. Volgens de Vereniging volstaat Aegon ten onrechte met het waarschuwen voor het reguliere aan beleggingen verbonden risico, zonder dit specifieke effect van koersdalingen in relatie met de gepresenteerde eindkapitalen te vermelden.

2.123. Niet is in geschil dat Aegon nergens met zoveel woorden in de door haar verstrekte informatie aandacht besteedt aan het crashrisico. Omdat de uitkering bij leven – en in sommige gevallen ook de uitkering bij overlijden – van de voorbeeldproducten is gekoppeld aan het resultaat van de beleggingen, loopt de verzekeringnemer beleggingsrisico. Dit is eveneens niet in geschil. Deze, aan de beleggingen gekoppelde uiteindelijke uitkeringen van de voorbeeldproducten zijn als gevolg van het beleggingselement dus intrinsiek onzeker.

2.124. Aegon moest op grond van artikel 2 lid 2 sub s Riav 1998 wijzen op het algemene aan beleggingsverzekeringen verbonden beleggingsrisico. Ook daarvóór was zij – zoals partijen ook tot uitgangspunt nemen – gehouden dit reguliere beleggingsrisico te vermelden als factor waarvan de uitkering van de voorbeeldproducten afhankelijk was. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 2 lid 2 sub b Riav (beide versies). Nu de Riav 1994 het voorheen geldende ongeschreven recht codificeerde, gold deze verplichting ook vóór de inwerkingtreding van de Riav 1994. Indien – zoals de Vereniging stelt – het crashrisico een afzonderlijke, van het reguliere beleggingsrisico te onderscheiden, factor is waarvan de uitkering afhankelijk is, had Aegon dit specifieke risico op grond van artikel 2 lid 2 sub b Riav (beide versies) en het daarvoor geldende, in de Riav 1994 gecodificeerde ongeschreven recht moeten vermelden als factor waarvan de uitkering afhankelijk is.

2.125. Niet in geschil is dat Aegon bij haar aanbod van de voorbeeldproducten informatie heeft verstrekt over en heeft gewaarschuwd voor het reguliere beleggingsrisico. Dat is het risico dat aandelen (of andere effecten) in waarde kunnen stijgen of dalen als gevolg van koersbewegingen. Aegon weerspreekt niet dat, zoals de Vereniging onder verwijzing naar de geschiedenis van de AEX stelt, forse koersdalingen gemiddeld elk decennium wel een keer voorkomen. Wanneer is niet te voorspellen, maar statistisch zijn zulke koersdalingen met grote zekerheid te verwachten. Niet is in geschil dat dit reguliere beleggingsrisico ertoe kan leiden dat het bij het aanbod genoemde voorbeeldkapitaal niet gehaald wordt.

2.126. De voorbeeldproducten onderscheiden zich van regulier beleggen in effecten of in beleggingsfondsen doordat zij een vaste looptijd hebben en – afgezien van de gevallen waarin dat op grond van de toepasselijke productvoorwaarden kosteloos kan – niet zonder nadelige gevolgen (zowel kostentechnisch als fiscaal) tussentijds kunnen worden beëindigd. De Vereniging stelt dat Aegon had moeten waarschuwen voor het crashrisico in verband met deze onderscheidende kenmerken van de voorbeeldproducten, die maakten dat de verzekeringnemer in beginsel voor de duur van de looptijd ‘vast’ zat aan het fonds waarin wordt belegd.

2.127. Aegon betoogt dat het door de Vereniging aangeduide crashrisico niets anders is dan het reguliere beleggingsrisico en dat zij niet aanvullend behoefde te waarschuwen voor dit aspect daarvan. De Vereniging stelt dat het crashrisico een geheel ander risico is, dat geldt voor de voorbeeldproducten die een relatief lange looptijd hadden en in het bijzonder aan de orde is bij een periodiek ingelegde premie. Het crashrisico betekent namelijk dat, ook als de genoemde gemiddelde rendementen worden behaald, koersdalingen tot gevolg kunnen hebben dat het gepresenteerde eindkapitaal aan het eind van de looptijd niet gehaald wordt. De Vereniging stelt dat een forse afwijkende waardeontwikkeling als gevolg van het crashrisico geen uitzondering is.

2.128. Gezien het voorgaande bestaat het reguliere beleggingsrisico van de voorbeeldproducten uit koersfluctuaties van de opgebouwde beleggingen gedurende de in beginsel vaste, lange looptijd van de voorbeeldproducten. Dit is een factor waarvan de uitkering aan het eind van de looptijd afhankelijk is. Gezien de lange looptijd van de voorbeeldproducten zijn forse koersdalingen gedurende de looptijd met grote zekerheid te verwachten, zij het dat niet te voorspellen is wanneer deze koersdalingen zich kunnen voordoen. Iedere koersbeweging, ongeacht het moment waarop deze zich voordoet, beïnvloedt de uitkering aan het einde van de looptijd, waarvan vanwege die onvoorspelbare koersbewegingen intrinsiek onzeker is of die (bij benadering) gelijk zal zijn aan het voorbeeldkapitaal dat is gepresenteerd op basis van historische rendementen.

2.129. Gelet hierop is de rechtbank, met Aegon, van oordeel dat hetgeen de Vereniging aanduidt als het crashrisico, niets anders is dan het intreden van dit reguliere beleggingsrisico op een voor de verzekeringnemer ongunstig tijdstip. Daarmee is het crashrisico een onderdeel van het reguliere beleggingsrisico, waarvan niet te voorspellen is wanneer dat zich zal voordoen en wat de gevolgen daarvan zullen zijn voor de waardeontwikkeling van de beleggingen van de voorbeeldproducten. Aangetekend wordt dat niet kan worden aangenomen dat iedere koersdaling – ook niet indien deze zich later in de looptijd voordoet – zonder meer met zich brengt dat het genoemde eindkapitaal niet wordt gehaald. Dat hangt af van factoren als de resterende looptijd van de verzekering, de omvang en duur van de koersdaling, eventuele koersstijgingen alsmede eventuele tussentijdse aanpassingen van de voorbeeldproducten. Inherent aan het reguliere beleggingsrisico is dat de resultaten vanwege koersbewegingen – die zeker over een langere periode die zich verder in de toekomst uitstrekt niet of moeilijk te voorspellen zijn – anders kunnen uitvallen dan gehoopt of voorzien. Inherent aan het risico van beleggen in een fonds gedurende een vaste looptijd is dat een koersbeweging zich op een ongunstig tijdstip kan voordoen, waardoor het effect op de beleggingen zodanig is dat het gepresenteerde eindkapitaal nooit zal kunnen worden gehaald, ook niet als het gemiddelde rendement – van de koersen die kunnen bewegen – gedurende de hele looptijd gelijk is aan het gepresenteerde gemiddelde voorbeeldrendement.

2.130. Het gestelde crashrisico is dus geen afzonderlijk te vermelden factor waarvan de uitkering afhankelijk is. Aegon behoefde haar afnemers niet afzonderlijk voor te lichten over of te waarschuwen voor dit aspect van het reguliere beleggingsrisico. Reeds omdat dit geen specifiek, van het reguliere beleggingsrisico te onderscheiden risico van de voorbeeldproducten is, vergde de op Aegon rustende bijzondere zorgplicht niet dat Aegon hiervoor waarschuwde.

2.131. De Vereniging stelt nog dat Aegon met de wijze waarop informatie over het reguliere beleggingsrisico wordt verstrekt, juist de indruk wekt dat het crashrisico niet bestaat, bijvoorbeeld in de brochure van FundPlan uit 1990, waarin staat:

“koersfluctuaties zijn bij aandelen groter, maar gemiddeld geven ze op de langere termijn een hoger rendement.”

Volgens de Vereniging wordt in de daarbij weergegeven grafiek, waarin het gemiddelde als een constante lijn is weergegeven, geen rekenschap gegeven van het crashrisico, terwijl andere brochures van FundPlan volgens de Vereniging ook een ‘misleidende grafiek’ met een vast gemiddeld rendement bevatten.

2.132. Deze stelling treft geen doel, net zo min als het – in algemene termen geformuleerde – standpunt van de Vereniging dat de uitkering die Aegon op grond van een constant rendement voorrekende geen nauwkeurige inschatting was van het te behalen eindkapitaal en dat de economische gevolgen van het crashrisico niet inzichtelijk werden gemaakt. Het door de Vereniging aangehaalde citaat duidt op het feit van algemene bekendheid dat met beleggen in aandelen op de langere termijn hogere rendementen kunnen worden behaald, terwijl daaraan – vanwege de koerschommelingen – grotere risico’s verbonden zijn dan aan andere vormen van kapitaalopbouw. De standpunten van de Vereniging over de berekeningen en de grafische weergave gaan eraan voorbij dat geen peil erop is te trekken wanneer de forse koersdalingen, die zich – naar niet in geschil is – naar redelijke verwachting gedurende de looptijd zullen voordoen, zich daadwerkelijk zullen manifesteren, temeer daar niet gezegd is dat de koersdaling zich steeds voordoet op een moment gedurende de looptijd dat de koersdaling leidt tot de gestelde ‘crash’ waardoor het gestelde eindkapitaal nimmer kan worden gehaald. De aan beleggingen inherente koersbewegingen kunnen er evengoed toe leiden dat het eindkapitaal juist veel hoger uitvalt.

2.133. Dit een en ander staat ook in de weg aan het honoreren van hetgeen de Vereniging naar voren brengt over soortgelijke passages uit brochures van de andere voorbeeldrendementen en de berekeningen op basis van constant berekende rendementen. Daarbij komt dat, nog daargelaten dat Aegon terecht opmerkt dat een constant rendement per definitie ook een gemiddeld rendement is, bij zowel het gebruik van een constant als een gemiddeld rendement het eindkapitaal afhankelijk is van de ontwikkeling van de koersen en dus kan afwijken van het voorbeeldeindkapitaal, temeer daar intrinsiek onzeker is wanneer de koersontwikkelingen waarop het crashrisico ziet zich voordoen.

2.134. De slotsom luidt dat het verwijt over het niet vermelden van het crashrisico geen doel treft. In het verlengde hiervan faalt het verwijt van de Vereniging dat Aegon, nadat het crashrisico zich in 2001 en in 2008 manifesteerde, geen actie heeft ondernomen om haar klanten te waarschuwen en om de geleden schade te repareren. Bij gebrek aan enige gehoudenheid van Aegon tot voorlichting over dit aspect van het reguliere beleggingsrisico, heeft Aegon haar afnemers niet misleid door het crashrisico niet te vermelden en is er geen juridische grondslag voor schadeplichtigheid van Aegon in verband met dit gestelde nalaten.

2.135. Het door de Vereniging benadrukte, in voorkomende gevallen ‘desastreus’ uitpakken van het optreden van het crashrisico leidt niet tot een ander oordeel. Niet in geschil is dat koersdalingen verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor de waarde van de beleggingen en ook op het na afloop van de looptijd van de voorbeeldproducten uit te keren eindkapitaal, voor zover dat niet uit een gegarandeerd bedrag bestond. Dat is echter het reguliere beleggingsrisico.

( b) het fata morgana-effect

2.136. Het fata morgana-effect komt volgens de Vereniging in de kern erop neer dat de voorbeeldberekeningen die Aegon hanteerde onjuist of misleidend zijn. De eerste twee door de Vereniging gestelde varianten van dit effect hebben betrekking op het verschil tussen twee berekeningswijzen van het voorbeeldkapitaal: de (voorgeschreven) meetkundige berekening en de rekenkundige berekening. Bij een meetkundige berekening worden de effecten van de koersbewegingen – die gemiddeld gelijk zijn aan het gelijkblijvende stijgingspercentage – in de berekening verdisconteerd. De effecten van de koersbewegingen worden niet verdisconteerd bij een rekenkundige berekening, waarbij de waarde wordt berekend met een jaarlijks gelijkblijvend stijgingspercentage. De eerste door de Vereniging gestelde variant van het fata morgana-effect ziet op de periode vóór invoering van de CRR in 1997, het tweede op de periode vanaf 1997. Volgens de Vereniging doen deze varianten zich bij alle drie de voorbeeldproducten voor.

de periode vóór 1997

2.137. Niet in geschil is dat de gepresenteerde voorbeeldkapitalen vóór en na 1997 op meetkundige wijze moesten worden berekend. De Vereniging stelt in algemene termen dat ‘verzekeraars’ vóór 1997 bij het maken van de voorbeeldberekeningen geen rekening hielden met de volatiliteit en de berekeningen opstelden aan de hand van een normaal (rekenkundig) gemiddelde. Zij stelt dat zij niet kan vaststellen hoe de door Aegon gebruikte voorbeeldrendementen tot stand zijn gekomen en wijst erop dat Aegon vóór 1997 bij een groot aantal producten ieder jaar opnieuw met dezelfde voorbeeldpercentages rekende, terwijl voorts veelal werd gerekend met afgeronde jaarrendementen (bijvoorbeeld 10%, 12% en 14%), hetgeen erop lijkt te wijzen dat geen rekening werd gehouden met de daadwerkelijke koersontwikkeling van het fonds waarin werd belegd; een historische reeks zal niet snel op een exact afgerond getal uitkomen, aldus de Vereniging, die ter onderbouwing van haar standpunt over het vóór 1997 hanteren van de rekenkundige methode verder verwijst naar de door haar in het geding gebrachte rapporten van Capital Consult.

2.138. Uit het door de Vereniging in het geding gebrachte rapport van Capital Consult blijkt niet dat Aegon, afgezien van de afloopjaren 1992 en 1993 ten aanzien van KoersPlan en VermogensPlan, in de relevante periode voorbeeldrendementen van de voorbeeldproducten rekenkundig heeft berekend. Aegon erkent dit. Voor het overige heeft de Vereniging haar, door Aegon gemotiveerd betwiste, stelling dat Aegon tot 1997 de rendementen van de voorbeeldproducten structureel op onjuiste, want rekenkundige wijze berekende, op geen enkele manier geconcretiseerd. Zij heeft ook niet weersproken dat het destijds gebruikelijk was om afgeronde percentages te noemen, hetgeen overigens past bij het destijds geldende uitgangspunt dat niet te gedetailleerde, betrekkelijk makkelijk toegankelijke informatie moest worden verstrekt. De afgeronde getallen waarop de Vereniging wijst, zijn dus op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat Aegon de rendementen niet op meetkundige wijze berekende, dan wel dat deze op willekeurige wijze werden vastgesteld.

2.139. Wat rest, is de vaststelling dat Aegon het rendement van KoersPlan en VermogensPlan in de afloopjaren 1992 en 1993 op onjuiste wijze, want rekenkundig, heeft berekend. Onbetwist is dat Aegon bij de berekening van de rendementen de historische rendementen van de laatste zes jaar hanteerde. Aegon heeft concreet en met berekeningen onderbouwd uiteengezet dat het verschil tussen de over de afloopjaren 1992 en 1993 meetkundig en rekenkundig berekende rendementen vrijwel geen invloed heeft gehad op de over zes jaar berekende bedragen van de voorbeeldkapitalen waarvoor deze onjuist berekende rendementen zijn gebruikt.

2.140. Tegenover dit verweer van Aegon had de Vereniging dit verwijt in haar akte moeten concretiseren en nader moeten onderbouwen. De enkele verwijzing naar r.o. 4.50 en 4.51 van het arrest van het gerechtshof in de KoersPlanzaak is daartoe onvoldoende. De overwegingen van het gerechtshof in dat arrest gelden niet zonder meer voor deze zaak, temeer nu de verwijten in deze zaak betrekking hebben op een langere periode dan bij KoersPlan aan de orde was. De enkele, in verband met deze verwijzing, geponeerde stelling van de Vereniging dat een afwijking in het jaarrendement van 1%, naar Aegon ‘zeer wel bekend’ is grote gevolgen heeft, is in dit verband onvoldoende. Dit verwijt gaat dus niet op.

de periode na 1997

2.141. Niet in geschil is dat Aegon na 1997 de voorbeeldkapitalen op de juiste (meetkundige) wijze berekende, met verdiscontering van de koersbewegingen van de beleggingen. Toepassing van de meetkundige rekenmethode leidt tot lagere rendementspercentages en tot een lager voorbeeldkapitaal, dan toepassing van de rekenkundige methode, waarin het effect van de koersbewegingen niet is verdisconteerd. “Waar de schoen wringt”, in de woorden van de Vereniging, is dat de verzekeringnemer, die niet op de hoogte is van de werking van de volatiliteit en de bij de meetkundige berekening gebruikte wiskundige formule niet kent, op geen enkele wijze kenbaar wordt gemaakt dat wordt gerekend met een meetkundig gemiddelde. De gemiddelde consument rekent volgens de Vereniging met het gewone rekenkundig gemiddelde en beziet de voorbeeldkapitalen aldus met een ‘rekenkundige bril’. Het betoog van de Vereniging komt erop neer dat verzekeringnemers daarbij zelf, en op een rekenkundige manier, de voorbeeldrendementen gingen afzetten tegen de gemiddelde beleggingsrendementen en dan bedrogen uitkwamen, omdat zij de (lagere) meetkundige gemiddelden vergeleken met de rekenkundig benaderde werkelijke gemiddelden.

2.142. Aegon heeft hieraan geen aandacht besteed in haar informatieverstrekking, die daarom in de visie van de Vereniging onvolledig en misleidend was; Aegon, die de wijze waarop de gemiddelde consument de berekeningen zou bezien kende, althans moest kennen, gaf volgens de Vereniging een onjuist en te rooskleurig beeld, daar waar zij had moeten waarschuwen voor de werking van de volatiliteit en het verschil tussen het rekenkundig en meetkundig gemiddelde. De Vereniging heeft de volgende waarschuwing geformuleerd:

Let op: dit voorbeeld is berekend op basis van het meetkundig gemiddelde (een wiskundige rekenvariant), waarmee wij rekening hebben gehouden met het negatieve effect van koersschommelingen op de waarde van uw beleggingen. Om het geprognosticeerde kapitaal daadwerkelijk te behalen zal de koers van uw beleggingen gemiddeld met een hoger percentage per jaar, namelijk x% dienen te stijgen. Uw adviseur licht dit graag verder toe.”

2.143. De rechtbank laat onbesproken of de verzekeringnemeer de door de Vereniging veronderstelde rekenkundige berekeningen maakte. Zij gaat veronderstellenderwijs ervan uit dat de verzekeringnemer, zoals de Vereniging stelt, met een ‘rekenkundige bril’ keek naar de meetkundig berekende voorbeeldkapitalen.

2.144. Het hanteren van het meetkundig gemiddelde past bij de destijds tot uitgangspunt genomen indirecte transparantie, waarbij de factoren waarvan de uitkering afhankelijk was moesten worden verdisconteerd in gepresenteerde voorbeeldrendementen en netto-eindkapitalen. De gegeven voorbeelden waren daarmee – naar niet in geschil is – de resultante van een complexe (meetkundige) berekening waarin verschillende factoren waren verdisconteerd. Het verdisconteerde beleggingsrisico was gebaseerd op historische gegevens, die – naar niet ter discussie staat – geen voorspellende waarde hebben voor de toekomstige koersontwikkelingen van de beleggingen, die op niet te voorspellen momenten fors konden fluctueren.

2.145. De door de Vereniging aangeduide rekenkundige benadering bij het bezien van de voorbeeldrendementen en netto-voorbeeldkapitalen sluit dus niet aan bij de informatieverstrekking op grond van de destijds geldende regelgeving en de CRR. Nu Aegon op grond daarvan en het vóór 1994 geldende ongeschreven recht gehouden was de in de voorbeeldberekeningen verdisconteerde factoren te noemen waarvan de uitkering afhankelijk was, behoefde zij niet nog eens afzonderlijk te vermelden dat de uitkomsten van deze gebruikte meetkundige rekenmethode anders waren dan de uitkomst bij gebruikmaking van de rekenkundige methode, waarin die factoren niet verdisconteerd waren. Dit verwijt gaat dus niet op.

productrendement/fondsrendement

2.146. De derde variant van het fata morgana-effect doet zich volgens de Vereniging voor bij de spaarkasovereenkomsten KoersPlan en VermogensPlan. Zij stelt dat Aegon de rendementen van deze twee voorbeeldproducten op onjuiste en misleidende wijze heeft gepresenteerd, omdat vóór 1998 is nagelaten te vermelden dat werd gerekend met een productrendement, dat lager is dan het fondsrendement. Aegon had volgens de Vereniging moeten vermelden dat de beleggingen een hoger rendement moesten behalen om de genoemde eindkapitalen te halen.

2.147. Aegon wijst erop dat niet alleen vanaf 2000 in de certificaten van deze twee voorbeeldproducten informatie werd gegeven over het verschil tussen het fondsrendement en productrendement, maar ook in de brochures vanaf 1997. De Vereniging onderschrijft dit, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat dit verwijt ziet op de documentatie van vóór 1997, die – naar niet in geschil is – geen uitleg bevatte over het verschil tussen deze twee rendementen.

2.148. Op grond van de op 1 oktober 1997 in werking getreden versie van de CRR kon het rendement waarmee het voorbeeldkapitaal kan worden berekend zowel een fonds- als een productrendement zijn. Indien het productrendement werd gehanteerd, diende dit uitdrukkelijk te worden vermeld. Voordien was er geen voorschrift over de wijze waarop de soorten rendement moesten worden weergegeven. Bij het gebruik van het productrendement, behoefde dat dus niet uitdrukkelijk te worden vermeld. Daarmee heeft Aegon geen op haar rustende verplichting geschonden door vóór 1997 bij gebruik van het productrendement dit niet uitdrukkelijk te vermelden.

de in de KoersPlanzaak vastgestelde misleiding bij het presenteren van de voorbeeldkapitalen

2.149. Onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof in de KoersPlanzaak stelt de Vereniging dat Aegon in de brochures van KoersPlan en VermogensPlan in de periode van 1989 tot en met 1997 onjuiste en daarmee misleidende voorbeeldkapitalen heeft gepresenteerd.

2.150. Het gerechtshof heeft wat betreft de voorbeeldkapitalen op twee punten vastgesteld dat Aegon zich schuldig heeft gemaakt aan misleiding met onvolledige en onjuiste contractdocumentatie. Het eerste door het gerechtshof genoemde punt komt, samengevat, erop neer dat in de brochures van KoersPlan van 1989 tot en met 1994 voorbeeldkapitalen zijn getoond die door geen enkele maatman gehaald konden worden. Het tweede, hiermee samenhangende, punt is dat in de brochures van 1989 tot en met 1994 voor de berekening van de getoonde historische rendementen voor de jaren 1983 tot en met 1988 is uitgegaan van een looptijd van 15,5 jaar, terwijl van een looptijd van 15 jaar uitgegaan had moeten worden. De tabellen over de jaren 1983 tot en met 1998 toonden hierdoor te hoge rendementen, die het verschil tussen het gepresenteerde rendement – dat door geen enkele maatman gehaald kon worden – en het werkelijk haalbare rendement vergrootten.

2.151. De Vereniging betoogt, zo begrijpt de rechtbank, dat deze vaststellingen ook gelden in deze zaak ten aanzien van KoersPlan en VermogensPlan. Aegon, op wiens weg het ligt dit standpunt gemotiveerd te betwisten, heeft in algemene termen aangevoerd dat voor het merendeel van de verzekeringnemers de geïndividualiseerde rendementen gelijk of hoger uitvallen vergeleken met de in de brochures getoonde voorbeeldrendementen en voorts dat het hanteren van een andere risicopremie dan die van de maatman en een termijn van 15,5 in plaats van 15 jaar slechts een zeer beperkt effect heeft op het rendement.

2.152. Het oordeel van het gerechtshof is niet bindend in deze zaak. Dat neemt niet weg dat van Aegon een meer concrete en onderbouwde betwisting mocht worden verwacht ten aanzien van de brochures van KoersPlan 1989 tot en met 1994. Nu die ontbreekt, staat tussen partijen vast dat de brochures van KoersPlan over de jaren 1989 tot en met 1994 op dezelfde punten onvolledig en onjuist waren, zodat daarmee onvoldoende informatie werd verstrekt. Aegon heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij de verzekeringnemers hiermee heeft misleid. Deze verwijten van de Vereniging treffen dus doel.

2.153. Ten aanzien van de brochures van KoersPlan over de jaren 1995 tot en met 2004 en de brochures van VermogensPlan is de enkele verwijzing van de Vereniging naar het oordeel van het gerechtshof in de KoersPlanzaak, zonder nadere toelichting – die ontbreekt – echter onvoldoende om te kunnen concluderen dat Aegon ook in die brochures op deze punten onjuiste en onvolledige informatie heeft verstrekt. Voor deze brochures gaan deze verwijten van de Vereniging dus niet op.

2.154. In dit verband stelt de Vereniging nog dat Aegon tot en met 1997 bij KoersPlan en VermogensPlan niet heeft vermeld hoe de overlijdensrisicopremies werden vastgesteld, welke factoren daarbij van belang waren en hoe de premie de kapitaalopbouw kon beïnvloeden.

2.155. Ook dit verwijt treft geen doel. Deze door de Vereniging genoemde specifieke informatie over de overlijdensrisicopremie behoefde niet te worden verstrekt op grond van de regelgeving of de CRR en op het daarvóór geldende ongeschreven recht. De Spaarkas-brochure noopt daar ook niet toe. De op Aegon rustende bijzondere zorgplicht stelt geen aanvullende eisen ten aanzien van de in het kader van het fata morgana-effect verweten wijze van informatieverstrekking.

Slotsom fata morgana-effect

2.156. Dit verwijt treft doel ten aanzien van de brochures van KoersPlan van 1989 tot en met 1994, waarin Aegon onjuiste voorlichting heeft gegeven en een misleidende mededeling heeft gedaan door:

  1. voorbeeldkapitalen te tonen die door geen enkele maatman gehaald konden worden en

  2. voor de berekening van de getoonde historische rendementen voor de jaren 1983 tot en met 1988 uit te gaan van een looptijd van 15,5 jaar, terwijl van een looptijd van 15 jaar uitgegaan had moeten worden.

2.157. Voor het overige gaan de verwijten van de Vereniging over het gestelde fata morgana-effect niet op. Aegon heeft bij het presenteren van de voorbeeldkapitalen op de door de Vereniging genoemde onderdelen niet gehandeld in strijd met de regelgeving, de CRR of de door Aegon ten aanzien van KoersPlan en VermogensPlan op zich genomen verplichting uit de Spaarkas-brochure. De op Aegon rustende bijzondere zorgplicht stelde geen aanvullende eisen ten aanzien van de in het kader van het fata morgana-effect verweten wijze van informatieverstrekking. De rechtbank tekent daarbij aan dat dit verwijt, dat wordt gepresenteerd als betrekking hebbend op een risicovol productspecifiek kenmerk van de voorbeeldproducten, bij nadere beschouwing ziet op de wijze waarop Aegon voorlichting verstrekte over die producten, namelijk met behulp van de voorbeeldkapitalen. Het verwijt ziet dus niet op specifieke risicovolle eigenschappen van de voorbeeldproducten waarvoor op grond van de bijzondere zorgplicht mogelijk een waarschuwingsplicht kan bestaan, maar op het uitgangspunt van indirecte transparantie en de wijze waarop Aegon daaraan invulling heeft gegeven met de door haar gepresenteerde voorbeeldberekeningen.

verwijt iii) – informatieverstrekking over (het effect van) de (eerste) kosten en de overlijdensrisicopremie

2.158. Achtereenvolgens komen aan de orde de verwijten over informatieverstrekking over de kosten (A) en over de overlijdensrisicopremie (B).

A informatieverstrekking over de kosten

2.159. Voorafgaand aan het bespreken van de verwijten over informatieverstrekking over (het effect van) de (eerste) kosten, stelt de rechtbank het volgende voorop met betrekking tot de informatieverstrekking over de kosten van de voorbeeldproducten.

2.160. De verzekeringnemer betaalt een prijs: de premie. De kosten van de voorbeeldproducten worden op twee manieren in rekening gebracht. In de eerste plaats komen kosten ten laste van de bruto-premie, doordat zij net als de overlijdensrisicopremie daarop worden ingehouden voordat het na deze inhouding resterende deel van premie (de netto-premie) wordt belegd. Als tweede worden kosten in rekening gebracht door deze te onttrekken aan de spaarkas (van KoersPlan en VermogensPlan) respectievelijk de beleggingen (van FondsPlan). Dat zijn de in de regelgeving aangeduide kosten die naast de bruto-premie in rekening worden gebracht en die sinds inwerkingtreding van de Riav 1998 afzonderlijk vermeld moeten worden.

2.161. De destijds toepasselijke regelgeving voorzag in een algemene verplichting om de factoren te noemen waarvan de uitkering afhankelijk was. Deze verplichting was neergelegd in artikel 2 lid 2 sub b Riav 1998. Uit de toelichting kan worden afgeleid dat deze bepaling in de optiek van de wetgever een daarvóór op grond van artikel 2 lid 2 sub b Riav 1994 reeds bestaande, maar niet steeds nageleefde verplichting expliciteerde. Deze verplichting om de factoren waarvan de uitkering afhankelijk is te vermelden bij het aanbieden van beleggingsverzekeringen bestond dus reeds op grond van de Riav 1994. Nu, zoals partijen ook tot uitgangspunt nemen, de Riav 1994 de daarvóór bestaande ongeschreven zorgvuldigheidsnormen expliciteerde, gold deze verplichting ook vóór inwerkingtreding van de Riav 1994. De rechtbank voegt daaraan toe dat het indirect inzicht geven in het onzekere resultaat van de inleg van de premie zinledig is zonder de factoren te noemen waarvan de uitkering op de einddatum afhankelijk is. Zonder te weten van welke factoren de uitkering afhankelijk is, is een goed geïnformeerde en weloverwogen keuze voor een beleggingsverzekering niet goed denkbaar. Als uitgangspunt geldt dus dat de informatieverstrekking zonder de factoren te noemen waarvan de uitkering afhankelijk is, onjuist en onvolledig is.

2.162. Niet in geschil is dat de kosten een factor vormen waarvan de uitkering afhankelijk is. Dat geldt zowel voor de kosten die ten laste van de bruto-premie komen als de kosten die naast de bruto-premie in rekening worden gebracht, door ze te onttrekken aan de spaarkas dan wel de beleggingen. Aegon diende de kosten dus gedurende de gehele relevante periode te noemen als factor waarvan de uitkering afhankelijk was, door bijvoorbeeld duidelijk te maken dat de gegeven voorbeeldkapitalen nettoresultaten zijn na aftrek van kosten dan wel anderszins duidelijk te maken dat kosten van invloed zijn op het op de einddatum te behalen beleggingsresultaat.

2.163. Er zijn geen aanknopingspunten om te oordelen dat deze verplichting naar de toen geldende maatstaven ook het noemen van kostensoorten omvatte, zoals de Vereniging betoogt. De door de Vereniging gestelde verplichting staat op gespannen voet met de destijds geldende opvattingen die onder meer blijken uit de hiervoor geciteerde passages (zie 2.49 en 2.68). Daaruit volgt dat gedetailleerde informatie niet nodig werd geacht. Het ging om de prijs in de zin van eindprijs, waarbij wel moest worden vermeld dat kosten een factor waren waarvan de uitkomst afhankelijk was. Het niet nodig achten om de kostensoorten te vermelden kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit de onder 2.68 aangehaalde opvatting van de wetgever dat de kosten van de assurantietussenpersoon (die ook deel konden uitmaken van de ‘eerste kosten’) niet behoefden te worden genoemd.

2.164. In het destijds als uitgangspunt geldende systeem van indirecte transparantie werd informatie over kosten indirect gegeven met behulp van voorbeeldkapitalen. Tot de invoering van de Riav 1998 werd in de regelgeving geen onderscheid gemaakt tussen naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten en kosten die ten laste van de bruto-premie kwamen. In de Riav 1998 wordt dit onderscheid wel gemaakt en moest de verzekeraar – indien van toepassing – kennis geven van de naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten. Uit de toelichting blijkt dat niet kan worden volstaan met het noemen van de kostensoort; deze kennisgeving “betreft (…) niet slechts de kostensoorten, maar ook een kwantitatieve weergave van de kosten”. De verzekeraar moest vanaf 1 januari 1999 dus informatie geven over de soort en (gekwantificeerde) hoogte van de naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten.

2.165. Hieruit volgt dat vanaf de inwerkingtreding van de Riav 1998 het indirect informeren over de kosten van de voorbeeldproducten alleen nog aan de orde was voor kosten die ten laste van de bruto-premie kwamen, dus kosten die tegelijk met de overlijdensrisicopremie werden ingehouden op de bruto-premie alvorens het restant werd belegd.

2.166. De Vereniging stelt dat Aegon is tekortgeschoten in haar verplichting haar afnemers juist, duidelijk en volledig voor te lichten over (de effecten van) de (eerste) kosten die werden ingehouden, door de (hoogte van) verschillende kosten en inhoudingsposten in het geheel niet te noemen (i), door de kosten in de polisvoorwaarden en algemene voorwaarden op te nemen (ii) en niet te wijzen op de gevolgen van de kosten voor het te behalen rendement, door op geen enkele manier te vermelden op welke wijze de kosten van invloed waren op het op te bouwen kapitaal en op welke wijze fluctuerende beleggingsrendementen in combinatie met de kosten en inhoudingen het op te bouwen kapitaal beïnvloedden (iii).

2.167. Hiervoor is reeds overwogen dat er in de relevante periode geen ongeschreven rechtsregel bestond die eraan in de weg stond dat de informatie over de (hoogte van de) kosten in de algemene voorwaarden werd opgenomen. Daarmee is het lot van deelverwijt ii) gegeven.

( a) niet noemen van (de hoogte van) wel in rekening gebrachte kosten

KoersPlan en VermogensPlan

2.168. Dit deelverwijt i) over het niet noemen van (de hoogte van) wel in rekening gebrachte kosten ziet ten aanzien van KoersPlan en VermogensPlan in de eerste plaats op kosten die vanaf 2000 wel worden genoemd in de door Aegon verstrekte overzichten en die niet zijn genoemd bij het aanbieden van de voorbeeldproducten. Het gaat om ‘aan- en verkoopkosten’ en ‘fondsbeheerkosten’.

fondsbeheerkosten

2.169. Niet in geschil is dat de vanaf 2000 door Aegon vermelde fondsbeheerkosten een vergoeding voor de fondsmanager en het beheer van het beleggingsfonds betreffen. Deze kosten worden ten laste gebracht van het fondsvermogen en waren verdisconteerd in de koers van het fonds. Daarmee zijn deze kosten verdisconteerd in het (historisch) rendement op basis waarvan de voorbeeldeindkapitalen zijn berekend. Aegon heeft informatie over deze kosten verstrekt via de voorbeeldkapitalen. Uit de destijds geldende voorschriften vloeide niet voort dat zij meer of andere informatie over deze kosten moest verstrekken. Dit verwijt van de Vereniging faalt dan ook.

aan- en verkoopkosten

2.170. De Vereniging heeft hiermee het oog op de vanaf 2000 in artikel 6 van de productinformatie bij Koersplan genoemde aan- en verkoopkosten:

“Deze bedragen bij een belegging bestaande uit aandelen en/of andere effecten respectievelijk 0,4% van de waarde ingebracht in het fonds en 0,3% van de waarde onttrokken aan het fonds.”

2.171. Aegon voert aan dat zij gedurende de gehele relevante periode voorlichting heeft gegeven over deze kosten, door vóór 2000 in de contractdocumentatie voorlichting te geven over de ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen der gelden’ (de aan- en verkoopkosten) in de volgende bepalingen uit de algemene voorwaarden die voor VermogensPlan en KoersPlan gelijkluidend zijn:

in 1989-1990: artikel 13, dat – voor zover relevant – bepaalde:

“ Iedere jaarkas wordt afzonderlijk geadministreerd. De in de gezamenlijke jaarkassen aanwezige gelden worden als een geheel voor rekening van deze jaarkassen belegd in aandelen.

De kosten voortvloeiend uit de belegging der jaarkasgelden komen ten laste van de jaarkassen. (...)”

in 1991-1995: artikel 7, dat – voor zover hier van belang – luidde:

“De kosten voortvloeiend uit de beleggingen der gelden komen ten laste van de beleggingskas”.

in 1996-1999: artikel 4, dat – voor zover hier van belang – luidde:

“Alle kosten voortvloeiend uit het beleggen van de spaarstortingen komen ten laste van de gezamenlijke aandelen van de inschrijvers.”

2.172. De Vereniging betoogt dat ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’ andere kosten zijn dan de vanaf 2000 genoemde aan- en verkoopkosten, omdat dit (alleen) de kosten zijn die het beleggingsfonds zelf maakt, zoals de aankoopkosten die het fonds zelf maakt voor beleggingen die het fonds aankoopt (met de inleg op de participaties).

2.173. De rechtbank volgt de Vereniging niet in dit betoog. De Vereniging gaat uit van een te beperkte lezing van de kosten voortvloeiende uit de beleggingen. Er is geen aanknopingspunt om deze ruim geformuleerde term, die in den brede ziet op kosten die verband houden met de beleggingen, van welke aard dan ook, te beperken tot de door de Vereniging genoemde kosten die het beleggingsfonds zelf maakt. De in artikel 6 van de productvoorwaarden meer specifiek geformuleerde kosten vallen evengoed binnen de reikwijdte van de ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’.

2.174. De vóór 2000 bij KoersPlan en VermogensPlan genoemde ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’ worden uit de spaarkas voldaan. Het zijn dus kosten die niet uit de bruto-premie van deze voorbeeldproducten worden voldaan, waarover Aegon op grond van de Riav 1998 de verzekeringnemers naar soort en gekwantificeerd moest informeren.

2.175. Naar het oordeel van de rechtbank kon dit ook voordien van Aegon worden verwacht, op grond van de Spaarkas-brochure, die vermeldt “de maatschappij vertelt u hoe deze posten zijn onderverdeeld zoals ook duidelijk is welk deel wordt belegd.” De brochure verwijst hier onder meer naar ‘de kosten die de maatschappij maakt voor het administreren en beheren van de jaarkas’. Hoewel deze kosten in de brochure worden benoemd als onderdeel van de storting, maken deze kosten deel uit van de in de algemene voorwaarden van Koersplan en VermogensPlan omschreven ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’ die uit de spaarkas worden voldaan. Dat is verklaarbaar omdat de brochure dateert uit een tijd – vóór de Riav 1998 – waarin geen onderscheid werd gemaakt tussen de kosten die ten laste kwamen van de bruto-premie enerzijds en kosten die naast de bruto-premie (in het geval van KoersPlan en VermogensPlan uit de spaarkas) in rekening werden gebracht. Los daarvan, geldt dat de Spaarkas-brochure met zoveel woorden de kosten voor “het administreren en beheren van de spaarkas” noemt. De verzekeringnemers van KoersPlan en VermogensPlan, die ervan uit konden gaan dat zij informatie verkregen zoals vermeld in deze brochure, konden dus ervan uitgaan dat zij zouden worden geïnformeerd over deze kosten.

2.176. Aegon heeft hiernaar gehandeld door de kosten die ten laste van de spaarkas kwamen te noemen: naast de wel gekwantificeerde administratiekosten, wees zij de gehele relevante periode op de (niet gekwantificeerde) ‘kosten voortvloeiend uit de beleggingen’.

Vanaf 2000 heeft zij de aan- en verkoopkosten afzonderlijk en gekwantificeerd vermeld.

2.177. Gezien de tekst van de Spaarkas-brochure en de kennelijke strekking ervan – het geven van duidelijkheid over het voor beleggen aangewende deel van de premie – voorzag de in de brochure omschreven informatieverstrekking echter óók in het geven van een kwantitatieve weergave van de daar genoemde kosten: de verzekeringnemer kon verwachten dat hem verteld werd ‘welk deel’ van de premie werd aangewend voor de daarin genoemde kosten. Dat duidt op een concrete, gekwantificeerde aanduiding van deze kosten.

2.178. Door in de periode waarop het verwijt van de Vereniging ziet, geen kwantitatieve weergave te geven van de ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’ waarin de door de Vereniging genoemde aan- en verkoopkosten begrepen waren, heeft Aegon (vanaf 1 januari 1999) in strijd gehandeld met de Riav 1998. In de periode 1989 tot en met 1998 week zij af van de Spaarkas-brochure. Dat betekent dat dit verwijt doel treft ten aanzien van het vermelden van de hoogte (in kwantitatieve zin) van de door de Vereniging bedoelde aan- en verkoopkosten, die vóór 2000 waren begrepen in de ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’.

hoogte van de naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten

2.179. De Vereniging stelt dat Aegon ten onrechte heeft nagelaten melding te maken van de ten laste van de spaarkas gebrachte, dus naast de bruto-premie in rekening gebrachte, in artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en in artikel 4 van de algemene voorwaarden 1996-2000 genoemde beleggingskosten.

2.180. Niet in geschil is dat Aegon de hoogte van deze kosten niet heeft vermeld. Het algemene verweer hierover van Aegon is verworpen. Daarmee is het lot van dit verwijt gegeven: Aegon heeft gedurende de gehele relevante periode ten onrechte geen informatie verstrekt over de hoogte (in kwantitatieve zin) van deze naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten van KoersPlan en VermogensPlan.

‘afkoopkosten’

2.181. De door de Vereniging als ‘afkoopkosten’ gepresenteerde kosten waarop het door haar genoemde artikel 10 van de algemene voorwaarden 1998-2000 van KoersPlan en VermogensPlan ziet, is de in artikel 2 lid 2 sub k Riav genoemde afkoopwaarde, waarvan tot inwerkingtreding van de Riav 1998 bij een niet-gegarandeerde afkoopwaarde – zoals aan de orde bij KoersPlan en VermogensPlan – een indicatie of een opgave van de berekeningswijze moest worden gegeven. Na inwerkingtreding van de Riav 1998 is dit vereiste aangescherpt in de zin dat een opgave van de berekeningswijze moest worden gegeven; het geven van een indicatie, dat aanleiding had gegeven tot onduidelijkheid was niet langer voldoende.

2.182. Het door de Vereniging aangehaalde artikel 10 van de algemene voorwaarden 1998-2000 van KoersPlan en VermogensPlan bepaalt dat de afkoopwaarde:

“gelijk (is) aan de waarde van het aandeel in het fonds exclusief sterftewinst en daarmee verband houdende beleggingsopbrengsten.” Deze omschrijving – waarin de berekeningswijze van de afkoopwaarde wordt aangeduid – voldoet aan de daaraan op grond van artikel 2 lid 2 onder k van de Riav (beide versies) te stellen eisen. Op dit punt heeft Aegon naar de destijds geldende maatstaven voldoende informatie verstrekt.

FundPlan

kosten verzekeringsmaatschappij en kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur

2.183. Dit deelverwijt i) over het niet noemen van de (hoogte van) wel in rekening gebrachte kosten ziet ten aanzien van FundPlan in de eerste plaats op de ‘kosten verzekeringsmaatschappij’ en ‘kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur’ die vanaf 2000 wel worden genoemd in de door Aegon verstrekte overzichten en die niet zijn genoemd bij het aanbieden van FundPlan.

2.184. Niet betwist is dat de door de Vereniging genoemde ‘kosten verzekeringsmaatschappij’ en ‘kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur’ van FundPlan vallen onder de zogenoemde ‘eerste kosten’, die Aegon inhoudt op de bruto-premie alvorens het resterende premiebedrag te beleggen. Zoals Aegon ter zitting heeft toegelicht, vallen hieronder de kosten voor polisopmaak, invoer in de administratie, eventuele medische beoordeling en de afsluitprovisie voor de tussenpersoon. Deze kosten worden bij FundPlan niet in één keer direct bij aanvang in rekening gebracht, maar worden uitgesmeerd over de gehele looptijd van de verzekering.

2.185. Het gaat hier dus om kosten die ten laste van de bruto-premie worden gebracht, waarover in de gehele relevante periode indirect informatie kon worden verstrekt. Zoals hiervoor is overwogen, omvatte de verplichting om de kosten als factor waarvan de uitkering afhankelijk was, niet de verplichting om de kostensoort te vermelden. Dit verwijt gaat dus niet op, met dien verstande dat de verzekeringnemer aan wie geen informatie was verstrekt over kosten als factor waarvan de uitkering afhankelijk was, niet op de hoogte kon zijn van deze kosten. Dit komt hierna aan de orde.

hoogte van de naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten

2.186. De Vereniging stelt dat Aegon bij FundPlan ten onrechte heeft nagelaten de hoogte te vermelden van de volgende ten laste van de beleggingen gebrachte, dus naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten,:

  • -

    de in artikel 2 clausuleblad 5570 genoemde aan- en verkoopkosten;

  • -

    de in artikel 1 clausuleblad 5570 genoemde beheerskosten (tot 2002);

  • -

    de in artikel 6 clausuleblad 5570 genoemde wijzigingskosten (tot 2002);

  • -

    de in artikel 1.3 algemene voorwaarden genoemde termijnopslag (afgezien van 1995 en

1996).

2.187. Niet in geschil is dat Aegon de hoogte van deze kosten niet heeft vermeld. Nu het algemene verweer hierover van Aegon is verworpen, is het lot van dit verwijt gegeven voor de periode vanaf inwerkingtreding van de Riav 1998. De in de Spaaskas-brochure omschreven wijze van informatieverstrekking gold niet voor de united linked verzekering FundPlan. Aegon heeft dus vanaf 1 januari 1999 ten onrechte geen informatie verstrekt over de hoogte (in kwantitatieve zin) van deze, naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten van FundPlan.

‘afkoopkosten’

2.188. Ook hier geldt dat de door de Vereniging als ‘afkoopkosten’ gepresenteerde kosten waarop het door haar genoemde artikel 6.3 van de algemene voorwaarden van FundPlan ziet, de in artikel 2 lid 2 sub k Riav genoemde afkoopwaarde is, waarvan tot de inwerkingtreding van de Riav 1998 bij een niet-gegarandeerde afkoopwaarde – zoals aan de orde bij FundPlan – een indicatie of een opgave van de berekeningswijze moest worden gegeven, terwijl na de inwerkingtreding van de Riav 1998 een opgave van de berekeningswijze moest worden gegeven.

2.189. In het door de Vereniging aangehaalde artikel 6.3 van de algemene voorwaarden van FundPlan staat dat de afkoopwaarde wordt vastgesteld uitgaande van “de wiskundige reserve waarbij rekening wordt gehouden met de eerste kosten”.

In de algemene voorwaarden nr. 18 en nr. 28 van FundPlan is daaraan toegevoegd:

“Onder wiskundige reserve wordt verstaan: de waarde in geld, bepaald volgens de verzekeraar gebruikelijke grondslagen, die, behoudens de overeengekomen toekomstige premiebetalingen, staat tegenover de in de polis vastgelegde verplichtingen van de verzekeraar.

De eerste kosten zijn de kosten die de verzekeraar in verband met het sluiten van de verzekering heeft moeten maken.”

De omschrijving die alleen verwijst naar een niet nader geduide wiskundige reserve en niet aanduidt hoe rekening wordt gehouden met de eerste kosten, is te vaag. Dat geldt ook voor de in de algemene voorwaarden nr. 18 en nr. 28 van FundPlan gegeven, meer concrete omschrijving, bij gebreke van enige aanduiding of nadere concretisering van ‘de gebruikelijke grondslagen’ aan de hand waarvan de wiskundige reserve wordt bepaald. Op dit punt heeft Aegon naar de destijds geldende maatstaven onvoldoende informatie verstrekt.

( c) de effecten van kosten en inhoudingen en de wisselwerking met het beleggingsrisico

2.190. Niet in geschil is dat de in de premies verdisconteerde kosten effect hadden op het met de voorbeeldproducten te behalen rendement: hoe meer kosten worden ingehouden op de premie, hoe lager het met de premie te beleggen kapitaal is. Evenmin staat ter discussie dat de druk van vaste kosten op het op te bouwen vermogen veel groter is bij een lager beleggingsrendement, terwijl – andersom – die druk veel lager is bij een hoger beleggingsrendement. Vaststaat voorts dat een aantal kosten variabel was, afhankelijk van het behaalde beleggingsresultaat. Daarmee staan de door de Vereniging genoemde effecten van de kosten en inhoudingen en het bestaan van een wisselwerking tussen de kosten en de beleggingsresultaten niet ter discussie.

2.191. De met dit verwijt door de Vereniging van Aegon verlangde informatie over deze effecten van kosten op de uitkering en de wisselwerking tussen de kosten en het beleggingsresultaat reikt echter (veel) verder dan hetgeen destijds van Aegon verwacht kon worden bij het aanbieden van de voorbeeldproducten. Aegon was gedurende de hele relevante periode gehouden om de kosten te noemen als factor waarvan de uitkering afhankelijk was. Met de inwerkingtreding van de Riav 1998 en daarna van de Bfb en de Nrfb golden meer specifieke eisen voor het verstrekken van informatie over de (effecten van de) kosten en inhoudingen op de onzekere uitkering op de einddatum. Deze in de loop van de relevante periode aangescherpte voorschriften en de CRR voorzien echter niet in het verstrekken van informatie over de door de Vereniging genoemde effecten en de wisselwerking van kosten met de beleggingsresultaten. De Spaarkas-brochure vergde dit ook niet ten aanzien van KoersPlan en VermogensPlan. Daarmee behoefde Aegon bij het aanbieden van de voorbeeldproducten naar de destijds geldende normen geen informatie te verstrekken over deze door de Vereniging genoemde specifieke effecten van de kosten.

2.192. Wel moest Aegon in de gehele relevante periode kosten noemen als factor waarvan de uitkering afhankelijk was. Deze verplichting hield in dat uit de gegeven informatie een verband moest blijken tussen kosten en uitkering. Het enkele noemen van uitkering en kosten, doordat de contractbepalingen bijvoorbeeld bepalingen bevatten over kosten of waarin kosten worden genoemd – zonder op enige wijze een verband tussen kosten en uitkering te leggen – volstaat dus niet. Dat deze ‘los’ genoemde kosten – zoals hierna wordt besproken – wel overeengekomen kunnen zijn, leidt niet tot een andere conclusie. Het noemen van de factoren waarvan de uitkering afhankelijk is, betekent dat het verband tussen de kosten en de uitkering duidelijk moet worden gemaakt. Indien ieder verband tussen kosten en uitkering ontbreekt in de verstrekte informatie, treft het verwijt van de Vereniging doel.

2.193. Uit vrijwel alle brochures van de voorbeeldproducten is af te leiden dat kosten een factor zijn waarvan de uitkering afhankelijk is.

2.194. De brochures van KoersPlan uit de relevante periode vermelden bij de weergave van de tabellen ‘Belastingvrij uit te keren vermogen’:

“In de tabellen “Belastingvrij uit te keren vermogen” ziet u bij verschillende rendementen het bedrag dat u netto [in sommige brochures cursief gedrukt, toevoeging rechtbank] (dus na aftrek van alle kosten) aan het eind van de verschillende looptijden in handen krijgt.”

Alleen de brochure van KoersPlan 1989 vermeldt bij de tabellen “Belastingvrij uit te keren vermogen” niet dat daarin kosten zijn verdisconteerd. Ook elders in deze brochure worden kosten niet genoemd als factor waarvan de uitkering afhankelijk is.

2.195. De brochures van VermogensPlan uit de relevante periode vermelden onder het kopje “Wat zijn de kosten van VermogensPlan?” onder meer:

“De in deze brochure vermelde rendementen zijn netto, dus na aftrek van alle kosten.”

2.196. In de brochures van FundPlan uit de relevante periode staat onder het kopje “Wie kiest voor een AEGON Fund” onder meer:

“heeft lagere kosten en daardoor een hoger rendement”.

En, onder het kopje “AEGON: een grote ervaren belegger” is uiteengezet:

“Ook geniet u alle voordelen van de omvang van onze beleggingsactiviteiten. Dat uit zich in een lager risico door de goede spreiding van de beleggingen en in een hoger rendement door lagere kosten.”

Alleen brochure L10248 van FundPlan vermeldt niets over kosten als factor waarvan de uitkering afhankelijk is.

2.197. Dat betekent dat het verwijt van de Vereniging slaagt ten aanzien van brochure 1989 van KoersPlan en brochure L10248 van FundPlan waarin kosten niet worden vermeld als factor waarvan de uitkering afhankelijk is. Voor het overige faalt dit verwijt.

B informatieverstrekking over de overlijdensrisicopremie

2.198. Aegon was gedurende de gehele relevante periode op grond van artikel 2 lid 2 sub h van de Riav en het vóór de inwerkintreding van de Riav geldende ongeschreven recht gehouden de premie voor de overlijdensrisicopremie (als premie voor de hoofddekking) te vermelden. Dat vergde van Aegon dat zij voldoende duidelijk maakte dat overlijdensrisicopremie verschuldigd was voor de voorbeeldproducten. Die premie is een essentieel kenmerk, en een factor waarvan de uitkering afhankelijk is, aangezien het voor beleggen aangewende deel van de premie en de overlijdensrisicopremie communicerende vaten zijn, in die zin dat hoe hoger de overlijdensrisicopremie wordt vastgesteld, hoe lager het voor beleggen resterende deel is. Bij een gelijkblijvend rendement behaalt een deelnemer met een hoge overlijdensrisicopremie dus een lagere opbrengst dan een deelnemer met een lagere overlijdensrisicopremie. Aegon kon daarom niet volstaan met het enkele noemen van het bestaan van deze premie, maar diende in de contractdocumentatie die werd verstrekt bij het sluiten van de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten de hoogte van de overlijdensrisico premie te vermelden.

2.199. Niet in geschil is dat de hoogte van de overlijdensrisicopremie van KoersPlan en VermogensPlan tot 1999 niet in de contractdocumentatie is opgenomen en dat deze gedurende de hele relevante periode ontbreekt in de contractdocumentatie van Fundplan. Hiermee heeft Aegon niet voldaan aan haar informatieverplichting op dit punt. Dit verwijt van de Vereniging treft dus doel.

C Slotsom informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten

2.200. De volgende verwijten van de Vereniging over de informatieverstrekking over de (effecten van de) (eerste) kosten en de overlijdensrisicopremie bij het aanbieden van de voorbeeldproducten treffen doel:

i. Aegon heeft ten onrechte nagelaten de hoogte (in kwantitatieve zin) van de volgende naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten te vermelden:

bij KoersPlan en VermogensPlan:

 aan- en verkoopkosten, die vóór 2000 waren begrepen in de in artikel 13 algemene voorwaarden 1989-1990, artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en in artikel 4 algemene voorwaarden 1996-2000 genoemde ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’;

 de in artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en in artikel 4 van de algemene voorwaarden 1996-2000 genoemde beleggingskosten;

bij Fundplan (vanaf 1 januari 1999):

 de in artikel 2 clausuleblad 5570 genoemde aan- en verkoopkosten;

 de in artikel 1 clausuleblad 5570 genoemde beheerskosten (tot 2002);

 de in artikel 6 clausuleblad 5570 genoemde wijzigingskosten (tot 2002);

 de in artikel 1.3 algemene voorwaarden genoemde termijnopslag;

Aegon is tekortgeschoten in haar informatieverplichting over de in artikel 6.3 algemene voorwaarden van FundPlan genoemde afkoopwaarde;

Aegon heeft in de brochure 1989 van KoersPlan en brochure L10248 van FundPlan ten onrechte nagelaten kosten als factor waarvan de uitkering afhankelijk is te vermelden;

Aegon heeft ten onrechte nagelaten de hoogte van de premie overlijdensrisicoverzekering te vermelden in de contractdocumentatie van KoersPlan en VermogensPlan tot 1999 en die van FundPlan gedurende de gehele relevante periode.

2.201. De hierop betrekking hebbende vorderingen worden toegewezen, op de in het dictum te vermelden wijze. De andere verwijten van de Vereniging over de informatieverstrekking over de (effecten van de) (eerste) kosten en de overlijdensrisicopremie bij het aanbieden van de voorbeeldproducten gaan niet op. De daarop betrekking hebbende vorderingen worden afgewezen.

2.202. Voor zover de Vereniging mede heeft willen betogen dat de informatieverstrekking over de kosten en de overlijdensrisicopremie misleidend is in de zin van artikel 6:194 (oud) BW, heeft zij niet voldaan aan de op haar rustende plicht om te stellen dat dit onjuiste of onvolledige mededelingen zijn die, gelezen in de context waarin deze is geplaatst, van materieel belang zijn voor de beleggingsbeslissing van de verzekeringnemer.

2.203. Wellicht ten overvloede overweegt de rechtbank dat het voorgaande niet geldt voor zover FundPlan voorziet in een garandeerde uitkering – en dus is aan te merken als een garantieverzekering. De hiervoor besproken voorschriften voor informatieverstrekking zien op kosten in gevallen waarin de uitkering onzeker is zoals bij beleggingsverzekeringen het geval is en niet op de informatieverstrekking over beleggingsverzekeringen met een gegarandeerde uitkering bij leven (garantieverzekeringen) – zoals FundPlan kan zijn.

2 Niet overeengekomen kosten en overlijdensrisicopremie in rekening gebracht?

2.204. Wilsovereenstemming ontstaat na aanvaarding van een aanbod, in dit geval na acceptatie door de verzekeringnemer van het door Aegon gedane aanbod voor het betreffende voorbeeldproduct. Bij dat aanbod was Aegon gehouden te voldoen aan de hiervoor besproken informatieplicht, die voortvloeide uit de regelingen en de CRR, terwijl zij zich daarnaast voor KoersPlan en VermogensPlan had gecommitteerd aan de in de Spaarkas-brochure omschreven wijze van voorlichting bij het aanbieden van deze voorbeeldproducten.

2.205. Bij de beantwoording van de vraag of de tussen Aegon en de verzekeringnemers gesloten overeenkomsten een leemte bevatten, omdat over (de hoogte van) bepaalde kostensoorten of de overlijdensrisicopremie geen wilsovereenstemming bestond, geldt als uitgangspunt dat het niet alleen aankomt op een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen, maar op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Vergelijk HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex).

2.206. De inhoud van de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten is niet de uitkomst van onderhandelingen van Aegon en haar individuele verzekeringnemers. De overeenkomst is steeds neergelegd in de contractdocumentatie, die overwegend bestaat uit standaardbepalingen. Gelet daarop komt het aan op de tekst van de relevante bepalingen uit de contractdocumentatie, gelezen in de context van de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten, waarbij de in brochures bij deze voorbeeldproducten verstrekte informatie gebruikt kan worden bij de uitleg en gelet moet worden op de kenbare strekking van bepalingen in kwestie en de aannemelijkheid van de gevolgen van de uitleg.

2.207. In deze collectieve actie gaat de rechtbank ervan uit dat de tussenpersonen die betrokken waren bij het sluiten van het merendeel van de overeenkomsten dezelfde informatie hebben verstrekt over de inhoud van de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten als de informatie die Aegon in de door haar verstrekte brochures en contractdocumentatie verstrekte. In individuele gevallen kan de concrete gegeven informatieverstrekking mogelijk aan de orde komen. Dat past niet in deze collectieve actie.

2.208. Bij de bepaling van de inhoud van de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten komt het voorts erop aan wat de verzekeringnemer kon begrijpen uit het aangeboden materiaal. De rechtbank gaat ook hier uit van de eerder omschreven verzekeringnemer aan wie de informatie bij het aanbieden van de voorbeeldproducten is gericht: een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument die een beleggingsverzekering afsluit. Van deze verzekeringnemer mag worden verwacht dat hij bereid is zich te verdiepen in de kenmerken van het voorbeeldproduct en zich af te vragen of het voorbeeldproduct voor hem geschikt is, waarbij denkbaar is dat informatie langs verschillende wegen wordt aangeboden. De verzekeringnemer wordt in beginsel geacht in staat te zijn om verstrekte informatie op waarde te schatten, om zo nodig nadere informatie te zoeken en om vervolgens informatie uit verschillende bronnen met elkaar in verband te brengen.

2.209. De hiervoor besproken regelingen en de CRR zien op de aanbodzijde bij het sluiten van de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten. Zoals hiervoor is overwogen kunnen de informatieverplichtingen worden gezien als de invulling van de voor Aegon geldende mededelingsplichten bij het aangaan van de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten. Aegon had zich voorts voor KoersPlan en VermogensPlan gecommitteerd aan de in de Spaarkas-brochure omschreven wijze van voorlichting bij het aanbieden van deze voorbeeldproducten.

2.210. De rechtbank staat eerst stil bij de gestelde niet overeengekomen (hoogte van de) kosten (A) en dan bij de gestelde niet overeengekomen (hoogte van de) overlijdensrisicopremie (B).

A niet overeengekomen (hoogte van de) kosten

2.211. Bij het sluiten van de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten, heeft de verzekeringnemer ingestemd met een bepaalde premie, die leidde tot een onzekere uitkering die onder meer afhankelijk was van de kosten. Als Aegon heeft voldaan aan haar verplichting om kosten te vermelden als factor waarvan de uitkering afhankelijk is, moet de verzekeringnemer daaruit hebben kunnen afleiden dat kosten waren begrepen in de prijs van de voorbeeldproducten (de bruto-premie) in die zin dat niet de gehele bruto-premie zou worden aangewend voor kapitaalopbouw. Gelet hierop ligt wilsovereenstemming ter zake van de op de bruto-premie in mindering te brengen kosten en ook de hoogte daarvan besloten in wilsovereenstemming over de inleg die de verzekeringnemer bereid is te betalen in ruil voor een onzekere potentiële opbrengst, na aftrek van kosten en overlijdensrisicopremie.

2.212. Niet in geschil is dat de voor naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten (die worden onttrokken aan de spaarkas respectievelijk de beleggingen) een afzonderlijke contractuele grondslag vereist is. Anders dan Aegon aanvoert, is daartoe niet voldoende dat wilsovereenstemming bestaat over de soort kosten. De voor Aegon (sinds de inwerkingtreding van de Riav 1998) geldende mededelingsplicht bij het aanbieden van de voorbeeldproducten vergde dat zij ook een kwantitatieve weergave gaf van de naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten. Zoals hiervoor is overwogen, vergde de in de Spaarkas-brochure omschreven wijze van informatieverstrekking waaraan Aegon zich had gecommitteerd dit ook (tot mei 1999) voor KoersPlan en VermogensPlan. Mede gezien deze mededelingsplicht, is voor wilsovereenstemming over de naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten vereist dat ook wilsovereenstemming bestaat over de (kwantitatief weer te geven) hoogte van deze kosten. Er is geen grond om op dit punt onderscheid te maken tussen de periode voor en na de inwerkingtreding van de Riav 1998. Het gaat gedurende de gehele periode om dezelfde soort kosten, die vaak worden berekend als percentage van andere grootheden en zijn verbonden aan langlopende verplichtingen waarmee voor de verzekeringnemer grote bedragen gemoeid zijn. Zoals hiervoor is overwogen, konden verzekeringnemers van KoersPlan en VermogensPlan voor inwerkingtreding van de Riav 1998 op grond van de Spaaskas-brochure ervan uitgaan dat zij bij het aangaan van deze voorbeeldproducten ook in kwantitatieve zin zouden worden geïnformeerd over aan de spaarkas te onttrekken kosten.

2.213. Aegon wijst op het aan artikel 7:4 BW ten grondslag liggende principe dat als geen prijs is bepaald bij koop, de koper een redelijke prijs is verschuldigd, waarbij rekening wordt gehouden met de door de verkoper ten tijde van de koop gewoonlijk bedongen prijzen. Aegon wijst in dat verband op het in de praktijk vaak voorkomende geval dat een klant van een bedrijf of dienstverlener een product afneemt zonder dat specifiek alle aspecten van de daaraan verbonden kosten overeen zijn gekomen. In dat geval houdt de overeenkomst in dat het bedrijf of de dienstverlener het bij dat bedrijf of dienstverlener gebruikelijke tarief in rekening brengt, waarbij de klant in beginsel de verplichting aanvaardt om het door het bedrijf of de dienstverlener gebruikelijke tarief te voldoen. Aegon betoogt dat tussen haar en haar verzekeringnemers gold dat gebruikelijke kosten en risicopremies verschuldigd waren, ook voor zover de hoogte daarvan niet expliciet bekend was gemaakt.

2.214. Uit het voorgaande volgt dat dit betoog van Aegon opgaat voor de ten laste van de bruto-premie gebrachte kosten, die begrepen zijn in de wilsovereenstemming over de te betalen bruto-premie. Dit betoog van Aegon gaat echter niet op voor de naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten, waarvoor een afzonderlijke contractuele grondslag is vereist. Deze afzonderlijke contractuele grondslag komt tot stand bij aanvaarding van na het aanbod van Aegon, die (sinds inwerkingtreding van de Riav 1998) gehouden was deze kosten te kwantificeren, terwijl dit voor KoersPlan en VermogensPlan voordien ook al volgde uit de Spaarkas-brochure. Daar waar bij het aanbod van de, naast de bruto-premie in rekening gebrachte, kosten mededeling moet worden gedaan door een kwantitatieve weergave daarvan te geven, is niet vol te houden dat de hoogte van de betreffende kosten niet overeengekomen behoeft te worden. De overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten bevatten dus een leemte indien de hoogte (in kwantitatieve zin) van naast de bruto-premie in rekening te brengen kosten niet overeengekomen is.

2.215. Tot slot laat het door Aegon (in de brochure 1989 van KoersPlan en de brochure L10248 van FundPlan) verzaken van haar verplichting om kosten te noemen als factor waarvan de uitkering afhankelijk is, onverlet dat wilsovereenstemming kan bestaan over de naast de bruto-premie in rekening te brengen kosten, waarvoor een afzonderlijke contractuele grondslag vereist is. Dat ligt anders voor de kosten die ten laste van de bruto-premie worden gebracht. Als de kosten niet zijn vermeld als factor waarvan de uitkering afhankelijk is, heeft de verzekeringnemer niet kunnen begrijpen dat andere dan de naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten waren begrepen in de prijs van de voorbeeldproducten (de bruto-premie) in die zin dat niet de gehele bruto-premie zou worden aangewend voor kapitaalopbouw. In dat geval kan alleen wilsovereenstemming over deze ten laste van de bruto-premie gebrachte kosten bestaan, indien het voor deze verzekeringnemer voldoende duidelijk was dat deze kosten(soort) ten laste van de bruto-premie werd(en) gebracht. De verzekeringnemer moet dus door Aegon ervan op de hoogte zijn gebracht dat een bepaalde kostensoort ten laste van de bruto-premie werd gebracht om wilsovereenstemming daarover te kunnen aannemen. Dat het destijds niet nodig werd geacht de kostensoorten afzonderlijk te noemen, maakt dit niet anders, aangezien deze niet nodig geachte verplichting werd aangenomen in het geval de verzekeringnemer kenbaar was gemaakt dat kosten, waarover hij op indirecte wijze werd geïnformeerd, een factor waren waarvan de uitkering afhankelijk was.

KoersPlan en Vermogensplan

2.216. Vrijwel alle volgens de Vereniging niet overeengekomen kosten van KoersPlan en VermogensPlan zijn naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten, waarover afzonderlijk wilsovereenstemming moet worden bereikt. Het niet noemen van kosten als factor waarvan de uitkering afhankelijk is in de brochure 1989 van KoersPlan, heeft daarom geen consequentie voor de vraag of (de hoogte van) deze kosten overeengekomen is. Dit geldt ook voor de door de Vereniging als ‘afkoopkosten’ gepresenteerde wijze van berekenen van de waarde van de afkooppremie.

fondsbeheerkosten

2.217. De Vereniging stelt in de eerste plaats dat de vanaf 2000 wel vermelde, maar voordien niet in de contractdocumentatie vermelde ‘fondsbeheerkosten’ vóór 2000 niet overeengekomen zijn.

2.218. De vanaf 2000 vermelde fondsbeheerkosten zagen op de vergoeding voor de fondsmanager en het beheer van het beleggingsfonds die ten laste werd gebracht van het fondsvermogen en verdisconteerd werd in de koers van het fonds. Het gaat om kosten van het fonds; dat zijn geen aan de verzekering verbonden kosten. Het zijn dus ook geen naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten waarvoor een afzonderlijke contractuele grondslag vereist is.

aan- en verkoopkosten

2.219. Ook de vanaf 2000 wel vermelde, maar daarvoor niet in de contractdocumentatie vermelde ‘aan- en verkoopkosten’ zijn volgens de Vereniging vóór 2000 niet overeengekomen bij KoersPlan en VermogensPlan.

2.220. Zoals hiervoor is geoordeeld, vielen de na 2000 vermelde aan- en verkoopkosten vóór 2000 onder de ‘kosten voortvloeiend uit de beleggingen’ die gedurende de gehele relevante periode zijn vermeld in de contractdocumentatie van KoersPlan en VermogensPlan als ten laste van de spaarkas (aangeduid als jaarkas of beleggingskas) komende kosten. Voor deze, naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten is wilsovereenstemming vereist ten aanzien van zowel de soort als (in kwantitatieve zin) de hoogte van de kosten.

2.221. Niet in geschil is dat de ‘kosten voortvloeiend uit de beleggingen’ vóór 2000 waren overeengekomen. Daarin ligt besloten dat de door de Vereniging genoemde aan- en verkoopovereenkomsten overeengekomen zijn. Dit staat in de weg aan het honoreren van het verwijt van de Vereniging dat de aan- en verkoopkosten bij KoersPlan en VermogensPlan vóór 2000 niet overeengekomen zijn. Wel heeft de Vereniging het gelijk aan haar zijde dat bij gebreke van een kwantitatieve aanduiding van deze kosten gedurende de gehele relevante periode, wilsovereenstemming op dat punt ontbreekt. De hoogte van de in rekening gebrachte aan- en verkoopkosten is daarmee niet overeengekomen, maar is eenzijdig door Aegon bepaald. Hier is sprake van een leemte in de overeenkomsten met betrekking tot KoersPlan en VermogensPlan.

hoogte van naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten

2.222. De Vereniging stelt dat een gelijke leemte bestaat ten aanzien van de in artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en in artikel 4 van de algemene voorwaarden 1996-2000 genoemde beleggingskosten.

2.223. Aegon betwist niet dat alleen de kostensoort en niet de hoogte van deze kosten overeengekomen is. Haar algemene verweer dat dit niet nodig is, is hiervoor is verworpen. De conclusie luidt dan ook dat hier sprake is van een leemte in de KoersPlan en VermogensPlanovereenkomsten.

afkoopwaarde

2.224. Ook hier wijst de Vereniging op de door haar als ‘afkoopkosten’ in artikel 10 van de algemene voorwaarden van KoersPlan en VermogensPlan genoemde afkoopwaarde, waarover Aegon – zoals hiervoor is geoordeeld – naar de toen geldende maatstaven voldoende informatie heeft verstrekt. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – is er geen grond om te oordelen dat sprake is van het door de Vereniging gestelde ontbreken van wilsovereenstemming op dit punt.

Fundplan

kosten verzekeringsmaatschappij en kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur: eerste kosten

2.225. Volgens de Vereniging ontbreekt wilsovereenstemming over de niet in de contractdocumentatie van Fundplan genoemde “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur”, die vanaf 2000 wel worden vermeld in de overzichten van FundPlan. Zoals hiervoor is overwogen, maken deze kosten deel uit de eerste kosten, die uit de bruto-premie worden voldaan.

2.226. Dit verwijt gaat niet op ten aanzien van de verzekeringnemers die ervan op de hoogte waren dat de kosten een factor waren waarvan de uitkering afhankelijk was. Zoals hiervoor is overwogen, ligt in dat geval in de wilsovereenstemming ter zake van de bruto- premie besloten wilsovereenstemming over de daarop in mindering te brengen kosten en de hoogte daarvan.

2.227. Zoals hiervoor is overwogen, hebben de verzekeringnemers aan wie de brochure L10248 van FundPlan is verstrekt, echter niet kunnen begrijpen dat, afgezien van de afzonderlijk overeen te komen kosten die naast de bruto-premie in rekening werden gebracht, nog meer kosten waren begrepen in de prijs van de voorbeeldproducten (de bruto-premie) in die zin dat kosten ten laste zouden worden gebracht van de bruto-premie voordat deze werd belegd, zodat deze premie (afgezien van de hierna te bespreken overlijdensrisicopremie) niet in zijn geheel zou worden aangewend voor kapitaalopbouw. Zoals hiervoor is overwogen, kan in dat geval alleen wilsovereenstemming over ten laste van de bruto-premie gebrachte kosten bestaan, indien het voor deze verzekeringnemer voldoende duidelijk was dat deze kosten(soort) ten laste van de bruto-premie werden gebracht. De verzekeringnemer moet dus door Aegon op de hoogte zijn gebracht dat een bepaalde kostensoort ten laste van de bruto-premie werd gebracht om wilsovereenstemming daarover te kunnen aannemen.

2.228. Het gedurende de gehele periode gelijkluidende clausuleblad 5570 van Fundplan vermeldt – voor zover hier van belang:

2. Na inhouding van een aan- en verkoopmarge wordt op iedere premievervaldag de spaarpremie in de fondsen gestort”.

Hieruit kan de verzekeringnemer afleiden dat Aegon de spaarpremie belegt, na aftrek van kosten. De genoemde kosten zijn echter aan- en verkoopkosten, niet de door de Vereniging genoemde “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur”, die deel uitmaken van de eerste kosten bij het afsluiten van de verzekering. Deze eerste kosten werden in de relevante periode alleen met zoveel woorden genoemd in artikel 6.3 en 7 algemene voorwaarden van Fundplan (alle versies), die zien op opzegging/afkoop en premievrijmaking. Daarin staat dat voor de vaststelling van de afkoopwaarde respectievelijk de premievrije waarde wordt uitgegaan van “de wiskundige reserve waarbij rekening wordt gehouden met de eerste kosten.” In de algemene voorwaarden nr. 18 en nr. 28 van FundPlan is artikel 6.3 uitgebreid met de bepaling – voor zover hier van belang:

De eerste kosten zijn de kosten die de verzekeraar in verband met het sluiten van de verzekering heeft moeten maken.”

2.229. De verzekeringnemer moet na lezing van de algemene voorwaarden dus hebben geweten dat de in verband met de afkoop en het premievrij maken genoemde eerste kosten verbonden waren aan FundPlan. In de versies nr. 18 en 28 waren deze nader omschreven en kon de verzekeraar weten waarop deze kosten betrekking hadden, terwijl de verzekernemer bij de andere versies van de algemene voorwaarden van FundPlan moest raden naar de inhoud van deze kosten. Het voorvoegsel ‘eerste’ is onbepaald in de zin dat onduidelijk is ten opzichte van welke grootheid deze kosten de ‘eerste’ zijn. De context waarin deze kosten worden genoemd – de afkoop en het premievrij maken – geeft geen uitsluitsel, anders dan dat de verzekeringnemer daaruit kon afleiden dat dit aan FundPlan verbonden kosten waren. Het voorgaande impliceert dat de verzekeringnemer wist of kon weten dat de door de Vereniging genoemde “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” deel uitmaakten van de eerste kosten.

2.230. Noch de aanduiding van de kostensoort, noch de context waarin de eerste kosten worden genoemd – ook in de versies nr. 18 en 28 waarin wel een omschrijving wordt gegeven van deze kosten – zeggen iets over de wijze waarop deze kosten in rekening worden gebracht. Ook overigens is uit de contractinformatie niet af te leiden of het – afzonderlijk overeen te komen – naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten zijn of dat het kosten zijn die, naast de aan- en verkoopkosten, ten laste van de bruto-premie komen. De verzekeringnemer van FundPlan aan wie niet kenbaar was gemaakt dat kosten een factor vormden waarvan de uitkering afhankelijk is – en die dus afzonderlijk ervan op de hoogte moest zijn gebracht dat een bepaalde kostensoort ten laste van de bruto-premie werd gebracht om wilsovereenstemming daarover te kunnen aannemen, wist dus niet dat deze, van de eerste kosten deel uitmakende “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” ten laste van de bruto-premie kwamen.

2.231. Hieruit volgt dat de verzekeringnemer die alleen kennis genomen heeft van brochure L10248 van Fundplan, waarin niets is vermeld over kosten, uit de aan hem verstrekte contractdocumentatie niet heeft kunnen begrijpen dat (ook) deze kosten, van de eerste kosten deel uitmakende “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur”, ten laste van de bruto-premie werden gebracht. Dit staat in de weg aan het ten aanzien van die verzekeringnemer kunnen aannemen van wilsovereenstemming over de van de eerste kosten deel uitmakende “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur”.

de eerste kosten. De conclusie luidt dat er in die gevallen geen contractuele grondslag bestaat voor het in rekening brengen van de van deze kosten.

naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten

2.232. De Vereniging stelt voorts dat de hoogte van een aantal naast de bruto-premie overeengekomen kosten van FundPlan niet is gekwantificeerd en daarom niet is overeengekomen. Het gaat om:

  • -

    de in artikel 2 clausuleblad 5570 genoemde aan- en verkoopkosten;

  • -

    de in artikel 1 clausuleblad 5570 genoemde beheerskosten (tot 2002);

  • -

    de in artikel 6 clausuleblad 5570 genoemde wijzigingskosten (tot 2002);

  • -

    de in artikel 1.3 algemene voorwaarden genoemde termijnopslag (afgezien van 1995 en 1996).

2.233. Aegon betwist niet dat alleen de kostensoort en niet de hoogte van deze kosten overeengekomen is. Nu haar algemene verweer dat dit niet nodig is, hiervoor is verworpen, luidt de conclusie dat hier sprake is van een leemte in de FundPlanovereenkomsten.

afkoopwaarde

2.234. Ook hier wijst de Vereniging op de door haar als ‘afkoopkosten’ bestempelde, in artikel 6.3 geregelde afkoopwaarde van FundPlan, waarover Aegon – zoals hiervoor is geoordeeld – naar de toen geldende maatstaven onvoldoende informatie heeft verstrekt. Nu Aegon niet heeft voldaan aan haar mededelingsplicht op dit punt kan over deze afkoopwaarde ook geen wilsovereenstemming zijn bereikt. Dit verwijt treft dus doel.

B niet overeengekomen (hoogte van de) overlijdensrisicopremie?

2.235. Niet in geschil is dat bij KoersPlan en VermogensPlan een contractuele grondslag bestaat voor de in rekening gebrachte overlijdensrisicopremie. Bij deze twee voorbeeldproducten is het geschil toegespitst op de stelling van de Vereniging dat de wel benodigde contractuele grondslag voor de in rekening gebrachte hoogte van deze premie ontbreekt. Bij FundPlan is ook in geschil of er een contractuele grondslag bestaat voor de premie als zodanig. Derhalve komt eerst aan de orde (a), waarna het bij alle voorbeeldproducten spelende geschil over de hoogte van de overlijdensrisicopremie wordt besproken (b).

( a) contractuele grondslag overlijdensrisicopremie FundPlan?

2.236. Partijen twisten over de vraag of, zoals de Vereniging stelt, bij FundPlan vóór juli 2002 een contractuele grondslag om een premie overlijdensrisico in te houden ontbrak. Dat de overlijdensrisicopremie niet vermeld is, is op zichzelf geen reden om te concluderen dat in het geheel geen overlijdensrisicopremie overeengekomen is. Het komt erop aan of de verzekeringnemer had kunnen begrijpen dat FundPlan overlijdensrisicodekking bood waarvoor hij een premie verschuldigd was. Of de hoogte van de premie overeengekomen is, is een volgende vraag, die hierna wordt behandeld.

2.237. Niet in geschil is dat bij de lezing van zowel de brochures als de contractdocumentatie van FundPlan duidelijk wordt dat FundPlan voorziet in een overlijdensrisicodekking. De Vereniging stelt dat daaruit echter niet kon worden afgeleid dat de betaalde premie een overlijdensrisicopremie omvatte, te minder nu in veel gevallen bij overlijden alleen de betaalde premies werden terugontvangen en geen beleggingswinst.

2.238. Anders dan de Vereniging stelt, heeft de verzekeringnemer op grond van artikel 4 bij clausuleblad 5570, dat bepaalt dat het verzekerd kapitaal bij overlijden wordt vermeerderd met het eventueel aanwezige overschot in de fondsen, wèl recht op beleggingswinst. Dit argument kan de Vereniging dus niet baten. Ook overigens gaat het betoog van de Vereniging niet op. Nu de verzekeringnemer wist dat sprake was van een overlijdensrisicodekking, had hij kunnen en moeten begrijpen dat daarvoor een premie moest worden betaald. Dit geldt eens temeer daar – naar de verzekeringnemer bekend moest zijn – de waarde van beleggingen kon fluctueren en deze bij overlijden dus ook lager kon uitvallen dan de door FundPlan bij overlijden uit te keren inleg. Met het bij overlijden uitkeren van de inleg nam Aegon dus een risico op zich. Dat geldt eens temeer voor de FundPlanovereenkomsten vanaf 1994, waarbij bij overlijden de inleg, verhoogd met 10%, werd uitgekeerd. De verzekeringnemer moest begrijpen dat hij tegenover dit risico dat Aegon op zich nam met deze gegarandeerde uitkering bij overlijden – die dus tot 1994 hoger kon uitvallen en na 1994 per definitie hoger was dan de waarde van de beleggingen – een premie verschuldigd was. Op grond van de contractdocumentatie moest de verzekeringnemer dus begrijpen dat de door hem betaalde premie voor FundPlan een premie voor het overlijdensrisico omvatte.

( b) contractuele grondslag hoogte overlijdensrisicopremie voorbeeldproducten?

2.239. Niet in geschil is dat de hoogte van de overlijdensrisicopremie van KoersPlan en VermogensPlan tot 1999 niet in de contractdocumentatie is opgenomen en dat deze in de hele relevante periode ontbreekt in de contractdocumentatie van Fundplan. Zoals hiervoor is overwogen, heeft Aegon de verzekeringnemers van deze voorbeeldproducten hierover onvoldoende geïnformeerd. Ook hier geldt dat, daar waar bij het aanbod van de voorbeeldproducten mededeling moet worden gedaan van de hoogte van de overlijdensrisicopremie, niet vol te houden is dat daarover geen wilsovereenstemming nodig is. Zoals hiervoor is overwogen zijn het voor beleggen aangewende deel van de bruto-premie en de overlijdensrisicopremie communicerende vaten, in die zin dat hoe hoger de overlijdensrisicopremie wordt vastgesteld, hoe lager het voor beleggen aan te wenden deel van de premie is. Bij een gelijkblijvend rendement behaalt een deelnemer met een hoge overlijdensrisicopremie dus een lagere opbrengst dan een deelnemer met een lagere overlijdensrisicopremie. De hoogte van de premie vormt daarmee een wezenlijk element van de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten, waarover wilsovereenstemming moet bestaan.

2.240. Van wilsovereenstemming kan geen sprake zijn bij gebreke van vermelding van de hoogte van de overlijdensrisicopremie in de contractdocumentatie die werd verstrekt bij het sluiten van de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten. In zoverre is dus sprake van een leemte in deze overeenkomsten

( c) slotsom ten aanzien van het in rekening brengen van niet overeengekomen kosten en overlijdensrisicopremie

2.241. De slotsom ten aanzien van het in rekening brengen van niet overeengekomen kosten en overlijdensrisicopremie luidt dat:

( i) geen wilsovereenstemming over de van de eerste kosten deel uitmakende “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” bestaat tussen Aegon en de verzekeringnemer die alleen kennis genomen heeft van brochure L10248 van Fundplan, zodat een contractuele grondslag voor het in rekening brengen van de van de eerste kosten deel uitmakende “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” ontbreekt;

( ii) de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten in de relevante periode (1999 tot en met 2004) een leemte bevatten ten aanzien van:

a. de niet overeengekomen hoogte (in kwantitatieve zin) van de volgende naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten:

KoersPlan en VermogensPlan:

 de aan- en verkoopkosten, die voor 2000 waren begrepen in de in artikel 13 algemene voorwaarden 1989-1990, artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en in artikel 4 algemene voorwaarden 1996-2000 genoemde ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’;

 de in artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en in artikel 4 van de algemene voorwaarden 1996-2000 genoemde beleggingskosten;

FundPlan:

 de in artikel 2 clausuleblad 5570 genoemde aan- en verkoopkosten;

 de in artikel 1 clausuleblad 5570 genoemde beheerskosten (tot 2002);

 de in artikel 6 clausuleblad 5570 genoemde wijzigingskosten (tot 2002);

 de in artikel 1.3 algemene voorwaarden genoemde termijnopslag (afgezien van 1995 en 1996);

b. de niet overeengekomen berekeningswijze van de in FundPlan in de in artikel 6.3 algemene voorwaarden genoemde afkoopwaarde;

c. de niet overeengekomen hoogte van de overlijdensrisicopremie in:

 KoersPlan en VermogenPlanovereenkomsten tot 1999;

 alle FundPlanovereenkomsten in de relevante periode

2.242. Wellicht ten overvloede wordt overwogen dat de hiervoor gegeven oordelen over het ontbreken van wilsovereenstemming over de kosten en de afkoopwaarde, die zijn gestoeld op het doen van het vanwege de schending van de mededelingsplicht onvolledige aanbod, niet gelden voor zover FundPlan voorziet in een garandeerde uitkering – en dus is aan te merken als een garantieverzekering. Daarvoor gelden andere voorschriften dan voor de door de Vereniging met haar verwijten aan de orde gestelde informatieverstrekking over kosten in gevallen waarin de uitkering onzeker is, zoals bij beleggingsverzekeringen het geval is.

2.243. De hiervoor vastgestelde leemtes in de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten, omdat de hoogte van de hiervoor genoemde kosten en overlijdensrisicopremie niet zijn overeengekomen, dienen in overeenstemming met de eisen van redelijkheid en billijkheid in de zin van artikel 6:248 BW te worden ingevuld, rekening houdend met algemeen erkende rechtsbeginselen, de in Nederland levende rechtsovertuigingen en de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij deze zaak betrokken zijn.

2.244. De Vereniging heeft geen vorderingen strekkende tot bepaling van (het niveau van) de redelijke kosten en overlijdensrisicopremies ingesteld. Uit haar stellingen volgt ook dat zij niet wenst dat de rechtbank overgaat tot het invullen van deze leemte, ten aanzien waarvan Aegon heeft betoogd dat – voor zover nog nodig, aangezien de doorgevoerde productieverbeteringen in haar optiek reeds hebben geleid tot redelijke kosten en overlijdensrisicopremies – dient te worden aangesloten bij de Stichtingsakkoorden en de herberekeningen van de overlijdensrisicopremies naar aanleiding van de KoersPlanzaak.

2.245. Dat betekent dat het redelijk niveau van de kosten en de overlijdensrisicopremies buiten de reikwijdte van het geschil in deze zaak valt. Los daarvan, gaat de concrete financiële consequentie van de hiervoor gegeven oordelen voor Aegon en de verzekeringnemers van de voorbeeldproducten de reikwijdte van deze collectieve actie, die gezien artikel 3:305a BW geen betrekking kan hebben op schadevergoeding, te buiten. De eventuele schadeplichtigheid van Aegon moet in individuele gevallen worden bezien – na vaststelling van een redelijk niveau van de kosten en overlijdensrisicopremie van de voorbeeldproducten waarvan de hoogte niet is overeengekomen.

3 In het verkeer brengen van gebrekkige producten?

2.246. Dit verwijt ziet op het crashrisico. Onder verwijzing naar het door haar in het geding gebrachte rapport van Capital Consult stelt de Vereniging dat ‘de praktijk heeft uitgewezen’ dat de voorbeeldproducten gebrekkig zijn en verwijst zij naar de geschiedenis van de AEX, die leert dat forse koersdalingen gemiddeld elk decennium wel een keer voorkomen. Daarmee had Aegon rekening moeten houden nu zij vooral producten aanbood met een relatief lange looptijd, aldus de Vereniging, die betoogt dat de voorbeeldproducten niet de veiligheid boden die men als afnemer mocht verwachten en die stelt dat de voorbeeldproducten, die veelal werden aangeboden als vermogensopbouwproduct met een specifiek doel (sparen voor de oude dag, aflossen hypotheek, studie kinderen, etc), waarbij de afnemers op basis van rekenvoorbeelden is voorgehouden dat een mooie uitkering kon worden verwacht, niet hebben gedaan wat werd beloofd.

2.247. De Vereniging grondt dit verwijt op de (naar analogie toe te passen) in artikel 6:185 BW neergelegde risicoaansprakelijkheid van de producent van een gebrekkig product. Nu de voorbeeldproducten vallen buiten de reikwijdte van het toepassingsbereik van deze bepaling – die ziet op roerende zaken – zal de rechtbank toetsen of Aegon onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW/het voor 1 januari 1992 geldende artikel 1401 BW (oud). De rechtbank ziet geen grond om daarbij aansluiting te zoeken bij artikel 6:185 BW, zoals de Vereniging bepleit. De daarvoor door de Vereniging genoemde en door Aegon inhoudelijk betwiste argumenten – de ernst van het gestelde gebrek, de bekendheid daarmee bij Aegon en de gestelde wetenschap bij Aegon dat de aanbieders het gestelde gebrek niet kenden – geven daartoe geen aanleiding, terwijl ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan het zoeken van aansluiting bij artikel 6:185 BW in dit geval geboden is.

2.248. Hiervoor is geoordeeld dat het crashrisico een aspect is van het reguliere beleggingsrisico. Met Aegon is de rechtbank van oordeel dat het crashrisico een voorzienbaar gevolg is van het beleggen in aandelen: naarmate de belegde waarde, mede als gevolg van de periodieke stortingen, gedurende de looptijd stijgt, zal het effect van koersfluctuaties – zowel positief als negatief – groter zijn. Door beleggingsverzekeringen aan te bieden, waaraan dit onlosmakelijk met beleggen verbonden en voorzienbare gevolg van koersbewegingen verbonden is, handelt Aegon niet onrechtmatig.

4 Oneerlijke bedingen?

2.249. Dit verwijt ziet op in de algemene voorwaarden van de voorbeeldproducten opgenomen bepalingen over de te betalen premie en andere kosten, die volgens de Vereniging onduidelijk en oneerlijk zijn in de zin van de richtlijn van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, PbEG 1993, L 95/29, hierna: Richtlijn 93/13. De bepalingen uit de algemene voorwaarden van de voorbeeldproducten waarop de Vereniging hier het oog heeft, hebben betrekking op de volgens de Vereniging zonder contractuele grondslag in rekening gebrachte kosten en de overlijdensrisicopremie. De Vereniging beroept zich alleen op de oneerlijkheid van deze bedingen voor het geval de rechtbank mocht oordelen dat de kosten en overlijdensrisicopremie wel overeengekomen zijn.

2.250. Aegon verzet zich terecht niet tegen de door de Vereniging hieraan verbonden vordering om deze bepalingen “ te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of niet bindend tussen Aegon en haar afnemers te verklaren”. Artikel 3:305a BW verzet zich niet tegen het instellen van zo’n vordering in een collectieve actie, terwijl uit de wetgeschiedenis kan worden afgeleid dat een collectieve actie tegemoet kan komen aan een in de praktijk bestaande behoefte ten aanzien van grote groepen lang lopende gelijkvormige overeenkomsten op basis van gelijke voorwaarden, zoals hier aan de orde (zie TK 1992-1993, 22 486, nr 5, p 10.)

2.251. Aegon heeft het gelijk aan haar zijde met haar betoog dat aan de Vereniging geen rechtstreeks beroep op deze richtlijn toekomt. Wel dienen de artikelen 6:231 en verder BW richtlijnconform te worden uitgelegd. Niet blijkt dat de verzekeringnemer aan het begin van de relevante periode, vóór de inwerkingtreding van het BW in 1992 en het daarna van kracht worden van Richtlijn 93/13 méér bescherming kon ontlenen aan de toen geldende wettelijke bepalingen dan aan de door de Vereniging ingeroepen geharmoniseerde bepalingen over oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. De rechtbank zal dit verwijt overeenkomstig de kennelijke bedoeling van de Vereniging toetsen aan het richtlijnconform toe te passen artikel 6:231 en verder BW.

2.252. De gestelde oneerlijke bedingen van KoersPlan en VermogensPlan zijn verwoord in artikel 7 lid 2 (tot en met 1995) en artikel 4 (voor de periode daarna) uit de algemene voorwaarden van deze voorbeeldproducten. Het is de Vereniging te doen om de eerder besproken aan- en verkoopkosten en fondsbeheerkosten van KoersPlan en VermogensPlan. Haar stellingen zien voorts op het deel van artikel 1 van de algemene voorwaarden van KoersPlan en VermogensPlan, waarin de definitie van de ‘verzekeringspremie’ is gegeven:

‘de door de inschrijver te betalen premie voor de overlijdensrisicodekking’ [tot 1996]/“de door de inschrijver betaalde bruto premie voor de overlijdensrisicodekking” [na 1996].

2.253. Hiervoor is geoordeeld dat de fondsbeheerkosten geen aan de KoersPlan en VermogensPlanovereenkomsten verbonden kosten zijn. Reeds om die reden kunnen zij niet zijn gebaseerd op een onredelijk bezwarend beding in de algemene voorwaarden van deze voorbeeldproducten.

2.254. Ten aanzien van de hoogte van de vóór 2000 in de ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’ begrepen aan- en verkoopkosten van KoersPlan en VermogensPlan en de overlijdensrisicopremies is hiervoor geoordeeld dat sprake is van een leemte in de overeenkomsten met betrekking tot deze voorbeeldproducten, die moet worden ingevuld door bepaling van een redelijk kostenniveau en een redelijke premie. Dit reeds staat in de weg aan het honoreren van de stellingen van de Vereniging over de door haar als oneerlijk bestempelde bedingen.

2.255. Met het door haar als oneerlijke bedingen bestempelde artikel 2 clausuleblad 5570 van FundPlan en de artikelen 6.3 en 7 van de algemene voorwaarden van Fundplan is het de Vereniging te doen om de hiervoor besproken ‘kosten bemiddelaar’ en ‘kosten verzekeringsmaatschappij’, die deel uitmaken van de eerste kosten, die ten laste van de bruto-premie komen, voordat de spaarpremie wordt belegd.

2.256. Hiervoor is geoordeeld dat er geen wilsovereenstemming over de van de eerste kosten deel uitmakende “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” bestaat tussen Aegon en de verzekeringnemer die alleen kennis genomen heeft van brochure L10248 van FundPlan en dat een contractuele grondslag voor het in rekening brengen van deze, van de eerste kosten deel uitmakende “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” dus ontbreekt. Deze overeenkomsten vallen dus buiten de reikwijdte van het geschil.

2.257. Ten aanzien van de andere FundPlanovereenkomsten is hiervoor overwogen dat de wilsovereenstemming over deze door de Vereniging genoemde kosten, die ten laste van de bruto-premie komen, besloten ligt in de wilsovereenstemming over de inleg die men bereid is te betalen in ruil voor een potentiële opbrengst, na aftrek van kosten. Dit staat in de weg aan het als onredelijk bezwarend aanmerken van de door de Vereniging genoemde bedingen uit de FundPlanovereenkomsten. Daarbij komt dat concrete feiten en omstandigheden op grond waarvan deze bedingen, al dan niet in onderlinge samenhang bezien dan wel in samenhang met de overige bepalingen van de FundPlanovereenkomsten, in strijd met de goede trouw het contractuele evenwicht tussen partijen aanzienlijk en ongerechtvaardigd ten nadele van de verzekeringnemer verstoren in de bij het richtlijnconforme uitleggen bedoelde zin van de artikelen 6:231 en verder BW in aanmerking te nemen jurisprudentie van het HvJEU betreffende de uitleg van Richtlijn 93/13, niet zijn gesteld of gebleken.

IV Slotsom in de zaak van de Vereniging

2.258. De volgende verwijten van de Vereniging treffen doel:

i. Aegon heeft in de brochures van KoersPlan van 1989 tot en met 1994 onjuiste voorlichting gegeven en een misleidende mededeling gedaan door:

a. voorbeeldkapitalen te tonen die door geen enkele maatman gehaald konden worden en

b. voor de berekening van de getoonde historische rendementen voor de jaren 1983 tot en met 1988 uit te gaan van een looptijd van 15,5 jaar, terwijl van een looptijd van 15 jaar uitgegaan had moeten worden;

Aegon heeft ten onrechte nagelaten de hoogte (in kwantitatieve zin) van de volgende naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten te vermelden:

bij KoersPlan en VermogensPlan:

 aan- en verkoopkosten, die voor 2000 waren begrepen in de in artikel 13 algemene voorwaarden 1989-1990, artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en in artikel 4 algemene voorwaarden 1996-2000 genoemde ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’;

 de in artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en in artikel 4 van de algemene voorwaarden 1996-2000 genoemde beleggingskosten

bij Fundplan (vanaf 1 januari 1999):

 de in artikel 2 clausuleblad 5570 genoemde aan- en verkoopkosten;

 de in artikel 1 clausuleblad 5570 genoemde beheerskosten (tot 2002);

 de in artikel 6 clausuleblad 5570 genoemde wijzigingskosten (tot 2002);

 de in artikel 1.3 algemene voorwaarden genoemde termijnopslag;

Aegon is tekortgeschoten in haar informatieverplichting over de in artikel 6.3 algemene voorwaarden genoemde afkoopwaarde;

Aegon heeft in de brochure 1989 van KoersPlan en brochure L10248 van FundPlan ten onrechte nagelaten kosten als factor waarvan de uitkering afhankelijk is te vermelden;

Aegon heeft ten onrechte nagelaten de hoogte van de premie overlijdensrisicoverzekering te vermelden in de contractdocumentatie van KoersPlan en VermogensPlan tot 1999 en die van FundPlan gedurende de gehele relevante periode;

wilsovereenstemming ontbreekt over de van de eerste kosten deel uitmakende “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” tussen Aegon en de verzekeringnemer die alleen kennis genomen heeft van brochure L10248 van Fundplan, zodat een contractuele grondslag voor het in rekening brengen van de van de eerste kosten deel uitmakende “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” ontbreekt;

de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten in de relevante periode (1999 tot en met 2004) bevatten een leemte ten aanzien van:

a. de niet overeengekomen hoogte (in kwantitatieve zin) van de volgende naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten:

KoersPlan en VermogensPlan:

 de aan- en verkoopkosten, die voor 2000 waren begrepen in de in artikel 13 algemene voorwaarden 1989-1990, artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en in artikel 4 algemene voorwaarden 1996-2000 genoemde ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’;

 de in artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en in artikel 4 van de algemene voorwaarden 1996-2000 genoemde beleggingskosten;

FundPlan:

 de in artikel 2 clausuleblad 5570 genoemde aan- en verkoopkosten;

 de in artikel 1 clausuleblad 5570 genoemde beheerskosten (tot 2002);

 de in artikel 6 clausuleblad 5570 genoemde wijzigingskosten (tot 2002);

 de in artikel 1.3 algemene voorwaarden genoemde termijnopslag (afgezien van 1995 en 1996);

b. de niet overeengekomen berekeningswijze van de in FundPlan in de in artikel 6.3 algemene voorwaarden genoemde afkoopwaarde;

c. de niet overeengekomen hoogte van de overlijdensrisicopremie in:

 KoersPlan en VermogenPlanovereenkomsten tot 1999;

 alle FundPlanovereenkomsten in de relevante periode.

2.259. De hierop betrekking hebbende vorderingen zullen worden toegewezen. De hiervoor vastgestelde schendingen van de informatieverplichting over de kosten gelden niet voor zover FundPlan voorziet in een garandeerde uitkering – en dus is aan te merken als een garantieverzekering. Daarvoor gelden andere voorschriften dan voor de door de Vereniging met haar verwijten aan de orde gestelde informatieverstrekking over kosten in gevallen waarin de uitkering onzeker is, zoals bij beleggingsverzekeringen het geval is. Om dezelfde reden gelden de hiervoor gegeven oordelen over het ontbreken van wilsovereenstemming over de kosten en de afkoopwaarde, die zijn gestoeld op het doen van het vanwege de schending van de mededelingsplicht onvolledig aanbod, niet voor zover FundPlan voorziet in een garandeerde uitkering.

2.260. De andere verwijten van de Vereniging gaan niet op. De rechtbank is van oordeel dat het door de Vereniging genoemde crashrisico onderdeel is van het reguliere beleggingsrisico. Het is dus geen afzonderlijk te vermelden factor waarvan de uitkering van de voorbeeldproducten afhankelijk is, waarover Aegon informatie had moeten verstrekken. Aegon heeft – afgezien van het onder i) bedoelde geval – geen onjuiste of misleidende voorbeeldberekeningen gehanteerd. De verwijten van de Vereniging over dit fata morgana-effect gaan niet op. Dat geldt ook voor de andere verwijten die de Vereniging heeft gemaakt over de informatie die Aegon heeft verstrekt over de bij de voorbeeldproducten in rekening gebrachte kosten en de door de Vereniging genoemde effecten daarvan op de uitkering.

2.261. Afgezien van de hiervoor genoemde gevallen, waarin Aegon niet heeft voldaan aan haar informatieverplichting, gaat de door de Vereniging verlangde wijze van informatieverstrekking veel verder dan hetgeen destijds van Aegon verwacht kon worden. Niet ter discussie staat dat deze informatieverstrekking niet voldoet aan de huidige maatstaven. Dat is echter niet de door de rechtbank aan te leggen toets. De destijds geldende maatstaf is neergelegd in de regelgeving. Naast de regelgeving kunnen aanvullende informatieverplichtingen voortvloeien uit het ongeschreven recht, mits deze voldoen aan de door het HvJEU gestelde eisen. In de relevante periode bevatte de CRR naast de regelgeving ongeschreven rechtsnormen voor de informatieverstrekking. De andere door de Vereniging aan haar verwijten ten grondslag gelegde ongeschreven rechtsnormen voldoen niet aan de door het HvJEU gestelde eisen. Wel had Aegon zich gecommitteerd aan de Spaarkas-brochure omschreven wijze van informatieverstrekking. Deze door Aegon op zich genomen informatieverplichting geldt voor KoersPlan en VermogensPlan eveneens als een ongeschreven rechtsnorm waaraan Aegon is gebonden.

2.262. De voor Aegon geldende verplichtingen voor informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten zien op de aanbodzijde van de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten. Over de kosten die ten laste kwamen van de bruto-premie werd indirect informatie verstrekt, overeenkomstig het daarvoor destijds geldende uitgangspunt van indirecte transparantie. De wilsovereenstemming over die kosten en de hoogte daarvan lag besloten in de wilsovereenstemming over de inleg die de verzekeringnemer bereid was te betalen in ruil voor een onzekere potentiële opbrengst die werd bereikt met het beleggen van de premie, na aftrek van de kosten en overlijdensrisicopremie. De naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten (die ten laste van de spaarkas respectievelijk de beleggingen werden gebracht), moesten (vanaf inwerkingtreding van de Riav 1998) afzonderlijk worden vermeld, met een kwantitatieve weergave van de betreffende kostensoort. De Spaarkas-brochure vergde dat ook niet ten aanzien van KoersPlan en VermogensPlan. Over de hoogte van de naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten (in kwantitatieve zin) en de overlijdensrisicopremie moest wilsovereenstemming bestaan. Deze ontbreekt in de hiervoor genoemde gevallen, omdat Aegon deze kosten en premies niet heeft gekwantificeerd.

2.263. Tot slot gaan de verwijten van de Vereniging over het (vanwege het crashrisico) in het verkeer brengen van gebrekkig producten en de volgens haar oneerlijke bedingen niet op. De vorderingen die betrekking hebben op de verwijten van de Vereniging die geen doel hebben getroffen, zullen worden afgewezen.

V De zaken van [eiser 4] , [eiser 3] en [eiser 2]

2.264. Hetgeen hiervoor over de voorbeeldproducten is overwogen in de zaak van de Vereniging geldt ook voor de zaken KoersPlanovereenkomst van [eiser 4] , de VermogensPlanovereenkomst van [eiser 3] respectievelijk de FundPlanovereenkomst van [eiser 2] . De in deze individuele gevallen ingenomen standpunten – die neerkomen op een uitwerking van de algemene verwijten van de Vereniging ten aanzien van de voorbeeldproducten – leiden niet tot een andere uitkomst.

2.265. Dat geldt ook voor [eiser 2] , die betwist dat hij de brochure van FundPlan heeft ontvangen. Nu vaststaat dat hij de FundPlanovereenkomst heeft gesloten met behulp van een tussenpersoon kan, zonder nadere toelichting – die ontbreekt, het gestelde niet ontvangen van de brochure niet worden tegengeworpen aan Aegon, tenzij [eiser 2] de FindPlanovereenkomst heeft gesloten toen Aegon brochure L10248 verstrekte. Niet gesteld of gebleken is dat dit het geval is. Aan bewijslevering over dit geschilpunt wordt niet toegekomen.

2.266. Anders dan in de collectieve actie van de Vereniging, is schadevergoeding wel onderwerp van geschil in de zaken van [eiser 4] , [eiser 3] en [eiser 2] , die schadevergoeding op te maken bij staat vorderen.

2.267. Anders dan Aegon, is de rechtbank van oordeel dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. De omstandigheid dat de beleggingsverzekeringen van [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] een positief resultaat kennen, brengt niet mee dat van schade geen sprake is. Het verweer dat eventueel nadeel is weggenomen door de door Aegon doorgevoerde productverbeteringen en doordat Aegon aan [eiser 2] na toetsing aan het Aegon Stichtingsakkoord en aan [eiser 3] op basis van de Regeling Spaarbeleg 2014 geldbedragen heeft overgemaakt gaat evenmin op, reeds nu de Vereniging c.s. gemotiveerd betwist dat op grond daarvan een redelijke premie in rekening is gebracht. Tussen het onrechtmatig handelen en (de mogelijke) schade bestaat bovendien causaal verband, nu – indien een te hoog bedrag aan overlijdensrisicopremie is ingehouden – meer kosten ten laste van het te beleggen vermogen zijn gekomen en dus de waardeopbouw negatief is beïnvloed. Voor zover de individuele eisers overigens hebben beoogd een beroep op dwaling te doen verwerpt de rechtbank dit beroep reeds nu daaraan geen rechtsgevolg is verbonden.

2.268. De vorderingen tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat zullen dus worden toegewezen. De niet weersproken vordering tot betaling van wettelijke rente daarover wordt toegewezen vanaf de datum van dagvaarding.

2.269. De vorderingen van [eiser 4] , [eiser 3] en [eiser 2] zullen op de hierna te melden wijze worden toegewezen. Voor zover hun verwijten geen doel treffen, worden hun vorderingen afgewezen.

2.270. Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten in de andere zaken waarin eindvonnis gecompenseerd. Deze beslissing heeft ook betrekking op de incidentele vordering ex artikel 843a Rv.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

wijst de vordering af;

in de hoofdzaak

Ten aanzien van de Vereniging

3.2.

verklaart de Vereniging niet-ontvankelijk in haar primaire vordering;

met betrekking tot KoersPlan

3.3.

verklaart voor recht dat Aegon Spaarkas onjuiste en misleidende eindkapitalen vermeldde in de brochures van KoersPlan over de jaren 1989 tot en met 1994 door:

a. voorbeeldkapitalen te tonen die door geen enkele maatman gehaald konden worden en

b. voor de berekening van de getoonde historische rendementen voor de jaren 1983 tot en met 1988 uit te gaan van een looptijd van 15,5 jaar, terwijl van een looptijd van 15 jaar uitgegaan had moeten worden;

3.4.

verklaart voor recht dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van KoersPlanovereenkomsten onrechtmatig heeft gehandeld jegens verzekeringnemers die slechts kennis hebben genomen van de brochure over 1989, door onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie te verschaffen omdat zij heeft nagelaten kosten te vermelden als factor waarvan de uitkering afhankelijk is;

met betrekking tot KoersPlan en VermogensPlan

3.5.

verklaart voor recht dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van KoersPlanovereenkomsten en VermogensPlanovereenkomsten onrechtmatig heeft gehandeld jegens de verzekeringnemers door onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie te verschaffen over de hoogte (in kwantitatieve zin) van:

 de aan- en verkoopkosten, die voor 2000 waren begrepen in de in artikel 13 algemene voorwaarden 1989-1990, in artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en artikel 4 algemene voorwaarden 1996-1999 genoemde ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’;

 de in artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en in artikel 4 van de algemene voorwaarden genoemde beleggingskosten;

3.6.

verklaart voor recht dat ten aanzien van KoersPlanovereenkomsten en VermogensPlanovereenkomsten tussen de verzekeringnemers en Aegon Spaarkas geen wilsovereenstemming bestaat over de hoogte (in kwantitatieve zin) van:

 de aan- en verkoopkosten, die voor 2000 waren begrepen in de in artikel 13 algemene voorwaarden 1989-1990, in artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en artikel 4 algemene voorwaarden 1996-1999 genoemde ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’;

 de in artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en in artikel 4 van de algemene voorwaarden genoemde beleggingskosten;

3.7.

verklaart voor recht dat Aegon Spaarkas tot 1 januari 1999 bij het aanbieden van KoersPlanovereenkomsten en VermogensPlanovereenkomsten aan de verzekeringnemers onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie te verschaffen over de hoogte van de overlijdensrisicopremie;

3.8.

verklaart voor recht dat bij tot 1 januari 1999 gesloten KoersPlanovereenkomsten en VermogensPlanovereenkomsten tussen de verzekeringnemers en Aegon Spaarkas geen wilsovereenstemming bestaat over de hoogte van de overlijdensrisicopremie;

met betrekking tot FundPlan

3.9.

verklaart voor recht dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van FundPlanovereenkomsten onrechtmatig heeft gehandeld jegens verzekeringnemers die slechts kennis hebben genomen van brochure L10248, door onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie te verschaffen omdat zij heeft nagelaten kosten te vermelden als factor waarvan de uitkering afhankelijk is;

3.10.

verklaart voor recht dat ten aanzien van FundPlanovereenkomsten Aegon Levensverzekering onrechtmatig heeft gehandeld jegens verzekeringnemers die alleen kennis hebben genomen van brochure L10248 door de van de eerste kosten deel uitmakende “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” in rekening te brengen zonder dat daarvoor een contractuele grondslag bestond;

3.11.

verklaart voor recht dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van FundPlanovereenkomsten onrechtmatig heeft gehandeld jegens de verzekeringnemers door vanaf 1 januari 1999 onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie te verschaffen over:

 de in artikel 6.3 algemene voorwaarden genoemde afkoopwaarde en

de hoogte (in kwantitatieve zin) van:

 de in artikel 2 clausuleblad 5570 genoemde aan- en verkoopkosten;

 de in artikel 1 clausuleblad 5570 genoemde beheerskosten (tot 2002);

 de in artikel 6 clausuleblad 5570 genoemde wijzigingskosten (tot 2002);

 de in artikel 1.3 algemene voorwaarden genoemde termijnopslag (afgezien van 1995 en 1996);

3.12.

verklaart voor recht dat ten aanzien van FundPlanovereenkomsten tussen de verzekeringnemers en Aegon Levensverzekering geen wilsovereenstemming bestond over:

 de in artikel 6.3 algemene voorwaarden genoemde afkoopwaarde en

de hoogte (in kwantitatieve zin) van:

 de in artikel 2 clausuleblad 5570 genoemde aan- en verkoopkosten;

 de in artikel 1 clausuleblad 5570 genoemde beheerskosten (tot 2002);

 de in artikel 6 clausuleblad 5570 genoemde wijzigingskosten (tot 2002);

 de in artikel 1.3 algemene voorwaarden genoemde termijnopslag (afgezien van 1995 en 1996);

3.13.

verklaart voor recht dat Aegon bij het aanbieden van FundPlanovereenkomsten aan de verzekeringnemers onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie te verschaffen over de hoogte van de overlijdensrisicopremie;

3.14.

verklaart voor recht dat ten aanzien van FundPlanovereenkomsten tussen de verzekeringnemers en Aegon Levensverzekering geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte van de overlijdensrisicopremie;

Ten aanzien van [eiser 4]

3.15.

verklaart voor recht dat Aegon Spaarkas onjuiste en misleidende eindkapitalen vermeldde in de aan [eiser 4] verstrekte brochure van KoersPlan door:

a. voorbeeldkapitalen te tonen die door geen enkele maatman gehaald konden worden en

b. voor de berekening van de getoonde historische rendementen voor de jaren 1983 tot en met 1988 uit te gaan van een looptijd van 15,5 jaar, terwijl van een looptijd van 15 jaar uitgegaan had moeten worden;

3.16.

verklaart voor recht dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van de KoersPlanovereenkomst onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 4] door onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie te verschaffen over de hoogte (in kwantitatieve zin) van:

 de aan- en verkoopkosten, die voor 2000 waren begrepen in de in artikel 7 algemene voorwaarden van zijn KoersPlanovereenkomst genoemde ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’;

 de in artikel 7 algemene voorwaarden van zijn KoersPlanovereenkomst genoemde beleggingskosten;

3.17.

verklaart voor recht dat tussen [eiser 4] en Aegon Spaarkas geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte (in kwantitatieve zin) van:

 de aan- en verkoopkosten, die voor 2000 waren begrepen in de in artikel 7 algemene voorwaarden van zijn KoersPlanovereenkomst genoemde ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’;

 de in artikel 7 algemene voorwaarden van zijn KoersPlanovereenkomst genoemde beleggingskosten;

3.18.

verklaart voor recht dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van de KoersPlanovereenkomst aan [eiser 4] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie te verschaffen over de hoogte van de overlijdensrisicopremie;

3.19.

verklaart voor recht dat tussen [eiser 4] en Aegon Spaarkas geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte van de overlijdensrisicopremie van zijn KoersPlanovereenkomst;

3.20.

veroordeelt Aegon Spaarkas om aan [eiser 4] de schade te vergoeden die deze als gevolg van het onrechtmatig handelen van Aegon heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum der dagvaarding;

Ten aanzien van [eiser 3]

3.21.

verklaart voor recht dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van de VermogensPlanovereenkomst onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 3] door onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie te verschaffen over de hoogte (in kwantitatieve zin) van:

 de aan- en verkoopkosten, die voor 2000 waren begrepen in de in artikel 7 algemene voorwaarden van zijn VermogensPlanovereenkomst genoemde ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’;

 de in artikel 7 algemene voorwaarden van zijn VermogensPlanovereenkomst genoemde beleggingskosten;

3.22.

verklaart voor recht dat tussen [eiser 3] en Aegon Spaarkas geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte (in kwantitatieve zin) van:

 de aan- en verkoopkosten, die voor 2000 waren begrepen in de in artikel 7 algemene voorwaarden van zijn VermogensPlanovereenkomst genoemde ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’;

 de in artikel 7 algemene voorwaarden van zijn VermogensPlanovereenkomst genoemde beleggingskosten;

3.23.

verklaart voor recht dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van de VermogensPlanovereenkomst aan [eiser 3] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie te verschaffen over de hoogte van de overlijdensrisicopremie;

3.24.

verklaart voor recht dat tussen [eiser 3] en Aegon Spaarkas geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte van de overlijdensrisicopremie van zijn VermogensPlanovereenkomst;

3.25.

veroordeelt Aegon Spaarkas om aan [eiser 3] de schade te vergoeden die deze als gevolg van het onrechtmatig handelen van Aegon heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum der dagvaarding;

Ten aanzien van [eiser 2]

3.26.

verklaart voor recht dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van de FundPlanovereenkomst onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 2] door onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie te verschaffen over:

 de in artikel 6.3 algemene voorwaarden genoemde afkoopwaarde en

de hoogte (in kwantitatieve zin) van:

 de in artikel 2 clausuleblad 5570 genoemde aan- en verkoopkosten;

 de in artikel 1 clausuleblad 5570 genoemde beheerskosten (tot 2002);

 de in artikel 6 clausuleblad 5570 genoemde wijzigingskosten (tot 2002);

 de in artikel 1.3 algemene voorwaarden genoemde termijnopslag (afgezien van 1995 en 1996);

3.27.

verklaart voor recht dat tussen [eiser 2] en Aegon Levensverzekering geen wilsovereenstemming bestond over:

 de in artikel 6.3 algemene voorwaarden van zijn FundPlanovereenkomst genoemde afkoopwaarde en

de hoogte (in kwantitatieve zin) van:

 de in artikel 2 clausuleblad 5570 van zijn FundPlanovereenkomst genoemde aan- en verkoopkosten;

 de in artikel 1 clausuleblad 5570 van zijn FundPlanovereenkomst genoemde beheerskosten (tot 2002);

 de in artikel 6 clausuleblad 5570 van zijn FundPlanovereenkomst genoemde wijzigingskosten (tot 2002);

 de in artikel 1.3 algemene voorwaarden van zijn FundPlanovereenkomst genoemde termijnopslag (afgezien van 1995 en 1996);

3.28.

verklaart voor recht dat Aegon bij het aanbieden van de FundPlanovereenkomst aan [eiser 2] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie te verschaffen over de hoogte van de overlijdensrisicopremie;

3.29.

verklaart voor recht dat tussen [eiser 2] en Aegon Levensverzekering geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte van de overlijdensrisicopremie van zijn FundPlanovereenkomst ;

In de zaken van de Vereniging, [eiser 4] , [eiser 3] en [eiser 2]

3.30.

compenseert de proceskosten in de zin dat partijen hun eigen kosten dragen;

3.31.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. L. Alwin, M.C. Ritsema van Eck- van Drempt en A.M. Voorwinden en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2017.

Bijlage: de eiswijziging

Ten aanzien van de Vereniging

In aanvulling op hetgeen bij dagvaarding is gevorderd in de nummers 1 tot en met XIX en de

nummers LXXVI en LXXVII van het petitum (hetgeen de Vereniging uitdrukkelijk handhaaft)

en in aanvulling op de voorwaardelijke vorderingen van alle eisers ex artikel 843a Rv:

Voor het FundPlan

I. voor recht te verklaren dat op Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product FundPlan jegens haar particuliere wederpartijen de verplichting rustte om te waarschuwen tegen het bijzondere risico dat ten gevolge van de hoogte van de kosten en de wijze waarop de kosten in rekening worden gebracht de mogelijkheid bestond dat het voorgespiegelde kapitaal niet uitgekeerd zou kunnen worden, alsmede dat Aegon Levensverzekering deze verplichting niet is nagekomen;

II. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product

FundPlan onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar particuliere wederpartijen door een

gebrekkig product aan hen te verkopen;

III. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product

FundPlan onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar particuliere wederpartijen door hen niet te waarschuwen voor en/of voor te lichten over het crashrisico en/of door hen gedurende de looptijd van dit product op het moment dat de negatieve effecten van het genoemde crashrisico zich voordeden, niet in te lichten over deze negatieve gevolgen en/of geen maatregelen te treffen teneinde de negatieve gevolgen op te heffen en/of te b eperken;

IV. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product

FundPlan met haar voorbeeldberekeningen een onjuist en te rooskleurig beeld heeft

geschetst voor de gemiddelde consument, nu Aegon Levensverzekering heeft nagelaten een nadere toelichting te geven omtrent de door haar gebruikte rekenmethodiek (meetkundige berekening) bij de door haar gebruikte prognoses;

V. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product

FundPlan gehouden was haar particuliere wederpartij te waarschuwen dat een hoger

gemiddeld jaarlijkse koersstijging vereist was dan het gebruikte rendementspercentage om het geprognosticeerde eindkapitaal te behalen;

VI. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product

FundPlan, daar waar zij in de voorbeeldberekeningen heeft gerekend met een gelijkblijvend jaarlijks rendement op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of met een gelijkblijvend jaarlijks rendement dat geen (exacte) relatie heeft met het onderliggende fonds, tekort is geschoten in de op haar rustende informatieplicht, nu deze informatie een onjuist en te rooskleurig beeld geeft van het te verwachten eindkapitaal en/of voor recht te verklaren dat de door Aegon Levensverzekering op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of een rendement dat geen relatie heeft met het onderliggende fonds berekende voorbeeldkapitalen in de door haar gebruikte brochures kwalificeren als een misleidende mededeling in de zin van artikel 6:194 BW;

VII. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering ten aanzien van het product FundPlan zich schuldig heeft gemaakt aan churning, door de bruto premie eerst geheel te beleggen en vervolgens weer verkopen te verrichten teneinde de kosten te betalen, waardoor feitelijk extra transactiekosten (aan- en verkoopkosten) werden gegenereerd, zonder dat zulks in het belang van de afnemers was; en/of voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering zich schuldig heeft gemaakt aan churning, nu zij aan- en verkoopkosten berekende over een gedeelte van de premie dat niet bestemd was voor vermogensopbouw (maar om kosten te voldoen) zonder dat zulks in het belang was van de afnemers;

VIII. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product

FundPlan de op haar rustende bijzondere zorgplicht jegens haar particuliere wederpartijen heeft geschonden en/of dat zij naar maatstaven van burgerlijk (contracten)recht tekort is geschoten jegens haar particuliere wederpartijen door niet, althans onvoldoende te informeren en voor te lichten over en te waarschuwen voor de in deze dagvaarding genoemde bijzondere kosten en risico’s en eigenschappen van het FundPlan;

IX. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product

FundPlan onrechtmatig jegens de particuliere afnemers heeft gehandeld en/of dat Aegon Levensverzekering toerekenbaar tekort is geschoten jegens deze particuliere afnemers;

X. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product

FundPlan toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door kosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was;

a) voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering, ten aanzien van de voor 1juli 2002 aangeboden/verkochte FundPlannen, toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door premie voor de overlijdensrisicoverzekering in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was.

b) voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door kosten voor de verzekeringsmaatschappij in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag bestond.

c) voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering, toerekenbaar tekort is geschoten

en/of onrechtmatig heeft gehandeld door kosten voor de bemiddelaar en/of verzekeringsadviseur in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag

bestond;

XI. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten opzichte van de afnemers van een FundPlan, door kosten in te houden zonder contractuele grondslag;


XII. voor recht te verklaren dat de door Aegon Levensverzekering ingehouden bedragen,

waarvoor geen contractuele grondslag aanwezig was, onverschuldigd zijn betaald door de afnemers van het FundPlan;


XIII. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering op de einddatum of beëindigingsdatum van de Polissen FundPlan de opgebouwde waarde dient uit te keren, welke opgebouwde waarde vermeerderd dient te worden met de bedragen die ten onrechte door Aegon Levensverzekering zijn ingehouden (geen contractuele grondslag) en vermeerderd met het misgelopen rendement over deze ingehouden bedragen;


XIV. voor recht te verklaren dat tussen Aegon Levensverzekering en de afnemers van een FundPlan geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte van:

- aan- en verkoopkosten en/of

- beeheerskosten (tot 1 juli 2002) en/of

- - afkoopkosten en/of

- wijzigingskosten en/of

- overlijdensrisicopremie (vanaf 1 juli 2002) en/of

- - -termijnopslag (behoudens de jaren 1994, 1995 en 1996);

XV. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekeringen bij het aanbieden/verkopen van het product FundPlan aan haar particuliere wederpartijen onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de (hoogte van de) kosten die aan de

beleggingsverzekeringen zijn verbonden en de invloed van deze kosten op het te behalen eindresultaat.

a) voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekeringen vanaf juli 2002 bij het

aanbieden/verkopen van het product FundPlan onvoldoende duidelijke en onvolledige

informatie heeft verschaft over de overlijdensrisicopremie, zodat de hoogte van de overlijdensrisicopremie niet is overeengekomen met de afnemers;

b) voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekeringen bij het aanbieden/verkopen van het product FundPlan onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de afkoopkosten en/of de aan- en verkoopkosten, zodat de hoogte van deze kosten niet is overeengekomen met de afnemers;

c) voor recht te verklaren dat AegonLevensverzekeringen bij het aanbieden/verkopen van het FundPlan tot 1juli 2002 onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de beheerskosten en/of de wijzigingskosten, zodat de hoogte van deze kosten niet is overeengekomen met de afnemers;

d) voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekeringen bij het aanbieden/verkopen van het FundPlan tot 1januari 1994 en na 1januari 1997 onvoldoende duidelijke en

onvolledige informatie heeft verschaft over de termijnopslag, zodat de hoogte van deze

kosten niet is overeengekomen met de afnemers.

XVI. voor zover uw rechtbank meent dat voor de overlijdensrisicopremie (tot 2002), de kosten voor de verzekeringsmaatschappij en de kosten voor de bemiddelings- of verzekeringsadviseur een contractuele grondslag aanwezig was, voor recht te verklaren dat de bedingen:

a. artikel 2 clausuleblad 5570 en/of

b. artikel 6.3 van de algemene voorwaarden en/of

c. artikel 7 (tot 2000)/ artikel 7.1 (vanaf 2000) algemene voorwaarden en/of van het FundPlan, op grond van Richtlijn 93/13 oneerlijke bedingen zijn;

XVII. voor zover uw rechtbank meent dat voor de overlijdensrisicopremie (tot 2002), de kosten voor de verzekeringsmaatschappij en de kosten voor de bemiddelings- of verzekeringsadviseur een contractuele grondslag aanwezig was, de bedingen:

a. artikel 2 clausuleblad 5570 en/of

b. artikel 6.3 van de algemene voorwaarden en/of

c. artikel 7 (tot 2000)/ artikel 7.1 (vanaf 2000) algemene voorwaarden;

van het FundPlan, te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of niet bindend tussen Aegon en de afnemers te verklaren;

XVIII. voor zover uw rechtbank meent dat voor de overlijdensrisicopremie (tot 2002) en/of de

kosten voor de verzekeringsmaatschappij en/of de kosten voor de bemiddelings- of

verzekeringsadviseur een contractuele grondslag aanwezig was, voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekeringen bij het aanbieden/verkopen van het product FundPlan onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de overlijdensrisicopremie (tot 2002) en/of de kosten voor de verzekeringsmaatschappij en/of de kosten voor de bemiddelings- of verzekeringsadviseur, zodat de hoogte van deze kosten niet is overeengekomen met de afnemers;

Vermogensplan

XIX. voor recht te verklaren dat op Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan jegens haar particuliere wederpartijen de verplichting rustte om te waarschuwen tegen het bijzondere risico dat ten gevolge van de hoogte van de kosten en de wijze waarop de kosten in rekening worden gebracht de mogelijkheid bestond dat het voorgespiegelde kapitaal niet uitgekeerd zou kunnen worden, alsmede dat Aegon Spaarkas deze verplichting niet is nagekomen;

XX. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar particuliere wederpartijen door een gebrekkig product aan hen te verkopen;

XXI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar particuliere wederpartijen door hen niet te waarschuwen voor en/of voor te lichten over het crashrisico en/of door hen gedurende de looptijd van dit product, op het moment dat de negatieve effecten van het genoemde crashrisico zich voordeden, niet in te lichten over deze negatieve gevolgen en/of geen maatregelen te treffen teneinde de negatieve gevolgen op te heffen en/of te beperken;

XXII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan met haar voorbeeldberekeningen een onjuist en te rooskleurig beeld heeft geschetst voor de gemiddelde consument, nu Aegon Spaarkas heeft nagelaten een nadere toelichting te geven omtrent de door haar gebruikte rekenmethodiek (meetkundige berekening) bij de door haar gebruikte prognoses;

XXIII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan gehouden was haar particuliere wederpartij te waarschuwen dat een hoger gemiddeld jaarlijkse koersstijging vereist was dan het gebruikte rendementspercentage om het geprognosticeerde eindkapitaal te behalen;

XXIV. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan, daar waar zij in de voorbeeldberekeningen heeft gerekend met een gelijkblijvend jaarlijks rendement op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of met een gelijkblijvend jaarlijks rendement dat geen (exacte) relatie heeft met het onderliggende fonds, tekort is geschoten in de op haar rustende informatieplicht, nu deze informatie een onjuist en te rooskleurig beeld geeft van het te verwachten eindkapitaal en/of voor recht te verklaren dat de door Aegon Spaarkas op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of een rendement dat geen relatie heeft met het onderliggende fonds berekende voorbeeldkapitalen in de door haar gebruikte brochures kwalificeren als een misleidende mededeling in de zin van artikel 6:194 BW;

XXV. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas onjuiste, misleidende en/of te rooskleurige eindkapitalen voorspiegelde op het spaarcertificaat van het product Vermogensplan;

XXVI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas ten aanzien van het product Vermogensplan zich schuldig heeft gemaakt aan churning, door de bruto premie eerst geheel te beleggen en vervolgens weer verkopen te verrichten teneinde de kosten te betalen, waardoor feitelijk extra transactiekosten (aan- en verkoopkosten) werden gegenereerd, zonder dat zulks in het belang van de afnemers was; en/of voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas zich schuldig heeft gemaakt aan churning, nu zij aan- en verkoopkosten berekende over een gedeelte van de premie dat niet bestemd was voor vermogensopbouw (maar om kosten te voldoen) zonder dat zulks in het belang was van de afnemers;

XXVII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan de op haar rustende bijzondere zorgplicht jegens haar particuliere wederpartijen heeft geschonden en/of dat zij naar maatstaven van burgerlijk (contracten)recht tekort is geschoten jegens haar particuliere wederpartijen door niet, althans onvoldoende te informeren en voor te lichten over en te waarschuwen voor de in deze dagvaarding genoemde bijzondere kosten en risico’s en eigenschappen van het Vermogensplan;

XXVIII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan onrechtmatig jegens de particuliere afnemers heeft gehandeld en/of dat Aegon Spaarkas toerekenbaar tekort is geschoten jegens deze particuliere afnemers;

XXIX. voor recht te verklaren dat artikel 1 AVvan het Vermogensplan tot en met 1998, voor zover dit artikel ziet op de definitie van de verzekeringspremie, een oneerlijk beding is in de zin van Richtlijn 93/13;

XXX. artikel 1 AV van het Vermogensplan tot en met 1998, voor zover dit artikel ziet op de definitie van de verzekeringspremie, te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of te verklaren dat dit beding geen gelding heeft tussen Aegon Spaarkas en de afnemers van het Vermogensplan;

XXXI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden/verkopen van het product

Vermogensplan toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door kosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was;

a) voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas, ten aanzien van de voor 1januari 2000

aangeboden/verkochte producten Vermogensplan, toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door aan- en verkoopkosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was;

b) voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden/verkopen van het product Vermogensplan, toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door fondsbeheerskosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag bestond;

XXXII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten

opzichte van de afnemers van een Vermogensplan, door aan- en verkoopkosten en/of fondsbeheerskosten in te houden zonder contractuele grondslag;

XXXIII. voor recht te verklaren dat de door Aegon Spaarkas ingehouden aan- en verkoopkosten en/of fondsbeheerskosten, waarvoor geen contractuele grondslag aanwezig was, onverschuldigd zijn betaald door de afnemers van het Vermogensplan;

XXXIV. Voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas op de einddatum of beëindigingsdatum van de Polissen Vermogensplan de opgebouwde waarde dient uit te keren, welke opgebouwde waarde vermeerderd dient te worden met de aan- en verkoopkosten en/of fondsbeheerskosten die ten onrechte zijn ingehouden (geen contractuele grondslag) en vermeerderd met het misgelopen rendement over deze ingehouden kosten;

XXXV. voor recht te verklaren dat tussen Aegon Spaarkas en de afnemers van een Vermogensplan geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte van:

- de te betalen premie voor de overlijdensrisicoverzekering (tot 1999)

- en/of - kosten voortvloeiende uit de belegging der gelden en/of - afkoopkosten en/of

XXXVI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden/verkopen van het product

Vermogensplan aan haar particuliere wederpartijen onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de (hoogte van de) kosten die aan de beleggingsverzekeringen zijn verbonden en de invloed van deze kosten op het te behalen eindresultaat;

a) voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas tot 1 januari 1999 bij het aanbieden/verkopen van het product Vermogensplan aan haar particuliere wederpartijen onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de overlijdensrisicoverzekeringspremie, zodat de hoogte van de overlijdensrisicopremie niet is overeengekomen met de afnemers;

b) voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden/verkopen van het product Vermogensplan aan haar particuliere wederpartijen onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de beleggingskosten en/of de afkoopkosten, zodat de hoogte van deze kosten niet is overeengekomen met de afnemers;

XXXVII. voor zover uw rechtbank meent dat voor de aan- en verkoopkosten voor 1 januari 2000 en de fondsbeheerskosten een contractuele grondslag aanwezig was, voor recht te verklaren dat de bedingen:

a. artikel 7 lid 2 AV (tot en met 1995) en/of

b. artikel 4 AV (vanaf 1996) van het Vermogensplan, op grond van Richtlijn 93/13 oneerlijke bedingen zijn;

XXXVIII. voor zover uw rechtbank meent dat voor de aan- en verkoopkosten voor 1 januari 2000 en de fondsbeheerskosten een contractuele grondslag aanwezig was de bedingen;

a. artikel 7 lid 2 AV (tot en met 1995) en/of

b. artikel 4 AV (vanaf 1996) van het Vermogensplan, te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of niet bindend tussen Aegon Spaarkas en de afnemers te verklaren;

XXXIX. voor zover uw rechtbank meent dat voor de aan- en verkoopkosten voor 1 januari 2000 en/of voor de fondsbeheerskosten een contractuele grondslag aanwezig was, voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden/verkopen van het product Vermogensplan onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over deze kosten, zodat de hoogte van deze kosten niet is overeengekomen met de afnemers;

KoersPlan

XL. voor recht te verklaren dat op Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product KoersPlan jegens haar particuliere wederpartijen de verplichting rustte om te wijze waarop de kosten in rekening worden gebracht de mogelijkheid bestond dat het voorgespiegelde kapitaal niet uitgekeerd zou kunnen worden, alsmede dat Aegon Spaarkas deze verplichting niet is nagekomen;

XLI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product KoersPlan onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar particuliere wederpartijen door een gebrekkig product aan hen te verkopen;

XLII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product KoersPlan onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar particuliere wederpartijen door hen niet te waarschuwen voor en/of voor te lichten over het crashrisico en/of door hen gedurende de looptijd van dit product, op het moment dat de negatieve effecten van het genoemde crashrisico zich voordeden, niet in te lichten over deze negatieve gevolgen en/of geen maatregelen te treffen teneinde de negatieve gevolgen op te heffen en/of te beperken;

XLIII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product KoersPlan met haar voorbeeldberekeningen een onjuist en te rooskleurig beeld heeft geschetst voor de gemiddelde consument, nu Aegon Spaarkas heeft nagelaten een nadere toelichting te geven omtrent de door haar gebruikte rekenmethodiek (meetkundige berekening) bij de door haar gebruikte prognoses;

XLIV. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product KoersPlan gehouden was haar particuliere wederpartij te waarschuwen dat een hoger gemiddeld jaarlijkse koersstijging vereist was dan het gebruikte rendementspercentage om het geprognosticeerde eindkapitaal te behalen;

XLV. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product KoersPlan, daar waar zij in de voorbeeldberekeningen heeft gerekend met een gelijkblijvend jaarlijks rendement op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of met een gelijkblijvend jaarlijks rendement dat geen (exacte) relatie heeft met het onderliggende fonds, tekort is geschoten in de op haar rustende informatieplicht, nu deze informatie een onjuist en te rooskleurig beeld geeft van het te verwachten eindkapitaal en/of voor recht te verklaren dat de door Aegon Spaarkas op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of een rendement dat geen relatie heeft met het onderliggende fonds berekende voorbeeldkapitalen in de door haar gebruikte brochures kwalificeren als een misleidende mededeling in de zin van artikel 6:194 BW;

XLVI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas onjuiste, misleidende en/of te rooskleurige

eindkapitalen voorspiegelde op het spaarcertificaat van het product KoersPlan;

XLVII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas ten aanzien van het product KoersPlan zich schuldig heeft gemaakt aan churning, door de bruto premie eerst geheel te beleggen en vervolgens weer verkopen te verrichten teneinde de kosten te betalen, waardoor feitelijk extra transactiekosten (aan- en verkoopkosten) werden gegenereerd, zonder dat zulks in het belang van de afnemers was; en/of voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas zich schuldig heeft gemaakt aan churning, nu zij aan- en verkoopkosten berekende over

een gedeelte van de premie dat niet bestemd was voor vermogensopbouw (maar om kosten te voldoen) zonder dat zulks in het belang was van de afnemers;

XLVIII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product KoersPlan de op haar rustende bijzondere zorgplicht jegens haar particuliere wederpartijen heeft geschonden en/of dat zij naar maatstaven van burgerlijk (contracten)recht tekort is geschoten jegens haar particuliere wederpartijen door niet, althans onvoldoende te informeren en voor te lichten over en te waarschuwen voor de in deze dagvaarding genoemde bijzondere kosten en risico’s en eigenschappen van het KoersPlan.

XLIX. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product KoersPlan onrechtmatig jegens de particuliere afnemers heeft gehandeld en/of dat Aegon Spaarkas toerekenbaar tekort is geschoten jegens deze particuliere afnemers;

L. voor recht te verklaren dat artikel 1 AV van het KoersPlan tot en met 1998, voor zover dit artikel ziet op de definitie van de verzekeringspremie, een oneerlijk beding is in de zin van Richtlijn 93/13;

LI. artikel 1 AV van het KoersPlan tot en met 1998, voor zover dit artikel ziet op de definitie van de verzekeringspremie, te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of te verklaren dat dit beding geen gelding heeft tussen Aegon Spaarkas en de afnemers van het KoersPlan;

LII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden/verkopen van het product

KoersPlantoerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door kosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was.
a) voor recht te verklaren dat AegonSpaarkas, ten aanzien van de voor 1januari 2000 aangeboden/verkochte producten KoersPlan, toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door aan- en verkoopkosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was.

b) voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkasten aanzien van de voor 1juli 2002 aangeboden/verkochte producten KoersPlan bij het aanbieden/verkopen van het product KoersPlantoerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door fondsbeheerskosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag bestond;

LIII. Voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten opzichte van de afnemers van een KoersPlan, door aan- en verkoopkosten en/of fondsbeheerskosten in te houden zonder contractuele grondslag;

LIV. Voor recht te verklaren dat de door Aegon Spaarkas ingehouden aan- en verkoopkosten en/of fondsbeheerskosten, waarvoor geen contractuele grondslag aanwezig was, onverschuldigd zijn betaald door de afnemers van het KoersPlan;

LV. Voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas op de einddatum of beëindigingsdatum van de Polissen KoersPlan de opgebouwde waarde dient uit te keren, welke opgebouwde waarde vermeerderd dient te worden met de aan- en verkoopkosten en/of fondsbeheerskosten die ten onrechte zijn ingehouden (geen contractuele grondslag) en vermeerderd met het misgelopen rendement over deze ingehouden kosten;

LVI. Voor recht te verklaren dat tussen Aegon Spaarkas en de afnemers van een KoersPlan geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte van:

- de te betalen premie voor de overlijdensrisicoverzekering (tot 1999) en/of

- kosten voortvloeiende uit de belegging der gelden en/of – afkoopkosten;

LVII. Voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden/verkopen van het product KoersPlan aan haar particuliere wederpartijen onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de (hoogte van de) kosten die aan de beleggingsverzekeringen zijn verbonden en de invloed van deze kosten op het te behalen eindresultaat;
a) voor recht te verklaren dat Aegonspaarkas tot 1januari 1999 bij het aanbieden/verkopen van het product KoersPlan aan haar particuliere wederpartijen onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de overlijdensrisicoverzekeringspremie, zodat de hoogte van de overlijdens risico premie niet is overeengekomen met de afnemers;

b) voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden/verkopen van het product KoersPlan aan haar particuliere wederpartijen onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de beleggingskosten en/of de afkoopkosten, zodat de hoogte van deze kosten niet is overeengekomen met de afnemers;

LVIII. voor zover uw rechtbank meent dat voor de aan- en verkoopkosten voor 1januari 2000 en voor de fondsbeheerskosten voor 1 juli 2002 een contractuele grondslag aanwezig was, voor recht te verklaren dat de bedingen:

a. artikel 7 lid 2 AV (tot en met 1995) en/of

b. artikel 4 AV (vanaf 1996) van het KoersPlan,

op grond van Richtlijn 93/13 oneerlijke bedingen zijn;

LIX. voor zover uw rechtbank meent dat voor de aan- en verkoopkosten voor 1 januari 2000 en voor de fondsbeheerskosten voor 1juli 2002 een contractuele grondslag aanwezig was de bedingen:
a. artikel 7 lid 2 AV (tot en met 1995) en/of

b. artikel 4 AV (vanaf 1996) van het KoersPlan,

te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of niet bindend tussen Aegon Spaarkas en de afnemers te verklaren.

LX. voor zover uw rechtbank meent dat voor de aan- en verkoopkosten voor 1 januari 2000 en/of voor de fondsbeheerskosten voor 1juli 2002 een contractuele grondslag aanwezig was, voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden/verkopen van het product KoersPlan onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over deze kosten, zodat de hoogte van deze kosten niet is overeengekomen met de afnemers;

voor het FundPlan, Vermogensplan en KoersPlan


LXI. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas, voor zover mogelijk hoofdelijk, gehouden zijn de door de Vereniging gemaakte kosten tot vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid te vergoeden, welke kosten nader zijn op te maken bij staat;

LXII. Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas te veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede tot betaling van nakosten van € 131,- zonder betekening of € 199,- indien sprake is van betekening, te voldoen binnen tien dagen na de dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis en zou zij die proceskosten niet binnen die termijn voldoen — te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten gerekend vanaf de laatste dag van de voldoeningstermijn.

ten aanzien van [eiser 2] (Eiser 2)

In aanvulling op hetgeen [eiser 2] (Eiser 2) bij dagvaarding heeft gevorderd in de nummers

LXXVIII t/m XCVII heeft gevorderd (welke vorderingen [eiser 2] uitdrukkelijk handhaaft):

LXIII. voor zover uw rechtbank meent dat voor de overlijdensrisicopremie, de kosten voor de verzekeringsmaatschappij en de kosten voor de bemiddelings- of verzekeringsadviseur een contractuele grondslag aanwezig was, voor recht te verklaren dat de bedingen:

a. artikel 2 clausuleblad 5570 en/of

b. artikel 6.3 van de algemene voorwaarden nr. 26 en/of

c. artikel 7algemene voorwaarden nr. 26 van het FundPlan op grond van Richtlijn 93/13 oneerlijke bedingen zijn;

LXIV. voor zover uw rechtbank meent dat voor de overlijdensrisicopremie, de kosten voor de

verzekeringsmaatschappij en de kosten voor de bemiddelings- of verzekeringsadviseur een contractuele grondslag aanwezig was, de bedingen:

a. artikel 2 clausuleblad 5570 en/of;

b. artikel 6.3 van de algemene voorwaarden nr. 26 en/of;

c. artikel 7 algemene voorwaarden nr. 26
van het FundPlan, te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of te verklaren dat de bedingen geen gelding hebben tussen Aegon en [eiser 2] .

Ten aanzien van [eiser 3] (Eiser 3)

In aanvulling op hetgeen [eiser 3] (Eiser 3) bij dagvaarding heeft gevorderd in de

nummers XCVIII t/m CXVIII heeft gevorderd (welke vorderingen [eiser 3] uitdrukkelijk

handhaaft):

LXV. voor recht te verklaren dat artikel 1 AV 95.01 van het Vermogensplan, voor zover dit artikel ziet op de definitie van de verzekeringspremie, een oneerlijk beding is in de zin van Richtlijn 93/13;

LXVI. artikel 1 AV95.01 van het Vermogensplan, voor zover dit artikel ziet op de definitie van de verzekeringspremie, te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of te verklaren dat dit beding geen gelding heeft tussen Aegon en [eiser 3] .

LXVII. voor zover uw rechtbank meent dat voor de aan- en verkoopkosten en de fondsbeheerskosten een contractuele grondslag aanwezig was, voor recht te verklaren dat artikel 7 lid 2 AV 95.0l van het Vermogensplan, op grond van Richtlijn 93/13 een oneerlijke beding is;

LXVIII. voor zover uw rechtbank meent dat voor de aan- en verkoopkosten en de

fondsbeheerskosten een contractuele grondslag aanwezig was artikel 7 lid 2 AV 95.0l van het Vermogensplan, te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of te verklaren dat dit beding geen gelding heeft tussen Aegon en [eiser 3] .


ten aanzien van [eiser 4] (Eiser 4)

In aanvulling op hetgeen [eiser 4] (Eiser 4) bij dagvaarding heeft gevorderd in de nummers CXIX

t/m CXXXIX heeft gevorderd (welke vorderingen [eiser 3] uitdrukkelijk handhaaft):

LXIX. voor recht te verklaren dat artikel 1 AV 93.01 van het KoersPlan, voor zover dit artikel ziet op de definitie van de verzekeringspremie, een oneerlijk beding is in de zin van Richtlijn 93/13;

LXX. artikel 1 AV93.01 van het KoersPlan, voor zover dit artikel ziet op de definitie van de

verzekeringspremie, te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of te verklaren dat dit beding geen gelding heeft tussen Aegon en [eiser 4] .

LXXI. voor zover uw rechtbank meent dat voor de aan- en verkoopkosten en voor de

fondsbeheerskosten een contractuele grondslag aanwezig was, voor recht te verklaren

dat artikel 7 lid 2 AV 93.0l van het KoersPlan, op grond van Richtlijn 93/13 een oneerlijk beding is;

LXXII. voor zover uw rechtbank meent dat voor de aan- en verkoopkosten en voor de

Fondsbeheerskosten een contractuele grondslag aanwezig was artikel 7 lid 2 AV van het

KoersPlan, te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of te

verklaren dat dit beding geen gelding heeft tussen Aegon en [eiser 4] .