Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6629

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-06-2017
Datum publicatie
03-07-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 26476
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag, Bagdad, Soenniet, geloofwaardigheid, zwaarwegendheid, groepsvervolging en 15c-situatie.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/26476

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: E.P.C. van der Weijden).

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit op 16 november 2016 beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was M. Driessen als tolk ter zitting aanwezig.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1979 in Bagdad en heeft de Iraakse nationaliteit. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland.

2 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn asielaanvraag - samengevat - het volgende aangevoerd. Eiser behoort tot de bevolkingsgroep van de Arabieren en is een soenniet. Op 9 maart 2014 is eiser door de militie van Watheq Al-Battatt ontvoerd en na betaling van losgeld is hij weer vrijgelaten. Op 21 juli 2014 heeft Al Sisrani iedereen opgeroepen om tegen ISIS te vechten maar eiser heeft hier geen gehoor aan gegeven. Eiser was werkzaam bij het Ministerie van Olie als inspecteur van benzinepompstations. Op 25 augustus 2014 heeft hij als het hoofd van een commissie bij de controle van een benzinestation melding gemaakt van het verduisteren van benzine. Als gevolg van deze melding heeft het benzinestation een sanctie opgelegd gekregen. De eigenaar van het benzinestation, de sjiitische militie Asaib Ahl al-Haq (hierna: AAH), heeft eiser om die reden op dezelfde dag telefonisch bedreigd. Eiser heeft zijn huis verlaten en is naar het huis van de zus van zijn vrouw gegaan. Van een buurman heeft eiser vernomen dat AAH ’s nachts zijn woning is binnengedrongen, wat eiser heeft doen besluiten om zijn land van herkomst te verlaten.

3 Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 afgewezen en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiser als relevant gekwalificeerd:

1) de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;

2) eiser stelt op 9 maart 2014 ontvoerd te zijn door de militie van Watheq Al-Battatt. Hij stelt na betaling van losgeld vrijgelaten te zijn;

3) eiser stelt dat op 21 juli 2014 een fatwa is uitgesproken door Al Sisrani. Van iedereen werd verwacht tegen ISIS te gaan vechten. Eiser heeft verklaard dat hij hier geen gehoor aan heeft gegeven.

4) eiser stelt werkzaam geweest te zijn bij het Ministerie van Olie als inspecteur van benzinepompstations. Eiser stelt op 25 augustus 2014 bij een controle van een benzinestation een melding gemaakt te hebben van het verduisteren van benzine. Als gevolg van deze melding heeft dit benzinestation een sanctie opgelegd gekregen.

5) eiser stelt dat de eigenaar van dit benzinestation, de sjiitische militie, Asaib Ahl al-Haq, hem om die reden dezelfde dag nog bedreigd heeft en zijn woning is binnengedrongen.

Verweerder heeft de onder 1 tot en met 4 vermelde relevante elementen geloofwaardig geacht en het onder 5 vermelde relevante element ongeloofwaardig bevonden. Dat eiser als soenniet ontvoerd is geweest en tegen betaling van losgeld weer is vrijgelaten en de oproep om tegen ISIS te vechten zijn volgens verweerder echter onvoldoende zwaarwegend om eiser als vluchteling aan te merken in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) dan wel te concluderen dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Verweerder overweegt voorts dat uit de voorhanden zijnde gegevens niet kan worden afgeleid dat soennieten als groep voor vervolging te vrezen hebben. Derhalve mag van eiser worden verlangd dat hij aannemelijk maakt dat hij op individuele gronden in aanmerking komt voor internationale bescherming.

4 Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe in beroep het volgende aangevoerd. Verweerder heeft ten onrechte niet geloofwaardig geacht dat eiser door AAH is bedreigd. Voorts is de omstandigheid dat eiser als soenniet ontvoerd is geweest en na betaling weer is vrijgelaten wel degelijk zwaarwegend genoeg om tot vluchtelingschap dan wel een reëel en voorzienbaar risico op ernstige schade te concluderen. Onder verwijzing naar een groot aantal bronnen, betoogt eiser daarnaast dat soennieten als groep in Bagdad worden vervolgd en dat de algemene veiligheidssituatie in Bagdad dermate ernstig is dat daardoor sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2011/95/EU (Definitierichtlijn). Ter zitting heeft eiser betoogd dat de opeenstapeling van incidenten die plaatsvinden in Bagdad in combinatie met zijn persoonlijke omstandigheden maken dat er sprake is van een situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

5 De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

5.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de bedreiging door AAH niet geloofwaardig is. Zo heeft eiser niet aannemelijk gemaakt hoe het kan dat de militie, voordat de beschikking met de daarin vermelde sanctie de eigenaar van het tankstation bereikt had, van deze sanctie weet kon hebben. De stelling van eiser dat sprake is van een parallelle structuur binnen het ministerie is onvoldoende onderbouwd en wordt door verweerder dan ook niet ten onterechte niet aannemelijk geacht. Het door eiser overgelegde Algemene Ambtsbericht Irak van 14 november 2016 en het rapport van de Finnish Immigration Service ‘Security situation in Baghdad – The shia militias’ van 29 april 2015 maakt dit niet anders. Uit deze bronnen komt het beeld naar voren dat sjiitische milities, waaronder AAH, in sterke mate aanwezig zijn in Bagdad en de controle hebben in bepaalde wijken. Zo bemannen zij controleposten, hebben ze kantoren en werken ze samen met de Iraakse veiligheidsdienst. Uit deze bronnen blijkt echter niet dat sjiitische milities, meer in het bijzonder AAH, het Ministerie van Olie zijn geïnfiltreerd en hier een illegaal netwerk hebben gevormd die de overheid stuurt volgens een eigen agenda.

Nu verweerder het bestaan van een parallelle structuur binnen het ministerie niet ten onrechte niet aannemelijk heeft geacht, behoeft de beroepsgrond die eiser aanvoert tegen hetgeen verweerder in het bestreden besluit heeft opgemerkt in het geval een dergelijke structuur wel aannemelijk zou worden geacht, geen bespreking.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft overwogen dat de verklaringen die eiser heeft afgelegd over de omstandigheid dat hij zijn werkgever niet op de hoogte heeft gesteld van de bedreiging, afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van zijn relaas. De verklaring van eiser dat de parallelle structuur maakt dat er niets zal worden ondernomen tegen de bedreiging, wordt door verweerder ook hier niet ten onrechte niet gevolgd. Verweerder overweegt niet ten onrechte dat niet valt in te zien dat eiser zijn werkgever niet informeert, aangezien het dreigement rechtstreeks voortvloeit uit de werkzaamheden van eiser. Nu de bedreiging zijn werkgever ook kan treffen, ligt het voor de hand dat zijn werkgever actie zal ondernemen. Hierbij heeft verweerder van belang geacht dat eerder twee collega’s in de uitoefening van hun werkzaamheden gedood zijn. Verweerder heeft zich voorts niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien dat eiser zijn werkgever niet belt om te informeren of andere collega’s en zijn werkgever zelf ook zijn bedreigd. Indien dit het geval is, is de kans reëel dat stappen ondernomen zullen worden. De verklaring van eiser dat hij bang was dat de militie achter zijn locatie zou komen, wordt door verweerder niet gevolgd. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat niet valt in te zien hoe de militie achter de locatie van eiser kan komen indien hij zijn werkgever belt, nu door eiser niet aannemelijk is gemaakt dat AAH binnen zijn ministerie is geïnfiltreerd. Verweerder heeft zich ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser vanuit een andere locatie en met een andere telefoon had kunnen bellen. De omstandigheid dat sjiitische milities, waaronder AAH, veel macht hebben in Bagdad en zich schuldig maken aan wandaden jegens soennieten, zoals door eiser in beroep is aangevoerd en naar voren komt in het door eiser ingebrachte rapport van Human Rights Watch ‘Iraq: Pro-Government Militias’ Trail of Death’ van 31 juli 2014, maakt het vorenstaande niet anders. Eiser heeft hiermee immers niet onderbouwd dat er in het geval hij de bedreiging bij zijn werkgever wel had gemeld hier niets tegen zou zijn ondernomen noch dat AAH in staat is te achterhalen vanaf welke locatie hij zou hebben gebeld.

De rechtbank is ook van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft overwogen dat eiser de gestelde inval in zijn woning slechts telefonisch via derden, zijn buren, heeft vernomen en op geen enkele wijze heeft geprobeerd het gestelde te verifiëren, hetgeen eveneens afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas. De verklaring van eiser dat hij een goede band heeft met zijn buren, dat zij christen en niet-sjiieten zijn en hij daarom op hen kon vertrouwen, doet hieraan niet af. Zoals verweerder niet ten onrechte heeft overwogen, is van belang om te weten wat er zich precies heeft voorgedaan tijdens de inval en of er op een later moment nog naar eiser is gezocht.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat niet valt in te zien dat eiser heeft kunnen verklaren dat de twee collega’s die bij de controle aanwezig waren, niet bedreigd zijn, nu hij ook heeft verklaard dat hij niet meer op kantoor is geweest en geen contact heeft gehad met zijn werkgever. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt hoe hij kon weten dat zijn collega’s niet bedreigd zijn. Eisers verklaring dat hij als enige bedreigd is omdat hij het hoofd van de commissie was, heeft verweerder niet afdoende kunnen achten. Dit maakt, zoals verweerder heeft overwogen, niet vanzelfsprekend dat zijn collega’s niet bedreigd zijn. Eisers verklaring uit het nader gehoor dat hij niet weet of de andere leden van de commissie op de hoogte waren van hetgeen na de inspecties is gebeurd, maakt dit evenwel niet anders.

5.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de ontvoering van eiser niet ten onrechte onvoldoende zwaarwegend heeft geacht om tot vluchtelingschap dan wel tot een reëel en voorzienbaar risico op ernstige schade te concluderen. Verweerder heeft hierbij in aanmerking mogen nemen dat eiser na betaling van losgeld in vrijheid is gesteld en dat hij nadien geen problemen meer heeft ondervonden van de ontvoerders. Eiser heeft overigens niet nader onderbouwd waarom de ontvoering wel zwaarwegend genoeg is om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

5.4

Ten aanzien van eisers betoog dat soennieten als groep in Bagdad worden vervolgd, overweegt de rechtbank dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) zich bij uitspraken van 21 november 2016 heeft uitgelaten over de positie van soennieten in Bagdad (ECLI:NL:RVS:2016:3083, ECLI:NL:RVS:2016:3084 en ECLI:NL:RVS:2016:3085). In bovenstaande uitspraken is de Afdeling tot de conclusie gekomen dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat soennieten in Bagdad niet systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. Weliswaar zijn soennieten in Bagdad slachtoffer geworden van ontvoeringen en buitengerechtelijke executies, maar, gelet op het grote aantal soennieten in de stad, maakt dit niet dat het enkel zijn van een soenniet een reëel risico met zich mee brengt op een dergelijke onmenselijke behandeling. Verweerder heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat uit landeninformatie blijkt dat soennitische wijken minder te maken hebben met bomaanslagen door ISIS, dat verantwoordelijk is voor het overgrote deel van de doden en gewonden in Bagdad, en ook dat de situatie in verschillende soennitische en gemengde wijken in gunstige zin afsteekt tegen de situatie in sjiitische wijken. Door de Afdeling is derhalve aangenomen dat soennieten in Bagdad niet wegens sjiitische milities een reëel risico lopen op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Gelet ook op de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 februari 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:1583) en de uitspraak van het Britse Upper Tribunal van 23 januari 2017 ([2017]UKUT 00018 IAC), waarin dezelfde conclusie wordt getrokken ten aanzien van de positie van soennieten in Bagdad, volgt de rechtbank eiser dan ook niet in zijn stelling dat soennieten als groep in Bagdad worden vervolgd. Daarbij is van belang dat eiser in zijn gronden verwijst naar landeninformatie die reeds door de Afdeling in haar beoordeling is betrokken of naar landeninformatie die ziet op een periode van vóór de genoemde uitspraken en hieruit ook anderszins geen wezenlijk ander beeld naar voren komt met betrekking tot de positie van soennieten in Bagdad.

5.5

Ten aanzien van het beroep van eiser op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn (artikel 15c-situatie), overweegt de rechtbank dat deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht overwogen dat in Bagdad geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in de bovenstaande bepaling. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht verwezen naar de Tweede Kamerbrief van 9 december 2015 (kenmerk: 694088) en de uitspraak van het Britse Upper Tribunal van 5 oktober 2015 (AA/06175/2009). In aanvulling daarop heeft verweerder in het verweerschrift eveneens terecht verwezen naar het Algemeen Ambtsbericht Irak van 10 november 2016, de uitspraak van het Britse Upper Tribunal van 23 januari 2017 ([2017]UKUT 00018 IAC), de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 februari 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:1583) en de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam van 18 april 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:2663). In deze uitspraken is aangenomen dat er in de Bagdad geen sprake was van een artikel 15c-situatie. Hoewel uit de door eiser in beroep overgelegde stukken blijkt dat de situatie in Bagdad nog steeds ernstig is en er veel aanslagen plaatsvinden, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een significante verandering van de veiligheidssituatie in Bagdad op grond waarvan thans wel van een artikel 15c-situatie moet worden uitgegaan.

6 Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

7 Het beroep is ongegrond.

8 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs.L.B.M. Klein Tank, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).