Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6709

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-06-2017
Datum publicatie
21-06-2017
Zaaknummer
AWB 17 / 3430
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het betreft een afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdende met het doel “niet-tijdelijke humanitaire omstandigheden op grond van de Definitieve regeling langdurig verblijvende kinderen”. Om in aanmerking te komen voor de gevraagde vergunning dient de hoofdpersoon – voor zover in deze zaak van belang – de asielaanvraag minstens vijf jaar vóór het bereiken van de 18-jarige leeftijd in te hebben gediend. In het onderhavige geval heeft de hoofdpersoon de asielaanvraag niet binnen voormelde termijn van vijf jaar vóór het bereiken van de 18-jarige leeftijd ingediend. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. De rechtbank is van oordeel dat deze uit de Regeling voortvloeiende voorwaarde niet kennelijk onredelijk is, zodat verweerder de aanvraag in redelijkheid reeds op grond hiervan heeft kunnen afwijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/3430

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 juni 2017 in de zaak tussen

[eiseres 1] , eiseres 1

[eiseres 2] , eiseres 2

[eiser] , eiser

[eiseres 3] , eiseres 3, tezamen te noemen eisers

(gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), onder de beperking verband houdende met het doel “niet-tijdelijke humanitaire omstandigheden op grond van de Definitieve regeling langdurig verblijvende kinderen” (de Definitieve regeling), afgewezen.

Bij besluit van 17 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk was ter zitting aanwezig A. Beglarian.

Overwegingen

1. Eisers hebben op 10 mei 2016 hun aanvraag ingediend tot het verlenen van voormelde verblijfsvergunning op grond van de Definitieve regeling. Eiseres 1, geboren op [geboortedag] 1997 en van Armeense nationaliteit, is de hoofdpersoon in het kader van deze regeling. Haar zus (eiseres 2), vader (eiser) en moeder (eiseres 3), eveneens met de Armeense nationaliteit, beogen verblijf als gezinslid van eiseres 1 op grond van de Definitieve regeling.

2. Eisers hebben op 16 maart 2011 aanvragen ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvragen zijn door verweerder bij onderscheiden besluiten van 9 augustus 2012 afgewezen. Bij uitspraken van 19 maart 2015 (AWB 12/28040, AWB 12/33145 en AWB 12/28176) heeft deze rechtbank en zittingsplaats de beroepen van eisers tegen deze besluiten ongegrond verklaard.

3. Het thans bestreden besluit strekt tot handhaving van de afwijzing van de aanvraag van 10 mei 2016. Verweerder heeft daartoe overwogen dat eisers niet in het bezit zijn van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en er geen grond is hen van het mvv-vereiste vrij te stellen. Voorts is verweerder niet gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat het stellen van het mvv-vereiste zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Eisers komen evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van de Definitieve regeling omdat niet wordt voldaan aan alle voorwaarden die de Definitieve regeling stelt om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning, alsmede omdat er sprake is van een contra-indicatie die aan vergunningverlening in de weg staat. Om aan de voorwaarden van de Definitieve regeling te voldoen, dient de hoofdpersoon de asielaanvraag minstens vijf jaar vóór het bereiken van de 18-jarige leeftijd in te dienen. In het geval van eiseres 1 betekent dit dat zij haar asielaanvraag uiterlijk op 11 mei 2010 had moeten indienen. Nu zij haar asielaanvraag pas op 16 maart 2011 heeft ingediend, voldoet zij niet aan voormelde voorwaarde. Voorts heeft verweerder eisers de contra-indicatie ‘de vreemdeling heeft niet meegewerkt aan zijn vertrek’ tegengeworpen omdat eisers in het bezit zijn van geldige paspoorten, zodat niet gezegd kan worden dat het buiten de invloedssfeer van eisers is gelegen om de noodzakelijke reisdocumenten te kunnen verkrijgen. Voorts is er volgens verweerder geen sprake van strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Eisers kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eisers stellen zich op het standpunt dat zij ten onrechte niet zijn gehoord in bezwaar. Van een situatie als bedoeld in artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op grond waarvan kan worden afgezien van het horen in bezwaar, is volgens eisers geen sprake. Eisers betogen voorts dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid nu de gronden van bezwaar van 19 januari 2017 niet bij de beoordeling zijn betrokken. Verweerder had volgens eisers moeten wachten met het nemen van een beslissing op bezwaar totdat de aanvullende gronden waren ontvangen. Bovendien heeft verweerder volgens eisers niet aannemelijk gemaakt dat het bestreden besluit op 18 januari 2017 is verzonden.

Eisers voeren in beroep verder aan dat het tegenwerpen van de voorwaarde uit de Definitieve regeling, inhoudende dat de vreemdeling vijf jaar vóór het bereiken van de 18-jarige leeftijd een asielaanvraag ingediend moet hebben, niet redelijk is, omdat het voor eiseres 1 niet mogelijk is om aan de tegengeworpen voorwaarde te voldoen. Bovendien is de achterliggende gedachte van deze voorwaarde volgens eisers dat er sprake moet zijn van een vreemdeling die een aanmerkelijk deel van zijn leven in Nederland een asielverleden heeft. Hiervan is volgens eisers in het geval van eiseres 1 sprake, ook zonder dat aan de vijfjaarstermijn wordt voldaan. Het tegenwerpen van de contra-indicatie dat eisers niet zouden hebben meegewerkt aan hun vertrek, kan volgens eisers voorts geen stand houden. Verweerder heeft aan deze tegenwerping geen onderzoek van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) ten grondslag gelegd en het enkele gegeven dat eisers in het bezit zijn van paspoorten is volgens eisers onvoldoende om de tegenwerping van deze contra-indicatie te dragen.

Eisers voeren in beroep verder aan dat verweerder de medische situatie van eiseres 3 ten onrechte niet in de beoordeling heeft betrokken. Eiseres 3 kampt met ernstige psychische klachten, te weten PTSS, een depressieve stoornis en suïcidale gedachten. Gelet hierop bestaan er bij uitzetting naar Armenië ernstige medische bezwaren voor eiseres 3, welke medische bezwaren ook hun weerslag hebben op de rest van het gezin.

Ook heeft verweerder volgens eisers onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de kinderen, eiseres 1 en eiseres 2. Eisers beroepen zich in dit kader op artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en artikel 8 van het EVRM evenals op het rapport ‘Ik wil terug naar Nederland’ uit 2017. Eisers hebben in Armenië niets opgebouwd, hebben daar geen sociale contacten en eiseres 1 en eiseres 2 spreken de Armeense taal niet. Eiseres 1 en eiseres 2 zijn hier in Nederland volledig geïntegreerd en geworteld. Hun belangen dienen zwaarder te wegen dan het belang van de Nederlandse Staat bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid.

5. De rechtbank zal allereerst ingaan op de vraag of verweerder erin is geslaagd de verzending van het bestreden besluit aannemelijk te maken.

6. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:288), geldt in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, als uitgangspunt dat het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het stuk is verzonden. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het stuk is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat er een deugdelijke verzendadministratie is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de toelichting in het verweerschrift, de overgelegde printscreen van het verzendsysteem en de gegeven toelichting ter zitting aannemelijk heeft gemaakt dat het bestreden besluit op 18 januari 2017 aan eisers gemachtigde is verzonden. Gelet hierop heeft verweerder de door eisers gemachtigde ingediende gronden van bezwaar van 19 januari 2017 niet kunnen en hoeven betrekken in de beoordeling van het bezwaar. Deze beroepsgrond van eisers slaagt derhalve niet.

7. Voor de bespreking van de overige beroepsgronden is het volgende wettelijke kader van belang.

8. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.

Ingevolge artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 is van het vereiste van een geldige mvv vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn.

Ingevolge artikel 3.71, derde lid, van het Vb 2000 kan verweerder het eerste lid buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

9. In paragraaf B9/6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is vermeld dat verweerder een verblijfsvergunning verleent aan de vreemdeling:

a. die jonger is dan 19 jaar op het moment van de aanvraag;

b. die zelf, dan wel ten behoeve van wie, ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft, dan wel is, ingediend bij de IND en na die aanvraag ten minste vijf jaar in Nederland heeft verbleven;

c. die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van de IND, de DT&V, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers of de Vreemdelingenpolitie (in het kader van de meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, van voogdij-instelling Nidos; én

d. die, voor zover van toepassing, vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat hij zijn lopende procedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsverlening op grond van de Definitieve regeling.

Verweerder verleent ook een vergunning aan gezinsleden die op het moment van de beoordeling deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling aan wie een vergunning wordt verleend, tenzij de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken.

10. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraken van 22 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3890) en 15 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2075)), behelst de Definitieve regeling begunstigend beleid tot het voeren waarvan verweerder niet op grond van enige internationale of wettelijke verplichting was gehouden. Bij het vaststellen van dat beleid heeft verweerder dan ook veel beleidsvrijheid.

11. De rechtbank overweegt voorts dat de Definitieve regeling blijkens de gestelde voorwaarden slechts op een beperkte categorie vreemdelingen van toepassing is. Zoals reeds eerder overwogen, komt verweerder bij de bepaling van welke groepen personen onder de Definitieve regeling vallen, een grote mate van beleidsvrijheid toe. Dit maakt dat niet licht geoordeeld kan worden dat het onderscheid dat daarmee ontstaat tussen vreemdelingen die wel en vreemdelingen die niet onder het beleid vallen, niet gerechtvaardigd moet worden geacht. Blijkens de Definitieve regeling heeft verweerder de groep vreemdelingen die op grond van deze regeling in aanmerking komt voor een afgeleide verblijfsvergunning beperkt tot diegenen die - voor zover van belang - tenminste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel hebben ingediend en na die aanvraag tenminste vijf jaar in Nederland hebben verbleven. Uit de tekst van de Definitieve regeling en de daarbij behorende toelichting kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat verweerder de bedoeling heeft gehad deze regeling ruimer te doen interpreteren. Uit de brief van verweerder aan de Tweede Kamer van 21 december 2012 (kenmerk 2012-0000664810) over het doel en de achtergrond van de Definitieve regeling blijkt voorts dat het doel van de regeling is om te voorkomen dat kinderen de dupe worden van langdurig verblijf in Nederland, dat te wijten is aan procedures die in het verleden soms lang duurden, het niet meewerken aan vertrek en het stapelen van procedures door ouders, of een combinatie van deze factoren. De Definitieve regeling moet voorkomen dat er in de toekomst opnieuw discussies ontstaan over lang in Nederland verblijvende kinderen en de rol en verantwoordelijkheid van de overheid ten opzichte van deze, veelal uitgeprocedeerde, vreemdelingen. De doelgroep van de Definitieve regeling is dus de groep minderjarige kinderen met een asielverleden, die al zeer lang in een onzekere situatie in Nederland verblijven. In dit licht bezien, mede gelet op het feit dat het hier gaat om begunstigend beleid, is de rechtbank van oordeel dat het vereiste van een verblijfstermijn van vijf jaar na indiening van de asielaanvraag voordat de leeftijd van 18 jaar wordt bereikt niet kennelijk onredelijk is. Het is tussen partijen niet in geschil dat eiseres 1 niet aan deze voorwaarde voldoet. Verweerder heeft de aanvraag dan ook in redelijkheid reeds op grond van dit beleidscriterium van de Regeling kunnen afwijzen.

12. Gelet op het vorenstaande en de cumulatieve criteria van de Definitieve regeling behoeven de gronden met betrekking tot het al dan niet meewerken aan vertrek geen verdere bespreking. Immers, wat ook zij van het antwoord op de vraag of deze contra-indicatie ten onrechte is tegengeworpen, dan nog blijft de cumulatieve voorwaarde overeind dat eiseres 1 niet voldoet aan de voorwaarde van een minimale verblijfstermijn van vijf jaar na indiening van de asielaanvraag voordat de leeftijd van 18 jaar werd bereikt.

13. Over eisers beroepsgrond dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 8 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt.

14. Zoals de Afdeling heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 26 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:585), volgt uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM; onder meer de arresten Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99, Osman tegen Denemarken van 14 juni 2011, nr. 38058/09, Nunez tegen Noorwegen van 28 juni 2011, nr. 55597/09, en het arrest Butt tegen Noorwegen van 4 december 2012, nr. 47017/09) en die van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2009, JV 2009/352) dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van het privéleven onderscheidenlijk het familie- en gezinsleven een “fair balance” moet worden gevonden tussen het belang van de betrokken vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

15. De Afdeling overweegt in voornoemde uitspraak voorts dat uit het arrest Butt kan worden afgeleid dat zwaarwegende redenen van migratiebeleid in beginsel aanleiding zijn het gedrag van de ouders van een vreemdeling aan de desbetreffende vreemdeling toe te rekenen, in verband met het risico dat ouders gebruik maken van de positie van hun kinderen om een verblijfsrecht te verkrijgen. Indien de desbetreffende vreemdeling dan wel diens ouders konden – althans hadden moeten – weten dat het verblijfsrecht van die vreemdeling onzeker was, bestaat slechts onder bijzondere omstandigheden reden voor de conclusie dat op grond van artikel 8 van het EVRM een verplichting bestaat tot het laten voortzetten van het privéleven onderscheidenlijk familie- en gezinsleven.

16. In lijn met deze Afdelingsuitspraak overweegt de rechtbank dat uit het procesdossier blijkt dat eisers eerder ingediende asielaanvragen zijn afgewezen, zodat zij konden weten dat hun verblijfspositie onzeker was. Doordat eiser en eiseres 3 niet over een verblijfsvergunning beschikken, bestaat het risico dat zij gebruik maken van de positie van eiseres 1 om een verblijfsrecht te verkrijgen. Daarom bestaat slechts onder bijzondere omstandigheden reden voor de conclusie dat artikel 8 van het EVRM verweerder ertoe verplicht eisers hun gezins- en privéleven te laten voortzetten in Nederland. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de door eisers aangevoerde omstandigheden, dat zij in Armenië geen sociale contacten hebben, dat zij in Nederland een sociaal leven hebben opgebouwd en hier naar school gaan en dat eiseres 1 en eiseres 2 de Armeense taal niet spreken, niet als zodanig bijzonder heeft hoeven aan te merken. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de weigering om eisers een verblijfsvergunning op grond van de Definitieve regeling te verlenen geen strijd met artikel 8 van het EVRM oplevert.

17. Over eisers beroep op artikel 3 van het IVRK heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit, bezien in het licht van artikel 3 van het IVRK er geen blijk van geeft dat hij zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen.

18. Ten aanzien van het betoog van eisers dat verweerder hen ten onrechte niet op hun bezwaar heeft gehoord, overweegt de rechtbank als volgt.

19. Het uitgangspunt ten aanzien van het horen in bezwaar is de in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb vervatte algemene regel dat er voor het bestuursorgaan een hoorplicht bestaat, behoudens de in artikel 7:3 van de Awb genoemde uitzonderingen. Van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb is sprake indien, aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met hetgeen in eerste instantie door de vreemdeling is aangevoerd en met de motivering van de primaire beslissing, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Naar het oordeel van de rechtbank deed een dergelijke situatie zich hier voor. De gronden van bezwaar zoals die door eisers vorige gemachtigde zijn opgesteld bieden – in het licht van hetgeen verweerder in het primaire besluit reeds ten aanzien van de onderhavige aanvraag heeft overwogen – geen aanknopingspunten op grond waarvan verweerder had moeten horen.

20. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Derks, voorzitter, mr. R.M.M. Kleijkers, en mr. K.M.P. Jacobs, leden, in aanwezigheid van mr. E. van Rie, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 19 juni 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.