Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7025

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-06-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
NL17.1933
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, artikel 9 Dublinverordening, als echtgenoot in BRP ingeschreven.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.1933


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. A.I. Engelsman),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. G.M.L. van Doornum).

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat.

Per brief van 15 mei 2017 heeft verweerder de door de rechtbank verzochte informatie verschaft, waarop eiser bij brief van 22 mei 2017 heeft gereageerd.

Met toestemming van partijen is afgezien van een nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek op 14 juni 2017 gesloten.


Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1990 en bezit de Eritrese nationaliteit. Hij heeft op 9 december 2016 een asielverzoek ingediend. Verweerder heeft het asielverzoek van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, omdat Italië verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling van de aanvraag.

2. Verweerder heeft op 18 januari 2017 de Italiaanse autoriteiten verzocht eiser over te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van Verordening (EU) 604/2013 (de Dublinverordening). De Italiaanse autoriteiten hebben hierop niet tijdig gereageerd. Op grond van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening staat dit gelijk met het aanvaarden van het overnameverzoek.

3. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 9, gelezen in samenhang met artikel 17, van de Dublinverordening. Verweerder heeft hem ten onrechte niet als echtgenoot van [persoon] aangemerkt, die in Nederland een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft. Eiser heeft te goeder trouw gehandeld en ging ervan uit dat de door een priester verstrekte huwelijksakte een origineel document is. Dat de huwelijksakte vals is bevonden, maakt niet dat [persoon] niet als zijn echtgenote moet worden aangemerkt, dan wel dat zij geen duurzame relatie hebben. Ook staat eiser in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) als de echtgenoot van [persoon] geregistreerd. Dat deze vermelding op eed is ingeschreven doet daar niet aan af. Ook hebben eiser en [persoon] de in artikel 9 van de Dublinverordening bedoelde verklaring afgelegd dat zij de wens hebben bij elkaar te blijven, aldus eiser.

Eiser betoogt voorts dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser het ongeboren kind niet heeft erkend. Daarbij komt dat eiser tevens de biologische vader van het kind is, aldus eiser.

4. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder g, van de Dublinverordening wordt voor de toepassing van deze verordening onder gezinsleden, voor zover het gezin reeds in het land van herkomst bestond, de volgende leden van het gezin van de verzoeker die op het grondgebied van de lidstaten aanwezig is, onder meer verstaan: de echtgenoot van de verzoeker of de niet-gehuwde partner met wie een duurzame relatie wordt onderhouden, indien in het recht of de praktijk van de betrokken lidstaat niet-gehuwde paren en gehuwde paren op een vergelijkbare manier worden behandeld in het kader van diens recht met betrekking tot onderdanen van een derde land.

Ingevolge artikel 9 van de Dublinverordening is, wanneer een gezinslid van de verzoeker, ongeacht of het gezin reeds in het land van oorsprong was gevormd, als persoon die internationale bescherming geniet is toegelaten voor verblijf in een lidstaat, deze lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, mits de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dat wensen.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan elke lidstaat, in afwijking van artikel 3, lid 1, besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Verweerder betwist dat eiser en zijn partner gehuwd zijn, omdat de huwelijksakte vals is bevonden. Voorts heeft verweerder erop gewezen dat eiser het ongeboren kind niet heeft erkend. Ter zitting is besproken dat eiser en zijn partner in de BRP als gehuwd staan geregistreerd en dat eiser daardoor het kind niet kan erkennen. Hieraan ligt ten grondslag dat, nu het kind volgens de BRP binnen het huwelijk zal worden geboren, eiser van rechtswege de juridische vader van het kind is. De zitting is vervolgens geschorst om de gemachtigde van verweerder de gelegenheid te bieden na te gaan waarom niet wordt uitgegaan van de gegevens zoals die zijn opgenomen in de BRP.

5.2

Bij schrijven van 15 mei 2017 heeft verweerder te kennen gegeven dat eiser niet zelfstandig in de BRP staat ingeschreven, maar alleen als echtgenoot van zijn partner. Verweerder geeft te kennen dat de gemeente hem alleen op basis van de verklaringen van de partner als diens echtgenoot in de BRP heeft opgenomen en dat zij zelf onderzoek zullen doen naar de huwelijksakte. Indien deze door de gemeente vals wordt bevonden, zal dit gevolgen hebben voor de registratie van eiser in de BRP, aldus verweerder.

5.3

De rechtbank overweegt dat de registratie in de BRP in beginsel leidend is. Dit wordt door verweerder ook erkend. De door verweerder vals bevonden huwelijksakte is voor de gemeente waar eisers partner staat ingeschreven vooralsnog geen aanleiding geweest om de inschrijving van eiser als echtgenoot van [persoon] ongedaan te maken. Nu de onderhavige procedure alleen gaat over de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, ziet de rechtbank evenmin aanleiding om niet van de in de BRP geregistreerde gegevens uit te gaan. Verweerder heeft gelet daarop ten onrechte eiser niet als echtgenoot aangemerkt. Nu [persoon] in Nederland internationale bescherming geniet, heeft verweerder zich eveneens ten onrechte op het standpunt gesteld dat artikel 9 van de Dublinverordening niet van toepassing is.

5.4

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op grond van artikel 9 van de Dublinverordening Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielverzoek.

6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Voorts zal de rechtbank bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Hetgeen eiser verder heeft aangevoerd ten aanzien van zijn duurzame relatie en het interstatelijk vertrouwensbeginsel behoeft derhalve geen bespreking.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.