Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6719

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-06-2017
Datum publicatie
04-07-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 11109
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel lidmaatschap Hezbollah

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/11106

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. H.C.Ch. Kneuvels),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. L.T. Krabbenborg).

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen als kennelijk ongegrond, bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten en tegen eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.

Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2017, tezamen met de behandeling van de zaak AWB 17/11109.

Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij op [geboortedatum] 1989 is geboren en dat hij de Libanese nationaliteit heeft.

Eiser heeft op 13 februari 2017 de onderhavige asielaanvraag ingediend.

Eiser heeft bij de indiening van de aanvraag en in het aanmeldgehoor verklaard dat hij de Syrische nationaliteit heeft. In het eerste gehoor heeft eiser verklaard dat hij niet de Syrische, maar de Libanese nationaliteit heeft en dat hij dit niet eerder heeft verteld omdat hij bang was om naar Libanon, alwaar hij gevaar loopt, te worden teruggestuurd.

Eiser heeft aan zijn asielaanvraag, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is nagenoeg analfabeet. Eiser heeft in november 2013 aan een conferentie van Hezbollah in Libanon deelgenomen, omdat hij had gehoord dat Hezbollah op zoek was naar medewerkers voor een civiele baan, het verspreiden van voedselvoorraden in vluchtelingenkampen. Eiser heeft zich na afloop van de conferentie als vrijwilliger aangemeld voor deze baan. Eiser heeft een contract ondertekend, zonder de inhoud ervan te hebben gelezen. Aan hem werd ook geen kopie van dit contract gegeven. Eiser dacht dat hij ging werken voor een stichting voor goede doelen en dat het alleen om civiele werkzaamheden ging. Eiser heeft dit werk gedaan tussen januari 2014 en mei 2016. In 2016 is eiser meerdere malen en op verschillende manieren, mondeling en per brief, benaderd door Hezbollah om deel te nemen aan de gewapende strijd in Syrië tegen Syrische oppositiegroeperingen. Eiser heeft herhaaldelijk aangegeven dat hij niet wil meevechten in Syrië en heeft geprobeerd om zich aan de oproepen te onttrekken, maar tegen hem werd er gezegd dat toen hij zich als vrijwilliger had ingeschreven, hij een contract getekend had voor lidmaatschap bij Hezbollah en daarom verplicht is om hun opdrachten uit te voeren. Om zich aan de laatste schriftelijke oproep te onttrekken is eiser ondergedoken. Er zijn toen mensen van Hezbollah in zijn ouderlijke huis gekomen op zoek naar hem. Er heeft toen een opstootje plaatsgevonden waarbij een neef van eiser, van Nederlandse nationaliteit, die toen bij eisers moeder op bezoek was, per ongeluk doodgeschoten werd. Dit incident en de toenemende druk op eiser heeft eiser doen besluiten om na ruim een week te zijn ondergedoken uit Libanon te vluchten.

Eiser kan niet naar Libanon terugkeren, omdat hij vreest dat als hij met deelname aan het gevecht in Syrië niet instemt, hij door Hezbollah zal worden vermoord. Eiser kan geen bescherming krijgen van de autoriteiten in Libanon, omdat zij alles doen wat Hezbollah aan hen vraagt.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond, op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, e en h, van de Vw 2000. Daarbij is bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en is tegen eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.

Verweerder acht de volgende elementen uit het asielrelaas relevant voor de beoordeling van de aanvraag:

- nationaliteit, identiteit en herkomst;

- gedwongen rekrutering door Hezbollah.

Verweerder twijfelt niet aan de herkomst van eiser uit Libanon. Verweerder heeft overwogen dat vooralsnog niet getwijfeld wordt aan de identiteit en nationaliteit van eiser.

Verweerder acht echter de gedwongen rekrutering door Hezbollah ongeloofwaardig.

3. Eiser heeft in de beroepsgronden, onder verwijzing naar de zienswijze, samengevat, het volgende aangevoerd.

Verweerder heeft eiser ten onrechte tegengeworpen dat hij inconsistente en ongerijmde verklaringen heeft afgelegd. Het bestreden besluit is gebaseerd op veronderstellingen, psychologische interpretaties van gedragingen van zowel eiser als Hezbollah en op verwachtingslijnen van verweerder, waarbij ten onrechte voorbij is gegaan aan de door eiser gegeven uitleg.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat er gedwongen rekrutering door Hezbollah plaatsvindt verwijst eiser naar een rapport van de Immigration and Refugee Board of Canada en een artikel van de Party of God Hezbollah van juli 2015. Eiser voert voorts aan dat uit een artikel op now.mmedia.me, waarnaar verweerder in het bestreden besluit heeft verwezen, af te leiden valt dat sprake is van betaald rekruteren.

Eiser voert verder aan dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende aandacht heeft besteed aan de positie van eiser als deserteur en aan de macht van Hezbollah. Het feit dat verweerder geen kwetsbare minderheidsgroepen heeft aangeduid in het beleid, betekent niet dat bepaalde groepen zoals deserteurs, geen gevaar lopen bij terugkeer.

Verweerder heeft voorts de aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond afgewezen.

Eiser heeft het valse Italiaans paspoort slechts gebruikt om te reizen en niet om asiel aan te vragen. Eiser verwijst in dit verband naar een uitspraak van 4 maart 2016 van de rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, ECLI:NL:RBDHA:2016:5490.

Verweerder gebruikt ten onrechte de verklaringen van eiser uit het aanmeldgehoor, nu eiser deze niet ten grondslag aan zijn asielaanvraag heeft gelegd. Eiser heeft in de Algemene Asielprocedure, welke aanvangt met het eerste gehoor, gelijk naar voren gebracht dat hij bij het aanmeldgehoor onjuiste gegevens had verschaft. Dat de Algemene Asielprocedure aanvangt met het eerste gehoor, blijkt tevens uit de brochure van de Immigratie- en Naturalisatiedienst “Voordat u uw asielprocedure begint”.

Artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 is in dit geval niet van toepassing, nu de aantoonbare onjuiste gegevens naar voren zijn gebracht buiten de asielprocedure. Artikel 66a, lid 1a, van de Vw 2000 kan dan ook niet worden toegepast.

Het inreisverbod kan niet in stand blijven, nu er geen sprake is van kennelijke ongegrondheid van de aanvraag. Eiser verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015, in de zaak Z. Zh. en I.O., ECLI:EU:C:2015:377, en stelt dat het inreisverbod ondeugdelijk is gemotiveerd.

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder afdoende heeft gemotiveerd waarom de gedwongen rekrutering door Hezbollah niet geloofwaardig wordt geacht.

Eiser heeft zijn gestelde lidmaatschap bij Hezbollah niet met documenten onderbouwd en heeft vaag en summier verklaard over hoe hij lid van Hezbollah is geworden. Verweerder heeft niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser geen enkel bewijsstuk over zijn lidmaatschap kan overleggen. De enkele, niet nader onderbouwde, stelling van eiser dat Hezbollah geen exemplaar van het contract afstaat, heeft verweerder onvoldoende kunnen achten. Verweerder heeft eveneens niet aannemelijk kunnen achten dat eiser een contract met Hezbollah zou hebben ondertekend zonder enige kennis van de inhoud van het contract te hebben gehad. Verweerder heeft daarbij kunnen overwegen dat het zeer opmerkelijk is dat eiser zich als vrijwilliger heeft aangemeld, maar voor zijn werkzaamheden als bijrijder om voedselpakketten uit te delen, 400 Amerikaanse dollars per maand kreeg. Verweerder heeft kunnen overwegen dat niet aannemelijk is dat de leiding van deze tak van Hezbollah door onbetaalde vrijwilligers wordt gerund, maar dat een vrijwilliger als eiser wel zeer goed betaald wordt. Verweerder heeft eiser voorts kunnen tegenwerpen dat eiser summier en onvoldoende concreet heeft verklaard over zijn werkzaamheden bij de vluchtelingenkampen.

De publicaties waarnaar eiser heeft verwezen, onderbouwen zijn asielrelaas evenmin, nu uit deze publicaties niet onomstotelijk blijkt dat de gestelde praktijk van gedwongen rekrutering door Hezbollah wel degelijk, en op de door eiser beschreven wijze, plaatsvindt. Daarentegen blijkt uit een rapport van de Finse Immigratiedienst, waarnaar verweerder in het bestreden besluit heeft verwezen, dat Hezbollah uitsluitend leden accepteert die zij kan vertrouwen en dat het moeilijk voor haar zou zijn om mensen te dwingen deel te nemen van de beweging.

Dat in het artikel van de Party of God van juli 2015 gesproken wordt over gedwongen rekrutering door Hezbollah, maakt het algemene beeld over de wervingspraktijk van Hezbollah niet anders, reeds omdat dit artikel niet uit een objectieve bron afkomstig is en de daarin vervatte informatie niet ondersteund wordt door informatie uit gezaghebbende bronnen.

Verweerder heeft op grond van het vorenstaande, in combinatie met de vage en ongerijmde verklaringen van eiser over zijn lidmaatschap, de gestelde problemen van eiser met Hezbollah eveneens ongeloofwaardig kunnen achten. Verweerder heeft niet aannemelijk kunnen achten dat eiser na twee jaar werken voor Hezbollah als vrijwilliger die voedselpakketten uitdeelt, plots benaderd zou zijn om tegen de oppositie in Syrië te gaan vechten, alsmede dat eiser meerdere keren benaderd zou zijn en ook nog denktijd gekregen zou hebben. Eiser heeft bovendien vaag en wisselend verklaard over de frequentie, de manier van de benaderingen en de momenten waarop deze hebben plaatsgevonden. Verweerder heeft kunnen overwegen dat niet valt in te zien dat Hezbollah, indien het uiteindelijke doel was om eiser gedwongen te rekruteren, zoveel tijd, moeite en energie steekt om eiser te bewegen deel te nemen aan de strijd in Syrië. Verweerder heeft de gang van zaken omtrent de gestelde benaderingen ongeloofwaardig kunnen achten, nu eiser daardoor ruim de mogelijkheid zou hebben gehad om zich aan de gestelde gedwongen rekrutering te onttrekken..

Nu verweerder de gestelde problemen van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht, heeft verweerder eveneens ongeloofwaardig kunnen achten dat het gestelde incident met een neef van eiser, in het door eiser geschetste kader van bedreiging door Hezbollah, heeft plaatsgevonden.

Verweerder heeft gezien het vorenstaande dan ook ongeloofwaardig kunnen achten dat eiser vanwege het zijn van deserteur, bij terugkeer naar Libanon te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag voor bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dit geldt te meer nu eiser heeft verklaard dat hij Libanon zonder problemen, op een gecontroleerde wijze en met zijn eigen paspoort, heeft kunnen uitreizen.

5. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder de aanvraag op goede gronden als kennelijk ongegrond heeft afgewezen.

Verweerder heeft niet ten onrechte artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 van toepassing geacht, nu eiser in het aanmeldgehoor onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn nationaliteit. Aan de omstandigheid dat eiser deze onjuiste informatie voor de aanvang van het eerste gehoor heeft verstrekt, komt niet de door eiser gewenste betekenis toe, nu eiser daarmee reeds een poging heeft gedaan het onderzoek te belemmeren door onjuiste personalia op te geven. Het beroep van eiser op de uitspraak van 4 maart 2016 van de rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, ECLI:NL:RBDHA:2016:5490, slaagt niet aangezien aan eiser, anders dan in die zaak, niet het gebruikmaken van een vals paspoort wordt tegengeworpen, maar het feit dat eiser de Nederlandse autoriteiten, bij wie hij om internationale bescherming heeft verzocht, misleid heeft over zijn nationaliteit. Verondersteld mag worden dat eiser vertrouwen stelt in de Nederlandse autoriteiten om alle relevante feiten en omstandigheden aan te voeren die van belang zijn bij de beoordeling van zijn asielaanvraag. Nu bij aanvang van het aanmeldgehoor bovendien duidelijk is vermeld dat eiser naar waarheid dient te verklaren, heeft verweerder de omstandigheid dat eiser een onjuiste nationaliteit heeft opgegeven niet ten onrechte voor zijn rekening en risico gelaten.

Verweerder heeft aan eiser ook artikel 30b, eerste lid, onder h van toepassing, van de Vw 2000 niet ten onrechte tegengeworpen, nu eiser heeft verklaard dat hij voor het eerst in 2016 in Nederland is ingereisd, toen hij op weg naar Frankrijk was om via Frankrijk naar Engeland door te reizen, maar eerst een asielaanvraag heeft ingediend nadat zijn doorreis naar Engeland niet lukte. Van zo snel mogelijk indienen van een asielaanvraag is dan ook geen sprake.

Volledigheidshalve overweegt de rechtbank dat verweerder ook artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 niet ten onrechte van toepassing heeft geacht, nu eiser op meerdere punten van zijn relaas, onder andere over het lidmaatschap bij Hezbollah en de benaderingen door Hezbollah, kennelijk tegenstrijdige en duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd.

6. Nu verweerder de aanvraag als kennelijk ongegrond mocht afwijzen, heeft verweerder conform artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. In hetgeen eiser heeft aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen die verweerder redelijkerwijs tot een andersluidend besluit met betrekking tot de vertrektermijn zouden moeten leiden.

7. Tegen het uitvaardigen van een inreisverbod zijn geen zelfstandige gronden aangevoerd, dan wel individuele omstandigheden op grond waarvan verweerder van het uitvaardigen van een inreisverbod zou moeten afzien. Het enkele verwijzen naar het arrest Z. Zh. en I.O., ECLI:EU:C:2015:377, is daartoe onvoldoende, nu eiser niet heeft geconcretiseerd wat de relevantie van dit arrest voor zijn geval is.

Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het inreisverbod onrechtmatig is opgelegd.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.