Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6657

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-06-2017
Datum publicatie
29-06-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 10892
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Polen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/10892

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. S.R. Kwee),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. B.M. Kristel).

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser van 23 maart 2017 niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig L. Annissimova, tolk

Overwegingen

1. Eiser heeft op 23 maart 2017 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 10 december 2016 in Polen en op 19 december 2016 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.

Verweerder heeft de autoriteiten van Polen op grond van Verordening (EU) 604/2013 (Dublinverordening) op 11 april 2017 verzocht om eiser terug te nemen. De Poolse autoriteiten hebben middels het claimakkoord van 14 april 2017 hiermee ingestemd op grond van artikel 18, eerste lid, onder c, van de Dublinverordening.

2. De rechtbank overweegt als volgt.

Eiser heeft met het door hem in beroep gevoerde betoog niet aannemelijk gemaakt dat Polen zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen. Eiser heeft niet onderbouwd welke concrete aanwijzingen er zouden zijn dat Polen zijn internationale verplichting niet zal nakomen. De enkele stelling dat er grote problemen zijn met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechtspraak is onvoldoende. Ook heeft eiser op geen enkele wijze onderbouwd waarom hij zich niet bij voorkomende problemen kan wenden tot de Poolse autoriteiten voor bescherming. De enkele stelling dat hij vreest voor bloed/eerwraak is hiertoe onvoldoende. Verweerder heeft zich -met de in het besluit gegeven motivering- dan ook terecht op het standpunt gesteld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat ten opzichte van Polen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan of dat door de overdracht van eiser aan Polen een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming van eiser hier te lande te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening nu er door eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.

3. Het beroep is ongegrond.

4. Voor een proceskosten veroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.