Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6711

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
C/09/515621 / HA ZA 16-893
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot schadevergoeding van illegaal uit Brazilië geadopteerde zoon jegens juridische ouders afgewezen. De vordering betreffende de illegale adoptie zelf is verjaard en de juridische ouders hebben nadien niet onrechtmatig gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3522
PS-Updates.nl 2017-0569
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/515621 / HA ZA 16-893

Vonnis van 5 juli 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] , [land] ,

eiser,

advocaat mr. G.J.W. Pulles te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagden,

advocaat mr. K. Zeylmaker te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en de juridische ouders genoemd worden. De juridische ouders zullen afzonderlijk worden aangeduid als de juridische vader en de juridische moeder.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 juni 2016 met producties 1 tot en met 17;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 en 2;

  • -

    het tussenvonnis van 9 november 2016, waarin een comparitie van partijen ten overstaan van de meervoudige kamer van deze rechtbank is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 3 maart 2017 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Na afloop van de comparitie hebben partijen geprobeerd tot overeenstemming te komen. [eiser] en de juridische ouders hebben de rechtbank bij brieven van 6 april 2017, respectievelijk 4 april 2017 bericht dat deze poging niet is geslaagd. [eiser] heeft daarbij te kennen gegeven dat hij een conclusie van repliek wenst te nemen. De juridische ouders hebben bij e-mail van 7 april 2017 bezwaar gemaakt tegen dit verzoek. Bij rolbeslissing van 7 april 2017 is het verzoek tot het nemen van re- en dupliek afgewezen.

1.3.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is, met hun instemming, buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen van feitelijke aard op de verslaglegging te maken. De juridische ouders hebben bij brief van 18 april 2017 van die mogelijkheid gebruik gemaakt, [eiser] heeft bij brief van 26 april 2017 op het proces-verbaal gereageerd. De juridische ouders hebben op hun beurt bij brief, gedateerd 28 april 2017, verzocht de reactie van [eiser] buiten beschouwing te laten, nu deze méér inhoudt dan een reactie op de verslaglegging van de zitting. De rechtbank wijst dit vonnis met inachtneming van de opmerkingen van partijen bij het proces-verbaal, voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Voor het overige beschouwt de rechtbank de opmerkingen die [eiser] bij brief van 26 april 2017 heeft gemaakt als partijstandpunten. Ook die betrekt zij in haar beoordeling, voor zover de juridische ouders daarop al eerder hebben kunnen reageren.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is geboren op 6 februari 1980 in São Paulo, Brazilië, maar is met zijn precieze geboortedatum pas later bekend geworden. Hij is – overigens van jongs af aan in de wetenschap dat hij vanuit Brazilië afkomstig is en niet hun biologische kind is – opgegroeid in het gezin van de juridische ouders.

2.2.

De juridische ouders, die geen biologische kinderen konden krijgen, hebben zich voorafgaand aan de geboorte van [eiser] laten informeren over de mogelijkheden voor interlandelijke adoptie. Zij werden echter afgeschrikt door de lange wachttijd die verbonden was aan een dergelijke procedure. Via de juridische grootvader moederszijde van [eiser] (hierna: de juridische grootvader) kwamen zij in contact met mr. [A] (hierna: [A] ), een oud-collega van de juridische grootvader, die op dat moment werkzaam was voor de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging te São Paulo. [A] vertelde de juridische ouders dat het voor hen mogelijk was om op korte termijn een kind te adopteren vanuit Brazilië.

2.3.

Op of omstreeks 6 februari 1980 ontvingen de juridische ouders via de juridische grootmoeder moederszijde (hierna: de juridische grootmoeder) telefonisch bericht dat er in een ziekenhuis te São Paulo een jongetje was geboren, wiens biologische moeder al voor zijn geboorte afstand had gedaan. Aan de juridische ouders werd daarnaast meegedeeld dat het jongetje via een keizersnede was geboren. De juridische ouders zijn daarop naar São Paulo gereisd, waar zij op 15 februari 1980 zijn gearriveerd.

2.4.

Op of omstreeks 11 februari 1980 is [eiser] vanuit het ziekenhuis waarin hij was geboren overgebracht naar het kindertehuis Lar Jumbinho in een buitenwijk van São Paulo. De voorzitster van dit kindertehuis was op dat moment de Nederlandse [B] (hierna: [B] ). [eiser] is uit het ziekenhuis opgehaald door de Nederlandse [C] (hierna: [C] ), die op dat moment als vrijwilligster in het kindertehuis werkte. Zij werd vergezeld door mevrouw [D] (hierna: [D] ), die was belast met de dagelijkse leiding van het kindertehuis en [D] ’s broer [E] .

2.5.

Op 16 februari 1980 is [eiser] in de nabijheid van het kindertehuis overhandigd aan de juridische ouders. De fysieke overdracht is verricht door [D] , in aanwezigheid van [A] . Aan de juridische ouders is bij de overdracht geen informatie gegeven over de afstamming of geboortedatum van [eiser] . Toen [eiser] aan de juridische ouders werd overhandigd, was het stompje van de navelstreng nog niet afgevallen.

2.6.

De juridische ouders hebben op 21 februari 1980 in São Paulo aangifte gedaan van de geboorte van [eiser] . Zij hebben daarbij aangegeven dat hij hun eigen biologische kind is en hebben als geboortedatum 18 februari 1980 opgegeven.

2.7.

De juridische ouders hebben ter gelegenheid van de overdracht van [eiser] aan hen een donatie gedaan aan het kindertehuis Lar Jumbinho. Zij hebben in verband daarmee een brief ontvangen, gedateerd 25 februari 1980 en ondertekend door [F] (hierna: [F] ) in zijn hoedanigheid van penningmeester van Lar Jumbinho. De brief luidt als volgt:

“Langs deze weg willen wij U, namens de 49 kinderen van het weeshuis Lar Jumbinho van dona [D] , hartelijk dankzeggen voor Uw financiele steun die wij mochten ontvangen.

De 4.700 cruzeiros en de 600 gulden zijn gedeponeerd op de rekening van het Lar Jumbinho e zullen worden gebruikt voor de normale huishoudelijke behoefte.”

2.8.

Op 5 maart 1980 hebben de juridische ouders een gesprek gehad met [C] , die [eiser] had opgehaald uit het ziekenhuis.

2.9.

Op 7 maart 1980 zijn de juridische ouders met [eiser] naar Nederland gereisd, alwaar zij hem hebben laten opnemen in de gemeentelijke basisadministratie als hun biologische zoon.

2.10.

De juridische ouders hebben van jongs af aan aan [eiser] verteld dat hij is geadopteerd vanuit Brazilië. Dat zij hem hebben aangegeven als hun biologische zoon, is hem daarbij niet meegedeeld.

2.11.

In 1981 is een landelijk onderzoek ingesteld naar illegale adoptie door Nederlandse ouders. In het kader van dit onderzoek zijn onder meer de juridische ouders op 2 maart 1982 gehoord door het Korps Rijkspolitie, district Amsterdam, als verdachten terzake het plegen van verduistering van staat ten opzichte van een Braziliaanse baby. Blijkens het proces-verbaal van verhoor hebben de juridische ouders verklaard dat [eiser] niet op 18 februari 1980 is geboren uit de juridische moeder, maar vermoedelijk enkele dagen daarvoor uit een onbekende Braziliaanse moeder. De namen van degenen die betrokken waren bij de overdracht van [eiser] aan hen, hebben zij ter bescherming van deze personen niet willen noemen. Het strafrechtelijk onderzoek is op 3 oktober 1984 afgerond met een beslissing tot sepot.

2.12.

Naar aanleiding van het politieverhoor is op 28 september 1982 door de Raad voor de Kinderbescherming een gezinsonderzoek ingesteld om te bezien of het verantwoord was dat [eiser] bij de juridische ouders zou blijven. Bij brief van 13 oktober 1982 heeft de directeur van de Raad voor de Kinderbescherming te Rotterdam aan de Directie Kinderbescherming van het Ministerie van Justitie meegedeeld dat het onderzoek geen bijzonderheden heeft opgeleverd.

2.13.

In december 1984 hebben de juridische ouders verzocht om beginseltoestemming voor de opname van een tweede buitenlands kind in hun gezin. In verband met dit verzoek heeft de Raad voor de Kinderbescherming te Rotterdam in maart 1985 een gezinsonderzoek verricht. Naar aanleiding van het uitgebrachte rapport, is aan de juridische ouders beginseltoestemming verleend. In 1986 hebben de juridische ouders via adoptie een tweede Braziliaans jongetje opgenomen in hun gezin.

2.14.

Rond de jaarwisseling 2000/2001 is [eiser] geïnteresseerd geraakt in zijn herkomst. Hij heeft in het voorjaar van 2001 een eerste reis naar Brazilië ondernomen om zijn biologische familie te zoeken. Vlak voorafgaand aan zijn vertrek hebben zijn juridische ouders hem geïnformeerd over het feit dat zij hem – in strijd met de waarheid – hebben aangegeven als hun biologische kind.

2.15.

Op 30 januari 2001, voorafgaand aan de eerste reis van [eiser] naar Brazilië, heeft de juridische moeder een brief aan [G] (hierna: [G] ) geschreven. De juridische ouders waren met [G] in contact gekomen bij de adoptie van hun tweede zoon uit Brazilië. De brief luidt – voor zover thans van belang – als volgt:

“Dank voor je telefoontje van gisteren. Ik stel het bijzonder op prijs dat je probeert om voor [eiser] nog nadere informatie te vinden. Echter, om mogelijke misverstanden uit te sluiten stuur ik je hierbij aanvullende gegevens. Ik besef heel goed de situatie van [B] [ [B] , rb]. Het mag niet zo zijn dat door omstandigheden naar de “verkeerde” wordt gezocht. Ik besef hoe gevoelig het nog steeds ligt in Brazilië.

Ik heb bepaalde details (nog) niet aan [eiser] verteld. Mocht de zoektocht van [B] en/of [… 1] niets opleveren, dan voegt dat voor [eiser] er niets meer aan toe. Emotioneel kan hij op dit moment niet veel meer hebben. Ik vraag jou begrip voor mijn positie als adoptiemoeder. Ik heb steeds de grootst mogelijke openheid betracht naar [eiser] . Maar voor mij weegt ook zijn huidige gemoedstoestand zwaar mee.

(…) Kan ik er echt van op aan dat je de gegevens aan [B] doorbelt? Je weet dat wij uiterst discreet met de informatie om zullen gaan. (…)

[eiser] (Voornaam is door ons gekozen)

Bevalling: 5 of 6 febr 1980

Aangifte geboorte: 18 febr 1980

Gewicht 3250 gr

Moeder van [eiser] (gehoord via [C] ) die hem heeft opgehaald

Leeftijd in 1980 ± 20 jaar
Alleenstaand

Huidskleur: vrij lichtbruin

Zwart sluik haar

Vrij klein postuur

Bevallen in klein kliniekje

Had toen een jongetje van ± 2 jaar bij zich

(…)

Kontakt is gelegd via Fam. [A] (nog steeds wonende te [woonplaats 3] ). Waarschijnlijk bridgevrienden van [B] . (…)”

2.16.

De eerste reis van [eiser] naar Brazilië heeft zo’n zes maanden geduurd. Gedurende die periode heeft hij op 30 maart 2001 een bezoek gebracht aan de locatie waar in 1980 het kindertehuis Lar Jumbinho was gevestigd. Op 2 april 2001 heeft hij een gesprek gevoerd met [B] , en 7 en 8 april 2001 heeft hij doorgebracht tezamen met [D] . Vanaf

7 mei 2001 heeft hij gewoond in het weeshuis waar [D] op dat moment werkzaam was. Nadat de juridische ouders de contactgegevens van [C] hadden achterhaald, heeft [eiser] vanuit Brazilië contact met haar gehad. [eiser] heeft bovendien onderzoek gedaan in de geboorteregisters van verschillende ziekenhuizen in São Paulo en heeft een ontmoeting gehad met [A] .

2.17.

Gedurende het verblijf van [eiser] in Brazilië heeft er regelmatig e-mail- en telefonisch contact plaatsgevonden tussen [eiser] en de juridische ouders. Op 10 juni 2001 heeft de juridische vader het volgende aan [eiser] geschreven:

“In aanvulling op het bericht dat we je gisteravond laat hebben verstuurd, hierbij nog een paar details.

Je moeder heeft slechts enkele dagen in het ziekenhuis gelegen. Waarom weet ik dat zo goed? Toen dit aan mij werd verteld was ik ontsteld. Ik zei nog: ‘hoe kan iemand die net met een keizersnede is bevallen zo snel uit het ziekenhuis worden ontslagen?’ (…)

Wij hebben wat geld gegeven t.b.v. je moeder. Wij weten niet precies meer hoeveel, maar het zal hooguit iets geweest zijn vergelijkbaar met het maandsalaris van een empregado. Veder hebben wij een gift gedaan voor het Lar Jumbinho. Daarvan hebben wij keurig een kwitantie gekregen van de penningmeester, [F] . Dit hebben we geheel vrijwillig gedaan vanuit onze betrokkenheid naar al die kinderen in het weeshuis (…).

Gewicht

Babies verliezen in de eerste dagen altijd wat gewicht. Maar flinke babies die na een paar dagen flesvoeding krijgen (zoals in jouw situatie) beginnen gewoonlijk na 3 dagen weer aan te komen, omdat ze goed kunnen drinken. [C] vertelde dat jouw moeder helemaal niet groot was. Jij daarentegen was een flinke baby met gezonde eetlust (die overigens paste bij het voedingsschema van een baby die rond 5 feb geboren zou moeten zijn). Dit was volgens ons een reden dat jij met de keizersnede geboren bent, omdat je moeder vrij klein/tenger was.

Op 17 feb 1980 woog je 3250 gram, lengte 50 cm

Op 11 maart 1980 woog je 4340 gram, lengte 54 cm (consultatiebureau [woonplaats 2] )

Op 1 april 1980 woog je 5000 gram.

Ik ga ervan uit dat wat [C] mij in 1980 vertelde juist is. Zij had een aantal dagen daarvoor kleertjes voor je mogen kopen. Ze heeft jou met nog iemand ( [E] ?) afgehaald in het ziekenhuis. (…)

Jouw moeder was beslist geen meisje maar een jonge vrouw, vriendelijk en bescheiden qua uitstraling. (…)”.

2.18.

Op 17 juni 2001 heeft [eiser] een e-mail aan de juridische ouders gezonden met, voor zover van belang, de volgende inhoud:

“Met een bijzondere hoeveelheid geluk ben ik onwaarschijnlijk ver gekomen in een stad met 16 miljoen mensen. Ik heb reeds de vrouw ontmoet van de 5e [bevallen op 5 februari 1980, rb], die mijn moeder kon zijn. Ik heb een aantal anderen al uitgesloten via dezelfde wijze. (…) De onzekerheden heb ik nog niet verbannen en twijfel blijft dan ook een groot deel van mij innemen. Verwondering heb ik in groeiende maten jegens de nederlanders die alles geregeld hebben. (…)

Nadat ik met jullie gesproken had heb ik beslist om ervanuit te gaan dat ik niet na de 6e ben geboren. Wat [A] [ [A] , rb] destijds heeft verkondigd beschouw ik als waarheid. Het gewicht aangaande heb ik alle babies geboren met meer dan 3300g geschrapt. Enige moeilijkheid die overblijft is hetzelfde gewicht en de navelstreng die wel buitengewoon lang is blijven zitten. De volgende vrouwen blijven over:

[naam vrouw]

opgenomen in ziekenhuis: 28/01 18:20

woonde een flat in het centrum

bevalling na 37 2/7 week dmv PC (keizersnede) dd 06/02 10:50

gewicht 3300g

[Rb. hier zijn vermeld: de namen van zes andere vrouwen, bevallen op 4, 5 en 6 februari 1980 via natuurlijke weg, inclusief gegevens omtrent woonadres moeder en geboortegewicht kind]. (…)

Jullie hebben betaalt voor medische kosten? De enige vrouw die betaalt heeft voor de bevalling was die ik in de eerste alinia aanhaalde. Zij lag alleen op een kamer en heeft dus geen ander moeders ontmoet.

Iedereen (destijds) onder de 20 en boven de 30 sluit ik telkens uit (…).”

2.19.

Op of omstreeks 18 juni 2001 heeft [C] aan [eiser] per e-mail verslag gedaan van wat zij zich nog kon herinneren van de gebeurtenissen rondom de geboorte van [eiser] . Zij schrijft onder meer het volgende:

“helaas weet ik niet hoe je moeder heet, de enige die zich misschien haar naam nog zou kunnen herinneren is [D] zelf en verder zou je het moetne kunnen afleiden aan je geboortedag en het feit dat je per keizersnede geboren bent.

Ik heb mijn oude brieven gevonden en daarin schrijf ik op 12 februair 1980 aan een vriend in nederland dat ik op 11 februari svonds een babytje ben gaan halen voor een nederlands echtpaar samen met [D] (dus niet alleen met [E] ) en dat dat babytje anders naar een staatskindertehuis (FB??) zou gaan (waar het niet zo goed was volgens [D] ) er staat in dat de vader niet bekend was en de moeder het kind (jou dus) niet kon of wilde hebben. ik schrijf niet waar we jou ophaalden of hoe je moeder heette. Ik schrijf dat het echtpaar in nederland is gebeld en de volgende dag het vliegtuig zouden nemen en op vrijdag zouden aankomen (volgens mij 15 februari) als het goed is klopt dat met de datum dat jou ouders in brasis zijn aangekomen. Het moest een blank kindje zijn, want het nederlandse echtpaar wilde doen alsof de vrouw in brazilie was bevallen schrijf ik (…). Misschien weet [D] zich m.b.v. dit verhaal meer te herinneren?

Ik kan je niet verder helpen, maar als je 2 namen hebt, laat dan via DNA onderzoek uit zoeken wie je biologische moeder kan zijn. Je moet dus een paar dagen voor 11 februari zijn geboren, ik denk tussen 5 en 9 februari… (…)”

[eiser] heeft de e-mail van [C] doorgestuurd aan de juridische ouders.

2.20.

Op 18 juni 2001 hebben de juridische ouders per e-mail als volgt gereageerd op [eisers] e‑mail van 17 juni 2001 (zie 2.18) en het doorgestuurde bericht van [C] :

“ [eiser] , we hebben bewondering voor al je speurwerk en begrijpen dat het je enorm veel tijd kost en vooral ook veel van je energie vraagt om je moeder te vinden. We kunnen ons voorstellen dat het soms heel ontmoedigend voor je kan zijn om op basis van de summiere informatie en herinneringen van mensen van 21 jaar geleden uit al die gegevens diegene te vinden die je zoekt.

Wat opvalt is dat de meeste vrouwen die je noemt kennelijk op natuurlijke wijze zijn bevallen. Betekent het gegeven van en keizersnee – waarvan men ons vertelde – laat vallen? Toen we jou kregen was je een prachtige baby met vooral een mooi rond hoofdje. En inderdaad, een van de kenmerken van babies die met de keizersnee zijn geboren is dat het hoofdje er puntgaaf uitziet omdat ze niet door het geboortekanaal hoeven (te worden geperst/getrokken). (…)

- - - - [Hier kwam je telefoontje binnen]


Alle gegevens die [C] schrijft kloppen met wat wij weten. We weten dat je slechts enkele dagen in het ziekenhuis bent geweest. Dat past goed bij de datum van de 11e. Ik (papa) werd in de loop van de dag op mijn werk gebeld, ik weet niet zeker meer maar ik dacht laat in de middag. Ik dacht dat er toen 3 (of 4?) uur tijdsverschil was. [A] [ [A] , rb] kennende heeft hij ons snel geïnformeerd. Dus qua tijd kan het kloppen. (…) Wij zijn inderdaad op vrijdag 15 februari aangekomen in SP [São Paulo, rb]. Pas op 5 maart hebben wij het Lar [Lar Jumbinho, rb] bezocht waar [C] was. (…)

E.e.a. bevestigt dus heel goed datgene dat wij zelf uit die tijd wisten. (…)

[eiser] , als je inderdaad de gegevens uit het juiste ziekenhuis hebt, heb je een belangrijk spoor dat hopelijk verder traceerbaar nog is. Succes!”.

2.21.

Op 4 juli 2001 heeft de juridische vader een e-mail aan [eiser] met – voor zover van belang – de volgende inhoud verstuurd:

“Ik begrijp best dat jij [eiser] soms tot wanhoop moet zijn gedreven als je na eindeloos zoeken geen of de verkeerde stukjes van de puzzel blijkt te hebben gevonden. Toch lijkt het erop dat puzzelstukjes beginnen te passen. Waarschijnlijk hebben mama en ik destijds – om achteraf begrijpelijke redenen – niet geheel juiste informatie over jouw Genesis ontvangen (B.V. omdat [C] maar een stukje uit jouw puzzel heeft gezien en dacht jouw moeder (met nog een klein jongetje er bij) gezien te hebben. Aldus komen we aan de beschrijving. De sleutel voor het oplossen van de witte vlek in jouw puzzel ligt bij [D] en [B] [ [B] , rb]. Het geheugen van [E] en [… 2] en de brief die [C] weer heeft gevonden hebben verdere struktuur gebracht. Hopelijk is dat al voldoende om meer relevante informatie uit de geheugens van [D] en [B] te laten opborrelen. Hoewel het overzicht dat we je eerder stuurden al voldoende duidelijk leek heb je kennelijk toch wat nadere uitleg nodig. Daartoe het volgende:

* Alle informatie komt uit onze persoonlijke aantekeningen en/of herinneringen aan gebeurtenissen uit feb/mrt 1980. Informatie hebben we ontvangen van de meest betrokkenen d.w.z. [B] en [C] . [D] hebben we wel ontmoet maar ivm de taal konden we niet met haar spreken.

* De brief die onlangs bij [C] boven water kwam en die zij op 12 feb 1980 schreef, bevestigt en detailleert een aantal feiten die wij op 5 maart 1980 uit haar mond en van [B] hebben gehoord.

* [A] [ [A] , rb] heeft als bevriende collega van opa destijds voor ons het contact gelegd en opa op 6 feb gebeld. Er was pas een blank jongetje geboren dat voor ons beschikbaar was, dus moesten wij zo snel mogelijk komen. Voor het overige heeft hij niets met het weeshuis en alles rond jouw geboorte te maken. Zijn info moet hij via [B] hebben gekregen.

Het overzicht dat ik je gestuurd heb geeft zo nauwkeurig mogelijk aan wat wij ZELF te horen hebben gekregen, hebben gezien en gedaan hebben in de periode van 6 februari tot 8 maart aan de hand van onze aantekeningen, papieren en ingebrande herinneringen. Bijgaand stuur ik je opnieuw dit overzicht, echter voorzien van kanttekeningen omtrent de achtergrond van de betrokken items. Verder dan dat kunnen we je echt niet helpen omdat we verder – hoe graag we dat ook zouden willen – geen relevante informatie hebben. (…)”

2.22.

Bij de e-mail is gevoegd een document van twee pagina’s dat, naar de rechtbank begrijpt, al eerder aan [eiser] is verzonden en door de juridische ouders nog is aangevuld met de dikgedrukte stukjes tekst. Dit document bevat, voor zover van belang, de volgende informatie:

Overzicht van tot nu toe bekende gegevens, naar datum (…)

6 feb 1980

Voor de lunchpauze – tussen 11.00 en 12.30 uur Nederlandse tijd – telefoon uit Brazilië om zo snel mogelijk naar SP te komen. Er is een gezond blank jongetje geboren [Datum op basis van eigen aantekening, tijd op basis van oma’s sterke geheugen]

Als het in Brasil toen 4 uur vroeger was (?), dus lokale tijd tussen 7.00 en 8.30 uur.

Geboortedatum (4) of 5 februari maar nooit later dan de vroege ochtend van 6 februari.

11 feb 1980, maandagavond [Datum zeker adhv brief [C] ]

[gesproken met [C] op 5 maart 1980:] Je bent door [D] + [C] (die al kleertjes voor je had gekocht) opgehaald (+ [E] als chauffeur). Zie e-mail van [C] met de gegevens uit de brief die zij op 12 februari aan een vriend heeft geschreven. Alle details daaruit kloppen (…). [C] vertelde dat jouw moeder, toen ze je ophaalde, in een kamertje zat met gewone kleren aan, met bij zich een jongetje van ca 2 jaar. Ze lag dus niet in bed en was niet in pyjama. Verder was er niemand bij. Ook [C] gaat er van uit dat jouw moeder mogelijk daarna diezelfde avond naar huis is teruggegaan. Dat klopt ook met het gegeven dat jouw moeder slechts een paar dagen in het ziekenhuis is geweest. Was ze echter op natuurlijke wijze bevallen dan zou ze al eerder naar huis zijn gegaan. Dus ze is maximaal vanaf ca 5 feb – 11 feb in de kliniek geweest.

Opmerkelijk is dat het in de herinnering van [C] geen groot ziekenhuis was.

15 feb 1980, vrijdag

Na een tussenstop (…) komen we ’s-morgens aan in SP. (…) [uit eigen agenda en geheugen]

16 feb 1980, zaterdag

Jou per auto (VW kever) ’s-middags opgehaald. Het was een eind rijden. Op een gegeven moment zijn we gestopt en kwam [D] uit een zijstraat aanlopen met jou op de arm in een klein dun geel/wit geblokt dekentje. Ze gaf jou via het rechterportier in de armen van [de juridische vader, rb] rechts op de achterbank. Het was prachtig weer, maar later in de middag brak een enorm onweer los en kregen we een enorme blikseminslag in ons huisje met flinke gaten in de muur. [Uit eigen agenda en herinneringen. Dit behoort tot die momenten die je als ouders nooit meer echt vergeet. Vrijwel iedereen reed destijds in een kever. Wij zijn er vrijwel zeker van dat [ [A] , rb] ons reed. De afspraak voor de overhandiging moet door [ [B] , rb] zijn geregeld; we zijn eerst nog even bij haar thuis geweest. (Ik herinner me dat [C] daar op dat moment ook was).

5 maart 1980, dinsdag

Met [B] . [ [B] , rb] het (nieuwe) Lar bezocht. [D] en [C] ontmoet. Enige tijd met [C] en haar vriendin gesproken. [C] vertelde ons een aantal dingen (met name over je moeder) uit de eerste hand. (…) Ze bleek nogal uit haar doen. [uit eigen agenda en eigen ervaring]

7 maart 1980, vertrek uit SP; 8 maart 1980: aankomst op Schiphol

Overzicht van overige tot nu toe bekende gegevens

Moeder

Jonge vrouw, ca 20 – 28 jaar, klein postuur, sluik haar, lichtbruine gelaatskleur, alleenstaand, met jongetje van ca 2 jaar. [Aan ons verteld door [C] op 5 maart 1980]

Bevalling

Keizersnee, verblijf van enkele dagen in kliniek. [Gehoord van [C] en/of [ [B] , rb] en/of van [ [A] , rb] via [B] ].

Kenmerken [eiser]

[uit eigen waarnemingen/metingen, voorts bevestigd door brief [C] 12/3]

Vrijwel blanke huid (…). Toen we je kregen was je navel nog een klein stompje met nog een restje touw van het afbinden. Dat stompje was de volgende dag vrijwel verdwenen. (…) Gewicht op 17-2-1980: 3250 gram gewogen met een echte babyweegschaal; lengte 50 cm/

Geld

We hebben een bedrag van minder dan FL 150,- betaald voor medische kosten en/of kleertjes. Daarnaast hebben we voor je moeder FL 150,- gegeven om aan te sterken. Meer wilde men niet van ons aannemen. [Dit zijn de bedragen die we ons naar schatting herinneren]. Verder hebben we zoals je weet een bedrag gegeven voor de huishoudpot van het Lar. De penningmeester heeft ons daarvoor een kwitantie gegeven waar dat op staat: 4700 cruzeiro’s + FL 600,-.

Aangifte

Op 21 feb heeft [de juridische vader, rb] aangifte gedaan in het cartorio van het subdistrict waar wij woonden. Dat staat helemaal los van welke kliniek dan ook waar je moeder is bevallen. Immers op papier ben jij geboren in het huisje van [H] . Vandaar dat er geen ziekenhuispapieren zijn overlegd bij het cartorio. De ambtenaren hebben te goeder trouw de mondelinge verklaring geaccepteerd [Zelf gedaan en officieel vastgelegd in geboorteakte]

In die tijd was het (zowel voor Brazilianen zelf als voor buitenlanders) niet ongewoon en officieus de geijkte methode om op deze wijze officieel een kind als eigen te laten registeren. Denk niet dat daar ooit een steekpenning aan te pas hoefde te komen! Later bleek ons dat alleen al in Nederland grote aantallen kinderen uit verschillende delen van Brasil op dezelfde wijze zijn ‘geadopteerd’. Wat dat betreft is jouw geval dus allerminst een bijzonderheid.

Suggesties / vragen

[Op sommige vragen heb je zelf inmiddels al mogelijke antwoorden gevonden]

  1. Leg aan Donna [D] nogmaals de gegevens voor uit de brief die [C] op 12 feb. Aan haar vriend in Nederland schreef. Er staan bijzondere details in. Voeg daarbij deze gegevens en/of verdere gegevens die je van [C] hebt gekregen.

  2. Waarom kan de vrouw, die in het andere kliniekje is bevallen van een zoon, per sé niet jouw moeder zijn.

  3. Welke klinieken/ziekenhuizen of welke verpleegsters/artsen namen met [D] contact op als zich een moeder meldde met een baby, die ze door omstandigheden wilde afstaan. Zoek zonodig ook daar in het archief.

  4. Kijk systematisch de lijst na op 4, 5 of 6 (‘vroeg’) feb. Let op de datum waarop je moeder het ziekenhuis heeft verlaten (vrijwel zeker 11 feb.). Wijkniet af van het gegeven van een keizersnede zolang er niets anders blijkt.

We hebben de in het voorgaande beschreven gegevens zo nauwkeurig mogelijk samengesteld, zodat je een referentiekader hebt waarop je steeds terug kan vallen als je essentiële dingen vindt. Het kan zijn dat je ontdekt dat informatie die wij zelf van derden hebben gekregen, door welke oorzaak of interpretatie dan ook – toch net even anders blijkt te zijn.”

2.23.

De zoektocht van [eiser] in 2001 heeft er niet toe geleid dat hij zijn biologische familie heeft gevonden. Achteraf is gebleken dat de vrouw die hij in zijn e-mail van 17 juni 2001 al noemde (zie 2.18), zijn biologische moeder is. Hij heeft dat spoor destijds echter niet verder nageplozen.

2.24.

In 2002 is [eiser] vervolgens opnieuw naar Brazilië gereisd voor een periode van twee maanden, in 2003 en 2004 wederom voor twee maanden, in 2006 voor ongeveer een maand, en in 2009 is [eiser] drie maal in Brazilië geweest voor in totaal ongeveer twee maanden. In 2010 heeft [eiser] ongeveer 9,5 maand in Brazilië verbleven, in 2013, 2015, 2016 en 2017 is [eiser] opnieuw in Brazilië geweest in het kader van de zoektocht naar zijn biologische familie.

2.25.

In mei 2011 is met zekerheid vastgesteld dat [naam vrouw] de biologische moeder van [eiser] is. Zij bleek al in 1985 te zijn overleden.

2.26.

Bij e-mail van 14 juni 2011 hebben de juridische ouders aan [eiser] een kopie gestuurd van de brief die zij op 25 februari 1980 hadden ontvangen in verband met hun donatie aan Lar Jumbinho (zie 2.7).

2.27.

Medio 2013 heeft [eiser] in Brazilië zijn beide biologische zussen ontmoet. De vliegtickets voor deze reis zijn door de juridische ouders betaald.

2.28.

Bij brief van 8 juli 2013 heeft [eiser] de juridische ouders aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van zijn illegale adoptie en het door hem gestelde verstrekken van onjuiste en selectieve informatie over zijn afkomst en de overdracht door de juridische ouders.

2.29.

Bij brief van 22 december 2015 aan de juridische ouders heeft de advocaat van [eiser] de verjaring van de vordering van [eiser] gestuit.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren dat de juridische ouders jegens hem onrechtmatig hebben gehandeld en jegens hem aansprakelijk zijn voor de daardoor door hem geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

II. de juridische ouders te veroordelen om binnen een week na betekening van dit vonnis, alle informatie die zij nog bezitten en die van belang zou kunnen zijn voor het kunnen vaststellen van de herkomst, afkomst en identiteit van [eiser] aan hem ter beschikking te stellen, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000 voor elke dag dat de juridische ouders daarmee in gebreke blijven;

III. de juridische ouders te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

De juridische ouders voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

4.1.

Ingevolge artikel 2 van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, gesloten te Lugano op

16 september 1988 (van welk verdrag de Europese Unie de werking voor Nederland nadien heeft bekrachtigd), heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht, nu de juridische ouders woonplaats hebben in Nederland.

4.2.

Op de vorderingen van [eiser] zal Nederlands recht worden toegepast, nu een rechtskeus voor dit rechtsstelsel voldoende duidelijk in de stellingname van partijen besloten ligt, dit rechtsstelsel ook overigens het meest met partijen en hun onderlinge verhouding verbonden is en een rechtskeus onder de relevante regelingen was/is toegestaan.

Grondslag vordering en uitgangspunt beoordeling

4.3.

Vast staat dat de juridische ouders [eiser] illegaal hebben geadopteerd, nu zij niet beschikten over de daarvoor benodigde beginseltoestemming van (destijds) het Ministerie van Justitie en de Braziliaanse autoriteiten. Daarnaast hebben de juridische ouders [eiser] , in strijd met de waarheid, aangegeven als hun eigen biologische kind en hebben zij daarbij willens en wetens een onjuiste geboortedatum opgegeven. Immers, [eiser] was al aan hen overhandigd vóór de door hen opgegeven geboortedatum. Door op deze manier te handelen, hebben de juridische ouders [eiser] de mogelijkheid ontnomen te beschikken over een geboorteakte met daarop de gegevens van (in ieder geval) zijn biologische moeder en zijn geboortedatum.

4.4.

[eiser] legt aan zijn vordering, zoals weergegeven in 3.1 onder I, (onder meer) de stelling ten grondslag dat de juridische ouders onrechtmatig hebben gehandeld, door hem via de hiervoor weergegeven – illegale – manier deel te laten uitmaken van hun gezin. De rechtbank begrijpt de vordering van [eiser] (mede gelet op de ter terechtzitting gegeven toelichting) echter zo, dat het zwaartepunt van het verwijt dat hij de juridische ouders maakt, is dat zij hem niet, niet tijdig of niet volledig hebben voorzien van de informatie die hij nodig had voor zijn zoektocht naar zijn afkomst.

Onrechtmatig handelen door illegale adoptie en bij die gelegenheid niet informeren naar de werkelijke geboortegegevens

4.5.

De rechtbank stelt voorop dat het illegaal adopteren van een kind en dat aangeven als een eigen biologisch kind strafrechtelijk is te kwalificeren als “verduistering van staat” als bedoeld in artikel 236 van het Wetboek van Strafrecht. Ook in 1980 was een dergelijk handelen strafbaar. Het op deze wijze illegaal adopteren van een kind is naar het oordeel van de rechtbank laakbaar jegens het kind en maatschappelijk verwijtbaar onzorgvuldig. Daaraan doet in dit geval niet af dat het openbaar ministerie na onderzoek heeft afgezien van verdere vervolging van de juridische ouders en de strafzaak tegen hen in 1984 heeft geseponeerd. Het is immers van groot belang dat een kind van jongs af aan juist wordt voorgelicht over zijn biologische oorsprong. Het illegaal adopteren en daarover tot aan [eisers] volwassenheid bewust geven van een valse voorstelling van zaken door de juridische ouders is dan ook aan te merken als een onrechtmatige daad jegens [eiser] , waaruit voor hem schade voortvloeit. Door de handelwijze van de juridische ouders zijn er immers voor [eiser] , anders dan bij een legale adoptie (hoogstwaarschijnlijk) het geval zou zijn geweest, geen juiste geboortegegevens beschikbaar. Dat een dergelijke situatie van onwetendheid ook op volwassen leeftijd een grote emotionele impact kan hebben is inmiddels algemeen bekend. Het feit dat de juridische ouders [eiser] wel al in een vroeg stadium hebben verteld dat hij niet hun biologische kind is en de omstandigheid dat - naar tussen partijen vaststaat - de juridische ouders zich hebben ingespannen [eiser] een onbezorgde jeugd te geven, doen daaraan niet af.

4.6.

De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiser] aldus dat hij de juridische ouders tevens verwijt dat zij zich rond zijn geboorte onvoldoende hebben ingespannen om informatie te vergaren over zijn biologische ouders. De rechtbank is echter van oordeel dat dat verwijt, in het licht van de vaststaande illegale adoptie, geen zelfstandige betekenis heeft. Daargelaten dat de juridische ouders hebben gesteld dat zij wel degelijk hebben geprobeerd navraag te doen naar de naam van [eisers] moeder, maar dat zij daarin niet zijn geslaagd, is inherent aan de illegale (en daarmee onrechtmatige) adoptie dat officiële en betrouwbare geboorte informatie ontbreekt.

4.7.

Desondanks kan de vordering op voormelde grondslagen niet slagen. Met de juridische ouders is de rechtbank van oordeel dat de vordering, voor zover die is gebaseerd op voormelde verwijten, is verjaard. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.8.

De gestelde verwijtbare gedragingen hebben zich voorgedaan in 1980, toen het oud BW nog van kracht was. Ingevolge artikel 2004 (oud) BW gold destijds een verjaringstermijn van dertig jaar, die dus in 1992 nog niet was voltooid. Per 1 januari 1992 is het nieuw BW in werking getreden. Ingevolge artikel 73 Overgangswet NBW is de in het nieuw BW vastgelegde verjaringstermijn van toepassing op de gestelde verwijtbare gedragingen, met dien verstande dat deze verjaringstermijn niet eerder is voltooid dan één jaar na de inwerkingtreding van het nieuw BW. Ingevolge artikel 3:310 lid 1 BW verjaart de rechtsvordering tot schadevergoeding door verloop van 5 jaar na de aanvang van de dag waarop de benadeelde zowel met de schade als de opeisbaarheid als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden (de relatieve verjaringstermijn) en in ieder geval door verloop van 20 jaar na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt (de absolute verjaringstermijn). Niet ter discussie staat dat de absolute verjaringstermijn in dit geval ruimschoots is verstreken.

4.9.

Op grond van artikel 3:310 BW, eerste lid, BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Het aanvangsmoment moet naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad zo worden opgevat dat het gaat om een daadwerkelijke bekendheid. Het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn hangt af van het moment waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering in te stellen.

4.10.

Vast staat dat [eiser] in 1980 illegaal is geadopteerd en dat hij al sinds 2001 op de hoogte is van het feit dat de juridische ouders hem niet via de daarvoor bestemde weg in hun gezin hebben opgenomen. Al sinds zijn eerste zoektocht in Brazilië in 2001, [eiser] was toen 21 jaar oud, is hij er mee bekend wat de gevolgen zijn van de handelwijze van zijn juridische ouders, namelijk dat hij niet beschikt over een geboorteakte met daarop de juiste geboortegegevens en de naam van (in ieder geval) zijn biologische moeder. [eiser] heeft vanaf 2001 aan den lijve ondervonden voor welke moeilijkheden hem dit plaatst bij zijn zoektocht naar zijn afkomst.

4.11.

Hoewel de rechtbank er alle begrip voor heeft dat [eiser] al zijn energie in eerste instantie heeft gestoken in zijn zoektocht en niet in het aansprakelijk stellen van de juridische ouders, kan niet worden aangenomen dat [eiser] vervolgens twaalf jaar lang niet in staat is geweest een rechtsvordering in te stellen. Niet gesteld en ook niet gebleken is dat [eiser] voorafgaand aan 8 juli 2013 (het tijdstip van de brief waarop hij de juridische ouders voor het eerst aansprakelijk heeft gesteld) de verjaring van zijn vordering heeft gestuit.

4.12.

[eiser] heeft in dit verband nog gesteld dat het beroep van de juridische ouders op verjaring onaanvaardbaar is en hij heeft zich daarbij beroepen op de arresten van de Hoge Raad van 28 april 2000 (NJ 2000/430 (Van Hese / De Schelde) en NJ 2000/431 (Rouwhof / Eternit)). Dit beroep faalt. In de hiervoor genoemde uitspraken trad de schade pas op nadat de absolute verjaringstermijn was verstreken. In zo’n geval, zo oordeelde de Hoge Raad, is het onder omstandigheden onredelijk dat het slachtoffer wordt tegengeworpen dat zijn vordering is verjaard, terwijl hij die vordering eenvoudigweg niet eerder had kunnen instellen omdat hij op dat moment nog geen schade had geleden. Deze situatie doet zich in het geval van [eiser] niet voor. Hij was immers sinds 2001 op de hoogte van het feit dat de juridische ouders hem niet via de daarvoor geëigende weg hebben geadopteerd, én met de schadelijke gevolgen daarvan. Niettemin heeft hij de juridische ouders niet eerder dan 2013 aansprakelijk gesteld. Bijzondere feiten of omstandigheden die maken dat de (relatieve) verjaringstermijn desondanks ook in dit geval buiten toepassing moet blijven, zijn gesteld noch gebleken.

4.13.

Het bepaalde in artikel 3:310 lid 4 BW van dit artikel kan in dit geval onbesproken blijven, nu [eiser] zich er niet gemotiveerd op heeft beroepen dat de schade het gevolg is van het begaan van een strafbaar feit door de schuldenaar en dat het recht tot strafvordering nog niet is vervallen (waardoor ook de civielrechtelijke verjaringstermijn nog niet is verstreken). Daar komt bij dat er in dit geval, gezien het sepot van de strafzaak in 1984, redelijkerwijs vanuit kan worden gegaan dat geen strafvervolging meer kan worden ingesteld.

Onrechtmatig handelen in verband met onjuiste en onvolledige informatievoorziening?

4.14.

Door de handelwijze van de juridische ouders was [eiser] , toen hij – zoals vele geadopteerde kinderen – de behoefte kreeg meer te weten over zijn afkomst en identiteit, volledig afhankelijk van de juridische ouders voor de informatie die hij nodig had voor zijn zoektocht naar zijn herkomst. [eiser] stelt dat de juridische ouders verwijtbaar hebben nagelaten alle informatie waarover zij beschikten eigener beweging (tijdig en volledig) met hem te delen, hetgeen de juridische ouders betwisten.

4.15.

Bij de beoordeling stelt de rechtbank het volgende voorop. Ieder kind heeft het recht te weten van welke ouder het afstamt en het recht op identiteit (vgl. IVRK artikel 7 lid 1 en artikel 8), waaronder begrepen het recht te weten onder welke omstandigheden het kind ter wereld is gekomen. Uit het recht op private life, in het bijzonder het recht op persoonlijke identiteit, zoals neergelegd in artikel 8 EVRM, vloeit dit eveneens voort. Zo overwoog het Europese Hof van de Rechten van de Mens op 20 december 2007 (23890/02, EHRC 2008/34):

“45. The Court reiterates that birth, and in particular the circumstances in which a child is born, forms part of a child’s, and subsequently the adult’s, private life guaranteed by Article 8 of the Convention (see Odièvre v. France [GC],no. 42326/98, par. 29, ECHR 2003-III). Respect for private life requires that everyone should be able to establish details of their identity as individual human beings and that an individual’s entitlement to such information is of importance because of its formative implications for his or her personality (see, for example, Mikulic v. Croatia, no. 53176/99, paras. 53-54, ECHR 2002-I, and Gaskin v. the United Kingdom, judgment of 7 July 1989, Series A no. 160, p. 16, paras. 36-37, 39). This includes obtaining information necessary to discover the truth concerning important aspects of one’s personal identity, such as the identity of one’s parents (see Jäggi v. Switzerland, no. 58757/00, par. 25, ECHR 2006-...; Odièvre, par. 29; and Mikulic paras. 54 and 64; both cited above).”

4.16.

Onlangs heeft de Hoge Raad in een zaak over een minderjarige, verwekt met behulp van een spermadonor, verwezen naar voormelde uitspraak van het Europese Hof en geoordeeld dat het aan de ouder die het gezag uitoefent, is om het kind statusvoorlichting te geven. In beginsel is het aan deze ouder voorbehouden het daartoe geschikte moment te bepalen. Daarbij dient evenwel het belang van het kind voorop te staan. Onder omstandigheden kan een rechter oordelen dat statusvoorlichting in het belang van het kind is en dat het rechterlijk oordeel daaromtrent prevaleert boven het recht van de ouders te bepalen op welk moment het kind die informatie zal krijgen (HR 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:452, NJ 2016, 210, m.nt. S.F.M. Wortmann).

4.17.

Gezien het voormelde juridisch kader, het recht te weten van welke ouder men afstamt, het recht op identiteit, het recht te weten onder welke omstandigheden men ter wereld is gekomen en het zwaarwegende belang dat daaraan ingevolge voormelde jurisprudentie moet worden gehecht, rust in dit geval op de juridische ouders een doorlopende informatieverplichting. Immers, door hun toedoen zijn de geboortegegevens van [eiser] niet beschikbaar, hetgeen een maatschappelijke zorgplicht jegens [eiser] met zich brengt om, ook eigener beweging en doorlopend, hem te voorzien van alle bij hen beschikbare relevante gegevens die hem kunnen helpen bij het achterhalen van zijn biologische ouders. Indien de juridische ouders in gebreke blijven aan deze verplichtingen te voldoen kan hen onrechtmatig handelen worden verweten. Voor zover de juridische ouders betogen dat de hiervoor vermelde maatstaf is gebaseerd op latere en nieuwe inzichten betreffende adoptie gaat de rechtbank daaraan voorbij. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat het belang van statusvoorlichting in ieder geval al in de tachtiger jaren van de vorige eeuw algemeen bekend is geworden, dus ruim voor [eiser] in 2001 zijn zoektocht begon.

4.18.

[eiser] stelt, naar de rechtbank begrijpt, dat de juridische ouders in 2001 en daarna zijn tekortgeschoten in hun doorlopende verplichting hem, ook eigener beweging, juist, tijdig en volledig te informeren over alle gegevens die hij nodig had voor zijn zoektocht naar zijn herkomst. Hij stelt dat de onjuiste en onvolledige informatieverstrekking betrekking heeft op de volgende omstandigheden:

  1. zijn geboorte en de overdracht aan de juridische ouders;

  2. de aanwezigheid van een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming en processen-verbaal van verhoor van de juridische ouders door de Rijkspolitie;

  3. de betrokkenheid van [A] ;

  4. het betalingsbewijs aan Lar Jumbinho.

4.19.

Daarnaast stelt [eiser] dat de juridische ouders onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld door

e. het verbreken van contact met [eiser] .

4.20.

In het hierna volgende gaat de rechtbank in op de afzonderlijke verwijten die [eiser] heeft geformuleerd.

Ad a. de geboorte van [eiser] en de overdracht aan de juridische ouders

4.21.

[eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat de juridische ouders hem ten onrechte niet op de hoogte hebben gesteld van alle informatie waarover zij beschikten betreffende zijn geboorte. Hij heeft er in dit verband op gewezen dat de juridische moeder op 30 januari 2001 een brief heeft geschreven aan [G] met informatie over de geboorte van [eiser] (zie 2.15), maar dat de juridische ouders deze brief niet met hem hebben gedeeld. Sterker nog, zo stelt [eiser] , de juridische moeder vraagt in haar brief expliciet aan [G] om bepaalde informatie niet met [eiser] te delen. [eiser] was niet op de hoogte van de informatie uit deze brief en raakte daarmee naar zijn zeggen pas op 16 september 2011 bekend. Door de informatie waarover zij wél beschikten niet met hem te delen, hebben de juridische ouders onrechtmatig jegens hem gehandeld en hebben ze zijn zoektocht ernstig bemoeilijkt, met daaruit voortvloeiende kosten en schade, aldus [eiser] .

4.22.

De rechtbank is, met de juridische ouders, van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat de juridische ouders essentiële statusinformatie omtrent zijn geboorte en overdracht voor [eiser] hebben achtergehouden. In dit verband overweegt de rechtbank het volgende.

4.23.

In haar brief aan [G] maakt de juridische moeder melding van de navolgende feiten en omstandigheden over de geboorte van [eiser] en zijn overdracht aan de juridische ouders:

i. De moeder van [eiser] is vermoedelijk bevallen op 5 of 6 februari 1980;

ii. de (bij de aangifte genoemde) geboortedatum is 18 februari 1980;

het gewicht van [eiser] was 3250 gram;

de biologische moeder van [eiser] was (volgens [C] ) ongeveer 20 jaar ten tijde van de geboorte van [eiser] , zij was alleenstaand, had een vrij lichtbruine huidskleur en een vrij klein postuur;

de biologische moeder is (volgens [C] ) bevallen in een klein kliniekje;

de moeder had toen (volgens [C] ) een zoontje van ongeveer twee jaar bij zich;

het contact is gelegd via [A] , die een bekende was van [B] .

4.24.

Al deze informatie hebben de juridische ouders feitelijk met [eiser] gedeeld toen hij voor de eerste keer in Brazilië verbleef om onderzoek te doen naar zijn herkomst:

  1. n het “overzicht van tot nu toe bekende gegevens”, dat de juridische ouders twee maal aan [eiser] hebben gestuurd (voor het laatst op 4 juli 2001) (zie 2.22) schrijven de ouders dat zij op 6 februari 1980 een telefoontje kregen dat er een babytje was geboren, en dat [eiser] dus op 4, 5 of de vroege ochtend van 6 februari geboren moet zijn.

  2. in datzelfde overzicht schrijven de juridische ouders dat zij op 21 februari 1980 aangifte hebben gedaan van de geboorte van [eiser] .

  3. in hun e-mail van 10 juni 2001 (zie 2.17) schrijven de juridische ouders aan [eiser] dat hij op 17 februari 1980 3250 gram woog. Ook geven zij in die e‑mail meer uitleg over het normale verloop van het gewicht van pasgeboren baby’s.

  4. in diezelfde e-mail schrijven de juridische ouders aan [eiser] dat zijn biologische moeder volgens [C] klein van stuk was en een jonge vrouw was.

  5. in het “overzicht van tot nu toe bekende gegevens” (zie 2.22) schrijven de juridische ouders dat [C] zich meende te herinneren dat de biologische moeder niet in een groot ziekenhuis is bevallen.

  6. in datzelfde overzicht schrijven de juridische ouders dat [C] hen heeft verteld dat de biologische moeder tussen de 20 en 28 jaar was, dat zij sluik haar had, een lichtbruine gelaatskleur, dat zij alleenstaand was en een jongetje van ongeveer twee jaar bij zich had.

  7. in hun e-mail van 4 juli 2001 (zie 2.21) schrijven de juridische ouders dat [A] als bevriende collega van de juridische grootvader het contact heeft gelegd, en dat hij ook degene was die de juridische grootouders op 6 februari 1980 belde met de mededeling dat er in Brazilië een jongetje was geboren.

4.25.

Daarnaast hebben de juridische ouders aan [eiser] in de e-mails die zij hem hebben gezonden informatie gegeven over de wijze waarop zijn biologische moeder zou zijn bevallen (via een keizersnede), de datum waarop zij ongeveer uit het ziekenhuis moet zijn ontslagen (11 februari 1980) en hebben zij [eiser] geadviseerd om zijn zoektocht te beperken tot vrouwen die via een keizersnede zijn bevallen. Daaruit volgt niet een beeld dat de juridische ouders relevante informatie voor [eiser] hebben achtergehouden of hem op een dwaalspoor hebben willen brengen. Integendeel, blijkens de betreffende correspondentie hebben de juridische ouders [eiser] zowel praktisch als emotioneel gepoogd te steunen in zijn zoektocht naar zijn biologische moeder.

4.26.

Hoewel juist is dat [eiser] tijdens zijn eerste verblijf in Brazilië niet beschikte over een kopie van de brief van de juridische moeder aan [G] , beschikte hij dus feitelijk wel over de voor zijn zoektocht relevante informatie die in die brief vermeld stond. Dat de juridische ouders toen dus bewust bij hen bekende geboortegegevens voor hem hebben achtergehouden, is niet gebleken. Dat de juridische moeder in haar brief aan [G] melding maakt van het feit dat zij op dat moment (in januari 2001, dus nog voorafgaand aan [eisers] eerste vertrek naar Brazilië) nog niet alles aan [eiser] had verteld, doet niet af aan het feit dat zij alle relevante geboorte informatie waarover zij beschikte wél met [eiser] heeft gedeeld toen hij zijn zoektocht startte. Bovendien was [eiser] , met de via de juridische ouders verkregen informatie, in juni 2001 de (helaas al in 1985 overleden) vrouw op het spoor, van wie later is gebleken dat zij zijn biologische moeder was.

4.27.

[eiser] verwijt de juridische ouders nog dat zij – afgaande op de herinneringen van de juridische grootmoeder – tegen hem hebben gezegd dat hij niet later geboren kan zijn dan op 6 februari 1980, vroeg in de ochtend. Daarnaast hebben de juridische ouders hem – op basis van de informatie die zij van [C] hadden ontvangen – verteld dat hij in een klein kliniekje is geboren. Die informatie blijkt achteraf niet (helemaal) te kloppen. [eiser] blijkt geboren te zijn op 6 februari 1980 om 10.50 uur, dus niet heel vroeg in de ochtend, en wel in een van de grotere ziekenhuizen van São Paulo. Door af te gaan op de onjuiste informatie van de juridische ouders is zijn zoektocht naar zijn biologische moeder nodeloos gecompliceerd, zo heeft [eiser] gesteld.

4.28.

Naar het oordeel van de rechtbank valt de het de juridische ouders niet te verwijten dat bepaalde informatie die zij met [eiser] hebben gedeeld niet helemaal juist was, nu niet is gebleken dat de ouders zelf over andersluidende informatie beschikten. Vast staat immers dat de juridische ouders voor hun informatie over de geboorte van [eiser] afhankelijk waren van anderen, in casu van de juridische grootouders en [C] . Dat de aldus verkregen informatie, mogelijk door tijdsverloop en vervagende herinneringen, niet geheel juist is gebleken, kan de juridische ouders niet worden aangerekend. Het enkele feit dat de illegale adoptie zelf de oorzaak is van het ontbreken van betrouwbare broninformatie doet daaraan niet af, nu het verwijt dat thans aan de orde is ziet op het bewust misleiden van [eiser] door de ouders, althans het bewust achterhouden van wel bekende informatie.

4.29.

De rechtbank tekent nog aan dat de juridische ouders in hun e-mail van 18 juni 2001 (zie 2.20) zelf hebben geschreven dat zij zich meenden te herinneren dat zij aan het eind van de middag een telefoontje kregen dat er in Brazilië een kindje was geboren, hetgeen eens te meer duidelijk maakt dat van het opzettelijk verleggen van een geboortetijdstip geen sprake is geweest. Dat [eiser] ondanks deze informatie, afgaande op de herinnering van de juridische grootmoeder dat het telefoontje uit Brazilië rond lunchtijd kwam, zijn zoektocht heeft beperkt naar moeders die al vóór het Nederlandse middaguur waren bevallen, valt de juridische ouders dan ook niet te verwijten.

4.30.

In het licht van het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de juridische ouders relevante geboorte informatie voor [eiser] hebben achtergehouden, dan wel hem (welbewust) hebben voorzien van onjuiste informatie.

Ad b. dossier Raad voor de Kinderbescherming en processen-verbaal van verhoor door Korps Rijkspolitie

4.31.

[eiser] heeft voorts gesteld dat de juridische ouders hem ten onrechte niet hebben verteld dat zij in 1982 als verdachten zijn gehoord in het kader van een politieonderzoek naar illegale adoptiepraktijken van Nederlandse ouders in Brazilië. Naar aanleiding daarvan heeft de Raad voor de Kinderbescherming in 1982 onderzoek gedaan binnen het gezin van de juridische ouders. Toen de juridische ouders in 1985 nog een kind wilden adopteren, dit maal via de legale weg, is bovendien een tweede gezinsonderzoek verricht. [eiser] stelt dat deze drie informatiebronnen van belang waren voor zijn zoektocht, maar dat de juridische ouders die dossiers en rapporten ten onrechte niet met hem hebben gedeeld.

4.32.

De juridische ouders hebben aangevoerd dat zij de dossiers van de politie en de Raad voor de Kinderbescherming nooit zelf in hun bezit gehad hebben. Zij hebben die dossiers daarom niet aan [eiser] ter beschikking kunnen stellen. Daarnaast hebben zij [eiser] , zo voeren zij aan, op zijn eerste verzoek gemachtigd om de dossiers bij de betrokken instanties in te zien, zodat van enige tegenwerking geen sprake is.

4.33.

In het licht van het gemotiveerde verweer van de juridische ouders is onvoldoende onderbouwd dat de juridische ouders zelf beschikten over de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming en het proces-verbaal van verhoor door het Korps Rijkspolitie. Nu er geen gerechtelijke procedure is gevolgd acht de rechtbank het ook niet ongeloofwaardig dat destijds geen kopie van die stukken aan de juridische ouders ter hand is gesteld. Daaraan doet niet af dat de juridische ouders destijds als verdachten zijn gehoord. Reeds om die reden kan niet worden vastgesteld dat de juridische ouders deze stukken – laat staan bewust – voor [eiser] hebben achtergehouden.

4.34.

Daar komt bij dat de juridische ouders zich naar het oordeel van de rechtbank niet hebben behoeven te realiseren dat het vermelden van het bestaan van dergelijke dossiers mogelijk van belang zou kunnen zijn voor [eisers] zoektocht naar zijn identiteit. [eiser] heeft in dit verband weliswaar gesteld dat hij, wanneer hij had geweten van de onderzoeken, diverse Nederlandse autoriteiten had kunnen vragen hem te helpen bij het achterhalen van zijn identiteit, maar uit de rapporten waarnaar [eiser] verwijst blijkt dat noch de Raad voor de Kinderbescherming, noch de politie op de hoogte was van de feiten rond de afkomst van [eiser] . Evenmin blijkt uit deze rapporten dat deze instanties een zelfstandig onderzoek hebben gedaan naar de wijze waarop [eiser] in het gezin van de juridische ouders is opgenomen. Derhalve valt niet in te zien waarom de ouders er desondanks van hadden moeten uitgaan dat eerdere kennisname van de inhoud van die rapporten zou kunnen bijdragen aan relevante kennis over de afstamming van [eiser] . Daar komt bij dat als onbetwist vast staat dat de juridische ouders, toen hen duidelijk werd dat inzage door [eiser] toch belangrijk werd geacht, onverwijld toestemming hebben gegeven tot kennisname van de dossiers via de betreffende instanties.

Ad c. informatie over betrokkenheid [A]

4.35.

[eiser] stelt tevens dat de rol van [A] in zijn illegale adoptie door de juridische ouders onvoldoende is toegelicht. Hoewel vaststaat dat [A] de spin in het web was in een netwerk van illegale adopties, waaronder die van [eiser] , hebben de juridische ouders hem slechts geïntroduceerd als “een collega van zijn grootvader” en hebben ze zijn daadwerkelijke betrokkenheid verdoezeld. Tijdens zijn verblijf in Brazilië in 2001 hebben de juridische ouders weliswaar een ontmoeting van [eiser] met [A] gearrangeerd, maar zij hadden hem op dat moment nog niet verteld dat [A] ook bij zijn illegale adoptie betrokken was geweest. Pas later is [eiser] gebleken dat [A] op grote schaal betrokken is geweest bij illegale adopties zoals de zijne, en welke functie hij innam binnen de Nederlandse ambassade. Omdat hij aanvankelijk niet wist welke rol [A] speelde, heeft [eiser] na hun gesprek in 2001 niet opnieuw contact met hem opgenomen voor meer informatie. Toen hij erachter kwam wat [A] ’ daadwerkelijke rol was, bleek hij inmiddels te zijn overleden. Daardoor was het voor [eiser] niet meer mogelijk om aangifte tegen [A] te doen, terwijl een eventueel strafrechtelijk onderzoek mogelijk nadere informatie had kunnen opleveren over de afkomst van [eiser] , aldus [eiser] .

4.36.

De juridische ouders betwisten dat hen kan worden verweten de rol van [A] niet juist te hebben weergegeven. Zij kenden hem destijds als vriend van hun (schoon)vader en wisten toen niet meer dan dat hij in Brazilië werkzaam was als jurist en hen een ‘vriendendienst’ wilde verlenen. Zij hebben [eiser] aan het begin van diens zoektocht de naam van [A] verstrekt. Reeds uit het feit dat ze [eiser] de naam van [A] hebben gegeven blijkt dat ze hem wilden helpen. Het enkele feit dat het contact met [A] [eiser] niet verder heeft geholpen omdat [A] weigerde informatie te verstrekken kan hen niet worden tegengeworpen. Bovendien is niet aannemelijk dat eerdere kennis van “het netwerk” meer kennis over de biologische ouders van [eiser] had opgeleverd, aldus de juridische ouders.

4.37.

De rechtbank is van oordeel dat het feit dat de juridische ouders in 2001 niet hebben gemeld dat (na de illegale adoptie van [eiser] ) is gebleken dat [A] betrokken was bij meer illegale adopties, geen onrechtmatige gedraging oplevert, nu voor de juridische ouders niet kenbaar was, noch behoefde te zijn, dat de informatie over andere illegale adopties voor de zoektocht van [eiser] naar zijn eigen roots mogelijk van belang zou kunnen zijn. De rechtbank tekent daarbij nogmaals aan dat vast staat dat de juridische ouders later op eerste verzoek van [eiser] toestemming hebben gegeven tot inzage in door instanties opgemaakte rapporten, waaruit eens te meer blijkt dat ook in dit opzicht van obstructie van de zoektocht geen sprake is geweest. Bovendien hebben de juridische ouders onbetwist naar voren gebracht dat [eiser] in 2001 erg labiel was en de juridische ouders (begrijpelijkerwijs) bang waren dat naast de nieuwe informatie over zijn eigen illegale adoptie, informatie over het bestaan van een “netwerk” van illegale adopties voor [eiser] op dat moment te belastend zou zijn. Een en ander blijkt ook uit de brief van de juridische moeder aan [G] , waarin zij onder meer schrijft: “Emotioneel kan hij momenteel niet veel meer hebben” en “Maar voor mij weegt ook zijn huidige gemoedstoestand zwaar”.

Ad d. het betalingsbewijs aan Lar Jumbinho

4.38.

[eiser] stelt tot slot dat de juridische ouders het betalingsbewijs aan Lar Jumbinho, waarover zij beschikten, in 2001 ten onrechte niet met hem hebben gedeeld. De juridische ouders hebben het betalingsbewijs pas op 14 juni 2011 aan [eiser] ter beschikking gesteld. Daardoor hebben de juridische ouders zijn zoektocht aanzienlijk bemoeilijkt, zo stelt [eiser] , nu op het betalingsbewijs adresgegevens staan van het kindertehuis waarin hij heeft verbleven. Wanneer [eiser] daarover had beschikt toen hij zijn zoektocht startte, zou hij hebben geweten in welk deel van São Paulo hij aan de juridische ouders was overhandigd. In dat geval had hij de zoektocht naar zijn biologische moeder ook kunnen concentreren op ziekenhuizen in dat deel van de stad, nu het voor de hand ligt dat hij is geboren in hetzelfde deel van de stad als waarin het kindertehuis lag, waarin hij na zijn geboorte verbleef. [eiser] heeft daarnaast gesteld dat hij pas in 2011 in contact raakte met [F] , de penningmeester van Lar Jumbinho, terwijl deze [F] hem wellicht eerder behulpzaam had kunnen zijn bij zijn zoektocht, aldus [eiser] .

4.39.

De juridische ouders stellen zich op het standpunt dat zij nimmer hebben gepoogd adresinformatie achter te houden, maar dat zij zich simpelweg nooit hebben gerealiseerd dat het adres op de kwitantie bij [eiser] niet bekend was. Zij hebben [eiser] voor aanvang van zijn eerste reis de naam van het kindertehuis gegeven en ook de naam van [F] vermeld. [eiser] heeft hen vervolgens verteld in 2001 ook daadwerkelijk bij Lar Jumbinho te zijn geweest. Daarop hebben de juridische ouders aangenomen dat hij reeds in 2001 bekend was met het adres, nu zij niet wisten dat het tehuis tussentijds op verschillende plekken gehuisvest is geweest. Toen hen (voor het eerst in 2011) door de vrouw van [eiser] werd gevraagd om de kwitantie, hebben ze die ook direct aan [eiser] getoond, aldus de juridische ouders.

4.40.

De rechtbank stelt vast dat de juridische ouders, zoals van hen onder de gegeven omstandigheden verwacht mocht worden, [eiser] in 2001 de juiste naam van het kindertehuis hebben verstrekt en hem tevens de namen hebben genoemd van [B] , die destijds directeur was van het kindertehuis, van [C] , die bij de overdracht aanwezig is geweest en van [D] , terwijl de naam en functie van [F] eveneens door hen is genoemd (in de mail van 4 juli 2001). Onder die omstandigheden valt niet vol te houden dat de juridische ouders [eiser] opzettelijk de juiste adresinformatie hebben willen onthouden. Daaraan doet niet af dat zij de kwitantie toen niet direct aan [eiser] hebben overhandigd, nu voor hen destijds niet kenbaar behoefde te zijn dat die van belang zou kunnen zijn voor de zoektocht. Daargelaten dat het een kwitantie betrof van een betaling waarover zij [eiser] al in 2001 mondeling en per mail hadden geïnformeerd, is gesteld noch gebleken dat de juridische ouders wisten dat het adres van het door [eiser] in 2001 bezochte Lar Jumbinho een ander was dan dat op de kwitantie. Het moet er dan ook naar het oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat de precieze vestigingsplaats van het kindertehuis tussen partijen niet is besproken, daar beide partijen lange tijd in de (achteraf gezien onjuiste) veronderstelling verkeerden dat de juiste locatie reeds in 2001 was gevonden.

Ad e. het verbreken van het contact met [eiser]

4.41.

Vast staat dat de juridische ouders op enig moment in 2007 en vervolgens opnieuw in 2009, in 2010 en in 2011 het contact met [eiser] tijdelijk hebben verbroken en vanaf 2013 het contact geheel hebben beëindigd. Ter comparitie heeft (de advocaat van) [eiser] desgevraagd verklaard dat het verbreken van het contact geen zelfstandige onrechtmatige gedraging oplevert, zodat de rechtbank dit niet verder in de beoordeling zal betrekken.

Vordering tot verstrekken van verdere informatie

4.42.

[eiser] vordert voorts dat de juridische ouders worden veroordeeld tot het verstrekken van alle informatie die zij nog bezitten en die van belang zou kunnen zijn voor het kunnen vaststellen van zijn herkomst, afkomst en identiteit (zie 3.1 onder II). Ter zitting is gebleken dat de juridische ouders nog beschikken over een map met informatie over de opname van [eiser] in hun gezin. Zij hebben zich bereid verklaard inzage te geven in de betreffende stukken, al zij hebben daaraan toegevoegd dat er in de map niets zit wat nog niet bekend is bij [eiser] . Gelet op het voormelde beoordelingskader, het belang dat [eiser] heeft bij kennisname van alle relevante informatie en de omstandigheid dat de juridische ouders eerder (achteraf gezien ten onrechte) dachten dat de kwitantie geen relevante, nadere informatie bevatte, zal de vordering van [eiser] tot inzage in de map met stukken worden toegewezen. Voor het overige zal de vordering tot het verstrekken van stukken, bij gebrek aan enige onderbouwing van het bestaan van meer of andere stukken, worden afgewezen. Ter voorkoming van logistieke problemen zal afgifte door de juridische ouders van de originele en complete map aan de advocaat van [eiser] worden bevolen, opdat hij de stukken in kopie aan [eiser] kan doorgeleiden en [eiser] desgewenst bij zijn advocaat de originele map kan komen inzien, en zal worden bevolen dat de advocaat de originele map binnen twee maanden na ontvangst ervan zal retourneren aan de juridische ouders. Nu de juridische ouders ter zitting al hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen inzage van de bij hen berustende stukken ziet de rechtbank geen aanleiding voor het opleggen van een dwangsom ter zake.

De proceskosten

4.43.

Nu deze procedure voortvloeit uit de familierechtelijke verhouding tussen partijen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

veroordeelt de juridische ouders om binnen een week na de betekening van dit vonnis de complete en originele map met informatie over de opname van [eiser] in hun gezin ten kantore van de advocaat van [eiser] af te geven, opdat de advocaat de stukken daaruit kan doen inzien door [eiser] en desgewenst ten behoeve van [eiser] kan kopiëren, en bepaalt dat de advocaat deze map binnen twee maanden na ontvangst in origineel weer zal retourneren aan de juridische ouders;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra - van Vliet, mr. M.J. Alt-van Endt en mr. J. Brandt en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2017.