Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6627

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-06-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
09/827262-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Den Haag heeft bij uitspraak van 16 juni 2017 een man een celstraf van 12 maanden opgelegd wegens mensenhandel en wederrechtelijke vrijheidsberoving. De man heeft, gedurende een korte periode, twee vrouwen uitgebuit door hun opbrengsten uit prostitutiewerkzaamheden afhandig te maken. Daarnaast heeft hij de vrouwen opgesloten in zijn winkel in Den Haag. De man kwam met de beide vrouwen in aanraking via een advertentie op internet. Bij eerste contact werden de vrouwen grote opbrengsten voorgespiegeld. De vrouwen moesten echter, onder het voorwendsel van schulden bij de man, nagenoeg alle verdiensten afstaan. De man gebruikte dwang, afpersing en misleiding om de dames op deze manier uit te buiten. De vrouwen werden in Antwerpen te werk gesteld, waar zij niemand kenden en afhankelijk waren van de man voor het vervoer van en naar Nederland. Zij werden in de gaten gehouden, de man bepaalde de werktijden en de vrouwen moesten ook werken wanneer zij dat niet wilden. Bovendien rekent de rechtbank het de man aan dat de beide dames zich in een kwetsbare positie bevonden, hetgeen door de man is uitgebuit. De zaak kwam aan het rollen toen één van de vrouwen een 112 melding deed vanuit het winkelpand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/827262-16

Datum uitspraak: 16 juni 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 19 augustus 2016, 4 november 2016,

18 november 2016 en 2 juni 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. F.A. Kuipers en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. S. van der Eijk, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijzigingen van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 14 april tot en met 1 mei 2016 te

's-Gravenhage en/of elders in Nederland en/of Antwerpen (België)

A)

een ander of anderen, te weten naam [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , (telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld of (een) andere feitlijkhe(i)d(en), door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door

misbruik van een kwetsbare positie,

- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het

oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

(sub 1°) en/of

- heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4°) en/of

- heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst

van zijn/haar/hun, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , seksuele handelingen met en/of voor een derde (sub 9°) en/of

B)

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft geworven en/of medegenomen met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3°) en/of

C)

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting

van die/een ander of anderen, te weten naam [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

, (sub 6°),

immers heeft verdachte

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] harddrugs en/of softdrugs

en/of alcohol verstrekt en/of

- een prostitutiekamer in Antwerpen geregeld voor die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] naar Antwerpen vervoerd en/of

- tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat zij moest zeggen dat hij, verdachte,

haar vriend was en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] voorgespiegeld dat ze 900

euro per dag, althans een aanzienlijk bedrag, konden verdienen met prostitutie

werkzaamheden en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich laten prostitueren onder

invloed van drugs en/of alcohol en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gedwongen, althans bewogen,

om als prostituee te werken en/of

- een of meer (seks)advertenties voor die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gemaakt en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gezegd dat zij zouden worden doorverkocht en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gedwongen, althans bewogen,

(een groot deel van) haar/hun met de prostitutie verdiende geld af te staan

en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gehuisvest en/of opgesloten

in zijn, verdachte's (winkel)pand en/of

- die [slachtoffer 1] geschopt en/of geslagen en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] bedreigd door te zeggen "Je solt met de verkeerde" en/of "Nogmaals het is geen spelletje, Ik houd jullie in de gaten. Jullie zitten er nu helemaal in en er is geen weg terug" en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gezegd dat er een schuld terugbetaald moest worden;

2.

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 15 april tot en met 1 mei 2016 te ’s-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] opgesloten in zijn, verdachte ‘s (winkel)pand aan de [straat] 91;

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De verdenking luidt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel in de zin van artikel 273f, lid 1, sub 1, 3, 4, 6 en 9 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (feit 1) en aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van die vrouwen (feit 2).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, zoals verwoord in haar schriftelijke requisitoir, gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, met dien verstande dat de officier van justitie voor het onder 1 tenlastegelegde geweld onvoldoende bewijs aanwezig acht.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, zoals verwoord in zijn pleitnota, integrale vrijspraak bepleit en heeft hiertoe - kort weergegeven - aangevoerd:

- dat bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering dient plaats te vinden vanwege onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek nu:

- de Aanwijzing mensenhandel en de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten niet zijn nageleefd;
- de weergave van de verhoren in de processen-verbaal op een groot aantal onderdelen onjuist en onvolledig is;
- de wijze van verhoren onjuist is doordat er sturende vragen zijn gesteld en opmerkingen zijn gemaakt en onvoldoende is doorgevraagd en geconfronteerd;

- dat de verklaringen van aangeefsters onvoldoende valide en betrouwbaar zijn en derhalve niet bruikbaar zijn voor het bewijs;

- dat er ten aanzien van feit 1 voor werven, middelen en het oogmerk van uitbuiting zoals bedoeld in artikel 273f Sr geen bewijs is

- dat er geen sprake is van wederrechtelijke vrijheidsberoving.

De raadsman heeft tenslotte het voorwaardelijke verzoek gedaan om aangeefsters opnieuw te horen.

3.4

De verweren

Vormverzuimen

De verdediging heeft gesteld dat sprake is van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek die dienen te leiden tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering.

Indien sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek tegen een verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde strafbare feit en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient de rechter rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat doordoor wordt veroorzaakt. Bewijsuitsluiting (artikel 359a, eerste lid, onder b Sv) kan uitsluitend aan de orde komen, indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen en komt in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Bewijsuitsluiting kan noodzakelijk zijn indien het recht op een eerlijk proces is geschonden, kan aangewezen zijn als rechtstatelijke waarborg en middel om toekomstige schendingen te voorkomen dan wel kan toepast worden indien het gaat om een structureel vormverzuim. Strafvermindering komt slechts in aanmerking indien aannemelijk is dat de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden dat is veroorzaakt door het verzuim, het nadeel geschikt is voor compensatie door strafvermindering en strafvermindering gerechtvaardigd is in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim.

Opname verhoren

Uit het dossier blijkt dat het verhoor aangeefster [slachtoffer 1] van 10 juni 2016, het verhoor van getuige [getuige 3] van 10 mei 2016 en het verhoor van getuige [getuige 1] niet auditief zijn opgenomen. In de Aanwijzing mensenhandel staat geen verplichting om in geval van seksuele uitbuiting, de aangifte op te nemen op een geluids- of beelddrager. Wel staat in de Aanwijzing mensenhandel vermeld dat op aangiften van mensenhandel de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten van toepassing is. Deze Aanwijzing geeft nadere aanwijzingen voor dat audiovisueel registreren en beschrijft een aantal situaties waarin het verplicht is audiovisueel te registreren. Een geluidsdrager is onder andere vereist indien het een misdrijf betreft met een strafbedreiging van 12 jaar of meer. Nu mensenhandel wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste 12 jaar, is de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten van toepassing.

Gelet op het voorgaande is sprake van handelen in strijd met de Aanwijzing, en derhalve van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek.

De raadsman heeft aangevoerd dat, nu de weergave van andere verhoren in dit onderzoek die wel auditief zijn geregistreerd op een groot aantal onderdelen niet overeenkomt met de geluidsopnames, op de weergave van de niet opgenomen verhoren ook niet kan worden vertrouwd. De rechtbank heeft, na opmerkingen daarover van de raadsman, kennis genomen van een aantal auditief geregistreerde verhoren. Een vergelijking met de schriftelijke weergave daarvan in het proces-verbaal geeft niet blijk van grote of structurele discrepanties. Daarmee kan worden aangenomen dat ook de niet opgenomen verhoren niet wezenlijk afwijken van de schriftelijke uitwerking daarvan. Bovendien is wat naar aanleiding van de niet opgenomen verhoren is geverbaliseerd in lijn met hetgeen uit andere verhoren en bewijsmiddelen blijkt. Naar het oordeel van de rechtbank is er daarom door het niet opnemen van enkele van de verhoren geen sprake van een ernstig verzuim waardoor de belangen van de verdachte daadwerkelijk zijn geschaad, zodat geen grond bestaat voor bewijsuitsluiting. Ook voor strafvermindering ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding, zodat volstaan wordt met de vaststelling van het vormverzuim.

Weergave verhoren

Ten aanzien van de weergave van de verhoren in de processen-verbaal is de rechtbank van oordeel dat, zelfs indien sprake zou zijn van enig vormverzuim, dit reeds niet tot bewijsuitsluiting of strafvermindering op grond van artikel 359a Sv kan leiden, omdat een eventueel verzuim is hersteld door het verstrekken van de opnames van de verhoren. Hierbij herhaalt de rechtbank, dat zij bij het uitluisteren van de onderdelen van de verhoren waar de verdediging opmerkingen over heeft gemaakt, geen grote discrepanties heeft waargenomen met hetgeen in het betreffende proces-verbaal van verhoor is vastgelegd.

Wijze van verhoren

Ten aanzien van het verweer dat in de verhoren onvoldoende is doorgevraagd of geconfronteerd overweegt de rechtbank dat, zelfs als dit al een vormverzuim zou opleveren, evenmin sprake is van een onherstelbaar verzuim, nu de verdediging in de gelegenheid is geweest de aangeefsters tijdens de verhoren bij de rechter-commissaris te bevragen.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de door de verdediging als sturend omschreven opmerkingen en vragen geen onherstelbaar vormverzuim opleveren. Niet gebleken is dat aangeefsters na die vragen of opmerkingen verklaringen hebben afgelegd die niet in lijn zijn met wat zij daarvoor al hadden verklaard. Omtrent onderwerpen als dwang, geld afgeven, opsluiting en angst hebben aangeefsters al eerder, bijvoorbeeld tegenover de Belgische politie, in het eerste (informatief) gesprek of eerder in het verhoor al verklaard.

In samenhang bezien

De rechtbank is van oordeel dat, anders dan de verdediging heeft bepleit, de gestelde gebreken in de opname, vastlegging en wijze van verhoren ook niet in onderlinge samenhang, dan wel in samenhang met alle overige gestelde tekortkomingen in het onderzoek – een vormverzuim opleveren dat tot bewijsuitsluiting aanleiding geeft. Van schending van het recht op een eerlijk proces en het recht op privacy van verdachte, zoals de verdediging heeft aangevoerd, is geen sprake. De rechtbank ziet in dit verband ook geen grond voor strafvermindering.

Betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefsters

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefsters onvoldoende valide en betrouwbaar zijn. Daartoe is onder meer gewezen op een rapport van 14 november 2016 van prof. dr. P.J. van Koppen, die ter terechtzitting van 2 juni 2017 is gehoord.

De rechtbank acht bij het beoordelen van de betrouwbaarheid onder meer van belang wat aangeefsters op verschillende momenten en bij verschillende gelegenheden uit zichzelf hebben verklaard. Aangeefsters zijn op 15 april 2016 met verdachte naar Antwerpen gegaan. Reeds in de nacht van 15 op 16 april 2016 constateert de Belgische politie bij een controle dat [slachtoffer 1] zenuwachtig en angstig is. In de nacht van 16 op 17 april 2016 wordt de Belgische politie aangesproken door [slachtoffer 2] die zegt dat zij en [slachtoffer 1] in de problemen zitten, dat ze worden vastgehouden in een appartement in Den Haag en zijn overgebracht naar Antwerpen om in de prostitutie te werken en dat ze vreest dat ze opnieuw zullen worden meegenomen en gedwongen om in de prostitutie te werken. [slachtoffer 1] verklaart tegen de Belgische politie dat zij werkt voor een Surinaamse man die haar naar Antwerpen heeft gebracht, dat zij haar geld moet afgeven en dat ze werden vastgehouden in Den Haag. Beide aangeefsters waren volgens de politie angstig en in slechte fysieke toestand. Deze gesprekken gaven de Belgische politie aanleiding om een onderzoek te starten en een rechtshulpverzoek aan Nederland te doen. [slachtoffer 2] heeft los daarvan op 26 april 2016 in Nederland een informatief gesprek mensenhandel gevoerd, waarbij zij onder meer heeft verklaard dat dat ze naar Antwerpen zijn gebracht om te werken, dat ze opgesloten zijn, dat de man heeft gezegd dat ze er nu inzaten en er niet meer uit konden, dat ze geld moesten afstaan en dat ze dacht dat ze zouden worden doorverkocht. [slachtoffer 1] heeft op 1 mei 2016 naar het alarmnummer112 gebeld en gezegd dat ze in een huis zit en dat alles dicht is. De later afgelegde verklaringen zijn in belangrijke mate in overeenstemming met deze eerste verklaringen, nog zonder dat sprake was van een aangifte. Voorts geldt dat de verklaringen op belangrijke onderdelen bevestiging vinden in de hiervoor genoemde en andere bewijsmiddelen. Het betreft onder meer de chatgesprekken tussen verdachte en [slachtoffer 1] , het proces-verbaal van de Belgische politie, de verklaring van getuige [getuige 2] , het 112-gesprek van [slachtoffer 1] , het proces-verbaal van bevindingen van het aantreffen van [slachtoffer 1] in Den Haag, het informatieve gesprek van [slachtoffer 2] op 26 april 2016 en de advertenties die zijn geplaatst voor werk in de prostitutie en voor ‘Kim’ en ‘Natasja’, de namen waaronder de aangeefsters werkten. Bovendien ondersteunen de verklaringen van de aangeefsters elkaar onderling. De verklaringen zijn verder vanaf het begin op hoofdlijnen steeds voldoende gedetailleerd en consistent geweest. Dat aangeefsters op deelonderwerpen niet steeds hetzelfde verklaren, maakt niet dat die verklaringen als geheel niet betrouwbaar zijn. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de verklaringen van de aangeefsters als onbetrouwbaar aan te merken en zal deze gebruiken voor het bewijs.

Op de overige verweren van de raadsman zal waar nodig hierna worden ingegaan.

3.5

De beoordeling van de tenlastelegging1

De 112-melding

Op 1 mei 2016 omstreeks 08.30 uur belt [slachtoffer 1] naar het alarmnummer 112. In een gesprek met de meldkamer van de politie zegt zij onder meer:

“ik zit ergens in een huis en ik wil eigenlijk naar buiten maar alles is dicht”;

“ik zit hier ook wel een beetje door mijn eigen schuld”;

dat zij daar ook niet helemaal vrijwillig is,

“maar ik ben wel vrijwillig gewoon teruggegaan hier omdat ik nog geld moest afbetalen ook voor iemand anders, om dat op te lossen ben ik teruggegaan”;

“er zitten … voor de ramen soort tralies van die roldingen die je naar beneden voor je winkel kan doen. En aan de andere zijkant zit een deur met glas gewoon”.2

Het aantreffen van [slachtoffer 1]

Op 1 mei 2016, omstreeks 08.45 uur, hoorden verbalisanten van de meldkamer dat op de [straat] in Den Haag een vrouw opgesloten zou zitten. Het bleek te gaan om het pand [straat] 91 te Den Haag. Verbalisanten zijn naar de voordeur gelopen en zagen een blonde vrouw die zei: “Ik kan er niet uit, ik ben opgesloten.” Verbalisant [verbalisant 1] zag dat de vrouw erg afwezig en aan het trillen was en mogelijk onder invloed was. Verbalisant heeft geprobeerd de deur met een koevoet te openen. Dat lukte niet, waarop hij het glas van de deur heeft verbroken. In de politieauto zei de vrouw: “Ik ben hier net opgesloten en ik wil hier niet zijn. Ik wil weer terug naar de opvang waar ik thuis hoor.” De vrouw identificeerde zich als [slachtoffer 1] . Verbalisant hoorde [slachtoffer 1] zeggen: “Ik zit in een opvang omdat ik in een loverboy circuit heb gezeten. Mijn zusje heeft schulden en ik ben bezig haar schulden af te lossen door te werken in Antwerpen. Ik heb toch al genoeg problemen dus ben ik haar gaan helpen. Maar vandaag wilde ik weg maar ben ik weer opgesloten. Ik zit hier nog niet zo heel erg lang.” Later op de binnenplaats vertelde [slachtoffer 1] aan verbalisant dat zij achter de ramen in Antwerpen werkte. Dit deed ze om schulden af te lossen voor iemand die zij ziet als haar zusje (niet haar echte zusje). [slachtoffer 1] verklaarde dat zij nu al twee weken in het pand zat en steeds werd opgehaald door de eigenaar van het pand, die haar naar Antwerpen bracht om te werken. Zij verklaarde dat haar zusje niet meer achter de ramen kon werken omdat zij daar vaak in paniek raakte en herpes heeft opgelopen, dus moest ze daar weg. De schuld was maar 1000 euro. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij de schuld al afbetaald had en vandaag terug wilde naar de opvang. Zij mocht van verdachte niet gaan en dus heeft hij haar weer opgesloten in het pand, aldus [slachtoffer 1] . Dit gebeurt al twee weken. In het begin had ze helemaal niks en had ze het superkoud in het pand. Later kreeg ze een kacheltje dus kreeg ze het al weer wat warmer en toe kreeg ze ineens dekens. [slachtoffer 1] zei dat ze “drie lijntjes coke, een blowtje, twee 5 mg Diazepam en een klein beetje alcohol” op had. De coke deed ze vaker want dan was ze minder moe en kon ze het werk in Antwerpen beter volhouden.3

Het pand aan de [straat] 91 te Den Haag

Verbalisant [verbalisant 2] heeft het pand aan de [straat] 91 te Den Haag betreden en zag dat het een soort bedrijfspand betrof. Binnen stonden meerdere bankstellen. Er was een blauwe bank waarvan het leek of het betrokken meisje hierop geslapen of gelegen had. Er lag een deken op. Verbalisant werd benaderd door een vrouw die zich legitimeerde als [getuige 3] en aangaf eigenaar van het pand te zijn. [getuige 3] zei dat alleen zij en haar zoon (verdachte [verdachte] ) een sleutel van het pand hadden. 4

De verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1]

Op 1 mei 2016 zou een informatief gesprek met [slachtoffer 1] worden gehouden. [slachtoffer 1] was echter erg warrig en sprong in haar verhaal van de hak op de tak. Zij gaf aan dat zij al 48 uur wakker was en drugs had gebruikt. Hierdoor is er voor gekozen om geen informatief gesprek mensenhandel op te nemen conform de regeling mensenhandel. Wel zijn in een kort gesprek met [slachtoffer 1] signalen van mensenhandel waargenomen. [slachtoffer 1] verklaarde dat zij ongeveer drie weken daarvoor had gereageerd op een advertentie op seksjobs.nl. [slachtoffer 1] heeft de (Surinaamse) man (verdachte) achter deze advertentie in Breda ontmoet. [slachtoffer 1] verklaarde dat zij in de prostitutie wilde werken, omdat haar vriendin, genaamd [slachtoffer 2] , een schuld bij verdachte had van 1000 euro. De eerste afspraak met verdachte was ongeveer 3 weken geleden. Verdachte bracht [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar Antwerpen om te werken. De werktijden waren van 20.00 tot 08.00 uur. Na het werken bracht hij hen naar een pand in Den Haag. Als hij wegging deed hij de deur op slot. Tevens gaf verdachte aan beide dames drugs. Vorige week is [slachtoffer 2] weggegaan bij verdachte. [slachtoffer 1] is op donderdag 28 april 2016 alleen naar hem terug gegaan om de schuld van [slachtoffer 2] in te lossen. Wederom bracht hij haar naar Antwerpen zodat zij daar kon gaan werken in de raamprostitutie. Op 1 mei 2016 is zij daar samen met verdachte gecontroleerd. Omstreeks 07.00 uur heeft zij haar begeleidster [getuige 2] telefonisch gecontacteerd vanuit het pand in Den Haag. [getuige 2] had haar geadviseerd 112 te bellen.5

Op 2 mei 2016 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan van mensenhandel. Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij samen met [slachtoffer 2] op 14 april 2016 via sexjobs.nl op zoek ging naar een kamer om te prostitueren, zodat zij het zelf konden regelen. [slachtoffer 2] had geld nodig. Op internet vonden aangeefsters een advertentie van een man (verdachte) die appartementen en ramen aanbood. Via het telefoonnummer in de advertentie spraken ze met verdachte af bij Utrecht CS. Aangeefsters wisten dat ze diezelfde dag naar Antwerpen zouden gaan. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij zich daar zou aanbieden voor seks. Verdachte zou hen helpen, zei hij. Aangeefster [slachtoffer 1] dacht dat zij een kamer moesten betalen aan hem. Zij heeft verdachte horen zeggen dat hij meerdere vrouwen voor zich had werken, voornamelijk in Amsterdam. Die avond in Antwerpen moest aangeefster [slachtoffer 1] net doen alsof verdachte haar vriend was. Hij maakte afspraken voor wat betreft de kamer/raamverhuur met de eigenaar en zijn vrouw van een café. [slachtoffer 2] was onrustig. Verdachte zei dat hij [slachtoffer 2] zou pushen en laten drinken, dan zou het wel goed komen. Aangeefsters zouden naast elkaar achter de ramen gaan zitten, maar dit was niet zo. Aangeefster [slachtoffer 1] stond achter het raam en [slachtoffer 2] aan de overkant in een pand. [slachtoffer 2] was een groot drama, zij had geen klanten verder, zo verklaarde [slachtoffer 1] . De tweede avond heeft [slachtoffer 2] helemaal niet meer achter het raam gezeten. Alles bij elkaar heeft [slachtoffer 2] in totaal twee klanten gehad. Aangeefster [slachtoffer 1] heeft in Antwerpen gewerkt, achter de ramen gestaan, en geld verdiend. Zij denkt dat zij 2500 euro heeft verdiend, de gemiddelde prijs is 50 euro.
’s Morgens stond verdachte weer klaar met zijn auto en is ze met hem terug gereden, samen met [slachtoffer 2] . [slachtoffer 1] gaf haar verdiende geld, ongeveer 450 euro, aan hem. Verdachte vroeg om het verdiende geld omdat de kamer betaald moest worden. Ook voor al het drinken en het rijden moest hij geld hebben. De volgende ochtend haalde verdachte haar weer op in de auto en moest zij hem haar geld geven. Verdachte moest gewoon het geld, hij pakte het uit haar handen. Hij dacht dat [slachtoffer 1] geld achter zou houden en heeft haar tas nog gecontroleerd. Verdachte begon met dreigen en liet hen achter in een afgesloten woning. Er was niets, geen dekens, helemaal niets. Dit pand had rolluiken. Ze kwamen het pand binnen via een rolluik. Het was een soort opslagplaats. Verdachte deed de deur op slot en het rolluik dicht en ging weg. Aangeefsters hadden geen deken en hadden het superkoud. [slachtoffer 1] is gaan rondlopen en heeft gezocht naar een uitgang, maar heeft die niet gevonden. De volgende dag haalde hij hen op. De vagina van [slachtoffer 2] had allemaal blaren en het vel was er af. [slachtoffer 1] is samen met haar naar het ziekenhuis gegaan. Hier werd geconstateerd dat ze herpes had. Verdachte zei dat ze sowieso geld moesten betalen. [slachtoffer 1] heeft vijf dagen gewerkt voor verdachte. [slachtoffer 2] alleen de eerste dag. [slachtoffer 1] heeft al haar verdiende geld aan verdachte afgestaan. Zij kreeg cocaïne en wiet van hem om energie op te wekken voor het harde werk. [slachtoffer 1] was een week ziek en is naar de opvang gegaan. Zij heeft haar begeleider [getuige 2] verteld dat ze terug zou gaan naar Den Haag, naar verdachte, om haar schuld af te lossen aan verdachte. Verdachte was al doorgeslagen, ‘para’, aldus [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] is naar Breda CS gegaan, waar verdachte met de auto stond te wachten. Zij is met hem naar Antwerpen gereden. [slachtoffer 1] wilde geen problemen en het geld betalen. Verdachte wilde al het geld terug, rond de 1000 euro wilde hij hebben. Hij zei tegen [slachtoffer 1] dat hij haar zo wist te vinden, veel mensen in Amsterdam kende en dat het geen spelletje was. Verdachte heeft haar een paar keer geslagen. Hij is dreigend voor haar gaan staan.Verdachte heeft [slachtoffer 1] geschopt op haar benen, misschien wel omdat ze zei dat ze geen 24 uur wilde werken. [slachtoffer 1] was uiteindelijk weer opgesloten in het pand waar de politie haar uit heeft gehaald.6

Op 4 mei 2016 nam aangeefster [slachtoffer 1] telefonisch contact op met verbalisant Ouwerkerk en verklaarde dat verdachte had gezegd dat hij 200 euro per dag van haar wilde hebben, 100 euro voor het raam en 100 euro voor de overige kosten. Van genoemde bedragen heeft aangeefster een screenshot gemaakt van een Whatsapp-gesprek uit haar mobiele telefoon.7

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij in het pand aan de [straat] 91 eerst met [slachtoffer 2] een nacht en overdag heeft gezeten. De week daarna op donderdag, vrijdag, zaterdag en zondag zat ze er alleen. Die zondag is ze weggegaan. Verdachte ging op de plek waar zij kon slapen, de sleutel halen bij een vrouw, volgens haar was dat zijn moeder. [slachtoffer 1] is daar alleen gelaten. Na een paar uur heeft zij verdachte ge-smst dat zij het koud had en niet kon slapen. Na 2 uur kreeg zij een reactie en kwam verdachte. Toen [slachtoffer 2] er bij was moest hij ook de sleutel halen, die tweede keer ook. Verdachte had wisselende stemmingen. De tweede nacht werd hij heel agressief tegen [slachtoffer 1] . Verdachte werd echt boos en doorgeflipt, omdat hij dacht dat [slachtoffer 1] naar de politie zou gaan. Er was in Antwerpen een café waarvan de eigenaar en zijn vriendin bevriend waren met verdachte. Die vriendin deed de kamer. De 2e nacht werd verdachte paranoïde en reageerde hij dit op [slachtoffer 1] af omdat hij dacht dat zij iets tegen hen had gezegd. De 2e avond was het minder gegaan met werken. Bij het terugrijden werd verdachte boos op [slachtoffer 1] en zei: “Dit is geen spel, jij ziet mij niet maar ik sta daar links naar jou te kijken en ik zie je, ik zag dat de politie kwam, heb jij wat tegen hun gezegd, denk niet dat je er zonder problemen van af kan komen, ik zit al zo lang in deze wereld.” Verdachte dreigde haar met [slachtoffer 2] . Het was een drama met [slachtoffer 2] en hij was boos. Verdachte zei dat hij zoveel voor [slachtoffer 2] en haar had gedaan en dat zij 1000 euro aan hem moesten betalen. Zij moesten dat geld betalen en verdachte zei dat hij hen wel kon vinden en dat zij niet zomaar weg konden gaan. Het was bedreigend. Verdachte heeft foto’s gemaakt en online gezet, dat is dreigend, aldus [slachtoffer 1] .. Hij zei: “jouw zusje is heel veel in Amsterdam te vinden en ik kan haar zo vinden.” Verdachte heeft [slachtoffer 1] 2 keer in het pand gezet en de deur dicht gedaan. Soms zat hij erbij met een joint en was erg onder invloed en kwam dreigend over. [slachtoffer 1] wist eerst niet dat er een deur achter het gordijn zat. Ze kwamen via de deur van het rolluik naar binnen. Verdachte sloot de deur af en trok het rolluik naar beneden. [slachtoffer 1] ging kijken of het open kon, maar dat ging niet. [slachtoffer 1] had geen sleutel van het pand. Zij heeft de eerste nacht gekeken of ze er uit kon, maar daarna niet meer. Ze was bang voor de gevolgen. Verdachte zei ook dat er mensen om de hoek zaten die haar in de gaten zouden houden. [slachtoffer 1] wilde die 1000 euro aan verdachte betalen en zondag zou ze weggaan. Ze heeft met [slachtoffer 2] rond de 2500 euro verdiend. [slachtoffer 1] heeft die avond 200 euro verdiend en heeft aan het eind 100 euro overgehouden. Verdachte heeft haar 1 keer 50 euro gegeven om condooms te kopen en 100 euro om de kamer te betalen. [slachtoffer 1] moest 1000 voor [slachtoffer 2] betalen. 1000 euro van [slachtoffer 2] is veel, verklaart [slachtoffer 1] ; verdachte rekent haar erop af. Hij had alles er al afgetrokken en dan nog moest ze betalen. Verdachte had al het geld al gepakt. Toen zij alleen met hem was, deed verdachte de auto op slot als hij even weg was. Ze heeft geprobeerd het deurknopje omhoog te halen maar dat werkte niet. Verdachte zei dat [slachtoffer 1] groot kon worden en wilde dat zij zich ging inschrijven in de Kamer van Koophandel. Hij werd dan boos en maakte aanstalten richting haar. Verdachte stond dan met zijn armen wijd dicht bij haar gezicht en dat was zo dreigend. [slachtoffer 1] was onder invloed als zij de hele nacht moest werken. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij blauwe plekken op haar benen had, maar dat die zijn weggetrokken. Verbalisant heeft opgemerkt dat zij drie lichte plekken op het rechterbeen van [slachtoffer 1] zag.8

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij het eerste weekend twee dagen heeft gewerkt en het tweede weekend drie dagen. Zij voelde zich de tweede dag verplicht daar naar toe te gaan omdat verdachte begon over het geld wat zij terug moesten betalen. Hij begon te dreigen. [slachtoffer 2] was daar ook aanwezig en zei tegen [slachtoffer 1] : “ik weet niet of ik dat wel wil”, maar [slachtoffer 2] wilde niet dat [slachtoffer 1] alleen moest gaan en verdachte zei ook: “ [slachtoffer 2] ga jij maar weg”, maar [slachtoffer 1] moest blijven van verdachte. Verdachte betaalde de eerste dag de kamer en heeft 100 euro betaald bij de vrouw van wie zij het raam huurden. De eerste dag verdiende [slachtoffer 1] 500 euro, die ze aan verdachte heeft gegeven. Hij ging de volgende dag moeilijk doen over de huur van het raam. [slachtoffer 1] had 100 euro gehouden voor dat raam en [slachtoffer 2] had iets van 70 euro. Verdachte heeft 30 euro aan [slachtoffer 2] gegeven zodat zij het raam kon betalen. Toen moest er benzinegeld worden betaald. Dat vond [slachtoffer 1] raar want zij had hem al het geld al gegeven. De tweede dag moest zij ook haar geld afgeven en ze zei tegen verdachte dat zij dan niets verdiende. Verdachte begon dan over wat hij [slachtoffer 2] aan geld had gegeven. Hij begon moeilijk te doen. [slachtoffer 1] denkt dat ze zelf 100 a 150 euro aan twee weekenden in Antwerpen heeft overgehouden. Verdachte wilde van haar 1000 euro hebben. [slachtoffer 1] denkt dat zij in totaal rond de 2000 euro aan verdachte heeft gegeven. Ze denkt dat ze tussen de 30 en 50 klanten heeft gehad in twee weekenden. Verdachte dreigde met van alles en nog wat en zei dat hij wel manieren wist waardoor [slachtoffer 1] zou betalen. Hij ging dreigen met familie en dat hij [slachtoffer 2] ging opzoeken. Verdachte dreigde dat zij werden doorverkocht via de haven van Antwerpen en dat hij iemand wist die wel wilde doorverkopen. Hierdoor werd [slachtoffer 2] zo bang dat zij niet meer terug zou komen naar Nederland. Verdachte had wiet en drugs voor hen voor tijdens het werken. Ze moesten de klanten zo snel mogelijk de deur uitwerken. Hier zouden de drugs bij helpen. [slachtoffer 1] moest zo snel mogelijk geld verdienen. Verdachte pushte hen hiermee. In de straat hield hij bij hoelang de klanten binnen waren. Eens was een klant 20 minuten binnen en werd [slachtoffer 1] daarover aangesproken door hem. Verdachte zei dat ze 4 a 500 euro per nacht moest verdienen. Hij vertelde hoe ze klanten kon krijgen en dat ze ook mensen moest observeren wat voor kleding zij droegen. Hij ging in de straat rond en vroeg aan andere meisjes hoeveel zij vroegen voor bepaalde handelingen.9

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte haar heeft geschopt en dat zij daar blauwe plekken van op haar benen had. Hij ging voor haar staan en schopte tegen haar benen. Dit was in het pand waar zij ook sliep. Verdachte schreeuwde. Verdachte zei dat ze het geld terug moesten betalen, dat ze niet zomaar van hem afkwamen en dat hij het niet voor niets deed. [slachtoffer 1] was bang dat hij [slachtoffer 2] wat zou aandoen. Verdachte is op het idee gekomen om naar Antwerpen te gaan, aangeefsters wilden naar Amsterdam of Den Haag maar daar moet je geregistreerd staan. Verdachte wist dat. [slachtoffer 1] heeft zelf een bericht gestuurd dat zij de schuld zou afbetalen. e heeft uiteindelijk veel meer betaald dan 1000 euro. Ze ging er in het begin wel tegenin maar dan werd verdachte alleen maar boos en ging de auto stilzetten. De spanning werd alleen maar erger dus heeft ze het uiteindelijk maar betaald. [slachtoffer 1] heeft bij de politie in Antwerpen aangegeven dat [slachtoffer 2] weggehaald moest worden. Zij liep te zwerven op straat en [slachtoffer 1] wilde geen problemen. Ze wist dat het geld nog betaald moest worden dus wilde ze geen problemen.10

Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 1] aangegeven dat verdachte in het tweede weekend elke keer langs kwam en zei dat zij meer moest bewegen en dansen. Toen zij meldde dat zij ongesteld was en dat het niet lukte om te werken, had verdachte het over een Beppie. Verdachte wilde dat zij alsnog kwam en dat zij een sponsje zou inbrengen.11

De verklaringen van aangeefster [slachtoffer 2]

Uit onderzoek in de politiesystemen bleek dat met aangeefster [slachtoffer 2] op 26 april 2016 een informatief gesprek mensenhandel was gehouden door de collega’s van politie eenheid Noord-Holland. Dit gesprek ging over de gedwongen prostitutie in Antwerpen en het opsluiten in Den Haag.12

Op 2 mei 2016 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan van mensenhandel.

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij samen met aangeefster [slachtoffer 1] op seksjobs is gaan kijken omdat zij dit als enige manier zag om aan geld te komen. Zij vonden een advertentie voor raamverhuur van verdachte. Hij had alleen geen raam in Amsterdam, maar in Antwerpen. Aangeefsters spraken af met verdachte op Utrecht CS en gingen met hem naar Antwerpen. Verdachte had contact met een vrouw in Antwerpen die kamers verhuurde. Ze gingen eerst naar Tilburg, waar wiet werd gehaald. Daarvan mochten zij roken en hebben daar niet voor hoeven betalen maar achteraf natuurlijk wel. Aangeefsters konden niet naast elkaar staan in Antwerpen. Zij moesten per persoon 100 euro betalen voor de huur van het raam. Ze hebben het geld van verdachte geleend en achteraf werd die lening steeds meer. [slachtoffer 2] had allemaal blaasjes aan haar vagina maar het interesseerde verdachte niets, ze moest geld verdienen. Ze heeft de eerste dag van 23.00 tot 08.00 uur gewerkt en heeft drie klanten gehad. Aangeefster [slachtoffer 2] heeft toen 200 euro verdiend. Zij heeft dat geld toen ze opgesloten waren in Den Haag allemaal aan verdachte moeten geven. Het was daar verschrikkelijk koud. Verdachte had de deur op slot gedaan en 3 laags rolluiken waren naar beneden gedaan. [slachtoffer 2] was wazig maar [slachtoffer 1] vertelde haar dat ze had geprobeerd weg te komen. Toen de deur open ging was dat verdachte weer. Hij was heel boos en riep dat hij hen gebracht had. Hij moest huur hebben voor het pand waar zij geslapen hadden. [slachtoffer 2] moest al haar verdiende geld aan hem afgeven. Zij moest nog een dag voor hem werken. Hij zei dat zij de wiet, sigaretten en een drankje moest terugbetalen. Hij bleef maar zeggen dat zij van alles terug moest betalen. Verdachte wilde meer geld hebben, toen aangeefster [slachtoffer 2] zei dat ze al haar geld al had gegeven, zei verdachte: “Je solt met de verkeerde.” [slachtoffer 2] heeft verklaard dat ze echt bang was voor verdachte en dacht dat hij haar klappen zou geven als zij het geld niet gaf. Verdachte sprak echt agressief en ging steeds harder praten. [slachtoffer 2] zag ook dat [slachtoffer 1] heel erg bang was. Toen werd zij nog banger. ’s Avonds moesten aangeefsters weer werken in Antwerpen. Verdachte wilde geld hebben. Toen zij naar Antwerpen reden zei verdachte in de auto tegen hen: “nogmaals het is geen spelletje, ik houd jullie in de gaten. Jullie zitten er nu helemaal in er is geen weg terug.” Verdachte liep rond in de straten toen [slachtoffer 2] aan het werk was. De 2e dag konden aangeefsters wel naast elkaar staan. [slachtoffer 1] zei tegen [slachtoffer 2] dat zij de schuld wel zou gaan verdienen. [slachtoffer 2] is toen teruggegaan naar de auto en verdachte zei dat zij haar geld maar met de escort moest gaan verdienen. [slachtoffer 2] heeft de Belgische politie aangesproken, die hen op de trein heeft gezet naar Nederland. [slachtoffer 1] heeft hierna nog contact gehad met verdachte en zij vertelde dat ze nog werd bedreigd door hem. Verdachte zei dat [slachtoffer 1] nog voor [slachtoffer 2] moest betalen. Hij regelde drugs voor hen (cocaïne). Hij zei gelijk de eerste dag dat hij drugs voor hen kon regelen, waar ze achteraf ook wel voor moeten hebben betalen, aldus [slachtoffer 2] .13

Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 2] verklaard dat zij achter de ramen moest gaan staan. Zij had dat nog nooit gedaan. Verder verklaarde zij dat zij open wonden en zweren aan haar vagina had. Zij kon het vel wegduwen. Verdachte wist dit, maar zei dat zij zich niet moest aanstellen en door moest werken, aldus [slachtoffer 2] . Zij verklaarde hier verder dat verdachte zei dat zij een schuld bij hem had. [slachtoffer 2] gebruikte de naam Natasja.14

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij en [slachtoffer 1] elkaar zien als zusjes. Toen ze 17 a 18 jaar was heeft ze vrijwillig gewerkt voor een loverboy. Zij vond werken in de prostitutie niet leuk. De reden dat [slachtoffer 1] en zij wilden gaan werken in de prostitutie was dat [slachtoffer 2] dakloos was en geen geld had. [slachtoffer 2] denkt dat [slachtoffer 1] wilde gaan werken om haar te helpen om geld te krijgen/te verdienen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij twee dagen in het Schipperskwartier in Antwerpen heeft gewerkt. Op 16 april 2016 is ze daar begonnen. Ze heeft ongeveer 200 euro verdiend. Dat moest ze aan verdachte geven. Dit bleek uit zijn reactie. Hij had geld nodig voor benzine, voor de kamerverhuur in Antwerpen die hij had voorgeschoten en voor eten en drinken. De kamerhuur was 100 euro per raam. Ze hadden wel afgesproken dat ze benzine zouden betalen, maar niet dat ze al hun geld op deze manier aan verdachte moesten geven. Verdachte deed heel vervelend. [slachtoffer 2] was bang, hij deed agressief en intimiderend. Verdachte ging zijn stem verheffen en het feit dat hij iemand zomaar opsloot vond [slachtoffer 2] toch ook al wat. Zij is gestopt met werken. [slachtoffer 2] riep de politie omdat [slachtoffer 1] wel werkte en [slachtoffer 2] moest volgens verdachte escort gaan doen. Dit moest omdat hij nog geld van haar zou krijgen. Het was 100 euro en er kwam steeds weer iets bij. Verdachte kende iedereen in de straat omdat hij met de eigenaren van de cafés sprak. Het leek alsof ze elkaar al langer kenden want ze spraken over het huren van een raam en dat soort dingen. Toen [slachtoffer 2] was opgesloten was zij wazig, door de omstandigheden en toestanden en door een lijntje cocaïne. Aangeefsters kwamen in het pand omdat verdachte hen na de eerste dag in Antwerpen daar naartoe bracht. Er was een winkel met meubels erin. Verdachte ging weg, deed de deur op slot en de rolluiken dicht. Dat ging van buiten automatisch. Het was heel koud in dat pand. Verdachte zou hen ’s avonds weer ophalen. Ze hadden geen eten en drinken. Er was een wc, ze dronken water uit de kraan. Verdachte zei: “Kom we gaan er weer naartoe”. Hij zei dat hij nog geld zou krijgen van [slachtoffer 2] en zij voelde zich verplicht om dat geld te geven. Dat kwam door hoe hij deed. [slachtoffer 2] mocht niet meer achter de ramen staan. Zij heeft toen naaktfoto’s van zichzelf aan verdachte gestuurd en verdachte plaatste ze op de site Redlights.15

De verklaringen van verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een advertentie op internet heeft geplaatst waarin hij een werkplek in de prostitutie aanbood. Hij heeft verklaard dat aangeefster [slachtoffer 1] hem heeft gebeld op zijn 06-nummer dat in de advertentie stond en dat hij haar heeft verteld dat hij ervaring had en wel iets kon regelen met een raam in Antwerpen. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met de auto naar Antwerpen heeft gebracht, waarna zij het Schipperskwartier in zijn gegaan en hij daar een rondje is gaan lopen. Hij heeft verklaard dat ze telefonisch contact zouden houden en dat hij in de auto heeft zitten wachten. Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefsters, toen zij later terugkwamen, naar Den Haag heeft gebracht en in zijn winkelpand aan de [straat] 91 heeft gebracht. Daar waren niet veel voorzieningen. Verdachte heeft hen daar gelaten en is weggegaan. Hij heeft de deur achter zich dicht getrokken. Hij heeft aangeefsters niet verteld hoe zij het pand konden verlaten.16

Het proces-verbaal van de Belgische politie

Het prostitutieteam van de politie Antwerpen controleerde in de nacht van 16 april 2016 [slachtoffer 1] als nieuwe prostituee in de gedoogzone. Zij was zeer zenuwachtig. Tijdens de ronde de volgende nacht op 17 april 2016 werden ze aangesproken door [slachtoffer 2] . Zij was duidelijk angstig en wilde niet met de politie gezien worden. Ze gaf aan dat zij en [slachtoffer 1] in de problemen zaten. Ze stelde dat ze beiden in Nederland in de prostitutie werkten, maar in de nacht van 14 op 15 april zijn vastgehouden geweest in een appartement in Den Haag. Hierna werden zij overgebracht naar Antwerpen om in de prostitutie te gaan werken. Zij vreesde na de shift van haar collega opnieuw te worden weggevoerd voor gedwongen prostitutie. Ze geeft het telefoonnummer van verdachte ( [telefoonnummer 1] ) en geeft aan dat ze door hem op www.redlights.be is gezet onder de naam Natasja. Medewerkers van het prostitutieteam geven aan dat ze naar [slachtoffer 1] zijn gegaan, die angstig is en verklaarde al sinds haar 12e gedwongen in de prostitutie te werken. Zij werkte momenteel gedwongen voor verdachte, die hen naar Antwerpen had gebracht en bevestigde het relaas van [slachtoffer 2] . Ze zegt dat Van de Aardweg hier zo snel mogelijk weg moet en dat het voor haar zelf te laat is. Beide meisjes waren angstig en wilden absoluut geen verklaring afleggen. Ze gaven aan dat ze drugsgebruiker waren. [slachtoffer 1] was zeer mager, wit, rilde en maakte een uitgeputte indruk. [slachtoffer 2] heeft littekens op haar linkerarm en was de hele tijd aan het krabben aan haar benen. Uiteindelijk beslissen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] samen met de politie het Schipperskwartier te verlaten. [slachtoffer 1] zegt dat ze alleen meegaat omdat ze wil dat [slachtoffer 2] terug naar Nederland gaat, maar dat zij hier wel de gevolgen van zal dragen, maar wil daar verder niet over verklaren. [slachtoffer 1] zegt dat ze wel weer terug zal komen en vraagt de politie niet te veel met haar te komen praten, omdat dit gevolgen voor haar heeft, maar wil daar verder niet over verklaren.

De Belgische politiemensen vinden [slachtoffer 1] terug via Google. Zij herkennen haar op foto’s als model en vinden haar facebookprofiel. Ook vinden zij op www.redlights.be een advertentie van ‘Natasja 20 jaar Nederlands halfbloedje ontvangt in Antwerpen’.17

Aan de hand van het telefoonnummer van verdachte vindt de Belgische politie bij Redlights.be twee accounts terug:

1. [account 1] : één rekruteringsadvertentie voor prostituees;

2. [account 2] ! Via dit account zijn verschillende advertenties geplaatst: recruteringsadvertentie voor prostituees, ‘Geile heren gezocht (prostituees bieden hun diensten aan)’ en ‘Natasja 20 jaar Nederlands halfbloedje ontvangt in Antwerpen’. Betreft escort. De advertentie werd gepubliceerd op 17 april 2016 en is niet meer actief.18

Op 28 april 2016 om 21:10 uur wordt verdachte door de Belgische politie in een auto gezien (met Belgisch kenteken) op het Falconplein, met naast hem een passagier. [slachtoffer 1] staat op die datum ingepland om als raamprostituee in de Vingerlingstraat te werken van 20.00 tot 08.00 uur en op 29 april 2016 om in de Verversrui te werken, eveneens met nachtdienst. Op 30 april om 02.56 uur wordt [slachtoffer 1] gecontroleerd. Ze ziet er zeer vermoeid uit, is extreem mager en komt suf over. Ze lijkt onder invloed van één of andere substantie. Ze zegt dat ze de volgende avond vermoedelijk opnieuw in een andere vitrine gaat werken. Er worden camerabeelden van 28 april 2016 bekeken, waarop verdachte in het Schipperskwartier wordt gezien.19

Advertenties op seksjobs.nl

[slachtoffer 1] heeft gereageerd op een advertentie op seksjobs.nl, waarin dames voor raamprostitutie worden gezocht en waarbij als telefoonnummer stond [telefoonnummer 2] . Aan dit nummer is een emailadres ( [e-mailadres 1] ) gekoppeld dat op 2 mei 2016 is verwijderd. Dat emailadres is weer aan 4 andere accounts gekoppeld, waaronder [e-mailadres 2] . Een persoon plaatst vanaf 26 januari 2016 advertenties op sexjobs met nummer [telefoonnummer 2] en met emailadres [e-mailadres 1] .

Deze advertenties bevatten onder meer de volgende teksten:

‘Kom lekker werken en veel verdienen… in Amsterdam…de meeste meiden verdienen 1000 euro per dag’;

‘Probeer een weekend en wij verzorgen alles voor je. Zelfs een eigen privé appartement voor als je wilt overnachten’;

‘Toplocatie Antwerpen geen KVK nodig. Drukker dan Nederland geen verplichtingen.… vanaf 100 euro per dagdeel’;

‘Sexy Kim geilste meid van Antwerpen’. Deze advertentie is aangemaakt op 30 april 2016.20

Chatgesprekken verdachte/ [slachtoffer 1]

Tijdens haar verhoor heeft een verbalisant in de telefoon van [slachtoffer 1] een app-gesprek ingezien met het nummer [telefoonnummer 2] . Een weergave van het gesprek is als bijlage bij de aangifte gevoegd.

In het appgesprek zijn onder meer de volgende berichten opgenomen:

Li = [slachtoffer 1] , die ook wel Kim (haar werknaam) wordt genoemd.

H = verdachte

14-04-16:
Li: Dit is mijn nr

Li: (Kim, die net belde)

Li: Fijn dat je kan helpen ook met vervoer en verblijf
H: Ik ga t regelen
H: Kan ik je rond 23.00 even bellen. Dan weet ik gelijk of t zeker is dat ik een plekje in antwerpen vrij heb

H: Morgen zouden jullie kunnen beginnen in Antwerpen dan.

15-04-16:

Li: plek na werken enzo is allemaal geregeld?

H: alles is geregeld

Li: wat voor kosten zijn eraan verbonden?

H: 200 euro kosten. Verdiensten wat je maakt kan ik je 1100 garanderen. Dus einde van de dag heb je 900 euro in je zak;

Li: en in die 200 euro zit ook huur van het raam toch?

H: zit erin ja. Maar je hebt ook mooie kamer pas vernieuwd op toplocatie als die doorgaat komt er alleen 50 euro bij. Die kamers zijn iets duurder vandaar. Maar betaalt zich zeker terug.

Li: ik blow wel. Dat is geen probleem toch?

H: Nee zeker niet. Ik heb ook x. Doe dit al langer.

18-04-16:

Li: Toen was je ineens verdwenen en heb je haar ( [slachtoffer 2] ) uren op straat alleen laten lopen;

H: Ze kon en wou niks doen. Ik heb alles betaald en krijg stank voor dank.

H: Die vriendin van je was niet ready. Alleen maar aan het huilen en wegtrekken.

H: ik had er dat geld gegeven om te kunnen werken en zelfs dat ging niet

Li: Je hebt al haar geld gepakt.

H: praat geen onzin ik heb alles voor jullie betaald

Li: Je hebt al mijn geld, die 400, eerste dag. Ik heb alles betaald ja, voor jou.

Li: Zogenaamd zo begaan. Maar je dumpt, vreemd land vreemde stad, Spullen

H: Wat je wilt als je dat zelf geloofd is ook goed

Li: waarom moet ik voor alles opdraaien

H: dit is geen spelletje

Li: en dat heb je zelf erger gemaakt. Want ze is naar de popo gegaan.

H: je had haar niet moeten brengen

19-04-16

Li: oke laat mij het goedmaken en het geld betalen wat je nog moet krijgen. Zullen we dit aub oplossen zonder haar? Misschien dit weekend als je mee een beetje tegemoet kan komen.

H: ja is goed

21-04-16

Li: heb beetje bloedverlies

H: als het niet te erg is kan je ook beppie inbrengen. Ken je wel toch wel zo een sponsje. Veel meisjes gebruiken het wel kan alleen soms diep naar binnen gaan verder werkt het op zich wel goed als je niet hevig vloeit

Li: nachtshift?

H: ja, maar ik denk dat je ook goede kans maakt overdags. Ligt een beetje aan het zakelijke publiek. Zo heb je hoogtepuntje rond 12 uur. Rond 6 uur bedoel ik. En dan hoef je niet de hele shift te staan. Alleen hoogtepunten pakken. Verder rusten. In elk geval weet je dat je maakt en verder geen gezeik met instanties hebt. Nu begint het eigenlijk. Ik wil alleen nu geen gedoe meer hebben op die straat alles moet gewoon soepel gaan ik zal er ook beter op letten.

H: Maar t is ook zeker niet zo dat elke dame die zich meld zomaar kan beginne.

H: En ik zal andere dames niet zomaar laten werken met je. 21

Printscreens met whatsapp gesprekken

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft de politie printscreens gestuurd met whatsappgesprekken afkomstig van haar telefoon met verdachte. Hierin zijn ongeveer de volgende berichten te lezen.

L: het is hier nog steeds zo koud, kan er niet van slapen

V: ik kom eraan

V: even ter bevestiging jij hebt me 350 gegeven net

V: veel meiden die er nu staan zijn gewoon gemiddeld en iedereen kent ze al want zitte al jare hier

V: allemaal gebruiken ze ook goedkope troep waar ze van wegtrekken

V: ze gaan allemaal bij jou komen

V: als je weer een meiertje of meer heb moet je me zegge dan kom ik

L: hier nu rustig

V: maar die sos doet je wel goed je ziet er echt uitgeslape fris uit22

Verklaring getuige [getuige 2]

Getuige [getuige 2] is hulpverleenster/ zorgcoördinator van aangeefster [slachtoffer 1] en kent haar van de ketenaanpak voor jeugd prostitutie. Eind april 2016 heeft [getuige 2] [slachtoffer 1] telefonisch gesproken. Ze was helemaal overstuur. [getuige 2] verklaart dat zij wist dat [slachtoffer 1] terugging, tegen alle adviezen in. Ze was erg gestrest en paniekerig. [slachtoffer 1] zei dat ze moest gaan. [slachtoffer 1] had het over het inlossen van een schuld. [getuige 2] wist dat ze daarvoor onverwachts was weggegaan vanuit Antwerpen. Die schuld moest ze inlossen. Ze wilde haar vriendin beschermen. Haar probleem werd groter als ze het niet zou doen dan als ze het wel zou doen. [slachtoffer 1] was heel angstig en paniekerig. Ze vertelde [getuige 2] dat ze ergens naartoe moest gaan omdat de gevolgen anders erger zouden zijn dan als ze niet weg zou gaan. Ze vertelde dat ze weer naar Antwerpen moest en dat ze daar weer in de prostitutie moest werken. Ze vertelde dat het geen fijne mannen waren en dat ze niet zomaar weg kon blijven. Dan zou ze grote problemen krijgen. Ze heeft niet gespecificeerd wat die grote problemen waren. Door de acties van haar vriendin dat weekend, waardoor de politie kwam, zijn ze weggegaan en op de trein gezet door de politie. Die acties hebben grote problemen met zich meegebracht.23

Oordeel van de rechtbank

Bewijsminimum

In artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) is een wettelijk bewijsminimum neergelegd (de zogeheten ‘unus testis nullus testis’-regel), inhoudende dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Gelet op de verklaring van verdachte dat hij geen dwang of manipulatie heeft gebruikt en het puur vrijwillig was dat aangeefsters in de prostitutie zijn gaan werken, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de verklaringen van aangeefsters met name ook voor wat betreft de betrokkenheid van verdachte voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.

Uit de hiervoor vermelde bewijsmiddelen blijkt dat de verklaringen van aangeefsters ook op essentiële onderdelen met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat is voldaan aan het wettelijk bewijsminimum. De rechtbank zal dit hieronder toelichten aan de hand van een bespreking van de verschillende onderdelen van de tenlastelegging.

Artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht (Sr)

Bij de beoordeling van de vraag of in casu mensenhandel als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, sub 1 Sr bewezen kan worden, dient – gelet op hetgeen ten laste is gelegd – vastgesteld te worden dat sprake was van (een) handeling(en) (werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en/of opnemen), middelen (dwang, geweld, bedreiging met geweld, een andere feitelijkheid, misleiding, misbruik uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of misbruik van de kwetsbare positie), en het oogmerk van uitbuiting. In de hierna te volgen bewijsoverweging zal op deze onderdelen worden ingegaan.

De middelen

Allereerst dient te worden vastgesteld of verdachte gebruik heeft gemaakt van middelen in de zin van artikel 237f, eerste lid, aanhef en onder 1, Sr. Daarbij is van belang dat, zodra het hanteren van een van deze middelen bewezen wordt verklaard, de (eventuele) instemming van aangeefster met de uitbuitingssituatie niet meer relevant is.

De rechtbank acht op grond van de hierboven genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte jegens aangeefsters gebruik heeft gemaakt van dwang, van afpersing, van misleiding, van misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van misbruik van de kwetsbare positie van aangeefsters.

Ten aanzien van [slachtoffer 1] is bovendien sprake is geweest van geweld, van andere feitelijkheden en dreiging daarmee.

Tegenover de verklaringen van de aangeefsters staan de verklaringen van verdachte, die – verkort weergegeven – luiden dat hij niet eerder iets met prostitutie te maken heeft gehad, hij uit nieuwsgierigheid naar de reacties een wervingsadvertentie voor prostitutie heeft geplaatst en dat hij aangeefsters uitsluitend op hun verzoek en uit behulpzaamheid naar Antwerpen heeft gebracht, tegen vergoeding van gemaakte kosten, alwaar zij zelf alles hebben geregeld. Deze verklaringen acht de rechtbank reeds niet aannemelijk gezien de inhoud van de chatgesprekken - waarin verdachte er onder meer blijk van geeft zaken te kunnen regelen, op de hoogte te zijn van de gang van zaken in de prostitutie en in Antwerpen en door [slachtoffer 1] verdiend geld in ontvangst neemt. Ook het aantal geplaatste advertenties, de inhoud daarvan en de gebruikte accountnamen en emailadressen passen niet bij de verklaring van verdachte.

Dwang

Dat verdachte dwang heeft toegepast blijkt allereerst uit de verklaringen van aangeefsters. Verdachte zei tegen aangeefsters dat het geen spelletje was, dat hij hen in de gaten hield, en dat zij er nu helemaal in zaten en er geen weg terug was. Tegen [slachtoffer 2] , die aan verdachte aangaf ernstige problemen met haar vagina te hebben, heeft verdachte gezegd dat zij zich niet moest aanstellen, en gewoon moest doorwerken. Beide aangeefsters hebben bovendien aangeven dat verdachte zich agressief en dreigend opstelde.

Daarnaast blijkt de toegepaste dwang ook uit de vele contacten die er in de periode van 14 april 2016 tot en met 21 april 2016 tussen verdachte en aangeefster [slachtoffer 1] zijn geweest via Whatsapp. Hieruit blijkt dat verdachte aangeefsters in de gaten hield. Verder heeft verdachte aangeefsters in de gaten gehouden doordat hij in het Schipperskwartier rondliep in de straten waar aangeefsters achter de ramen stonden. Dit blijkt ook uit de camerabeelden van 28 april 2016 die de Belgische politie heeft bekeken en waarop verdachte in het Schipperskwartier wordt gezien. Ook maakte hij aangeefsters duidelijk dat hij mensen kende in het Schipperskwartier. [slachtoffer 1] verklaarde bovendien dat verdachte haar zei meer te dansen en te bewegen en dat zij minder tijd per klant moest besteden. Zij verklaarde bovendien dat verdachte er bij haar op aandrong toch te gaan werken, ondanks dat zij ongesteld was. Ook het onderbrengen van aangeefsters in de afgesloten winkel van verdachte duidt naar het oordeel van de rechtbank op het toepassen van dwang. De toegepaste dwang blijkt verder uit het isoleren van aangeefsters. Verdachte heeft ze naar Antwerpen gebracht, en daarmee in een situatie geplaats waar zij van hem afhankelijk waren. [slachtoffer 1] geeft verder aan dat zij, tijdens of na een discussie in de auto, tegen haar wil in de auto werd vastgehouden. De toegepaste dwang blijkt naar het oordeel van de rechtbank voorts uit het feit dat verdachte aangeefster [slachtoffer 1] het idee gaf dat zij een schuld van [slachtoffer 2] moest aflossen, terwijl zij hem een veel groter bedrag heeft gegeven dan zij hem verschuldigd zou zijn.

Afpersing

Dat verdachte aangeefsters heeft afgeperst blijkt uit het feit dat hij hen heeft gezegd het door hen in de prostitutie verdiende geld aan hem af te geven. Ook het zeggen dat zij hem geld verschuldigd waren en moesten terugbetaling droeg hieraan bij.

Misleiding

Verdachte heeft aangeefsters misleid door eerst hun vertrouwen te winnen en voor te wenden dat hij hen zou helpen bij het vinden van een werkplek. Verdachte spiegelde in de eerste contacten aangeefsters aanmerkelijke opbrengsten voor, tegen beperkte kosten Vervolgens moesten aangeefsters vrijwel al hun verdiende geld aan verdachte afgedragen en heeft verdachte hun doen geloven dat zij een schuld bij hem hadden die moest worden ingelost.

Misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik maken van een kwetsbare positie

Misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht wordt verondersteld aanwezig te zijn als, kort gezegd, het slachtoffer in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden van een mondige prostituee in Nederland. Een dergelijke situatie wordt aangeduid als uitbuitingssituatie. Met het misbruik maken van een kwetsbare positie wordt gedoeld op een situatie waarin de betrokkene geen reële of aanvaardbare keuze heeft anders dan het misbruik te ondergaan.

Deze situaties overlappen elkaar grotendeels. Uit jurisprudentie volgt dat aan beide situaties ruim worden uitgelegd. Beoogd wordt een ruime bescherming te bieden aan slachtoffers. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen. Te denken valt aan familieomstandigheden en de financiële, psychische en sociale situatie waarin het slachtoffer zich bevindt.

Reeds de omstandigheid dat aangeefsters niet zelfstandig over de door hen gegenereerde inkomsten konden beschikken en hun geld aan verdachte moesten afdragen, duidt op een afhankelijks- dan wel een uitbuitingssituatie. Daar komt bij dat verdachte hen opsloot in zijn winkel en hen heen en weer naar Antwerpen reed, waar zij onbekend waren en waardoor zij eigenlijk nergens heen konden. Verdachte wist hoe het werkte in Antwerpen en bepaalde de werktijden. Dat aangeefsters zich in een kwetsbare positie bevonden en niet konden worden gezien als mondige prostituees, blijkt onder andere uit de omstandigheid dat zij jong zijn en drugs gebruikten, die verdachte hen verstrekte. Zij hadden geen geld en moesten geld lenen van verdachte. Verdachte heeft misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van aangeefster [slachtoffer 2] door haar te doen geloven dat wanneer zij in de prostitutie zou gaan werken zij geld zou verdienen om van te kunnen leven. Van de kwetsbare positie van [slachtoffer 1] heeft verdachte misbruik gemaakt door haar te doen geloven dat haar vriendin [slachtoffer 2] een schuld had, die moest worden afbetaald. [slachtoffer 2] bevond zich daarnaast temeer in een kwetsbare positie nu zij op dat moment dakloos was.

Geweld

Uit de verklaringen van [slachtoffer 1] blijkt dat verdachte geweld tegen haar heeft gepleegd door haar te schoppen en te slaan.

(Dreiging met) andere feitelijkheden

Uit de verklaringen van aangeefsters blijkt dat verdachte heeft gedreigd hen ‘door te verkopen’. [slachtoffer 1] heeft verder aangegeven dat verdachte tegen haar had gezegd dat hij haar en [slachtoffer 2] ‘wist te vinden’. [slachtoffer 1] was bovendien bang dat hij [slachtoffer 2] iets aan zou doen. Uit een Whatsappgesprek met [slachtoffer 1] blijkt dat verdachte heeft gezegd dat het geen spelletje was. Bovendien heeft verdachte haar gezegd: “je solt met de verkeerde”.

De handelingen

Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat sprake is geweest van het werven, vervoeren, overbrengen en huisvesten van de aangeefsters. Het was immers verdachte die het initiatief heeft genomen om een advertentie te plaatsen op seksjobs.nl waarin hij prostitutieramen aanbood en die vervolgens aangeefsters heeft gezegd dat zij in Antwerpen aan het werk konden, waarmee hij hun heeft geworven. Het vervoeren en overbrengen heeft er uit bestaan dat verdachte aangeefsters een aantal keren met de auto naar Antwerpen heeft gereden, waar hij hen in het Schippers-kwartier naar een café bracht van waaruit ramen werden verhuurd. Tenslotte heeft verdachte aangeefsters ondergebracht in zijn winkelpand in Den Haag.

(Het oogmerk van) uitbuiting

De vraag wanneer sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van artikel 273f is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Daarbij komt onder meer betekenis toe aan de aard en de duur van de tewerkstelling, de beperkingen die dat voor de betrokkenen met zich bracht en het voordeel dat daarmee door de tewerksteller is behaald. Bij weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte financieel gewin heeft gehad van de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij vrijwel al haar verdiende geld aan verdachte heeft afgedragen. Dit was in totaal rond de € 2000,-. Hiervan heeft zij nooit iets teruggezien. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij € 200,- heeft verdiend en dat zij dat geld allemaal aan verdachte heeft moeten geven. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte niet alleen het oogmerk van uitbuiting had toen hij de hiervoor genoemde handelingen verrichtte, maar dat hij aangeefsters ook daadwerkelijk heeft uitgebuit.

Artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 4, Sr

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, heeft verdachte aangeefsters door middel van de hierboven genoemde middelen bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden.

Artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 6 en 9, Sr

Uit de bewijsmiddelen en hetgeen hierboven omtrent de middelen en (het oogmerk van) uitbuiting is overwogen blijkt voorts dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van aangeefsters, alsmede dat hij aangeefsters heeft bewogen tot het afstaan van (een groot deel van) de opbrengsten van hun prostitutiewerkzaamheden.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aan verdachte onder 1 ten laste gelegde mensenhandel wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen tevens de als feit 2 ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt in dat verband dat beide aangeefsters vanaf de eerste dag dat zij naar Antwerpen zijn geweest hebben verklaard over het opgesloten zijn in het pand van verdachte. Uit het dossier is niet op te maken dat aangeefsters wisten hoe en in staat waren om het pand te verlaten. Dat verdachte [slachtoffer 1] een sleutel heeft gegeven - daargelaten wanneer dit zou zijn gebeurd - vindt geen steun in andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van de moeder van verdachte. De door de verdediging overgelegde bon van een sleutelmaker is hiervoor onvoldoende. Dit, alsmede de verklaring dat aangeefsters door een andere deur het pand konden verlaten, valt ook niet te rijmen met het de omstandigheid dat [slachtoffer 1] 112 heeft gebeld en door de politie door middel van het verbreken van een raam is bevrijd. De vrijheidsberoving moet ook worden bezien in het licht van de ongelijkwaardige verhouding tussen verdachte en aangeefsters waarin zij afhankelijk van verdachte waren en bang voor hem waren. Dat [slachtoffer 1] opnieuw met verdachte contact heeft opgenomen en met hem mee is gegaan, moet ook in dat kader worden bezien. Zij voelde zich immers verplicht om de door verdachte gestelde schuld van [slachtoffer 2] door prostitutiewerk voor verdachte terug te betalen. Dit brengt echter niet mee dat geen sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Voorwaardelijk verzoek tot het opnieuw horen van aangeefsters

De rechtbank wijst het voorwaardelijke verzoek tot het horen van aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als getuigen af. Dit verzoek moet ingevolge artikel 315, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering worden getoetst aan het noodzakelijkheids-criterium. De verdediging heeft deze getuigen reeds kunnen bevragen tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris en heeft van deze mogelijkheid ook gebruik gemaakt. Dat de verdediging in de geluidsopnames van de verhoren en het rapport van Van Koppen grond ziet om de getuigen aanvullende vragen te stellen, maakt niet dat het noodzakelijk is de getuigen opnieuw te horen.

3.6

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij in de periode van 14 april tot en met 1 mei 2016 te Den Haag en elders in Nederland en Antwerpen (België)

A)

anderen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , (telkens) door dwang, geweld of andere feitelijkheden of door dreiging met andere feitlijkheden, door afpersing, misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie,

- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (sub 1°) en

- heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard (sub 4°) en

- heeft gedwongen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van hun, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , seksuele handelingen met een derde (sub 9°) en

B)

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft geworven en medegenomen met het oogmerk die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling (sub 3°) en

C)

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die anderen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , (sub 6°),

immers heeft verdachte

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] harddrugs en softdrugs en alcohol verstrekt en

- een prostitutiekamer in Antwerpen geregeld voor die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar Antwerpen vervoerd en

- tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat zij moest zeggen dat hij, verdachte, haar vriend was en

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voorgespiegeld dat ze 900 euro per dag konden verdienen met prostitutiewerkzaamheden en

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich laten prostitueren onder

invloed van drugs en alcohol en

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bewogen om als prostituee te werken en

- ( seks)advertenties voor die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gemaakt en

- tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat zij zouden worden doorverkocht en

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gedwongen een groot deel van hun met de prostitutie verdiende geld af te staan en

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gehuisvest en opgesloten in zijn, verdachte's (winkel)pand en

- die [slachtoffer 1] geschopt en geslagen en

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bedreigd door te zeggen "Je solt met de verkeerde" en "Nogmaals het is geen spelletje, Ik houd jullie in de gaten. Jullie zitten er nu helemaal in en er is geen weg terug" en

- tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gezegd dat er een schuld terugbetaald moest worden;

2.

hij in de periode van 15 april tot en met 1 mei 2016 te Den Haag opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] opgesloten in zijn, verdachte’s (winkel)pand aan de [straat] 91.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1:

mensenhandel, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 499 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 300 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in geval van strafoplegging verzocht te volstaan met oplegging van een straf gelijk aan het voorarrest.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , jonge vrouwen die zich in een kwetsbare positie bevonden. Hij heeft grof misbruik gemaakt van deze kwetsbare positie en van de bereidheid van [slachtoffer 1] om verdachte veel geld af te staan om [slachtoffer 2] , die zij als haar zusje zag, te beschermen. Verdachte heeft gemerkt dat [slachtoffer 2] veel moeite had met het werken in de prostitutie, maar heeft haar en [slachtoffer 1] toch onder druk gezet weer naar Antwerpen te gaan om daar in de prostitutie te werken.

Door aldus te handelen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit waarbij hij zijn eigen (financiële) belangen op de voorgrond heeft gesteld. Verdachte heeft daarbij geen oog gehad voor de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten daar nog gedurende lange tijd psychische en emotionele schade van kunnen ondervinden.

Mensenhandel vormt een grove inbreuk op de menselijke waardigheid en de lichamelijke en geestelijke integriteit van slachtoffers en wordt gezien als schending van fundamentele mensenrechten.

Bovendien heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Hij heeft hen opgesloten in een ijskoud winkelpand zonder voorzieningen.

Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] blijkt dat zij zich als een beest behandeld voelde en dromen en nachtmerries heeft over het gebeurde.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie van 7 mei 2016 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.

Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 18 augustus 2016, opgesteld door M. Rogge, en van het rapport van mijnreclassering.nl, opgesteld op 6 juni 2016 door A.M. Cox.

De op te leggen straf

Naar het oordeel van de rechtbank kan gezien de ernst van de feiten met geen andere straf worden volstaan dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De ernst van het bewezenverklaarde en de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden komt evenwel onvoldoende tot uitdrukking in de door de officier van justitie gevorderde straf. Bovendien acht de rechtbank meer bewezen dan de officier van justitie, nu de rechtbank het onder 1 tenlastegelegde geweld tegen [slachtoffer 1] bewezen acht. Het is op deze gronden dat de rechtbank de hierna te vermelden zwaardere straf zal opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Dat de voorlopige hechtenis in verband met de voortgang van het onderzoek ter terechtzitting geschorst is, geeft de rechtbank geen aanleiding om de (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf gelijk te stellen aan de tot de schorsing ondergane voorlopige hechtenis.

Gelet op de ernst van de feiten en de houding van verdachte ter terechtzitting ziet de rechtbank, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, geen aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] , bijgestaan door mr. S.J. Jansen, heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 3660,00, bestaande uit een bedrag van € 3060,00 wegens materiële schade en een bedrag van € 600,00 wegens immateriële schade.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.170,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige, te weten de posten ‘externe batterij van telefoon’, ‘2 paar schoenen’, ‘1 winterjas’ en ‘een tas met kleding (big shopper) + elektrische tandenborstel + toiletspullen’.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 3.1700,00, subsidiair 41 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] .

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren, nu hij vrijspraak heeft bepleit.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de vordering voor wat betreft de materiële schadevergoeding dient te worden afgewezen bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing.

Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding heeft de raadsman, meer subsidiair, verzocht dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de onevenredige belasting van het strafgeding.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘treinkosten België – Apeldoorn’, is namens de verdachte onvoldoende betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij.

De rechtbank schat de schade, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten ‘externe batterij van telefoon’, ‘2 paar schoenen’, ‘1 winterjas’ en ‘een tas met kleding (big shopper) + elektrische tandenborstel + toiletspullen’, op een bedrag van € 250,00. De (hogere) gestelde schade is niet met bewijsstukken onderbouwd.

Voor zover de vordering betrekking heeft op de post ‘cash, gedwongen afgegeven’ schat de rechtbank de schade op € 2000,00. Uit de verklaringen in het dossier volgt dat de benadeelde partij minimaal dit bedrag aan verdachte heeft gegeven.

Ter zake van de gevorderde materiële schade zal de rechtbank aldus een bedrag van
(€ 250,00 + € 70,00 + € 2000,00 =) € 2320,00 toewijzen.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente over de materiële schade toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 1 mei 2016 is ontstaan.

De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de materiële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

De rechtbank acht deze vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van

€ 600,00, als vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten.

Voor zover de verdediging een beroep op ‘eigen schuld’ van de benadeelde heeft willen doen, wordt dit verworpen, nu niet gebleken is dat de schade het gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde partij kan worden toegerekend.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de immateriële schade met ingang van 1 mei 2016 is ontstaan.

Conclusie

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van

(€ 2320,00 + € 600,00 =) € 2920,00.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2920,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 mei 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen:

- 24c, 36f, 57, 273f, 282 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

wijst het voorwaardelijke verzoek tot het horen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als getuigen af;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

mensenhandel, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1] , een bedrag van € 2920,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 mei 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat zij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 2920,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 mei 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd

[slachtoffer 1] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 39 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Fetter, voorzitter,

mr. C.W. de Wit, rechter,

mr. M.J.J. Visser, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. H.A.F. Tromp, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juni 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016121745, van de politie eenheid Den Haag, dienst regionale recherche, afdeling vreemdelingenpolitie, migratiecriminaliteit en mensenhandel, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 407).

2 Proces-verbaal van bevindingen 112 melding [slachtoffer 1] , blz. 385 – 387.

3 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 21 – 22.

4 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 10 – 11.

5 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 25 – 26.

6 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, blz. 27 – 32.

7 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 42 – 43.

8 Proces-verbaal 2e verhoor aangeefster [slachtoffer 1] , blz. 105 – 109.

9 Proces-verbaal van verhoor aangever, blz. 140 – 143.

10 Proces-verbaal van verhoor aangever, blz. 255 – 259.

11 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 1] , rechter-commissaris 18 augustus 2016

12 Proces-verbaal informatief gesprek mensenhandel, blz. 51 – 54.

13 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, blz. 56 – 62.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , rechter-commissaris 18 augustus 2016.

15 Proces-verbaal van verhoor aangever, blz. 232 – 236.

16 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 2 juni 2017.

17 Proces-verbaal pro justitia van de politie Antwerpen, blz. 220 – 231.

18 Proces-verbaal van de federale gerechtelijke politie Antwerpen, blz. 204 – 205.

19 Proces-verbaal van lokale politie Antwerpen, blz. 160 – 161.

20 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 331 – 339.

21 Bijlage bij proces-verbaal van verhoor aangeefster, blz. 33 t/m 37.

22 Bijlage bij proces-verbaal van bevindingen, blz. 44 – 48.

23 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] bij rechter-commissaris d.d. 10 oktober 2016.