Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6614

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-06-2017
Datum publicatie
13-07-2017
Zaaknummer
C/09/520036 / FA RK 16-7841
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wijziging akte burgerlijke stand. Man ten onrechte als vader op de akte. Vrouw in België wettelijke samenwoning aangegaan met andere man. IJI vragen gesteld ten aanzien van de gevolgen naar Nederlands recht van deze Belgische rechtsfiguur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 16-7841

Zaaknummer: C/09/520036

Datum beschikking: 19 juni 2017

Akte burgerlijke stand

Beschikking op het op 14 oktober 2016 ingekomen verzoek van:

[verzoekster]

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. N.J.R.M. Elings te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[belanghebbende] ,

de man,

zonder bekende woon- of verblijfplaats.

[bio vader] ,

de biologische vader,

wonende te [woonplaats] , België.

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage,

zetelend te 's-Gravenhage,

de ambtenaar.

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

de minderjarige,

in rechte vertegenwoordigd door mr. J.G. Schnoor advocaat te ’s-Gravenhage,

in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

- het verzoekschrift, waarbij stukken zijn overlegd die na te melden feiten ondersteunen;

- het verweerschrift van de bijzondere curator;

- de (ongedateerde) brief van [bio vader] , waarin hij verklaart de biologische vader te zijn van de minderjarige [minderjarige] en haar te willen erkennen;

- de brief d.d. 4 april 2017, met bijlagen, van de ambtenaar;

- de brief d.d. 19 april 2017, met bijlage, van verzoekster;

- de brief d.d. 6 juni 2017 van verzoekster.

Op 6 maart 2017 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de bijzondere curator. De man is – hoewel behoorlijk opgeroepen in de Staatscourant van 28 december 2016 – niet verschenen.

Omdat het verzoek is ingeleid als een verzoek tot gegrondverklaring van ontkenning van het vaderschap zijn de ambtenaar en de biologische vader niet opgeroepen om ter zitting te verschijnen.

Verzoek en verweer

Ter terechtzitting is het verzoek gewijzigd in die zin dat nu wordt verzocht:

primair:

de geboorteakte van de minderjarige [minderjarige] te wijzigen in die zin dat de gegevens van de vader van die akte worden verwijderd;

subsidiair:

gegrond te verklaren de ontkenning door de vrouw van het vaderschap van de man over voornoemde minderjarige,

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De bijzondere curator heeft geadviseerd het thans subsidiaire verzoek toe te wijzen.

Na de behandeling ter zitting is de ambtenaar in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek nu hij als belanghebbende wordt aangemerkt omdat het een wijziging betreft van een akte die zich in zijn registers bevindt.

De ambtenaar heeft schriftelijk zijn zienswijze medegedeeld bij brief van 4 april 2017.

Feiten

- De man en de vrouw zijn gehuwd geweest welk huwelijk [datum] is ontbonden.

- De ontbinding van het huwelijk is pas op 21 september 2016 in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand ingeschreven.

- De man heeft de Tunesische nationaliteit.

- De vrouw en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit.

- Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 24 oktober 2016 is mr. Schnoor voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.

- De vrouw is op 5 oktober 2011 in België een wettelijke samenwoning aangegaan met [bio vader] .

Beoordeling

Nu de vrouw en de minderjarige in Nederland wonen is de Nederlandse rechter bevoegd van het verzoek kennis te nemen. Het verzoek betreft wijziging van een in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand opgenomen akte zodat Nederlands recht wordt toegepast.

Vaderschap

Op grond van artikel 10:92 BW geldt ten aanzien van het vaderschap van de man het volgende. De man en de vrouw hadden ten tijde van de huwelijksontbinding geen gemeenschappelijke nationaliteit. De vrouw verbleef ten tijde van de huwelijksontbinding in België. Van de man is niet bekend waar hij ten tijde van de huwelijksontbinding zijn gewone verblijfplaats had. Uit zowel het Belgische als het Nederlandse afstammingsrecht vloeit voort dat de man juridisch niet de vader van [minderjarige] is. Uit de artikelen 315 – 325 van het Belgische Burgerlijk Wetboek geldt ten aanzien van het juridisch vaderschap dat:

  • -

    vader van een staande huwelijk geboren kind of van een binnen 300 dagen na ontbinding van het huwelijk geboren kind, is de man die met de moeder gehuwd is of gehuwd is geweest;

  • -

    vader is tevens de man die het kind heeft erkend of wiens vaderschap gerechtelijk is vastgesteld; of

  • -

    vader is de man die het kind heeft geadopteerd door middel van een sterke adoptie.

Op grond van artikel 1:199 BW geldt naar Nederlands recht als vader van een kind de man:

  • -

    die op het tijdstip van de geboorte van het kind met de vrouw uit wie het kind is geboren is gehuwd;

  • -

    wiens huwelijk of geregistreerd partnerschap met de vrouw uit wie het kind is geboren, binnen 306 dagen voor de geboorte van het kind door zijn dood is ontbonden;

  • -

    die het kind heeft erkend;

  • -

    wiens vaderschap gerechtelijk is vastgesteld; of

  • -

    die het kind heeft geadopteerd.

Nu het huwelijk van de vrouw en de man op [datum] is ontbonden en niet is gebleken dat er sprake is van één van de hierboven genoemde overige situaties leidt dit tot de conclusie dat de man ten onrechte als vader van de minderjarige in de geboorteakte is opgenomen. In zoverre kan het primaire verzoek worden toegewezen.

Wettelijke samenwoning

De vrouw is op 5 oktober 2011 in België een wettelijke samenwoning aangegaan met de

heer [bio vader] . [bio vader] staat niet in Nederland geregistreerd. Uit het dossier

kan worden opgemaakt dat hij de Tunesische nationaliteit bezit en afwisselend in België en

Nederland verblijft. Nu de vrouw uitsluitend de Nederlandse nationaliteit bezit en zij en

de minderjarige [minderjarige] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben vloeit uit artikel

10:92 BW voort dat op het afstammingsrecht Nederlands recht van toepassing is.

De ambtenaar heeft de vraag opgeworpen of de Belgische wettelijke samenwoning in Nederland erkend kan worden en zo ja, of daarmee deze rechtsfiguur dezelfde rechtsgevolgen heeft als het Nederlandse geregistreerd partnerschap. Indien dit het geval is heeft dit gevolgen voor de geboorteakte van de minderjarige [minderjarige] .

De ambtenaar heeft naar voren gebracht dat in de literatuur wel algemeen wordt aangenomen dat de Belgische rechtsfiguur wettelijke samenwoning – onder voorwaarden – in Nederland kan worden erkend. Een in Nederland erkende wettelijke samenwoning wordt in Nederland in de basisregistratie personen geregistreerd als geregistreerd partnerschap. Tevens wordt aangenomen dat – indien aan de voorwaarden wordt voldaan – een dergelijke wettelijk samenwoning ook als zijnde een geregistreerd partnerschap kan worden ingeschreven in de Haagse registers van de burgerlijke stand ingevolge artikel 1:25 BW en daarnaast dat – als aan de voorwaarden is voldaan – een dergelijke samenwoning kan worden omgezet in een huwelijk ingevolge artikel 1:80g BW.

Naar Belgisch recht heeft een wettelijke samenwoning geen afstammingsrechtelijke gevolgen ten aanzien van kinderen die staande dit rechtsfiguur worden geboren. (artikelen 315 – 325 Belgisch BW). Indien dit recht van toepassing is dan zou de minderjarige [minderjarige] alleen in familierechtelijke betrekking staan tot de moeder.

Echter, naar Nederlands recht hebben kinderen die staande een geregistreerd partnerschap worden geboren de mannelijke geregistreerde partner van de moeder uit wie het kind geboren is, als juridische vader. Het gevolg hiervan zou zijn dat de minderjarige [minderjarige] naar Nederlands recht [bio vader] als juridische vader zou hebben.

Ten aanzien van de naam geldt dat de minderjarige [minderjarige] door geboorte uit een Nederlandse moeder de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Los van de vraag of zij tevens een andere nationaliteit heeft is ingevolge artikel 10:20 BW het Nederlandse recht van toepassing op haar naam. Hoewel er reeds een eerder kind is, is de minderjarige [minderjarige] , voor zover bekend, het eerste kind dat dan in familierechtelijke betrekking komt te staan tot de vrouw en [bio vader] . Nu er bij de geboorteaangifte geen naamskeuze is gedaan zou de minderjarige [minderjarige] op grond van artikel 1:5 lid 4 en 5 BW de geslachtsnaam Gharsalli hebben en dient haar geslachtsnaam in de geboorteakte verbeterd te worden.

De rechtbank acht zich onvoldoende voorgelicht over de vraag of er de Belgische rechtsfiguur wettelijke samenwoning in Nederland kan worden erkend en wat hiervan de gevolgen zijn. De rechtbank ziet daarom aanleiding het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) te benaderen. De rechtbank zal het IJI verzoeken een onderzoek te verrichten en daarover te rapporteren ter beantwoording van de volgende vragen:

  1. Kan de Belgische rechtsfiguur wettelijke samenwoning in Nederland worden erkend?

  2. Zo ja, onder welke voorwaarden?

  3. Kan de Belgische rechtsfiguur wettelijke samenwoning gelijkgesteld worden aan de Nederlandse rechtsfiguur geregistreerd partnerschap?

  4. Zo ja, wat zijn dan de gevolgen ten aanzien van de afstamming, meer in het bijzonder, is er een familierechtelijke betrekking ontstaan tussen [bio vader] en de minderjarige [minderjarige] .

Beslissing

De rechtbank:

verzoekt het Internationaal Juridisch Instituut (R.J. Schimmelpennincklaan 20-22, 2517 JN Den Haag) een onderzoek te verrichten zoals hierboven overwogen en daarover te rapporteren;

bepaalt dat de rechtbank het rapport van het Internationaal Juridisch Instituut na ontvangst zal doorsturen naar partijen;

bepaalt dat partijen na ontvangst van dit rapport binnen twee weken kunnen reageren, voor zover daarop wordt prijs gesteld;

houdt iedere verdere beslissing aan tot 1 september 2017 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mr. H. Dragtsma, tevens kinderrechter, bijgestaan door

P. Hillebrand als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juni 2017.