Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6611

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-06-2017
Datum publicatie
04-07-2017
Zaaknummer
NL17.596
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Iran

- asiel

- relaas ongeloofwaardig

- actieve/passieve bekering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL17.596

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 9 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , ook bekend als [eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. R. Bom,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Peeters.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 januari 2017, waarbij de asielaanvraag van eiser is afgewezen (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig T. Wasseghi, tolk Farsi. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Iraanse nationaliteit. Op 11 april 2015 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Iran een meisje, genaamd [naam] , heeft leren kennen en met haar een geheime relatie heeft gekregen. [naam] is afkomstig uit een invloedrijke familie, die banden had met de autoriteiten. De vader van het meisje werkte voor de Iraanse inlichtingendienst. Eiser heeft zijn vader verteld dat hij met [naam] wilde trouwen. Beide families keurden de relatie echter af. De familie van [naam] vond de relatie een schande en was van mening dat zowel eiser als zij gedood moesten worden. Het meisje is vergiftigd maar overleefde omdat zij tijdig naar het ziekenhuis is gebracht. Eiser is zwaar mishandeld, werd ontvoerd maar kon ontsnappen. Verder is zijn auto vernield. Ook zijn er door zowel eiser als de familie van zijn vriendin over en weer aangiftes gedaan en rechtszaken aangespannen, waarop veroordelingen van zowel eiser als familieleden van zijn vriendin volgden. Eiser heeft een gevangenisstraf van 14 maanden opgelegd gekregen en uitgezeten. De familieleden van zijn vriendin zijn, nadat zij tot zware (gevangenis)straffen zijn veroordeeld, in hoger beroep vrijgesproken, aldus eiser. Vanwege aanhoudende bedreigingen door de familie van het meisje heeft eiser besloten het land te verlaten. Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Iran alsnog gedood zal worden door de familie van [naam] . Verder heeft eiser verklaard dat hij zich hier te lande bekeerd heeft tot het christendom en om deze reden bij terugkeer naar Iran problemen verwacht.

2. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn relaas de volgende documenten overgelegd:
- proces-verbaal van 8 april 2011 ook gedateerd 9 januari 2012;

- vonnis van 8 maart 2012;

- vonnis in hoger beroep van 9 mei 2012;

- vonnis van 2 maart 2013;

- herzieningsvonnis 22 oktober 2013;

- verklaring forensisch arts van 9 april 2011;

- brief GGZ van 14 augustus 2015;

- medisch dossier ziekenhuis inclusief foto’s van mishandeling;

- verklaring van eiser over zijn bekering;

- rapport Stichting Gave van dr. M. Visscher, “Bekering tot Christus”, januari 2017;

- rapport “Toetsing Bekering van [eiser] ”, Stichting Gave van dr. M. Visscher, 9 maart 2017;

- rapport dr. J.W. van Saane, godsdienstpsycholoog “Geloofwaardigheid Bekering”, 2013;

- verklaring pastor Ussefi van De Rank Persian Baptist Church Utrecht, 6 juli 2015;

- doopcertificaat.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning

asiel bij besluit van 20 maart 2016 afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid aanhef en onder d, e, en j, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

4. Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft bij uitspraak van 18 april 2016 (zaaknummer NL16.505) het tegen het onder 3 bedoelde besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

5. Verweerder heeft bij het bestreden besluit eisers aanvraag opnieuw afgewezen, dit keer als ongegrond, met toepassing van artikel 31, eerste lid, van de Vw.

6. Op wat eiser hiertegen heeft aangevoerd zal hieronder worden ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Ambtshalve

7. Op 20 juli 2015 is de wet van 8 juli 2015 tot wijziging van de Vw ter implementatie van Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn) in werking getreden. De asielaanvraag van eiser dateert van vóór 20 juli 2015. Gelet op het overgangsrecht van de Procedurerichtlijn heeft dit tot gevolg dat verweerder in het bestreden besluit het recht zoals dit gold voor de inwerkingtreding van de wijziging van de Vw had moeten toepassen. De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:510). Dit betekent dat verweerder artikel 31 van de gewijzigde Vw niet had mogen toepassen en dat aan het bestreden besluit in zoverre een gebrek kleeft. De rechtbank overweegt dat het gebrek slechts op een procedurele onjuistheid in de afdoeningswijze ziet. Immers, zowel het oude als het nieuwe artikel 31 van de Vw biedt verweerder de mogelijkheid om de asielaanvraag af te wijzen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Ter zitting heeft eiser desgevraagd tegen dit geconstateerde gebrek geen bezwaren geuit. Omdat aannemelijk is dat eiser niet is benadeeld door het gebrek, zal de rechtbank dit passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

8. Aangezien de sluiting van het onderzoek heeft plaatsgevonden na 19 juli 2015 omvat de toetsing van de rechtbank wel het in artikel 83a van de Vw voorgeschreven volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming.

Het geschil: eerwraakproblemen

9. De rechtbank stelt vast dat verweerder geloofwaardig acht dat eiser in Iran een relatie heeft gehad met [naam] en dat hij is mishandeld en ontvoerd door de familieleden van [naam] . Verweerder acht eveneens geloofwaardig dat eiser een gevangenisstraf opgelegd heeft gekregen en dat hij deze straf heeft uitgezeten.

10. De rechtbank stelt verder vast dat tussen partijen niet langer in geschil is dat het door eiser overgelegde proces-verbaal van zijn aangifte met betrekking tot zijn mishandeling en ontvoering door familieleden van [naam] , gedateerd 9 januari 2012, in feite het proces-verbaal van 8 april 2011 betreft. Voornoemde gebeurtenissen vonden plaats op 8 april 2011 naar eisers zeggen. De vermelde datum van 9 januari 2012 berust op een vergissing als gevolg van een verkeerde overzetting van de Iraanse jaartelling. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard de tegenwerping dat de tegenstrijdigheid in data afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen, te laten vallen.

11. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder, anders dan in het eerdere vernietigde besluit, alsnog uitgaat van de echtheid van de door eiser overgelegde documenten.

12. Verweerder acht echter de context, te weten de door eiser beschreven eerwraakkwestie, waaruit de gestelde gebeurtenissen en problemen met de familie van [naam] zijn voortgevloeid, niet geloofwaardig. Evenmin acht verweerder aannemelijk dat de familieleden van [naam] banden zouden hebben met de Iraanse autoriteiten, noch dat eiser onder valse voorwendselen een gevangenisstraf opgelegd zou hebben gekregen.

13. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat het betekenis heeft dat verweerder de relatie met [naam] wel geloofwaardig heeft geacht. Dat [naam] familie invloedrijk is, blijkt uit de zware straf die eiser is opgelegd vanwege de door hem veroorzaakte overlast en bedreigingen aan [naam] , terwijl de meeste leden van haar familie zijn vrijgesproken van de mishandeling van eiser, hoewel verweerder de mishandeling geloofwaardig achtte. Verder betwist eiser dat hij [naam] met de dood bedreigd zou hebben.

14. De rechtbank leidt uit het door eiser overgelegde vonnis van 8 maart 2012 af dat eiser in eerste aanleg is veroordeeld vanwege het veroorzaken van overlast op straat in verband met [naam] tot een gevangenisstraf van zes maanden en tot 40 zweepslagen en vanwege het bedreigen van [naam] met de dood tot een gevangenisstraf van 14 maanden. Deze straffen zijn bij vonnis van 9 mei 2012 teruggebracht tot in totaal 14 maanden gevangenisstraf. Uit het vonnis van 2 maart 2013 blijkt dat familieleden van [naam] vanwege mishandeling en ontvoering van eiser veroordeeld zijn tot 15 jaar gevangenisstraf, voor vernieling van eisers auto tot een gevangenisstraf van een jaar en vijf maanden en één familielid voor het bedreigen van eiser met een mes tot een jaar. Bij vonnis van 22 oktober 2013 zijn deze straffen herzien en resteert de veroordeling van twee familieleden vanwege mishandeling van eiser en vernieling van zijn auto tot een gevangenisstraf van 17 maanden voor beiden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het in het licht van eisers verklaringen bevreemdend is dat eisers herzieningsverzoek met betrekking tot zijn veroordeling in behandeling is genomen en dat de strafmaat van zijn veroordeling is aangepast. Als de invloed van de familie [naam] daadwerkelijk zo groot zou zijn geweest als eiser stelde, was het niet aannemelijk geweest dat een herzieningsverzoek zou worden gehonoreerd en eisers straf zou worden verminderd. Daarnaast blijkt uit de vonnissen – in afwijking van eisers verklaringen – dat de veroordeling van twee familieleden vanwege mishandeling van eiser en vernieling van zijn auto tot een gevangenisstraf van 17 maanden stand heeft gehouden. Ook dit strookt niet met eisers stelling dat de familie [naam] zeer invloedrijk zou zijn. In dat geval hadden zij hun familieleden kunnen vrijwaren van een veroordeling. Verder kan uit de overgelegde vonnissen worden geconcludeerd dat eiser niet alleen slachtoffer was, maar ook zelf een actief aandeel heeft gehad in de problemen met de familie [naam]. In tegenstelling tot wat eiser zelf heeft verklaard, lijken deze problemen immers voor een belangrijk deel veroorzaakt te zijn door het handelen van eiser zelf, onder meer door doodsbedreigingen aan [naam] . De stelling van eiser in beroep dat het niet aannemelijk is dat hij zijn geliefde met de dood zou hebben bedreigd, is gebaseerd op eisers lezing van de gebeurtenissen, maar vindt geen steun in de stukken. De rechtbank volgt niet het betoog van eiser dat uit het feit dat eiser een gevangenisstraf van 14 maanden heeft gekregen voor een doodsbedreiging, moet worden afgeleid dat de familie [naam] nauwe banden heeft met de Iraanse overheid. De vergelijking met de in Nederland gehanteerde straftoemetingscriteria treft geen doel. Daaruit kan immers niet worden afgeleid dat de in Iran uitgesproken veroordeling naar de daar geldende maatstaven excessief zou zijn. De stelling in dit verband dat eiser een blanco strafblad had, komt niet overeen met de verklaring van eiser tijdens het nader gehoor dat hij eerder een detentie van drie maanden heeft ondergaan omdat hij zijn broer heeft helpen vluchten (pagina 10 rapport nader gehoor). Dat de familie [naam] eiser en zijn familie vervolgens ook na zijn detentie lastig zou zijn blijven vallen vanwege de gestelde eerwraakkwestie, heeft eiser op geen enkele manier nader onderbouwd. Daar komt bij dat eiser na zijn detentie nog een jaar in Iran verbleef voordat hij zijn land van herkomst verliet. Dat duidt niet op een voor eiser onhoudbare situatie, waarin hij zijn leven niet zeker is.

15. De rechtbank concludeert dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door eiser gestelde eerwraakkwestie niet geloofwaardig is. De daaruit voortgevloeide gebeurtenissen kunnen derhalve evenmin geloofwaardig worden geacht.

Het geschil: bekering tot het christendom

16. Eisers gestelde bekering tot het christendom heeft verweerder niet geloofwaardig geacht omdat eiser het proces van zijn bekering niet inzichtelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft aan zijn standpunt ten grondslag gelegd dat van eiser mag worden verwacht dat hij inzichtelijk maakt waarom hij al na een maand na in contact te zijn gekomen met het christendom, heeft besloten zich te bekeren. Dit temeer omdat eiser verklaard heeft dat hij eerder niet religieus was. Tevens heeft eiser zich wat betreft het innerlijke proces van de bekering in vage en algemene bewoordingen uitgedrukt. Ook eisers Bijbelkennis is onvoldoende om zijn gestelde bekering geloofwaardig te achten. De door eiser overgelegde rapporten vormen voor verweerder geen aanleiding om zijn standpunt ten aanzien van de geloofwaardigheid van eisers bekering te herzien. De problemen die voortvloeiden uit de gestelde bekering heeft verweerder dientengevolge evenmin geloofwaardig geacht.

17. Eiser is van mening dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eisers bekering ongeloofwaardig is. Verweerder heeft bij zijn besluitvorming de vaste gedragslijn onvoldoende gevolgd. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder hem vanwege de ontwikkeling van zijn geloof en zijn geloofsbelijdenis, nu hij inmiddels langer in Nederland verblijft, aanvullend had moeten horen. Eiser wijst in dit verband op de door hem overgelegde rapporten van Stichting Gave van dr. M. Visscher en het rapport van dr. J.W. van Saane. Uit het rapport “Toetsing bekering van [eiser] ” van M. Visscher (hierna: het rapport van Visscher) blijkt dat deze concludeert tot een geloofwaardige, passieve vorm van bekering bij eiser. Bij een passieve vorm van bekering past dat die zich in een korte tijd voltrekt en is een lager kennisniveau te verwachten dan bij een actieve vorm van bekering. Verweerder bagatelliseert ten onrechte eisers Bijbelkennis. Ten slotte vreest eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

18. Zoals volgt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0955, past verweerder een vaste gedragslijn toe bij het onderzoek naar de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging. Deze vaste gedragslijn houdt in dat verweerder een vreemdeling vragen stelt die grofweg worden onderverdeeld in vragen over motieven voor en het proces van bekering, waaronder de betekenis en praktische uitvoering van een eventuele doop en doopplechtigheid, en over de persoonlijke betekenis van de bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling, algemene, basale kennis van de geloofsleer en geloofspraktijk en kerkgang (indien de vreemdeling stelt dat dat onderdeel is van zijn geloofsovertuiging). De Afdeling acht deze wijze van beoordeling rechtmatig.

19. Verweerder kan volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een bekering (bijvoorbeeld de uitspraak van 15 juli 2014, ELCI:NL:RVS:2014:2801) doorslaggevend gewicht toekennen aan de motieven voor en het proces van bekering. Dit geldt temeer indien een vreemdeling - zoals eiser in dit geval - afkomstig is uit een land waar een bekering tot een andere dan de daar gangbare geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel is (zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:888).

20. Daarnaast blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3502, dat verweerder - net als Van Saane - rekening houdt met het verschijnsel van de passieve bekering, dat wil zeggen, een bekering die een vreemdeling overkomt en die hij niet zelf heeft gezocht. Verweerder heeft in die procedure bij de Afdeling verklaard dat indien een vreemdeling een passieve bekering aan zijn asielaanvraag ten grondslag legt, vanwege de aard van een zodanige bekering, de nadruk in het gehoor zal liggen op de vraag hoe de ontwikkeling van het geloofsleven na de gestelde bekering vorm heeft gekregen. Aan de antwoorden op de vragen over het proces dat tot de bekering heeft geleid, wordt in dat geval minder betekenis gehecht, omdat aan een passieve bekering eigen is dat een dergelijk proces meestal niet heeft plaatsgevonden.

21. Gelet op het door eiser in beroep ingenomen standpunt dat er bij eiser sprake is van een passieve bekering en het overgelegde rapport van Visscher, zal de rechtbank eerst beoordelen of verweerder had moeten uitgaan van een passieve bekering bij eiser. Uit voornoemde uitspraken van de Afdeling blijkt dat het dan moet gaan om een bekering die eiser is overkomen en die hij niet zelf heeft gezocht. In het rapport van Visscher wordt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom eisers bekering als een passieve bekering aangemerkt zou moeten worden. Visscher heeft opgemerkt dat er sprake is van een bekering die zich in korte tijd voltrokken heeft, wat kenmerkend is voor een passieve bekering. Bij passieve bekeringen horen eveneens intense ervaringen van de bekeerling, aldus Visscher. Visscher stelt verder dat het onderzoek naar passieve bekeringen zich vooral richt op de processen die zich binnen de persoon afspelen: emoties en ervaringen. Een bespreking van het doorleven van intense ervaringen door eiser in het licht van zijn bekering, die typerend zouden zijn voor de passieve vorm van bekering, ontbreekt in het rapport evenwel volledig. Dat eiser volgens het rapport stelt dat hij het moeilijk vindt zijn gevoelens te verwoorden, is daartoe naar het oordeel van de rechtbank geen afdoende verklaring. Overwogen wordt voorts dat ook uit het rapport van nader gehoor dat betrekking heeft op de gestelde bekering niet blijkt van ‘intense ervaringen’ die horen bij een passieve bekering (het rapport van 9 juli 2015, pagina 29 en volgende). De rechtbank concludeert dat verweerder terecht is uitgegaan van een gestelde actieve bekering van eiser. Daarbij past dat verweerder zijn hiervoor weergegeven vaste gedragslijn toepast bij de beoordeling van de geloofwaardigheid ervan en dat de nadruk bij de beoordeling komt te liggen op de motieven voor en het proces van bekering. De stelling van eiser dat verweerder de vaste gedragslijn voor het onderzoek naar de geloofsovertuiging niet juist heeft toegepast, kan daarom geen doel treffen.

22. Over rapporten van de Stichting Gave heeft de Afdeling eerder overwogen dat deze kunnen dienen ter staving van een gestelde bekering van een vreemdeling, maar dat deze onverlet laten dat die vreemdeling zelf (ook) tegenover verweerder overtuigende verklaringen af moet kunnen leggen over zijn bekering en het proces dat daartoe heeft geleid (zie de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3515). Datzelfde geldt voor de door eiser overgelegde verklaring van De Rank Persian Baptist Church Utrecht en het doopcertificaat (zie de uitspraken van de Afdeling van 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4174 en 5 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1911).

23. De rechtbank overweegt dat verweerder niet ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat eiser met zijn verklaringen onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn motieven voor en het proces van bekering, nu hij hierover slechts vage en algemene verklaringen heeft afgelegd. Gevraagd naar wat de doorslag voor eiser heeft gegeven om zich te bekeren, heeft eiser verklaard dat het christendom een manier van leven is. De islam staat voor geweld, terwijl het christendom voor vrede staat en voor bevrijding zorgt. Hij heeft verder verklaard dat hij tot rust gekomen is, dat hij zich lichter voelde en dat hij zich zuiver en herboren voelde. Verder heeft eiser verklaard dat hij nauwelijks onderzoek heeft gedaan voordat hij zich daadwerkelijk bekeerde. Dit komt de rechtbank weinig aannemelijk voor omdat eiser, gevraagd naar de nadelen van een bekering, verklaarde zich ervan bewust te zijn dat hij in zijn land van herkomst een zware straf riskeert als afvallige. Daar komt bij dat eiser heeft verklaard ten tijde van zijn verblijf in Iran nooit in de Islam te hebben geloofd en in feite atheïst te zijn. Desondanks had eiser geen enkele twijfel bij zijn keuze voor de bekering. Ten slotte heeft verweerder terecht tegengeworpen dat eisers gestelde bekering reeds binnen een maand plaatsvond nadat hij met de kerk in aanraking kwam.

24. De rechtbank concludeert dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde bekering van eiser niet geloofwaardig is.

Slotsom

25. Verweerder heeft op grond van het voorgaande terecht geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is aan te merken als vluchteling of dat hij te vrezen heeft voor ernstige schade, een en ander zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Het beroep is ongegrond.

26. Gelet op overweging 7 ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder de door eiser gemaakte proceskosten vergoedt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 990 (negenhonderdnegentig euro), te
    betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2017.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.