Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6988

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-06-2017
Datum publicatie
27-06-2017
Zaaknummer
09/777017-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich tot tweemaal toe schuldig gemaakt aan diefstal bij het Kruidvat en tot driemaal toe aan pogingen tot oplichting, waarbij de verdachte alleen en samen met anderen eerder bij het Kruidvat gestolen goederen probeerde te retourneren voor geld. De desbetreffende winkels konden op deze manier financieel worden benadeeld en op deze manier werd het vertrouwen in het normale handelsverkeer geschaad.

Ook heeft de verdacht zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van een conductrice van de Nederlandse Spoorwegen. Hij heeft geen respect getoond voor haar gezag en voor haar lichamelijke integriteit. Medewerkers van de Nederlandse Spoorwegen, moeten gewoon ongestoord hun werk kunnen doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777017-17; 09/016862-17 (t.t.g)

Tul 09/010168-16

Datum uitspraak: 26 juni 2017

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum] ,

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 12 juni 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C. van den Heuvel en van hetgeen door de raadsman van de verdachte

mr. M.A. van de Weerd, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

parketnummer 09/777017-17 (verder: dagvaarding I)

1.

hij in de periode van op of omstreeks 14 februari 2017 tot en met 15 februari 2017 te Gouda, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, telkens, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te

bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,(een winkelmedewerker van) het winkelbedrijf Kruidvat [adres] te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval enig goed en/of geldbedrag, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- een (gestolen, althans niet door verdachte betaalde) pakje nicotinepleisters en/of een (gestolen,

althans niet door verdachte betaalde) pot gezichtscrème van Olaz aan een winkelmedewerker heeft

getoond en/of (vervolgens),

- alsof hij en/of zijn mededader(s) dit product had(den) gekocht/betaald, aan de winkelmedewerker

een kassabon van een filiaal van Kruidvat heeft/hebben getoond waarop stond vermeld dat andere

producten waren betaald en/of

- heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (daarbij) aan voornoemde winkelmedewerker en/of

aan een andere medewerk(st)er(s) van voornoemd winkelbedrijf duidelijk gemaakt dat hij,

verdachte, en/of zijn mededader(s) dit product wilde ruilen/retourneren voor geld,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 15 februari 2017 te Gouda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,(een winkelmedewerker van) het winkelbedrijf Kruidvat [adres] te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval enig goed en/of geldbedrag, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- een of meerdere (gestolen, althans niet door verdachte en/of zijn mededader(s) betaalde) mascara('s)

aan een winkelmedewerker heeft/hebben getoond en/of (vervolgens),

- alsof hij en/of zijn mededader(s) dit/deze producten had gekocht/betaald, aan de winkelmedewerker

een kassabon van een filiaal van Kruidvat heeft/hebben getoond waarop stond vermeld dat dit

product is betaald/gekocht en/of

- heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders (daarbij) aan voornoemde winkelmedewerker en/of

aan een andere medewerk(st)er(s) van voornoemd winkelbedrijf duidelijk gemaakt dat hij,

verdachte en/of zijn mededader(s), dit/deze producten wilde ruilen/retourneren voor geld,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 15 februari 2017 te Gouda, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (een winkelmedewerker van) het winkelbedrijf Kruidvat [adres] te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval enig goed en/of geldbedrag, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - een of meerdere (gestolen, althans niet door verdachte en/of zijn mededader(s) betaalde) mascara('s) aan een winkelmedewerker heeft/hebben getoond en/of (vervolgens),

- alsof hij en/of zijn mededader(s) dit/deze product(en) hadden gekocht/betaald, aan de

winkelmedewerker een kassabon van een filiaal van Kruidvat heeft/hebben getoond waarop stond

vermeld dat dit product is betaald/gekocht en/of

- heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (daarbij) aan voornoemde winkelmedewerker en/of

aan een andere medewerk(st)er(s) van voornoemd winkelbedrijf duidelijk gemaakt dat hij, verdachte

en/of zijn mededader(s), dit product wilde ruilen/retourneren voor geld,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op of omstreeks 15 februari 2017 te Gouda met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pot crème van Olaz, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Kruidvat [adres] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

5.

hij op of omstreeks 11 januari 2017 te Enschede tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee rollen koekjes (Oreo) en/of een pak Amerikaanse koeken en/of een blikje frisdrank (Red Bull), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Spar City Store [adres] , in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders;

parketnummer 09/016862-17 (verder: dagvaarding II)

hij op of omstreeks 23 januari 2017 te Woerden, een ambtenaar, [naam conducteur] , hoofdconducteur bij de Nederlandse Spoorwegen, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn

bediening heeft mishandeld door voornoemde [naam conducteur] tegen haar (boven)lichaam te duwen ten gevolge waarvan zij ten val is gekomen en/of haar balans heeft verloren.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte op 15 februari 2017 een pot crème van Olaz uit het filiaal van Kruidvat aan de [adres] heeft weggenomen (dagvaarding I, feit 4) en of hij zich rond deze datum alleen, dan wel samen met anderen, tot driemaal toe schuldig heeft gemaakt aan poging tot oplichting bij diverse filialen van het Kruidvat te Gouda, door te doen alsof hij en/of zijn mededaders bij het Kruidvat goederen hadden gekocht en deze goederen nu wilde(n) retourneren voor geld (dagvaarding I, feiten 1, 2 en 3).

Verder ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of de verdachte op 11 januari 2017 in Enschede een pak koekjes heeft gestolen bij de Spar City Store (dagvaarding I, feit 5).

Tenslotte dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de verdachte op 23 januari 2017 in Woerden een hoofdconducteur van de Nederlandse Spoorwegen heeft mishandeld (dagvaarding II).

De verdachte heeft ter terechtzitting van 12 juni 2017 bekend dat hij op 15 februari 2017 bij het filiaal van Kruidvat aan de [adres] een pot crème van Olaz

heeft gestolen en dat hij later op dezelfde dag heeft geprobeerd deze pot te retourneren voor geld bij het filiaal van Kruidvat aan de [adres] .

Ook heeft de verdachte bekend dat hij op 15 februari 2017 in het filiaal van Kruidvat [adres] een tweetal mascara’s van het merk L’Oreal heeft geprobeerd te retourneren voor geld.

De diefstal van een pak Amerikaanse koekjes bij de Spar City Store in Enschede op

11 januari 2017 en het geven van een duw aan de conductrice van de Nederlandse Spoorwegen op 23 januari 2017 in Woerden heeft de verdachte eveneens bekend.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte de hem bij dagvaarding I onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan. De officier van justitie heeft daarbij aangegeven dat zij ten aanzien van de feiten 2 en 3 bewezen acht dat de verdachte deze feiten in vereniging heeft gepleegd. Ten aanzien van feit 5 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dit alleen heeft begaan.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het hem bij dagvaarding II ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

Dagvaarding I 1

3.4.1

Feit 1

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van

12 juni 2017;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, d.d. 16 februari 2017,

opgenomen in het dossier met het nummer PL1500-2017045139-1, inhoudende de

verklaring van [getuige 1] (p. 12-13).

Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan, met vrijspraak ten aanzien van het pakje nicotinepleisters, omdat dit onderdeel van het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

3.4.2

Feit 2

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van

12 juni 2017;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, d.d. 16 februari 2017,

opgenomen in het dossier met het nummer PL1500-2017044367-1, inhoudende de

verklaring van [getuige 2] (p. 14-15).

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen, omdat daarvoor wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

3.4.3

Feit 3

De verdachte heeft bekend dat hij op 15 februari 2017 te Gouda in het [adres] van het Kruidvat een tweetal mascara’s van het merk L’Oreal heeft geprobeerd te retourneren voor geld. Dit is het onder 2 bewezenverklaarde feit.

Hem is ten laste gelegd dat hij eerder die dag samen met [betrokkene 1 ] en [betrokkene 2 ] ook al geprobeerd heeft deze twee mascara’s te retourneren voor geld bij het filiaal van Kruidvat aan de [adres] .

De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij die mascara’s eerder had weggenomen, maar dat hij maar één keer geprobeerd heeft om ze te retourneren, namelijk bij het [adres] .

De aangeefster, zijnde de eerste verkoopmedewerker van het Kruidvat, filiaal [adres] , heeft omstreeks 13.30 uur drie jongens de winkel binnen zien komen. Zij verklaart, dat de drie jongens twee L’Oréal mascara’s in verpakking probeerden te retourneren voor geld. Op de mascara’s ontbraken de beveiligingsstickers. De eerste verkoopmedewerker vertelde de jongens dat zij de mascara’s daarom niet terug zou nemen.2

Op de beelden van de beveiligingscamera’s is te zien dat er op 15 februari 2017 om 13.32.53 uur drie jongens bij de kassa van genoemd filiaal staan, waarvan er één goederen en een bonnetje overhandigd aan de kassamedewerkster.3 Deze jongens zijn op de camerabeelden herkend als de verdachte, [betrokkene 1 ] en [betrokkene 2 ] . [betrokkene 1 ] is degene die de goederen en het bonnetje inlevert, de andere twee zijn er bij komen staan.45

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte op 15 februari 2017 samen met twee anderen heeft geprobeerd bij het filiaal van het Kruidvat aan de [adres] twee mascara’s van het merk L’Oréal te retourneren voor geld.

3.4.4

Feit 4

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van

12 juni 2017;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, d.d. 15 februari 2017,

opgenomen in het dossier met het nummer PL1500-2017044323-1, inhoudende de

verklaring van [getuige 3] (p. 8-11).

Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.4.5

Feit 5 6

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van

12 juni 2017;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, d.d. 11 januari 2017,

opgenomen in het dossier met het nummer PL0600-2017018419-1, inhoudende de

verklaring van [getuige 4] (p. 4-5).

Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 11 januari 2017 een pak Amerikaanse koeken heeft gestolen bij de Spar City Store in Enschede. Van het medeplegen van de diefstal van twee rollen Oreo-koekjes en een blikje Red Bull zal de rechtbank de verdachte vrijspreken, omdat wettig en overtuigend bewijs daarvoor ontbreekt.

Dagvaarding II 7

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van

12 juni 2017;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, d.d. 25 januari 2017,

opgenomen in het dossier met het nummer PL0900-2017024349-1, inhoudende de

verklaring van [naam conducteur] (p. 4-8).

Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

parketnummer 09/777017-17 (verder: dagvaarding I)

1.

hij op 15 februari 2017 te Gouda, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen een winkelmedewerker van het winkelbedrijf Kruidvat [adres] te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk

- een gestolen pot gezichtscrème van Olaz aan een winkelmedewerker heeft getoond en vervolgens,

- alsof hij dit product had gekocht, aan de winkelmedewerker een kassabon van een filiaal van

Kruidvat heeft getoond waarop stond vermeld dat andere producten waren betaald en

- verdachte daarbij aan voornoemde winkelmedewerker duidelijk heeft gemaakt dat hij,

verdachte, dit product wilde retourneren voor geld,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 15 februari 2017 te Gouda, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen een winkelmedewerker van het winkelbedrijf Kruidvat [adres] te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk

- gestolen mascara’s aan een winkelmedewerker heeft getoond en vervolgens,

- alsof hij deze producten had gekocht/betaald, aan de winkelmedewerker een kassabon van een

filiaal van Kruidvat heeft getoond waarop stond vermeld dat deze producten zijn betaald/gekocht

en

- verdachte daarbij aan voornoemde winkelmedewerker duidelijk heeft gemaakt dat hij, verdachte,

deze producten wilde retourneren voor geld,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 15 februari 2017 te Gouda, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen een winkelmedewerker van het winkelbedrijf Kruidvat [adres] te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk

- gestolen mascara('s) aan een winkelmedewerker heeft/hebben getoond en vervolgens,

- alsof hij en/of zijn mededaders deze producten had/hadden gekocht/betaald, aan de

winkelmedewerker een kassabon van een filiaal van Kruidvat heeft/hebben getoond waarop stond

vermeld dat deze producten zijn betaald/gekocht en/of

- verdachte en/of zijn mededaders daarbij aan voornoemde winkelmedewerker duidelijk heeft/hebben

gemaakt dat hij, verdachte en/of zijn mededaders, deze producten wilde/wilden retourneren

voor geld,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op 15 februari 2017 te Gouda met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pot crème van Olaz, toebehorende aan de Kruidvat [adres] ;

5.

hij op 11 januari 2017 te Enschede, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pak Amerikaanse koeken toebehorende aan Spar City Store [adres] ;

parketnummer 09/016862-17 (verder: dagvaarding II)

hij op 23 januari 2017 te Woerden, een ambtenaar, [naam conducteur] , hoofdconducteur bij de Nederlandse Spoorwegen, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar

bediening heeft mishandeld door voornoemde Overkleeft tegen haar bovenlichaam te duwen ten gevolge waarvan zij haar balans heeft verloren.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit

6 De straf/maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 107 dagen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering inclusief de meldplicht, het volgen van een behandeling bij het Palmhuis, het hebben van een dagbesteding bij Loods 15 of school en een contactverbod met [betrokkene 1 ] .

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft allereerst aangegeven dat ten aanzien van twee van de aan de verdachte ten laste gelegde feiten artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Voorts heeft de raadsman bepleit dat aan de verdachte een zodanige straf wordt opgelegd dat hij zich in een kader van structuur, duidelijkheid en regelmaat verder kan ontwikkelen.

Een deels voorwaardelijke straf, met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering, een dagbesteding in de vorm van Loods 15 of de Pleysierschool en de behandeling bij het Palmhuis lijkt aangewezen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich tot tweemaal toe schuldig gemaakt aan diefstal. De verdachte heeft hierbij geen respect getoond voor de eigendommen van een ander en hen schade berokkend. Weliswaar betrof het geen grote schadebedragen, maar winkeliers lijden jaarlijks veel verlies door het grote aantal diefstallen dat, ondanks alle kostbare beveiligingsmaatregelen, wordt gepleegd.

De drie pogingen tot oplichting, waarbij de verdachte alleen en samen met anderen eerder bij het Kruidvat gestolen goederen probeerde te retourneren voor geld zijn ook verwerpelijk. De desbetreffende winkels konden op deze manier financieel worden benadeeld en op deze manier werd het vertrouwen in het normale handelsverkeer geschaad.

Door de mishandeling van de conductrice van de Nederlandse Spoorwegen heeft de verdachte er voorts blijk van gegeven geen respect te hebben voor haar gezag en voor haar lichamelijke integriteit. Medewerkers van de Nederlandse Spoorwegen, moeten gewoon ongestoord hun werk kunnen doen. Het is niet aan de verdachte om de aangeefster weg te duwen als de vragen van de conductrice hem niet aanstaan en hij weg wil lopen.

De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

De persoon van de verdachte

Bij de bepaling van de strafmaat weegt de rechtbank mee dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 mei 2017 en aanvullende informatie van de officier van justitie (over parketnr 09-010168-16), in het verleden al eerder is veroordeeld voor soortgelijke en andere feiten en dat de feiten 1 tot en met 4 van dagvaarding I zijn gepleegd enkele dagen nadat de verdachte eerder bij de rechtbank op zitting was geweest en nog voordat er uitspraak was gedaan. Daarom moet ten aanzien van deze feiten artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht worden toegepast.

De rechtbank heeft acht geslagen op het pro justitia rapport d.d. 27 december 2016 betreffende het psychologisch onderzoek van de verdachte, opgesteld en ondertekend door

[GZ-psycholoog] .

Uit dit rapport komt naar voren dat er bij de verdachte sprake is van een DSM-classificatie zwakbegaafdheid (LVB) waardoor de verdachte niet overziet welke consequenties zijn handelen exact heeft en hij over onvoldoende zelfsturend en probleemoplossend vermogen beschikt.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van enkele rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) waaronder het meest recente rapport

d.d. 2 juni 2017. Blijkens dit rapport zijn er veel zorgen over de opgroei- en opvoedsituatie van de verdachte. Hij heeft een voorgeschiedenis met straffen en maatregelen in het strafrechtelijke en civiele kader. Individuele en systeemgerichte behandeling (MDFT) bij het Palmhuis is noodzakelijk. Dat de verdachte inmiddels is gestart met dagbesteding bij Loods 15 en met de behandeling bij het Palmhuis is positief. Hierbij is aangegeven dat het van belang is dat de behandeling zich ook richt op middelengebruik. Tevens is aangegeven dat er zicht is op onderwijs op het Pleysiercollege en op de invulling van de vrijetijdsbesteding van de verdachte door te gaan sporten.

Gezien de stappen die zijn gezet met betrekking tot dagbesteding, onderwijs en hulpverlening ziet de Raad geen meerwaarde in een leerstraf. De Raad acht een deels voorwaardelijke werkstraf passend, met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering, een dagbesteding in de vorm van onderwijs of Loods 15 en behandeling bij het Palmhuis.

Ter terechtzitting is het advies gehandhaafd en aangevuld met de meldplicht. Benadrukt is dat pedagogisch gezien een jeugddetentiestraf niet wenselijk is.

De op te leggen straf

De rechtbank komt, alles afwegend, tot de volgende straf. Zij houdt daarbij rekening met de oriëntatiepunten die gelden voor jeugdigen in soortgelijke gevallen en het advies van de Raad.

Gelet op de ernst van de feiten en de recente veroordeling van de verdachte is de rechtbank - met de officier van justitie - van oordeel dat een werkstraf, al dan niet deels voorwaardelijk, een gepasseerd station is. Mede gelet op de stappen die gezet zijn met betrekking tot onderwijs, dagbesteding en hulpverlening is de rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan tijd die de verdachte tot aan de dag van de uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht een passende reactie vormt. Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijke straf van na te melden duur noodzakelijk, om recidive te voorkomen en in het bijzonder om de begeleiding en behandeling van de verdachte zeker te stellen. Daaraan verbindt de rechtbank als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering in het kader van de meldplicht, het volgen van een intensieve behandeling bij het Palmhuis, het hebben van een dagbesteding in de vorm van Loods 15 of de Pleysierschool en/of een stage. Ook ziet de rechtbank reden het door de officier van justitie gevorderde contactverbod met [betrokkene 1 ] als bijzondere voorwaarde op te leggen.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[naam conducteur] heeft zich ten aanzien van parketnummer 09/016862-17 (dagvaarding II) als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 600,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het betreft een vergoeding van de geleden immateriële schade.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bij dagvaarding II bewezenverklaarde feit.

De rechtbank acht naar billijkheid een bedrag van € 250,- als vergoeding van de geleden immateriële schade toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente ten laste van de verdachte met ingang van 23 januari 2017 toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van die datum is ontstaan.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen, aangezien

het bestaan van de gestelde schade, met name ten aanzien van het fysieke letsel en het oorzakelijk verband tussen dat letsel en het feit waarvoor de verdachte wordt veroordeeld, onvoldoende is onderbouwd.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding II bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 250,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 januari 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [naam conducteur].

8 De vordering tenuitvoerlegging

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de kinderrechter d.d. 13 april 2016 voorwaardelijk opgelegde taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verlenging van de proeftijd bepleit.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 9 juni 2017 tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke werkstraf, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 13 april 2016, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, opnieuw heeft schuldig gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

36f, 45, 47, 63, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77dd, 77ee, 77gg, 300, 304, 310 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij dagvaarding I onder

1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten en het hem bij dagvaarding II ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

dagvaarding I (parketnummer 09/777017-17)

feit 1

POGING TOT OPLICHTING

feit 2

POGING TOT OPLICHTING

feit 3

MEDEPLEGEN VAN POGING TOT OPLICHTING

feit 4

DIEFSTAL

feit 5

DIEFSTAL

dagvaarding II (parketnummer 09/016862-17 t.t.g)

MISHANDELING, TERWIJL HET MISDRIJF WORDT GEPLEEGD TEGEN EEN AMBTENAAR GEDURENDE EN/OF TERZAKE VAN DE RECHTMATIGE UITOEFENING VAN ZIJN BEDIENING

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 104 DAGEN

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 30 DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

meldplicht

- zich gedurende de proeftijd en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

behandeling

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van het Palmhuis op de tijden en plaatsen als door of namens het Palmhuis aan te geven;

dagbesteding

- gedurende de proeftijd een passende dagbesteding, in de zin van Loods 15 of het gaan naar de Pleysierschool en/of een stage, heeft en zal behouden;

contactverbod

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen,

zoeken of hebben met [betrokkene 1 ] , zolang de jeugdreclassering dit

noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

ten aanzien van parketnummer 09/016862-17

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe ten laste van de verdachte en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [naam conducteur], een bedrag van € 250,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 januari 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 250,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 januari 2017 tot aan

de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd

[naam conducteur] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

de rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 13 april 2016, gewezen onder parketnummer 09/010168-16, te weten:

een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.E.M.G. van Wezel, kinderrechter, voorzitter,

mr. S.W.E. de Ruiter, rechter,

en mr. M.F. Baaij, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 juni 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van Politie Eenheid Den Haag, als bijlagen opgenomen bij het dossier met nummer PL1500-2017045639 Z, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 103

2 Proces-verbaal van aangifte van [getuige 3] , p. 8-11

3 Fotobijlagen camerabeelden, p. 24-17

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 28

5 Proces-verbaal van herkenning , p. 39

6 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van Politie Eenheid Oost-Nederland, als bijlagen opgenomen bij het dossier met nummer PL0600-2017018419, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 75

7 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van Politie Eenheid Midden Nederland, als bijlagen opgenomen bij het dossier nummer PL0900-2017024349, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 53