Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6751

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 23741
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ogg, feitelijke gezinsband verbroken door huwelijk, nog thuiswonend, artikel 8 evrm, vertrouwensbeginsel.

Wetsverwijzingen
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/23741

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).

Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 16 december 2014 ingetrokken en eisers aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.

Bij besluit van 20 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2016.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1989 en heeft de Russische nationaliteit. Eiser is sinds 23 maart 2010 in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verruimde gezinshereniging bij ouder [persoon 1] ’. Deze vergunning was geldig tot 21 februari 2013 en is laatstelijk verlengd tot 21 februari 2019.

2. Op 16 december 2014 is eiser in het huwelijk getreden met mevrouw [persoon 2] . Op 1 oktober 2015 heeft eiser een aanvraag tot wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning naar ‘niet tijdelijke humanitaire gronden’ ingediend.

3. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen en daarnaast de aan eiser verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 16 december 2014 ingetrokken. Verweerder geeft daarvoor - kort samengevat - als reden aan dat eiser door zijn huwelijk niet langer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning aan hem is verleend. Volgens verweerder is daarmee namelijk de gezinsband met zijn moeder verbroken.

4. Eiser voert aan dat de gezinsband met zijn moeder door zijn huwelijk met mevrouw [persoon 2] niet is verbroken. Eiser ziet niet in waarom hij niet met zijn moeder én zijn echtgenote een feitelijke gezinsband zou kunnen hebben en hij verwijst in dat verband naar paragraaf B7/3.2.1 van de Vc waarin staat dat verweerder in Nederland buitenshuis wonende kinderen nog feitelijk tot het gezin van hun ouder(s) behorend acht, als die (al dan niet met een studiebeurs) een volledige dagopleiding volgen. Eiser is weliswaar getrouwd, maar hij woont nog altijd bij zijn moeder en wordt financieel onderhouden door zijn moeder omdat hij een volledige dagopleiding volgt. Voorts doet eiser een beroep op het vertrouwensbeginsel.

Verder stelt eiser dat verweerder zijn aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Hiertoe voert hij aan dat hij als meerderjarige naar Nederland is gekomen in het kader van verruimde gezinshereniging. Verweerder heeft volgens eiser in het bestreden besluit ten onrechte nagelaten om gemotiveerd uiteen te zetten dat sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat terugzending naar Rusland thans niet van een onevenredige hardheid zou getuigen en redelijkerwijze van eiser gevergd kan worden. Bij deze beoordeling dient ook rekening te worden gehouden met de banden van eiser (en zijn studerende vrouw) met Nederland en Rusland. Tot slot doet eiser een beroep op het bepaalde in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waarbij hij onder verwijzing naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens stelt dat hij als jongvolwassene moet worden beschouwd.

5.1

Ingevolge artikel 19 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang met artikel 18, eerste lid, onder f, van de Vw kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw worden ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.

5.2

Ingevolge B7/3.2.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) neemt verweerder in ieder geval niet aan dat een kind feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s), als bedoeld in artikel 3.14, aanhef en onder c, van de Vb, als:

  • -

    Het kind zelfstandig woont en in eigen onderhoud voorziet: of

  • -

    Het kind een zelfstandig gezin vormt door het aangaan van een huwelijk of relatie.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1

De rechtbank is, mede gelet op het bepaalde in B7/3.2.1 van de Vc, van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat de feitelijke gezinsband tussen eiser en zijn moeder is verbroken doordat eiser in het huwelijk is getreden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eisers stelling dat hij nog altijd zowel emotioneel als financieel afhankelijk is van zijn moeder, niet nader is gemotiveerd noch door middel van stukken is aangetoond. Het enkele feit dat eiser nog bij zijn moeder inwoont en financiële bijdragen van haar ontvangt, is hiertoe onvoldoende.

6.2

Voorts is de rechtbank, anders dan eiser, van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien de intrekking van de verblijfsvergunning in afwijking van de in de Vc neergelegde beleidsregels achterwege te laten. Verweerder heeft alle in dit verband relevante omstandigheden betrokken in zijn beoordeling en bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat hiervan geen sprake is.

6.3

Ten aanzien van eisers beroep op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank als volgt. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is volgens vaste rechtspraak vereist dat aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 juni 2012, in zaak nr. 201109458/1/R1).

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet is gebleken van een door een medewerker van verweerder gedane toezegging in vorenbedoelde zin. Het niet aanstonds intrekken van eisers verblijfsvergunning, na het bij verweerder bekend worden van het gesloten huwelijk, volstaat in dit verband niet. Hoewel de rechtbank voorts wel wil aannemen dat eiser naar een loket van de IND is geweest en dat hij heeft gevraagd wat de gevolgen van zijn voorgenomen huwelijk zouden zijn voor zijn verblijfsstatus, heeft hij zijn stelling dat er is toegezegd dat zijn huwelijk geen gevolgen zou hebben voor zijn verblijfsstatus op geen enkele manier met stukken onderbouwd. Bovendien heeft verweerders gemachtigde ter zitting onweersproken gesteld dat de door eiser bedoelde loketmedewerkers in dit verband niet beslissingsbevoegd zijn. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

6.4

Voor zover eiser zich ter zitting, onder verwijzing naar een rapport van de Nationale Ombudsman, op het standpunt heeft gesteld dat er een verplichting aan de kant van verweerder was om in onderhavig geval actief informatie te verstrekken aan eiser, faalt dit evenzeer. De enkele stelling van eiser dat hij zou hebben gewacht met het huwelijk als hij had geweten welke gevolgen dit zou hebben voor zijn verblijfsvergunning, maakt niet dat verweerder een niet adequate informatieverstrekking verweten kan worden.

6.5

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder eisers verblijfsvergunning op goede gronden heeft ingetrokken per 16 december 2014.

6.6

Het bovenstaand oordeel brengt eveneens met zich mee dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb, aangezien hij niet vijf jaar in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning.

7.1

Ten aanzien van eisers standpunt dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’, op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder k, van het Vb, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in eisers geval niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat hij blijvend op verblijf in Nederland is aangewezen. Eisers stelling in dit verband, dat hij emotioneel en financieel afhankelijk is van zijn moeder, heeft verweerder onvoldoende kunnen achten. Zoals hiervoor reeds overwogen heeft eiser deze gestelde afhankelijkheid niet nader onderbouwd noch met stukken aangetoond. Met verweerder is de rechtbank voorts van oordeel dat ook anderszins niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden in vorenbedoelde zin.

7.2

Eisers beroep op het bepaalde in artikel 8 EVRM slaagt niet. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de eerder aanwezig geachte afhankelijkheidsband met eisers moeder is verbroken nadat eiser is getrouwd. Niet is gebleken van een meer dan normale afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn moeder, nadat hij in het huwelijk is getreden. Anders dan door eiser gesteld, heeft verweerder hierbij de juiste toets aangelegd, nu eiser – nog afgezien van zijn leeftijd – ten gevolge van zijn huwelijk niet tot het gezin van zijn moeder is blijven behoren. Wat betreft het gezinsleven tussen eiser en zijn Nederlandse echtgenote ziet de rechtbank, met verweerder, niet in dat van eisers vrouw niet verwacht kan worden dat zij zich in Rusland vestigt. Dat zij nog een studie volgt en dat zij de taal (nog) niet spreekt, maakt niet dat er sprake is van onoverkomelijke bezwaren om in Rusland te gaan wonen. Ten aanzien van het eveneens door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op privéleven overweegt de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat eiser zodanig geïntegreerd is in de Nederlandse samenleving en de Russische samenleving zozeer ontwend is dat zijn terugkeer naar Rusland niet zou kunnen worden verlangd. Daarbij mocht verweerder in aanmerking nemen dat eiser in Rusland heeft gewoond tot begin 2010, toen eiser (bijna) 21 jaar was, zodat mag worden aangenomen dat er nog steeds sterke banden zijn met Rusland. Verweerder heeft ook in aanmerking mogen nemen dat eiser nog familie in Rusland heeft bezocht na zijn komst naar Nederland. De omstandigheid dat eiser in Nederland een studie volgt en dat hij, naar hij stelt, in Nederland meer vrienden heeft dan in Rusland, heeft verweerder niet tot een ander oordeel hoeven leiden.

7.3

Met verweerder is de rechtbank voorts van oordeel dat Richtlijn 2003/86 EG (de Gezinsherenigingsrichtlijn) in dit geval toepassing mist. Eiser valt immers, als meerderjarig gehuwd kind, niet onder de werkingssfeer van deze richtlijn gelet op artikel 4, tweede lid, sub b van de richtlijn. Dit artikel spreekt specifiek over minderjarige kinderen die ongehuwd zijn. Het beroep van eiser op toepassing van deze richtlijn kan derhalve niet slagen.

8. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord. De rechtbank verwerpt deze beroepsgrond. Uit het bezwaarschrift, beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door eiser is aangevoerd en met de motivering van de bestreden beschikking, was op voorhand in redelijkheid geen twijfel mogelijk dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst van het geschil had kunnen leiden. Verweerder heeft daarom op goede gronden geoordeeld dat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond was als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.

9. Het beroep is ongegrond

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.