Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6991

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-06-2017
Datum publicatie
27-06-2017
Zaaknummer
09/817450-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

sanctiestelsel voor jeugdigen toegepast bij een 18-jarige verdachte

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een beroving en een afpersing.

Hij heeft een mes getoond en het 16-jarige slachtofer bedreigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer (jeugd)strafzaken

Parketnummer 09/817450-17

Datum uitspraak: 26 juni 2017

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in (jeugd)strafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 12 juni 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G. Sannes en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. H. Weisfelt, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 8 januari 2017 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer goed(eren), te weten geld en/of een Iphone 7 en/of bankpas(sen) en/of kentekenbewijs en/of sleutel(s), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld die [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer voornoemde goed(eren), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- tonen van een mes en/of

- ( daarbij) zeggen van de woorden: "geef je geld" en/of

- ( vervolgens) zeggen van de woorden: "als ik een politieauto zie, dan maak ik je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking".

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

[slachtoffer 1] is op 8 januari 2017 ’s middags rond half vijf onder bedreiging van een mes beroofd van zijn scooter, telefoon en geld en enkele andere goederen. Daarbij werden bedreigende bewoordingen geuit.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte zich op 8 januari 2017 te Rijswijk samen met iemand anders schuldig heeft gemaakt aan de beroving en afpersing van [slachtoffer 1] .

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte beide varianten van het ten laste gelegde feit heeft begaan.

De officier van justitie baseert zich ter onderbouwing van zijn standpunt op de aangifte,

de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] , het proces-verbaal van bevindingen betreffende de whatsapp-gesprekken tussen [medeverdachte 1] en ene Mo Zwijgrecht, het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat het mobiele telefoonnummer van Mo Zwijgrecht aan de verdachte toebehoort en op de verklaring van de moeder van medeverdachte [medeverdachte 1] , [naam] .

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte ten stelligste ontkent iets met de beroving en afpersing van [slachtoffer 1] te maken te hebben gehad. De verdachte is ook, aldus de raadsman, niet de enige lange en brede Marokkaanse jongen. Een foslo-confrontatie tussen [slachtoffer 1] en twaalf lange en brede Marokkaanse jongens, waaronder de verdachte, heeft niet plaatsgevonden. Ook is er geen nader onderzoek gedaan naar de verklaring van de moeder van medeverdachte [medeverdachte 1] .

De verdachte appt, aldus de raadsman, op 8 januari 2017 om 15.09 uur “Aii half ben ik bij dir Moskee” en om 15.23 uur “ Ik kom deraan ik ga nu de deur uit“. Ongeveer 10 minuten later is de verdachte bij de Moskee aangekomen. Vervolgens zou omstreeks 16.00 uur de beroving van [slachtoffer 1] in Rijswijk hebben plaatsgevonden. Het was voor de verdachte onmogelijk om in zo’n korte tijdspanne in Rijswijk te zijn, tenzij hij vervoer zou hebben gehad. Dit is niet duidelijk geworden. De vader van [medeverdachte 1] is niet gehoord over de vraag of hij, zoals [medeverdachte 1] heeft verklaard, op die dag zijn zoon en de verdachte naar Rijswijk heeft gebracht. De verklaring van [medeverdachte 1] kan voorts niet als betrouwbaar worden aangemerkt nu hij in strijd met de waarheid verklaart.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. 1

Uit de aangifte blijkt het navolgende. [slachtoffer 1] , de aangever (verder: [slachtoffer 1] ), heeft met [medeverdachte 1] (verder: [medeverdachte 1] ) afgesproken bij de Schouwburg te Rijswijk op

8 januari 2017 omstreeks 16.00 uur. [slachtoffer 1] rijdt na 25 minuten gewacht te hebben op verzoek van [medeverdachte 1] naar de kinderboerderij. . [medeverdachte 1] komt aanlopen en op ongeveer 20 meter afstand achter hem loopt een lange, brede Marokkaanse jongen. De Marokkaanse jongen doet alsof hij boos is op [medeverdachte 1] , pakt - nadat [slachtoffer 1] zijn scooter heeft uitgezet - de sleutels uit het contactslot en stopt de sleutelbos van [slachtoffer 1] in zijn tas. Vervolgens pakt de Marokkaanse jongen een zwart mes van ongeveer 20 centimeter uit zijn tas en wijst daarmee op de borst van [slachtoffer 1] .

De Marokkaanse jongen zegt “geef je geld” en [slachtoffer 1] geeft ongeveer 70 euro uit zijn borstzak. Dan fouilleert de Marokkaanse jongen [slachtoffer 1] en pakt uit de linkerjaszak van [slachtoffer 1] zijn bankpas, die van de vriendin van [slachtoffer 1] [slachtoffer 2] , alsook het kentekenbewijs van zijn scooter, zijn rijbewijs, identiteitskaart en zorgpas. [slachtoffer 1] moet zijn pincode geven en verzint deze, waarna de Marokkaanse jongen zegt “ als ik een politieauto zie, maak ik je dood en ik weet dat je in Monster woont want ik observeer je al heel lang”. De Marokkaanse jongen doet de buddyseat open en legt daar de weggenomen spullen in. Hij dwingt [slachtoffer 1] zijn mobiele telefoon daar ook in te leggen. Ook [medeverdachte 1] legt zijn telefoon in de buddyseat. [slachtoffer 1] loopt weg en belt 112 met een telefoon van een voorbijganger. Vlak daarvoor hoort hij [medeverdachte 1] zeggen “mag ik wat in je oor fluisteren” en ziet hij dat de Marokkaanse jongen de telefoon aan [medeverdachte 1] teruggeeft. Hij hoort de Marokkaanse jongen zeggen tegen [medeverdachte 1] : “ik zet de scooter met jullie spullen erin voor je huis met de sleutel erin”.

Het signalement van de Marokkaanse jongen is als volgt: getinte huidskleur, 17 à 18 jaar oud, breed postuur, ongeveer 1.80 meter lang, kort opgeschoren zwart haar met aan de voorzijde een pony en hij sprak Nederlands met een Turks-Marokkaans accent. Hij droeg een zwarte jas van het merk Canada Goose met bontkraag, een blauwe spijkerbroek en zwarte schoenen.2

[medeverdachte 1] is in eerste instantie door de politie als getuige gehoord, maar uit de inhoud van de whatsapp-gesprekken in zijn mobiele telefoon3, blijkt al snel dat hij als medeverdachte moet worden aangemerkt. [medeverdachte 1] blijkt op de dag van de beroving vanaf ongeveer 15.00 uur via de Whatsapp contact te hebben gehad met ene [naam] . In dat gesprek zegt [medeverdachte 1] onder meer: Doe snel broer 15.50 uur moete we daar zkjn en mij pa gaat ons brengen. [naam] appt terug om 15.09: half ben ik bij dir moskee. Om 15.23 appt hij: Ik kom deraan ik ga nu deur uit. Uit nader onderzoek blijkt later dat [medeverdachte 1] en [naam] ook de dag daarvoor via Whatsapp contact hebben gehad, waarin [medeverdachte 1] onder meer aan [naam] vraagt of hij niet een klusje kan regelen, zoals saaf maken of iemand rippen.

Nader onderzoek door de politie naar het bij dit contact behorende telefoonnummer leert dat dit het mobiele telefoonnummer van de verdachte is.4

[medeverdachte 1] verklaart bij de politie, als hij als verdachte wordt gehoord, dat het contact in zijn telefoon dat als [naam] wordt aangeduid, de verdachte is.5

[medeverdachte 1] verklaart voorts dat de verdachte hem heeft gedwongen om met [slachtoffer 1] af te spreken, zodat hij [slachtoffer 1] kon beroven.6

De moeder van [medeverdachte 1] verklaart bij de politie dat zij aan de hand van de beschrijving die van de lange en brede Marokkaanse jongen is gegeven, dacht dat dit de verdachte, die zij kent uit haar oude woonomgeving, zou kunnen zijn. Zij verklaart dat zij de verdachte heeft gebeld met de mededeling dat hij alle gestolen goederen en de scooter de volgende dag moest terugbrengen en dat dit ook is gebeurd, op een bedrag van 60 euro na.7

De verdachte ontkent bij de politie, bij de rechter-commissaris en ook ter terechtzitting bij de hem ten laste gelegde beroving en afpersing betrokken te zijn geweest. De verdachte ontkent ter terechtzitting niet dat het telefoonnummer dat aan het contact [naam] kan worden verbonden, zijn mobiele nummer is.8

De rechtbank is, gelet op voornoemde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien van oordeel dat het de verdachte is die zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de beroving en afpersing van [slachtoffer 1] . De verdachte voldoet aan het signalement dat [slachtoffer 1] heeft gegeven. Verder is komen vast te staan dat de verdachte in de telefoon van [medeverdachte 1] [naam] wordt genoemd, dat hij geen geloofwaardige verklaring voor de tussen hem en [medeverdachte 1] gevoerde whatsapp-gesprekken heeft gegeven en niet kan verklaren wat hij op 8 januari 2017 op het bewuste tijdstip dan wel heeft gedaan. Bovendien verklaart de moeder van [medeverdachte 1] dat zij de verdachte heeft gebeld en hem heeft gezegd de spullen terug te geven, waarna deze zijn geretourneerd.

Dat er sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking blijkt niet alleen uit de whatsapp-gesprekken tussen de verdachte en [medeverdachte 1] op de dag voor en de dag van de beroving, maar ook uit de flarden van een gesprek dat [slachtoffer 1] opvangt die duiden op afspraken en samenwerking tussen [medeverdachte 1] en de lange, brede Marokkaan, die vlak achter [medeverdachte 1] aan liep, toen [medeverdachte 1] naar [slachtoffer 1] toeliep.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de beroving en afpersing van [slachtoffer 1] .

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

hij op 8 januari 2017 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen goederen, te weten bankpassen en een kentekenbewijs en sleutels, toebehorende aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ,

welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en

met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld die [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van geld en een Iphone 7,

welke bedreiging met geweld bestond uit het

- tonen van een mes en

- vervolgens zeggen van de woorden: "als ik een politieauto zie, dan maak ik je dood".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf/maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte, met toepassing van het sanctierecht voor jeugdigen, wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 101 dagen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals die door het Legers des Heils, Jeugdbescherming & Reclassering zijn geadviseerd, met dien verstande dat de periode dat de avondklok moet gelden tot een periode van drie maanden zal worden beperkt, en tot een werkstraf voor de tijd van 120 uren subsidiair 60 dagen jeugddetentie.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis pas bij einduitspraak zal worden opgeheven.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, indien de rechtbank tot bewezenverklaring komt, allereerst bepleit dat het sanctierecht voor jeugdigen wordt toegepast en voorts heeft de raadsman aangegeven zich in de eis van de officier van justitie te kunnen vinden. Hij heeft wel verzocht de tijden van de avondklok aan te passen. Dat de verdachte om 18.00 uur ’s avond thuis moet zijn beperkt hem, aldus de raadsman, heel erg in zijn vrijheid. Tevens heeft de raadsman verzocht het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op korte termijn op te heffen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een beroving en afpersing van een zestienjarige jongen. De verdachte heeft aan het slachtoffer een mes getoond en hem bedreigd met de dood.

Dergelijke gewelddadige feiten zijn zeer bedreigend voor het slachtoffer. Naast de geleden materiële schade kan het slachtoffer zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig voelen. Bovendien nemen als gevolg van dergelijke geweldsdelicten de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen toe.

De persoon van de verdachte

Bij de bepaling van de strafmaat weegt de rechtbank mee dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 mei 2017, in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten. Deze eerdere, deels voorwaardelijke, veroordeling heeft de verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan.

De rechtbank heeft acht geslagen op een drietal voorlichtingsrapporten van het Legers des Heils Jeugdbescherming & Reclassering.

Blijkens deze rapporten functioneert de verdachte op licht verstandelijk beperkt niveau en is hij moeilijk leerbaar. Het recidiverisico in algemene zin is hoog en het dynamisch risico profiel is midden/hoog. De ontwikkelingsachterstand van de verdachte en de hieraan gerelateerde beïnvloedbaarheid zijn risicofactoren. Vrijwillige hulpverlening via [naam] is ingezet en zal de verdachte hierbij ondersteunen. De oplossing wordt gezocht in structurering en blijvende zorg. Een passende dagbesteding voorkomt dat de verdachte zich op straat gaat vervelen en tot impulsieve daden komt.

Indien de verdachte schuldig wordt bevonden, wordt geadviseerd om het jeugdstrafrecht toe te passen en een deels voorwaardelijke (vrijheids)straf op te leggen, met als bijzondere

voorwaarden de begeleiding door de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, inclusief de meldplicht, een contactverbod met de mededader, een avondklok, verplichte begeleiding door [naam] of een soortgelijke instelling en het behouden van een dagbesteding in de vorm van opleiding en/of werk.

Ter terechtzitting is van de zijde van de jeugdreclassering meegedeeld dat de verdachte

het goed doet bij het project ‘Leren Doen’ en enthousiast en gemotiveerd is. Ook heeft de verdachte zich goed aan de voorwaarden, waaronder de avondklok, gehouden. Aangegeven is voorts dat de avondklok op elk moment, in overleg met de jeugdreclassering, kan worden aangepast indien een bijbaantje of sporten dit noodzakelijk maakt. Een matiging van de duur van de avondklok tot drie maanden lijkt thans aangewezen.

Toepasselijk recht

De vraag die de rechtbank eerst dient te beantwoorden is welk sanctiestelsel aan de orde is.

De verdachte was immers ten tijde van het plegen van de feiten 18 jaar oud, zodat in beginsel het strafrecht voor meerderjarigen aan de orde is.

Artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht voorziet echter in de mogelijkheid om jongvolwassenen (van 18 tot 23 jaar) te berechten volgens het sanctiestelsel voor jeugdigen, mits de rechtbank grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan.

De rechtbank heeft acht geslagen op de hiervoor besproken voorlichtingsrapporten van het Legers des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, waarin toepassing van het jeugdsanctierecht wordt geadviseerd. De rechtbank onderschrijft dit advies.

In de persoon van de verdachte ten tijde van het delict, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en uit hetgeen over de verdachte naar voren is gekomen, ziet de rechtbank aanleiding om hem te berechten met toepassing van het jeugdstrafrecht. De verdachte was immers ten tijde van het feit net 18 jaar oud, heeft een verstandelijke beperking en beschikt daardoor over minder vaardigheden ten aanzien van zelfstandigheid en verantwoordelijkheid. Hij woont nog thuis en krijgt daar hulp van [naam] . Bovendien is hij niet eerder in een verplicht kader begeleid.

De op te leggen straf

De rechtbank komt, alles afwegend, tot de volgende strafmodaliteit en strafmaat. Zij houdt daarbij rekening met de oriëntatiepunten die gelden voor jeugdigen in soortgelijke gevallen en het advies van reclassering.

Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de tijd die de verdachte tot aan de dag van de uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht een passende reactie vormt.

Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijke straf van na te melden duur noodzakelijk, om recidive te voorkomen en in het bijzonder om de begeleiding en behandeling van de verdachte zeker te stellen. Daaraan verbindt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met dien verstande dat de rechtbank de avondklok zal aanpassen, in die zin dat deze van 20.00 uur tot 06.00 uur zal gelden en voor een periode van drie maanden. Ook ziet de rechtbank aanleiding de verdachte een contactverbod met het slachtoffer en de medeverdachte op te leggen.

Naast de (deels voorwaardelijke) jeugddetentie zal de rechtbank de verdachte tevens een werkstraf opleggen. Gelet echter op de intensieve en ook vrijheidsbeperkende voorwaarden waaraan de verdachte zich dient te houden, zal de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde werkstraf matigen.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op een eerder moment dan bij einduitspraak te bevelen.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

77c, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij dagvaarding onder

eerste en tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

eerste alternatief/cumulatief

DIEFSTAL, VERGEZELD EN GEVOLGD VAN BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL GEMAKKELIJK TE MAKEN, EN OM, BIJ BETRAPPING OP HETERDAAD AAN ZICHZELF OF ANDERE DEELNEMERS AAN HET MISDRIJF HETZIJ DE VLUCHT MOGELIJK TE MAKEN, HETZIJ HET BEZIT VAN HET GESTOLENE TE VERZEKEREN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN;

tweede alternatief/cumulatief

AFPERSING, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

jeugddetentie voor de duur van 101 DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 60 DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

meldplicht

- zich gedurende de proeftijd en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

contactverbod

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen,

zoeken of hebben met [slachtoffer 1] en [medeverdachte 1] , zolang de jeugdreclassering

dit noodzakelijk acht;

locatiegebod

- gedurende de eerste drie maanden van de proeftijd tussen 20.00 uur en 06.00 uur aanwezig zal zijn op zijn woonadres: [adres] , zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht; waarbij met uitdrukkelijke toestemming van de jeugdreclassering de tijden kunnen worden aangepast;

dagbesteding

- gedurende de proeftijd het project ‘Leren Doen’ als dagbesteding zal hebben en

behouden danwel een andere passende dagbesteding zal hebben en behouden in de vorm

van opleiding en/of werk;

andere voorwaarde het gedrag betreffende

- zich gedurende de proeftijd zal laten begeleiden door [naam] of een soortgelijke

instelling, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 40 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 20 DAGEN;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.F. Baaij, kinderrechter, voorzitter,

mr. J.E.M.G. van Wezel, kinderrechter,

en mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 juni 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van Politie Eenheid Den Haag, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer Pl1500-2017007876, doorgenummerd als p. 1 tot en met 159

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , met bijlage, p. 41/45

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 60/63, en proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, p. 65/75

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 64

5 Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte 2] , p. 88

6 Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte 2] , p. 94

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam] , p. 51/53

8 Verklaring verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 12 juni 2017