Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6927

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-06-2017
Datum publicatie
27-06-2017
Zaaknummer
09/827102-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld tot zes jaren gevangenisstraf. De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte zich in het strijdgebied in Syrië en/of Irak bevond en zich heeft aangesloten bij IS, Jabhat al-Nusra of een andere jihadistische strijdgroep. Hij is veroordeeld wegens deelneming aan een criminele organisatie met een terroristisch oogmerk. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan voorbereiding van terroristische misdrijven. De man is afgereisd naar het strijdgebied, heeft deelgenomen aan een trainingskamp en heeft daar deelgenomen aan de gewapende jihadstrijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

ZITTING HOUDENDE TE AMSTERDAM EN DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/827102-16

Datum uitspraak: 27 juni 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] ,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 4 april 2016, 5 juli 2016, 8 en 15 juni 2017.

Verdachte is – hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen – niet ter terechtzitting verschenen. Wel is op 4 april 2016, 5 juli 2016 en 8 juni 2017 de raadsman van verdachte mr. K.A. Krikke, advocaat te Baarn ter zitting aanwezig geweest. Hij heeft daarbij verklaard dat hij uitdrukkelijk gemachtigd is om verdachte ter zitting te verdedigen. Op 15 juni 2017 is het onderzoek gesloten.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie

mr. S.A. Minks en D.M. van Gosen en van hetgeen door de raadsman van verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is kort gezegd ten laste gelegd:

  • -

    medeplegen van deelname aan een organisatie (Jabhat al Nusra, al-Qaeda, IS, Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS), Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) of een aan Al Qaida en/of IS gelieerde organisatie) die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven (feit 1);

  • -

    medeplegen van voorbereiding dan wel bevordering van moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het teweegbrengen van een ontploffing, telkens met een terroristisch oogmerk (feit 2 eerste cumulatief/alternatief);

  • -

    medeplegen van het opzettelijk gelegenheid/middelen/inlichtingen verschaffen dan wel trachten te verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf dan wel zich kennis en vaardigheden daartoe verwerven of een ander bijbrengen (feit 2 tweede cumulatief/alternatief).

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I van dit vonnis en maakt daarvan deel uit.

3 Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

3.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de officieren van justitie niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vervolging, nu onderhavige procedure niet noodzakelijk is. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet bij de behandeling van zijn zaak aanwezig kan zijn en dat rechtstreeks contact met zijn raadsman niet mogelijk is. De rechten die verdachte heeft op grond van artikel 6 lid 3 onder a, b en c van het EVRM worden volgens de raadsman dan ook op flagrante wijze geschonden, terwijl op dit moment geen Nederlands belang is om verder te gaan dan het internationaal signaleren van verdachte.

3.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie wel belang heeft om nu tot vervolging over te gaan. Op dit moment zitten volgens de officieren van justitie honderden Nederlandse strijders in de strijdgebieden. Het openbaar ministerie wil voorkomen dat deze personen terug kunnen komen naar Nederland zonder dat er een stevige basis is, zoals een veroordelend vonnis van een strafrechter, om hen vast te houden. Dit heeft te maken met bescherming van burgers tegen terugkeerders die in het minst erge geval veel trainings- en vechtervaring hebben, getraumatiseerd zijn, en in het ergste geval naar Nederland of ander landen komen om aanslagen te plegen.

Ten aanzien van het aanwezigheidsrecht en artikel 6 EVRM hebben de officieren van justitie het volgende naar voren gebracht. Om afstand te kunnen doen van zijn aanwezigheidsrecht, moet verdachte op de hoogte zijn van de zitting. Een expliciete afstandsverklaring is niet vereist. Een verdachte kan ook impliciet afstand doen van zijn recht om aanwezig te zijn. Deze strafzaak is al in april en juli 2016 bij deze rechtbank aan de orde geweest. Verdachte heeft ondertussen kennelijk contact met zijn familie en met zijn gemachtigde raadsman. Verdachte heeft op geen enkel moment kenbaar gemaakt dat hij bij de zitting aanwezig wilde zijn. Het openbaar ministerie vat dit op als een impliciete afstandsverklaring. Er is dan ook geen sprake van schending van het aanwezigheidsrecht of schending van artikel 6 EVRM.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat de lat hoog ligt als het er om gaat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Dat geldt zeker als het de beslissing van het openbaar ministerie betreft om een zaak aan de rechter voor te leggen. In artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is immers aan het openbaar ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Uit vaste jurisprudentie volgt dat de beslissing om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing leent en dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Maatstaf daarbij is dat in de gegeven omstandigheden geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn1. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is die vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur2.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de door de officieren van justitie gegeven toelichting, van een aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing geen sprake is. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging.

Ten aanzien van het aanwezigheidsverweer van de raadsman volgt de rechtbank het openbaar ministerie in zijn standpunt. Verdachte is op de hoogte van deze zitting. Hij is ook op de hoogte geweest van de voorgaande zittingen. Verdachte heeft kennelijk contact met zijn familie en zijn raadsman en dit heeft er niet toe geleid dat hij een aanhoudingsverzoek heeft ingediend, om alsnog ter zitting aanwezig te kunnen zijn. De rechtbank passeert ook dit verweer van de verdediging.

4 Ontvankelijkheid openbaar ministerie/ bevoegdheid rechtbank

4.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich voorts aangesloten bij hetgeen door de raadsman van de [medeverdachte] , mr. M.P.K. Ruperti, naar voren is gebracht en heeft zich daarmee op het standpunt gesteld dat de rechtbank niet bevoegd is de zaak te behandelen, dan wel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat vanaf in ieder geval 2014 in Syrië en Irak sprake was van een internationaal gewapend conflict, omdat vanaf dat moment diverse staten en allerlei gewapende groeperingen zich, in verschillende coalities, in de strijd mengden, waarbij sprake was van grootschalige militaire operaties en waarbij de gewapende partijen voldoende georganiseerd waren. Volgens de raadsman heeft IS in hoedanigheid van ‘staat’ “overall control” (vgl. Tádic) uitgeoefend over de georganiseerde gewapende groepen die in dit conflict tegen de staten Syrië en Irak vochten en vechten. De raadsman heeft in dit verband betoogd dat IS voldoet aan de definitie van een ‘staat’ zoals deze binnen het internationaal recht in de Montevideo Convention on het Rights and Duties of States van 1933 is neergelegd.

Dit betekent volgens de verdediging dat verdachte – indien ervan zou worden uitgegaan dat hij naar Syrië en/of Irak is afgereisd, zich heeft aangesloten bij IS en vervolgens deelgenomen aan de gedragingen zoals beschreven in de dagvaarding – combattantenstatus heeft, en enkel op basis van het internationaal humanitair recht kan worden vervolgd. Het Nederlandse commune strafrecht is dan ook niet van toepassing op de gedragingen die verdachte worden verweten, aldus de verdediging.

4.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat het evident is dat het conflict in Syrië geen internationaal gewapend conflict is. Het Nederlands strafrecht kan dan ook niet buiten toepassing worden gelaten. Verdachte komt geen combattantenprivilege toe. De officieren van justitie hebben verwezen naar het arrest van het Gerechtshof Den Haag, ECLI:GHDHA:2015:1082, en dan met name overweging 10.4. Het verweer van de raadsman dient te worden verworpen, nu dit niet wordt ondersteund door de internationale regelgeving dan wel internationale jurisprudentie.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

In het vonnis van deze rechtbank van 10 december 2015 is reeds geconcludeerd dat in ieder geval vanaf juli 2012 sprake is van een niet-internationaal gewapend conflict op het gehele grondgebied van Syrië, tussen het Syrische regeringsleger en verscheidene georganiseerde gewapende groepen zoals ISIL/ISIS/IS en Jabhat al-Nusra. De feiten en omstandigheden die tot deze conclusie hebben geleid gelden ook in de zaak tegen verdachte (de rechtbank verwijst naar hetgeen is vermeld onder 6.1. van genoemd vonnis).

De rechtbank ziet in het verweer van de verdediging geen reden om in onderhavige zaak een andere conclusie te trekken. Daartoe overweegt zij het volgende.

Zoals eveneens in het vonnis van 10 december 2015 is overwogen, kan een gewapend conflict tussen een staat (in casu: Syrië) en een (of meer) georganiseerde gewapende groep(en) worden gekwalificeerd als een internationaal gewapend conflict als de handelingen van die groep(en) zijn toe te schrijven aan een andere staat. De verdediging stelt dat IS als die andere ‘staat’ moet worden gezien, maar dat standpunt wordt door de rechtbank niet gevolgd.

Zoals in het internationaal recht algemeen wordt aanvaard,3 dient een staat – wil zij als zodanig kunnen worden beschouwd – te beschikken over een gedefinieerd territorium. Er moet in dit verband sprake zijn van de uitoefening van territoriale soevereiniteit (gezag) door een overheid. In de internationaalrechtelijke literatuur wordt doorgaans aangenomen dat een tijdelijke verstoring van de effectiviteit van het gezag, bijvoorbeeld door interne onrust, burgeroorlog of militaire vijandelijke bezetting, het staatskarakter niet verloren doet gaan.4

Naar het oordeel van de rechtbank dienen Syrië en Irak dan ook te worden beschouwd als de staten die in de ten laste gelegde periode territoriale soevereiniteit uitoefenden over het grondgebied dat IS bezette. Dat IS over dat grondgebied de controle uitoefende doet daar niet wezenlijk aan af, te meer omdat uit niets is gebleken dat IS door internationale volkenrechtelijke organisaties of afzonderlijke staten is erkend als entiteit die de territoriale soevereiniteit in de plaats van Syrië en/of Irak is gaan uitoefenen. Ook overigens ontbreken daarvoor aanknopingspunten.

IS kan, kortom, niet als ‘staat’ worden aangemerkt reeds omdat het haar (in internationaalrechtelijk zin) ontbreekt aan een eigen grondgebied.

Nu ook overigens geen aanleiding bestaat haar conclusie te herzien, is de rechtbank (nog steeds) van oordeel dat in ieder geval vanaf juli 2012 sprake is van een niet-internationaal gewapend conflict op het gehele grondgebied van Syrië.

Zoals deze rechtbank in haar vonnis van 10 december 2015 heeft overwogen kunnen geweldshandelingen gepleegd tijdens een niet-internationaal gewapend conflict strafbaar zijn naar internationaal humanitair recht en het commune strafrecht. Het verweer, dat erop neerkomt dat het commune strafrecht in onderhavige zaak niet van toepassing kan zijn, wordt derhalve verworpen.

5 Rechtsmacht

Bij de tenlastegelegde gedragingen zijn als pleegplaatsen vermeld:

  • -

    medeplegen van deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven: Syrië en/of Irak;

  • -

    medeplegen van voorbereiding dan wel bevordering van moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het teweegbrengen van een ontploffing, telkens met een terroristisch oogmerk: Den Haag en/of Nederland en/of Syrië en/of Irak;

  • -

    medeplegen van het opzettelijk gelegenheid/middelen/inlichtingen verschaffen dan wel trachten te verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf dan wel zich kennis en vaardigheden daartoe verwerven of een ander bijbrengen: Den Haag en/of Nederland en/of Syrië en/of Irak.

De onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten zijn blijkens artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) terroristische misdrijven. Deze rechtbank heeft in haar uitspraak van 10 december 2015 reeds uitvoerig overwogen waarom Nederland ten aanzien van dergelijke misdrijven, ook indien deze zijn gepleegd vóór 1 juli 2014 en buiten Nederland, rechtsmacht heeft5. Kort gezegd komen deze overwegingen op het volgende neer. Op 1 juli 2014 is de herziene regeling van de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet in werking getreden, in het bijzonder het nieuwe artikel 6 Sr en artikel 4, tweede lid van het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht (Stb. 2014, 47) (hierna: het Besluit). Ingevolge de laatstgenoemde bepaling is de Nederlandse strafwet toepasselijk op de Nederlander (of de vreemdeling) die een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft) die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een terroristisch misdrijf. De rechtbank acht het, zoals gemotiveerd is uiteengezet in voormeld vonnis, gerechtvaardigd aan deze bepaling terugwerkende kracht toe te kennen.

6 Enkele algemene bewijsoverwegingen

6.1

Ontwikkeling van de strijd in Syrië 6

Uit de processtukken, meer in het bijzonder het rapport van [deskundige] en de daarin genoemde en ook elders – zonder noemenswaardige moeite – te raadplegen openbare bronnen, blijkt het volgende.

Geïnspireerd door soortgelijke ontwikkelingen in andere Arabische landen kwam in het voorjaar van 2011 een groot deel van de bevolking van Syrië vreedzaam in verzet tegen het dictatoriale regiem van Bashar al-Assad. Gaandeweg ontwikkelde wat als een vreedzaam protest was begonnen zich tot een gewapende strijd, waarvan vooral de burgerbevolking het slachtoffer was, en uiteindelijk tot een humanitaire ramp. Het aantal doden dat tijdens het conflict in Syrië is gevallen werd in december 2014 geschat op meer dan 200.000. Op dat moment waren al meer dan drie miljoen Syriërs gevlucht naar het buitenland en bedroeg het aantal ontheemden in Syrië meer dan 7,5 miljoen7.

Blijkens talloze rapporten en publicaties heeft het regime van president al-Assad zich daarbij schuldig gemaakt aan systematische en grootschalige schendingen van mensenrechten en oorlogsmisdaden8. Naarmate de strijd in Syrië vorderde, nam ook de invloed van jihadistische groepen hand over hand toe. Het doel van deze strijdgroepen was niet alleen – misschien zelf niet een in de eerste plaats – het ten val brengen van het regime van al-Assad, maar ook – of vooral – de vestiging van een streng islamitische staat op het grondgebied van Syrië, waar de door hen voorgestane versie van de sharia zou worden geïmplementeerd9. Gezien de vele rapporten en publicaties over jihadistische strijdgroepen zal Jabhat al-Nusra en ISIL (later: ISIS en IS) kan er geen twijfel over bestaan dat ook zij zich op grote schaal en systematisch hebben schuldig gemaakt aan gruwelijke misdaden10.

6.2

Terroristische misdrijven

Verdachte worden gedragingen verweten die zouden zijn gepleegd vanaf 1 januari 2012 tot en met 27 mei 2014. Voor wie ook maar een beetje het nieuws over Syrië heeft gevolgd en zijn ogen daarvoor niet heeft gesloten, moet het al ver voor die periode volstrekt duidelijk zijn geweest dat de jihadistische strijdgroepen systematisch en op grote schaal ernstige misdrijven pleegden. Veel van de misdaden van de jihadistische strijdgroepen stonden in geen enkele relatie tot de strijd tegen het leger van president al-Assad, maar kwamen voort uit de godsdienstig gemotiveerde wens van deze groepen hun radicale versie van de sharia op een gewelddadige wijze op te leggen aan de burgerbevolking van de door hen veroverde gebieden11. Veel van deze misdaden werden bovendien gepleegd met het uitdrukkelijke doel de bevolking in deze gebieden vrees aan te jagen. Executies, onthoofdingen en kruisigingen vonden daarom bewust in het openbaar plaats. De bevolking werd opgeroepen dan wel gedwongen deze bij te wonen en soms werden video’s hiervan op het internet geplaatst. De IICIS heeft in haar rapport van 12 februari 2014 gemeld dat Jabhat al-Nusra en ISIS publiekelijk executies uitvoerden “to assert their presence after taking control of an area and to instil fear among the population”.

De wetgever heeft in artikel 83 Sr bepaald welke misdrijven als terroristische misdrijven hebben te gelden. Gemeenschappelijk daaraan is dat zij moeten zijn begaan met een terroristisch oogmerk. In artikel 83a Sr is dit omschreven als “het oogmerk om de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen”. In haar vonnis van 10 december 2015 heeft deze rechtbank vastgesteld dat de jihadistische strijdgroepen in Syrië zoals Jabhat al-Nusra en ISIS het regime van president al-Assad ten val willen brengen en een zuiver islamitische samenleving of staat willen vestigen en dat de misdrijven die zij daartoe, maar ook geheel los daarvan, plegen mede tot doel hebben grote delen van de bevolking van Syrië ernstige vrees aan te jagen. De misdrijven die deze strijdgroepen plegen, zoals moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van ontploffingen en dergelijke, worden dus begaan met een door en door terroristisch oogmerk en zijn daarmee terroristische misdrijven. Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen houdt dus altijd in het plegen van terroristische misdrijven.

7. De beoordeling van de tenlastelegging 12

7.1

Feit 2: Medeplegen van voorbereiding en bevordering van terroristische misdrijven

7.1.1

Tenlastelegging

Aan verdachte wordt onder feit 2, eerste cumulatief/alternatief, verweten dat hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 mei 2014 in Nederland en/of in Syrië en/of in Irak, zich – kort gezegd – schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van voorbereiding dan wel bevordering van terroristische misdrijven. Daartoe zou verdachte de onder de onderdelen A tot en met H beschreven handelingen hebben verricht.

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard, echter voor een kortere periode, namelijk van 1 maart 2013 tot en met 27 mei 2014 en met uitzondering van het tenlastegelegde onder onderdeel A. De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

7.1.2

Juridisch kader voorbereiding en bevordering van terroristische misdrijven

Brandstichting, het teweegbrengen van een ontploffing, moord en/of doodslag, (te) begaan met een terroristisch oogmerk, is strafbaar gesteld in respectievelijk artikel 176b en 289a Sr. Daarin is bepaald dat artikel 96, lid 2 Sr van overeenkomstige toepassing is. Het artikel betreft een lex specialis ten opzichte van artikel 46 Sr.

Ingevolge van artikel 96 lid 2 Sr is sprake van strafbare voorbereidings- en bevorderingshandelingen indien een persoon:

1°. een ander tracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen;

2°. gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen tracht te verschaffen;

3°. voorwerpen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf;

4°. plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid brengt of onder zich heeft;

5°. enige maatregel van regeringswege genomen om de uitvoering van het misdrijf te voorkomen of te onderdrukken, tracht te beletten, te belemmeren of te verijdelen.

Deze handelingen zijn strafbaar ongeacht het resultaat ervan. Voorwaardelijk opzet op de voorbereiding of bevordering van een terroristisch misdrijf volstaat niet. Vereist is dat de dader de gedraging onderneemt met het oogmerk het betreffende terroristische misdrijf voor te bereiden of te bevorderen. Het misdrijf dat wordt voorbereid of bevorderd zal in zoverre moeten vaststaan dat kan worden bepaald of het een misdrijf betreft waarvan de voorbereiding en bevordering als bedoeld in artikel 96, lid 2, Sr strafbaar is. Tijd, plaats en wijze van uitvoering zullen dus enigszins concreet moeten vaststaan. Indien sprake is van voorbereidingshandelingen die bij afwezigheid van bijzondere omstandigheden ook als dagelijkse, niet-criminele bezigheden kunnen worden beschouwd, is strikte toetsing noodzakelijk. De verweten voorbereidings- en bevorderingshandelingen mogen wel in onderlinge samenhang worden beschouwd. Ook indien op zichzelf staande handelingen geen strafbare voorbereiding opleveren, kan uit de combinatie van alle handelingen en het gedachtegoed van verdachte tezamen het oogmerk van verdachte op het voorbereiden van een misdrijf worden afgeleid.

De voorbereiding en bevordering zijn zelfstandig strafbaar gesteld als voltooide delicten. Hiervan is geen vrijwillige terugtred mogelijk13.

7.1.3

Overwegingen van de rechtbank

Algemene overwegingen

De rechtbank stelt op basis van de volgende bewijsmiddelen vast dat [verdachte] samen met [medeverdachte] naar Syrië is gereisd, met kennelijk de intentie om daar met elkaar – en met de op 22 juli 2016 door deze rechtbank veroordeelde [Noureddin B.] – op te trekken.

Volgens de broer van [medeverdachte] , [betrokkene 1] , is [medeverdachte] op 26 maart 2013 naar Syrië vertrokken14. Uit de aangifte van de broer van [verdachte] , [betrokkene 2] , volgt dat ook verdachte op 26 maart 2013 naar Syrië is vertrokken15. Op dat moment was [Noureddin B.] al in Syrië16. [verdachte] , [medeverdachte] en [Noureddin B.] zijn vrienden van elkaar. Dat blijkt uit de aangifte van [betrokkene 2] en een, afgeluisterd, gesprek dat [verdachte] had met zijn moeder17. Voorts is er in de periode van augustus 2013 tot en met januari 2014 steeds met één en hetzelfde Syrische telefoonnummer, namelijk het nummer [telefoonnummer] , door zowel [verdachte] als [medeverdachte] contact gelegd met hun families. Tevens blijkt uit tapgesprekken in maart 2014 dat de drie vrienden – nog steeds – samen zijn. Uit tapgesprekken blijkt ook dat [medeverdachte] boodschappen doorgeeft voor de familie van [verdachte] en andersom. Het gaat dan onder meer over geld en contact leggen met hun moeder18. Ook uit de verklaring van [betrokkene 3] blijkt dat alle Nederlanders bij elkaar zijn19.

Uit de voorgaande tapgesprekken blijkt ook dat [verdachte] en [medeverdachte] tijdens hun verblijf in Syrië in rechtstreeks contact stonden (en staan) met hun familie in Nederland.

Onderdelen A – H

De rechtbank zal de onderdelen A – H in de tenlastelegging in chronologische volgorde lezen.

Ten aanzien van onderdeel A overweegt de rechtbank het volgende.

De opsteller van de tenlastelegging heeft kennelijk bedoeld dat verdachte zich voor zijn vertrek naar Syrië en met het oogmerk om terroristische misdrijven te gaan plegen, is gaan verdiepen in het radicale extremistische gedachtegoed en het gedachtegoed zich met dat oogmerk eigen heeft gemaakt. Maar op deze wijze is het natuurlijk niet gegaan. Verdachte heeft zich eerst het radicaal extremistische gedachtegoed eigen gemaakt en vervolgens heeft het idee bij hem postgevat dat hij op grond van dit gedachtegoed verplicht was naar Syrië af te reizen om daar deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd. Er kan dus niet bewezen worden dat het oogmerk van verdachte op het plegen van terroristische misdrijven al aanwezig was op het moment dat hij zich het radicale extremistische gedachtegoed eigen heeft gemaakt. Op grond hiervan wordt verdachte vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Ten aanzien van onderdeel B overweegt de rechtbank als volgt.

Door de opsteller van de tenlastelegging wordt kennelijk bedoeld dat verdachte zich heeft laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië. Nu is vast komen te staan dat verdachte in de tenlastegelegde periode in Syrië was, lijkt het logisch om te stellen dat verdachte zich over deze reis heeft laten informeren. Deze aanname is echter niet voldoende om dit onderdeel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen te verklaren. In het dossier bevindt zich onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot dit oordeel te kunnen komen. Verdachte wordt dan ook van dit onderdeel vrijgesproken.

Ten aanzien van onderdeel C overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de aangifte van de broer van verdachte20 en het aanvullend verhoor volgt dat verdachte in, zo begrijpt de rechtbank, in de periode voorafgaand aan zijn vertrek naar Syrië, zijn auto heeft verkocht. Het zou gaan om een Fiat Punto, met het kenteken [kenteken]21.

Ten aanzien van onderdeel D overweegt de rechtbank als volgt.

Door de opsteller van de tenlastelegging wordt kennelijk bedoeld dat verdachte geld heeft geworven ten behoeve van de financiering van en/of zijn verblijf in Syrië. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen waarmee dit onderdeel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Voor dit onderdeel wordt verdachte dan ook vrijgesproken.

Ten aanzien van onderdeel E overweegt de rechtbank als volgt.

Dat verdachte de reis naar Syrië heeft gemaakt blijkt uit de verklaring die zijn broer bij de rechter-commissaris van deze rechtbank op 5 oktober 2016 heeft afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij zijn broer, de dag dat hij vertrok, 26 maart 2013, voor het laatst heeft gezien22. De broer van [medeverdachte] heeft in zijn aangifte verklaard dat [medeverdachte] met verdachte is weggegaan23. Dit sluit aan bij de verklaring van een oud-leraar van [verdachte] dat [verdachte] hem een WhatsApp bericht heeft gestuurd waarin hij schrijft dat hij in Shaam is24.

Ten aanzien van onderdeel F overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft tevens deelgenomen aan een trainingskamp. Dit volgt uit de verklaring van de broer van [medeverdachte] dat [verdachte] heeft gezegd dat hij vanaf zaterdag – de rechtbank begrijpt: 6 april 2013 – training zou krijgen25. In het aanvullende verhoor heeft de broer van [medeverdachte] verklaard dat [medeverdachte] heeft gezegd dat hij elke dag traint en op vrijdag vrij is26. Dit sluit aan bij het gesprek dat de moeder van [medeverdachte] had met de moeder van [Noureddin B.] , waarin de moeder van [medeverdachte] zegt dat haar zoon heeft gezegd dat zij door een Turk, die politieman was in Nederland, worden getraind27. Het voorgaande vindt tevens steun in het rapport ‘Bestemming Syrië’. In dit rapport staat beschreven dat mannen, na aankomst in Syrië, na een periode in een safehouse, worden overgebracht naar trainingskampen28. Het voorgaande vindt voorts steun in de verklaring van de broer van [medeverdachte] dat [medeverdachte] met [verdachte] is weggegaan29.

Ten aanzien van onderdeel G overweegt de rechtbank als volgt.

Dat [verdachte] heeft deelgenomen en bijgedragen aan de gewelddadige jihadstrijd volgt uit de volgende bewijsmiddelen. Op 4 maart 2014 waren de moeder van [verdachte] en de moeder van [Noureddin B.] telefonisch in gesprek en in dit gesprek had de moeder van verdachte het over Jabhat al Nusra en Al-Qaeda30. In een WhatsApp gesprek dat [medeverdachte] op 4 september 2013 had met zijn zus, vroeg zijn zus of hij al was begonnen met schieten, waarop [medeverdachte] antwoordde dat je over zulke dingen beter niet over de telefoon kunt praten31. Het voorgaande sluit aan bij het gesprek dat [verdachte] op 13 maart 2014 had met zijn moeder en waarin hij haar uitlegde wat de jihad inhoudt32. De rechtbank maakt hieruit op dat de jihad kennelijk de reden is dat de drie vrienden in Syrië zijn. Dit past bij de verklaring van de broer van [verdachte] dat hij op de laptop van [verdachte] liedjes over de jihad heeft gevonden33. De rechtbank stelt tevens vast dat [medeverdachte] op 16 september 2012 op het Museumplein in Amsterdam een zegelvlag – ook door IS gebruikt – vasthoudt34. In het dossier bevindt zich voorts een foto waarop in ieder geval [verdachte] en [Noureddin B.] , met een wapen, te zien zijn. Deze WhatsApp foto is afkomstig uit de telefoon van de zus van [Noureddin B.]35.

Ten aanzien van onderdeel H overweegt de rechtbank als volgt.

In de bewijsmiddelen zoals deze onder onderdeel G zijn genoemd ligt besloten dat verdachte vuurwapens heeft gebruikt.

Gezien de hierboven genoemde bewijsmiddelen, is de rechtbank van oordeel dat de onderdelen C, E, F, G en H wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Oogmerk

De rechtbank leidt uit de gedragingen van [verdachte] af dat hij zich samen met [medeverdachte] en [Noureddin B.] heeft voorbereid op het plegen van terroristische misdrijven en dat hij zich heeft aangesloten bij een jihadistische strijdgroep. Voor de overtuiging dat verdachte hiertoe het oogmerk had, neemt de rechtbank ook het gedachtegoed van [verdachte] mee, zoals dat blijkt uit de hiervoor weergegeven gesprekken, aangetroffen liederen en foto. Dit gedachtegoed is kennelijk de inspiratiebron geweest voor het handelen van [verdachte] .

De rechtbank kan bovenstaande bewijsmiddelen niet anders duiden dan dat verdachte samen met [medeverdachte] naar Syrië is gereisd om zich aldaar, samen met [Noureddin B.] , als strijder aan te sluiten bij de gewapende jihadstrijd. Zoals reeds is overwogen, houdt deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen altijd het plegen van terroristische misdrijven in.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van voorbereiding van terroristische misdrijven.

7.2

Feit 2: Medeplegen van het opzettelijk middelen verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf en kennis en vaardigheden daartoe verwerven in de zin van artikel 134a Sr

7.2.1

Tenlastelegging

Aan verdachte wordt onder feit 2, tweede cumulatief/alternatief, verweten dat hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 mei 2014 in Nederland en in Syrië en/of in Irak, kort gezegd, terroristische misdrijven heeft voorbereid en/of vergemakkelijkt door deel te nemen en mee te werken aan training. Verdachte zou dit feit volgens de steller van de tenlastelegging hebben gepleegd op dezelfde wijze als verwoord onder feit 2, eerste cumulatief/alternatief.

De officieren van jusititie hebben zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde bewezen kan worden, zij het voor een kortere periode, te weten de periode van 26 maart 2013 tot en met 27 mei 2014. De verdediging heeft vrijspraak van dit feit bepleit.

7.2.2

Overwegingen van de rechtbank

Zoals hiervoor is overwogen, kunnen, als het gaat om feit 2, eerste cumulatief/alternatief, de feitelijke gedragingen zoals deze zijn verwoord onder C, E, F, G en H, bewezen worden verklaard. Dit is niet anders als het gaat om feit 2, tweede cumulatief/alternatief.

De vraag waarvoor de rechtbank zich in dit verband gesteld ziet, is of deze bewezenverklaarde gedragingen kunnen worden gekwalificeerd als het delict dat is strafbaar gesteld in artikel 134a van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

In het arrest van 31 mei 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1011) heeft de Hoge Raad, met verwijzing naar internationale regelgeving en de wetgeschiedenis, overwogen dat kwalificatie van gedragingen onder artikel 134a Sr niet mogelijk is indien een voldoende verband van die gedragingen met enige vorm van training – waaronder moet worden verstaan: het opdoen of overbrengen van kennis of zich of een ander bekwamen in vaardigheden of technieken – voor terrorisme ontbreekt.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de onder F bewezenverklaarde gedraging (kort gezegd: de deelname aan een trainingskamp) in ieder geval worden gekwalificeerd als het zich verschaffen van middelen en het verwerven van kennis en vaardigheden in de zin van artikel 134a Sr. Wat de overige bewezenverklaarde handelingen (C, E, G en H) betreft: deze vormen op zichzelf genomen weliswaar geen training als bedoeld in artikel 134a Sr, maar uit de combinatie van deze handelingen kan naar het oordeel van de rechtbank mede een nadere invulling van het opzet van verdachte op het verwerven van kennis en vaardigen en het bijbrengen daarvan aan een ander worden afgeleid. Immers, deze handelingen zeggen iets over de intenties waarmee verdachte deelnam aan het trainingskamp. In zoverre kan van die handelingen dus ook kwalificatie onder artikel 134a Sr volgen. Wat genoemd opzet betreft, verwijst de rechtbank verder naar hetgeen zij ten aanzien van feit 2, eerste cumulatief/alternatief heeft overwogen omtrent het oogmerk van verdachte.

7.3

Feit 1: Medeplegen van deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven

Nu de rechtbank het handelen onder C, E, F, G en H wettig en overtuigend bewezen acht, ziet zij zich vervolgens voor de vraag gesteld of ook kan worden bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander, door aldus te handelen, heeft deelgenomen aan Jabhat al Nusra, al-Qaeda, IS, Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS), Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), althans een aan die organisatie(s) gelieerde organisatie die tot oogmerk heeft terroristische misdrijven te plegen.

Juridisch kader (terroristische) criminele organisatie

Voor een uitgebreide beschrijving van het juridische kader van de criminele (terroristische) organisatie, verwijst de rechtbank naar het vonnis van 10 december 201536.

Deelneming aan een (terroristische) organisatie is strafbaar gesteld in de artikelen 140 en 140a Sr. Aan deze strafbaarstelling ligt de gedachte ten grondslag dat de openbare orde beschermd dient te worden tegen organisaties die beogen misdrijven te plegen. het gaat hier om een zelfstandig strafbaar feit. Het doet er niet toe of de misdrijven waarop de organisatie het oog heeft zijn gepleegd dan wel pogingen daartoe zijn ondernomen of zelfs maar strafbare voorbereidingen daartoe zijn getroffen. Evenmin is van belang of een deelnemer aan de organisatie heeft meegedaan aan misdrijven welke door andere deelnemers daaraan zijn gepleegd (of zijn gepoogd te plegen of voorbereid). Een persoon is strafbaar vanwege alleen maar zijn deelneming aan een misdadige organisatie.

Met een organisatie in de zin van de artikelen 140 en 140a Sr wordt bedoeld een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat men moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is37. Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn: gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen38.

Voor een bewezenverklaring van art. 140 Sr is daarnaast vereist dat de Organisatie het

oogmerk moet hebben om misdrijven te plegen. Met het oogmerk wordt primair gedoeld op

het naaste doel: datgene dat men zich als direct gewild voorstelt39. De criminele Organisatie

behoeft niet een louter misdadige hoofddoelstelling te hebben, zij kan ook – mede – een legaal doel hebben40. De organisatie kan ook het oogmerk hebben om misdrijven te plegen

indien deze misdrijven worden gepleegd ter verwezenlijking van een oorbaar of in de

voorstelling van de organisatie edel einddoel41. Het bijzondere aan artikel 140a Sr, de

criminele terroristische Organisatie, is dat er een dubbel oogmerk is vereist: er moet een

oogmerk zijn tot het plegen van misdrijven met een terroristisch oogmerk. Voor een

bewezenverklaring voor de criminele terroristische Organisatie moet het naaste doel dus zijn

gelegen in het plegen van terroristische misdrijven42.

Voor het bewijs van het oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan

misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of

gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge

verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers

binnen de organisatie met het oog op het bereiken van liet gemeenschappelijke doel van de

organisatie, en, meet algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het

oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie43.

Jihadistische strijdgroepen

Deze rechtbank heeft in haar vonnis van 10 december 2015 vastgesteld dat er in ieder geval

Vanaf juli 2012 sprake is van een niet-internationaal gewapend conflict op het gehele

grondgebied van Syrië, tussen het Syrische regeringsleger en verscheidene georganiseerde

gewapende groepen zoals ISIL/ISIS/IS en Jabbat al-Nusra44. Op dat moment waren de

gewapende groepen voldoende georganiseerd, waardoor zij de beschikking hadden over

militaire wapens en voertuigen als tanks en artillerie en grootschalige militaire operaties

konden uitvoeren. Er was aldus sprake van verschillende samenwerkingsverbanden met een

grote mate van duurzaamheid en structuur. Zoals reeds overwogen, was het naaste doel van

deze verscheidene jihadistische strijdgroepen liet plegen van terroristische misdrijven en

kunnen zij derhalve worden beschouwd als criminele terroristische organisaties. Jabhat al

Nusra en IS zijn dan ook op de sanctielijsten van de EU en VN geplaatst als verboden

terroristische Organisaties45.

Deelneming

Vooropgesteld moet worden dat van deelneming aan een criminele (terroristische)

organisatie slechts dan sprake kan zijn, indien de betrokkene behoort tot het

samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die

strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk46. Elke dergelijke bijdrage, ook wel deelnemingshandeling genoemd, aan een organisatie kan

strafbaar zijn. Een deelnemingshandeling kan bestaan uit het (mede)plegen van enig

misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van

handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van hiervoor bedoeld aandeel of

ondersteuning kan worden gesproken47. Voorbeelden daarvan zijn het verlenen van

geldelijke bijdragen of andere stoffelijk steun aan alsmede het werven van gelden of

personen ten behoeve van de organisatie48.

Voor deelneming is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van

onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van (terroristische)

misdrijven. Enig vorm van opzet op de door de organisatie concreet beoogde concrete

misdrijven is niet vereist49.

Indien wordt aangesloten bij een jihadistische strijdgroep, zal altijd (direct of indirect) een bijdrage worden geleverd aan de strijdgroep en is daarmee sprake van het leveren van een feitelijke bijdrage en dus deelneming aan een criminele organisatie.

Conclusie

De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen over de gedragingen van verdachte en zijn intenties, waaruit – heel kort gezegd – volgt dat verdachte zich samen met [medeverdachte] en [Noureddin B.] heeft aangesloten bij een jihadistische strijdgroep. Uit voormelde bewijsmiddelen volgt voorts dat het hierbij ging om Jabhat al-Nusra. Gelet hierop kan de conclusie geen andere zijn dan dat ook bewezen kan worden verklaard dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen heeft deelgenomen aan een terroristische criminele organisatie.

7.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

1.

hij in de periode van 26 maart 2013 tot en met 27 mei 2014 te Syrië, met anderen,

heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten Jabhat al-Nusra, welke organisatie

tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, namelijk

> het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood

ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te)

begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het

Wetboek van Strafrecht) en/of

> doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

> moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

> het opzettelijk en wederrechtelijk doen zinken en/of stranden en/of

verongelukken en/of vernielen en/of onbruikbaar maken en/of beschadigen van

een vaartuig en/of voertuig en/of luchtvaartuig, terwijl daarvan levensgevaar

voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft

(zoals bedoeld in artikel 168 Wetboek van Strafrecht) (te) begaan met een

terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van

Strafrecht) en/of

> de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot

eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176b en/of 289a en/of 96

lid 2) en/of

> het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of van munitie van de

categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens

en Munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om

een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals

bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet Wapens en Munitie);

2.

hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 27 mei 2014 in Nederland en/of te Syrië,

tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de te plegen misdrijven:

> het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands

dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals

bedoeld in artikel 157 jo 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

> doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

> moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht)

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan

zich heeft verschaft en/of

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot

het plegen van het misdrijf

immers hebben hij, verdachte, en/of zijn mededaders

C. een auto verkocht ter financiering van de reis naar en/of verblijf in het strijdgebied

in Syrië en

E. de reis gemaakt naar Syrië ten behoeve van het zich begeven naar het

strijdgebied en

F. deelgenomen aan een trainingskamp van een of meerdere terroristische organisatie(s),

ten behoeve van de gewelddadige Jihadstrijd in Syrië en

G. in Syrië deelgenomen en/of bijgedragen aan de gewelddadige Jihadstrijd gevoerd door de terroristische organisatie Jabhat al-Nusra, en

H. in Syrië wapens gedragen en/of gebruikt,

in welke gewelddadige Jihadstrijd moord en/of doodslag en/of brandstichting

en/of het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een

terroristisch oogmerk;

EN

hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 27 mei 2014 in Nederland en te Syrië,

tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk zich gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of heeft

trachten te verschaffen en/of kennis en/of vaardigheden heeft verworven tot het plegen van

een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten:

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood

ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te)

begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het

Wetboek van Strafrecht) en/of

- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders

C. een auto verkocht ter financiering van de reis naar en/of verblijf in het strijdgebied

in Syrië en

E. de reis gemaakt naar Syrië ten behoeve van het zich begeven naar het

strijdgebied en

F. deelgenomen aan een van een of meerdere terroristische organisatie(s), ten behoeve

van de gewelddadige Jihadstrijd in Syrië en

G. in Syrië en/of Irak deelgenomen en/of bijgedragen aan de gewelddadige

Jihadstrijd gevoerd door de terroristische organisatie Jabhat al-Nusra en

H. in Syrië wapens, gedragen en/of gebruikt,

in welke strijd moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het

teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch

oogmerk.

8 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven;

ten aanzien van feit 2 eerste cumulatief/alternatief:

medeplegen van met het oogmerk om moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van een ontploffing, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden, zich gelegenheid, middelen en inlichtingen verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf;

ten aanzien van feit 2 tweede cumulatief/alternatief:

medeplegen van opzettelijk zich middelen verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf en zich daartoe kennis en vaardigheden verwerven.

9 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

10 De strafoplegging

10.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren wordt opgelegd.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de strafoplegging geen standpunt ingenomen.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Strijd in Syrië

Zoals hiervoor in dit vonnis kort is beschreven, heeft het regime van president al-Assad op uiterst gewelddadige wijze geprobeerd vreedzame protesten de kop in te drukken. Verzet tegen dit dictatoriale regime ontmoette dan ook in Nederland in brede kring sympathie.

Dat geldt niet voor het deelnemen aan jihadistische terroristische strijdgroepen. Het doel van dat hen voor ogen staat is naast het verjagen van het regime van al-Assad ook het vestigen van een islamitische staat, waarin de rechten van andersdenkenden – christenen, joden, sjiieten, alawieten en ook niet fundamentalistische soennieten – op zeer gewelddadige wijze worden geschonden. Door deze strijdgroepen worden op grote schaal ernstige mensenrechtenschendingen begaan, zoals standrechtelijke executies, moord, marteling, deportatie, verminking en verkrachting van krijgsgevangenen en burgers. Veel van de hierboven beschreven misdaden van de jihadistische strijdgroepen stonden in geen enkele relatie tot de strijd tegen het leger van president al-Assad, maar kwamen voort uit de godsdienstig gemotiveerde wens van deze groepen hun radicale versie van de sharia op een gewelddadige wijze op te leggen aan de burgerbevolking van de door hen veroverde gebieden. Veel van deze misdaden werden bovendien gepleegd met het uitdrukkelijke doel de bevolking in deze gebieden vrees aan te jagen. Daarmee zijn het ontegenzeggelijk terroristische misdrijven.

Op Nederland rust een internationale verplichting om terrorisme te bestrijden, ook als dat in een ander land plaatsvindt. Zoals hiervoor overwogen is het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië een terroristisch misdrijf. Het afreizen naar Syrië met dat doel moet daarom ontmoedigd worden.

Handelen verdachte

De jihadistische strijdgroepen in Syrië en/of Irak maken zich op grootschalige en systematische wijze schuldig aan gruwelijke terroristische misdrijven. Gezien de organisatiestructuren en vele strijders van deze groepen, hun werkwijzen en talloze slachtoffers lijkt het predicaat ‘criminele terroristische organisatie’ voor deze groepen geschreven. Verdachte is naar Syrië afgereisd en heeft zich daar aangesloten bij een dergelijke jihadistische strijdgroep, waar hij een gevechtsfunctie heeft gehad. Hij heeft daar in ieder geval ruim een jaar verbleven, maar strijdt vermoedelijk nu nog in Syrië of één van de omliggende – in staat van oorlog verkerende – landen. Daarmee heeft hij deelgenomen aan een criminele terroristische organisatie. Wegens de grote dreiging die uitgaat van dergelijke organisaties, wordt alleen al de deelneming daaraan bedreigd met een hoge gevangenisstraf. Bij de vaststelling van de duur van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf laat de rechtbank meewegen dat het hier dan ook om een voltooid delict gaat. Van de strafoplegging dient in deze zaak ook een niet mis te verstaan signaal van afschrikking uit te gaan aan anderen die voornemens zijn dit te doen. Met diezelfde gedragingen heeft verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen gericht op het plegen van onder meer moord en doodslag met een terroristisch oogmerk. Daarbij laat de rechtbank wel meewegen dat het onbekend is of, en zo ja, welk geweld tegen mensenlevens of dreiging daarmee verdachte tijdens zijn deelname aan de gewapende strijd heeft gepleegd.

Persoonlijke omstandigheden

Uit de justitiële documentatie van 9 mei 2017 betreffende verdachte, is gebleken dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat oplegging van de door de officieren van justitie geëiste straf passend en geboden is.

11 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 47, 57, 83, 96, 134a, 140a, 157, 176a, 176b, 288a, 289, 289a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

12 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2, eerste cumulatief/alternatief en 2, tweede cumulatief/alternatief, tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven;

ten aanzien van feit 2 eerste cumulatief/alternatief:

medeplegen van met het oogmerk om moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van een ontploffing, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden, zich gelegenheid, middelen en inlichtingen verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf;

ten aanzien van feit 2 tweede cumulatief/alternatief:

medeplegen van opzettelijk zich inlichtingen verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf en zich daartoe kennis en vaardigheden verwerven;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) JAREN.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A. van Steen, voorzitter,

mr. J.E. Bierling, rechter,

mr. E.A. Lensink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Sepmeijer-Kovacevic, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 juni 2017.

Mr. Lensink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

1.

hij in of omstreeks de periode van 26 maart 2013 tot en met 27 mei 2014 te

Syrië en/of Irak, met een of meer anderen,

heeft deelgenomen aan een of meerdere organisatie(s), te weten Jabhat al-Nusra

en/of Al Qaida en/of Islamitische Staat (IS) dan wel Islamic State of Iraq and

Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), althans (een) aan

Al Qaida en/of IS gelieerde terroristische gewelddadige Jihadistische

strijdgroep(en), althans (een) terroristische gewelddadige Jihadistische

strijdgroep(en),

welke organisatie(s) tot oogmerk had(den) het plegen van terroristische

misdrijven, namelijk

> het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood

ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te)

begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het

Wetboek van Strafrecht) en/of

> doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

> moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

> het opzettelijk en wederrechtelijk doen zinken en/of stranden en/of

verongelukken en/of vernielen en/of onbruikbaar maken en/of beschadigen van

een vaartuig en/of voertuig en/of luchtvaartuig, terwijl daarvan levensgevaar

voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft

(zoals bedoeld in artikel 168 Wetboek van Strafrecht) (te) begaan met een

terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van

Strafrecht) en/of

> de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot

eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176b en/of 289a en/of 96

lid 2) en/of

> het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of van munitie van de

categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens

en Munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om

een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals

bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet Wapens en Munitie);

art 140a lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 140a lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 mei 2014 te

Den Haag en/of elders in Nederland en/of te Syrië en/of Irak, tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het

(meermalen) te plegen misdrij(f)(ven):

> het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands

dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals

bedoeld in artikel 157 jo 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

> doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

> moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht)

- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen

plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe

gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan

zich of aan anderen heeft verschaft en/of

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot

het plegen van het misdrijf

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewelddadige

Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische)

organisaties Jabhat al-Nusra en/of Al Qaida en/of IS (voorheen ISIS en/of

ISIL), althans aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde organisaties, althans (een)

organisatie(s) die de gewelddadige Jihadstrijd voorstaat/voorstaan, eigen

gemaakt en/of

B. zich laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië

en/of

C. een of meer goed(eren) (onder andere een auto) verkocht ter financiering

van de reis naar en/of verblijf in het strijdgebied in Syrië en/of

D. geld geworven bij/gevraagd aan zijn ouders ten behoeve van de financiering

van de reis naar en/of het verblijf in het strijdgebied in Syrië en/of

E. de reis gemaakt naar Syrië ten behoeve van het zich begeven naar het

strijdgebied en/of

F. deelgenomen aan een trainingskamp van Majlis Shura Mujahideen, althans van

een of meerdere terroristische organisatie(s), ten behoeve van de gewelddadige

Jihadstrijd in Syrië en/of

G. in Syrië en/of Irak deelgenomen en/of bijgedragen aan de gewelddadige

Jihadstrijd gevoerd door de (terroristische) organisatie(s) IS/ISIS/ISIL en/of

Al Qaida en/of Jabhat al-Nusra, althans (een) aan IS en/of aan Al Qaida

gelieerde terroristische organisatie(s), althans (een) terroristische

organisatie(s) die de gewelddadige Jihadstrijd voorstaat/voorstaan en/of

H. in Syrië en/of Irak (vuur)wapens, althans een op een (vuur)wapen

gelijkend(e) voorwerp(en), gedragen en/of gebruikt, althans voorhanden gehad,

in welke gewelddadige Jihadstrijd moord en/of doodslag en/of brandstichting

en/of het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een

terroristisch oogmerk;

96 lid 2 jo 289 jo 289a jo 83 en 96 lid 2 jo 157 jo 176a jo 176b jo 83 Wetboek

van Strafrecht

EN/OF

134a SR

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 mei 2014 te

Den Haag en/of elders in Nederland en/of te Syrië en/of Irak, tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of

inlichtingen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen en/of kennis

en/of vaardigheden heeft verworven en/of (een) ander(en) heeft bijgebracht tot

het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding

en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten:

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood

ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te)

begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het

Wetboek van Strafrecht) en/of

- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewelddadige

Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische)

organisaties Jabhat al-Nusra en/of Al Qaida en/of IS (voorheen ISIS en/of

ISIL), althans aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde organisaties, althans (een)

organisatie(s) die de gewelddadige Jihadstrijd voorstaat/voorstaan, eigen

gemaakt en/of

B. zich laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië

en/of

C. een of meer goed(eren) (onder andere een auto) verkocht ter financiering

van de reis naar en/of verblijf in het strijdgebied in Syrië en/of

D. geld geworven bij/gevraagd aan zijn ouders ten behoeve van de financiering

van de reis naar en/of het verblijf in het strijdgebied in Syrië en/of

E. de reis gemaakt naar Syrië ten behoeve van het zich begeven naar het

strijdgebied en/of

F. deelgenomen aan een trainingskamp van Majlis Shura Mujahideen, althans van

een of meerdere terroristische organisatie(s), ten behoeve van de gewelddadige

Jihadstrijd in Syrië en/of

G. in Syrië en/of Irak deelgenomen en/of bijgedragen aan de gewelddadige

Jihadstrijd gevoerd door de (terroristische) organisatie(s) IS/ISIS/ISIL en/of

Al Qaida en/of Jabhat al-Nusra, althans (een) aan IS en/of aan Al Qaida

gelieerde terroristische organisatie(s), althans (een) terroristische

organisatie(s) die de gewelddadige Jihadstrijd voorstaat/voorstaan en/of

H. in Syrië en/of Irak (vuur)wapens, althans een op een (vuur)wapen

gelijkend(e) voorwerp(en), gedragen en/of gebruikt, althans voorhanden gehad,

in welke strijd moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het

teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch

oogmerk.

1 Vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280 en HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7;

2 Vgl. ook HR 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:23;

3 Vgl. artikel 1 van de Montevideo Convention on the Rights and Duties of States van 1933

4 Zie onder (veel) meer P.H. Kooijman, Internationaal Publiekrecht in Vogelvlucht, Deventer: Kluwer 2008, p. 26.

5 Rechtbank Den Haag, 10 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14365 (Context), hoofdstuk 3;

6 Voor een uitgebreide beschrijving van de ontwikkelingen in Syrië, zie rechtbank Den Haag, 10 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14365 (Context), hoofdstuk 6;

7 [deskundige] , februari 2016, p. 12;

8 Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic van de Human Rights Council van de Verenigde Naties (IICIS), 8th Report d.d. 13 augustus 2014;

9 [deskundige] , februari 2016, para 2.4.1; [deskundige] , februari 2014, paras. 4.1.2 en 4.2.7;

10 Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic van de Human Rights Council van de Verenigde Naties (IICIS), 8th Report d.d. 13 augustus 2014;

11 IICIS omschrijft dit in een Oral Update op 18 maart 2014 als “imposing their radical ideologies on the civilian population”, zie [deskundige] , februari 2016, para. 4.2.7;

12 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL2013-94449, van de politie eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 293) (hierna: ZD Peer);

13 Zie ook rechtbank Den Haag, 10 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14365 (Context), r.o. 15.3 t/m 15.9;

14 ZD Peer, p. 37 t/m 40;

15 ZD Peer, p. 27;

16 ZD Peer, p. 48;

17 ZD Peer, p. 18, 28, 92;

18 ZD Peer, p. 80 t/m 82, 85, 88, 89,

19 ZD Peer, p. 206;

20 ZD Peer, p. 18;

21 ZD Peer, p. 27;

22 Proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 2] bij de rechter-commissaris van deze rechtbank van 5 oktober 2016;

23 ZD Peer, p. 37;

24 ZD Peer, p. 105;

25 ZD Peer, p. 39;

26 ZD Peer, p. 44;

27 ZD Peer, p. 236;

28 Daan Weggemans, Ruud Peters en Edwin Bakker, Bestemming Syrië: Een exploratieve studie naar de leefsituatie van Nederlandse ‘uitreizigers’ in Syrië, Universiteit Leiden en Universiteit van Amsterdam, 3 januari 2016, hoofdstuk 6;

29 ZD Peer, p. 37;

30 ZD Peer, p. 238 en 239;

31 ZD Peer, p. 164;

32 ZD Peer, p. 94;

33 ZD Peer, p. 19;

34 ZD Caramel, p. 1865 en 1866;

35 ZD Peer, p. 193;

36 Rechtbank Den Haag, 10 december 2015, ECLI:RBDHA:2015:14365 (Context), hoofdstuk 18;

37 ECLI:NL:HR:2010:BK5193, r.o. 4.3;

38 ECLI:NL:HR:2007:BA0502, r.o. 3.4;

39 ECLI:NL:GHDHA:2015:1082, r.o. 10.6.1.1.2;

40 Kamerstukken II, vergaderjaar 2001-2002, 28 463, nr. 3, p. 9;

41 HR 6 oktober 1992 NJ 1993, 100 en HR 8 mei 1978 NJ 1978, 314;

42 ECLI:NL:GHDHA:2015:1082, r.o. 10.6.1.1.2;

43 ECLI:NL:HR:2007:BA0502, r.o. 3.4;

44 United Nations Human Rights Council, Third report of the Independent Internatinal Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic, U.N. Doc. A/HRC/21/50 (16 August 2012); ICRC, Syria: ICRC and Syrian Arab Red Crescent maintain aid effort amid increased fighting, 17 juli 2012;

45 Jabhat al Nusra is op 29 mei 2013 en 30 mei 2013 op respectievelijk de EU sanctielijst en de VN sanctielijst geplaatst; IS (toen nog ISIL) is op 30 mei 2013 en 1 juli 2013 op respectievelijk de VN sanctielijst en EU sanctielijst geplaatst, zie [deskundige] , februari 2016, p. 89 en 131;

46 ECLI:NL:HR:2015:264, r.o. 4.3;

47 HR 3 juli 2012 LNJ BW5132, r.o. 2.2.3 en 2.4;

48 Zie: artikel 140a, derde lid Sr jo. 140, vierde lid Sr;

49 HR 8 oktober 2002 NJ 2003, 64 r.o. 3.3;