Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6607

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-04-2017
Datum publicatie
19-06-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 28693
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:1025, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Maatschappelijke opvang en hulp, niet tijdig beslissen door verweerder, feitelijke handeling, beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/28693

V-nummer: [volgnummer]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 20 april 2017 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 1981, eiser

(gemachtigde mr. W.G. Fischer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde mr. E.T. ‘t Jong).

Procesverloop

Op 14 juni 2016 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2017. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Waar gaat deze procedure over?

1. Eiser heeft op 10 juli 2015 een brief aan verweerder gestuurd met de tekst: melding en aanvraag. In de brief licht hij toe dat hij een tijdelijke maatwerkvoorziening wil en dat hij dringend hulp en opvang wil. Verweerder heeft als antwoord een brief gestuurd waarin wordt bevestigd dat er een aanvraag is ontvangen. In deze brief hebben zij eiser ook meegedeeld zo snel mogelijk maar in ieder geval binnen acht weken een besluit te nemen1.

2. In een faxbrief van 21 oktober 2015 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Vervolgens heeft eiser op 16 november 2015 beroep ingesteld bij de rechtbank Amsterdam omdat verweerder ook na de ingebrekestelling niet heeft beslist op zijn aanvraag.

3. Bij uitspraak van 29 januari 2016 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep gegrond verklaard tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 10 juli 2015 en vastgesteld dat verweerder een dwangsom verbeurt. Daarnaast heeft de rechtbank Amsterdam verweerder opgedragen om binnen twee weken alsnog een besluit te nemen. Doet verweerder dat niet, dan verbeurt verweerder een dwangsom van € 100,- per dag voor elke dag dat de termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.

4. Na die uitspraak heeft verweerder op 4 februari 2016 een veldtafelgesprek gehouden over eisers verzoek. Daarvan ontvangt eiser op 10 maart 2016 een verslag. Op dezelfde datum stuurt de gemachtigde van eiser het onderzoeksverslag naar aanleiding van het veldtafelgesprek ondertekend terug waarop hij tevens heeft aangekruist dat hij namens eiser een aanvraag indient voor een voorziening in het kader van het Programma Vreemdelingen.

Wat wil eiser?

5. Vervolgens stelt eiser bij brief van 14 juni 2016, ontvangen op 15 juni 2016, beroep in. Eiser wil dat de rechtbank verweerder de opdracht geeft om alsnog te beslissen op zijn melding/aanvraag van 10 juli 2015. Hij wil ook dat de gemeente een dwangsom wordt opgelegd omdat zij niet tijdig hebben beslist op zijn aanvraag en dat de gemeente wordt veroordeeld tot het betalen van reeds verschuldigde dwangsommen en de proceskosten in deze procedure.

Het standpunt van verweerder.

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op 10 juli 2015 nog geen aanvraag tot stand is gekomen. Een aanvraag is namelijk niet mogelijk, als daar geen melding aan is voorafgegaan. Desondanks heeft verweerder de aanvraag bevestigd. Eiser erkent volgens verweerder in zijn beroepschrift min of meer dat de aanvraag pas op 10 maart 2016 tot stand is gekomen. Het indertijd ingestelde beroep kon eigenlijk, met de kennis van nu, geen doel treffen. Uit jurisprudentie die later tot stand is gekomen blijkt namelijk dat deze uitspraak onbevoegd is genomen door de rechtbank Amsterdam2. Uit deze uitspraak blijkt ook dat verweerder omtrent de verstrekking van een opvangvoorziening aan eiser helemaal geen besluit kan nemen. Een reactie van verweerder aangaande een opvangvoorziening is wel een feitelijke handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Verweerder heeft echter nimmer verzet aangetekend tegen de uitspraak van 29 januari 2016.

Gelet op de inhoud van het onderzoeksverslag van de veldtafel stelt verweerder met de kennis van nu vast dat verweerder geweigerd heeft een voorziening toe te kennen. Dat zou betekenen dat er wel een besluit is genomen, althans feitelijk is gehandeld, en dat bezwaar mogelijk is, maar een bezwaarschrift ontbreekt. Tot nu toe heeft eiser nog niets op schrift gesteld wat lijkt op een bezwaarschrift. Gelet hierop hoefde verweerder ook geen besluit op bezwaar te nemen. Verder is verweerder van mening dat eiser zichzelf goed kan redden. Een noodzaak voor het verstrekken van een voorziening, ziet verweerder niet, ook niet als er wel een bezwaarschrift zou zijn ingediend.

Heeft eiser procesbelang?

7. Ter zitting heeft de rechtbank aan de orde gesteld of eiser wel belang heeft bij deze procedure. Verweerder heeft verklaard dat eiser op het moment dat hij beroep instelde in een AZC verbleef en dus opvang had. Hoe de situatie van eiser op dit moment is, is niet bekend, omdat noch eiser noch zijn gemachtigde op zitting verschenen zijn. De rechtbank overweegt dat zij te weinig informatie heeft om te oordelen dat eiser geen procesbelang heeft. Daarbij heeft eiser zijn beroep niet ingetrokken. Gelet hierop kan de rechtbank niet met zekerheid vaststellen dat eiser geen procesbelang heeft en zal de rechtbank dit dus aannemen. Dit betekent dat het beroep van eiser inhoudelijk beoordeeld zal worden door de rechtbank.

Welke rechtbank is bevoegd?

8. Na de melding/aanvraag van eiser is jurisprudentie3 tot stand gekomen die ertoe heeft geleid dat de rechtbank Amsterdam tot het oordeel kwam dat die rechtbank niet bevoegd is in deze zaak. Daarom is de zaak doorgestuurd aan de rechtbank Den Haag, zittinghoudende te Amsterdam.

Wat vindt de rechtbank van het beroep van eiser?

Aanvraag 10 juli 2015

9. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser op 10 juli 2015 een aanvraag heeft gedaan. Verweerder heeft in de ontvangstbevestiging de brief van eiser aangemerkt als aanvraag en de rechtbank Amsterdam heeft dat in haar uitspraak van 29 januari 2016 ook gedaan. Tegen deze uitspraak heeft verweerder geen verzet ingesteld. Daarmee staat in rechte vast dat de brief van 10 juli 2015 als aanvraag moet worden aangemerkt.

10. Uit de uitspraak van de rechtbank Amsterdam volgt ook dat verweerder is opgedragen om binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak een besluit te nemen, dus uiterlijk op 12 februari 2016. Dat de uitspraak als gevolg van gewijzigd inzicht onbevoegd is genomen en verweerder geen besluit kan nemen over opvangvoorzieningen, ontsloeg verweerder niet van de verplichting om uitvoering te geven aan de opdracht in de uitspraak. Partijen zijn immers niet tegen deze uitspraak in verzet gegaan, zodat de uitspraak in rechte vast is komen te staan. Daarbij was uitvoering geven aan de uitspraak niet onmogelijk, nu de reactie van verweerder om een aanvraag om opvang wel een feitelijke handeling van verweerder jegens de vreemdeling is. Het lag daarom op de weg van verweerder om door middel van een feitelijke handeling uitvoering te geven aan de opdracht van de rechtbank Amsterdam.

11. Na de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2016 is verweerder in actie gekomen. Eerst is er op 4 februari 2016 een veldtafelgesprek geweest en vervolgens heeft verweerder op 10 maart 2016 het verslag hiervan aan eiser toegestuurd. Vóór 10 maart 2016 heeft verweerder geen feitelijke handeling richting eiser verricht. Verweerder heeft hem namelijk niet met een of andere handeling, al dan niet schriftelijk, kenbaar gemaakt dat hij opvang of andere hulp weigert te geven. Pas op 10 maart 2016 maakt verweerder aan eiser duidelijk dat hij niet in aanmerking komt voor opvang. In het verslag staat namelijk dat eiser niet voldoet aan de criteria. De rechtbank is van oordeel dat dit moet worden aangemerkt als een feitelijke handeling waartegen bezwaar kan worden gemaakt4.

12. De rechtbank stelt vast dat verweerder 26 dagen te laat uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank Amsterdam. De rechtbank stelt daarom vast dat verweerder een dwangsom aan eiser verschuldigd is van € 2.600,–. De dwangsom bedraagt namelijk volgens de uitspraak € 100,– per dag dat te laat is beslist.

Aanvraag 10 maart 2016

13. Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen de feitelijke handeling van 10 maart 2016, maar in het verslag een kruisje geplaatst bij de zin “dient een aanvraag in voor een voorziening in het kader van het Programma Vreemdelingen” en zijn handtekening geplaatst. De rechtbank vindt dat eiser daarmee opnieuw een aanvraag heeft gedaan. Op deze nieuwe aanvraag is niet beslist en niet is gebleken dat verweerder in verband met deze aanvraag feitelijk heeft gehandeld.

14. Op 14 juni 2016 dient eiser dan het beroep in tegen het niet tijdig beslissen, waar nu op moet worden beslist. Dit beroepschrift is dan ook gericht op het uitblijven van een beslissing op de aanvraag van 10 maart 2016. Dit heeft hij gedaan op grond van artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

15. De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het mogelijk is dat de regeling omtrent het niet-tijdig beslissen op een aanvraag, zoals in de Awb opgenomen, van toepassing is op een situatie waarin het bestuursorgaan niet bevoegd is om een besluit te nemen als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, maar waarin het bestuursorgaan wel een feitelijke handeling kan verrichten. De rechtbank beantwoord deze vraag bevestigend om de volgende redenen.

16. In artikel 6:1 van de Awb staat dat de hoofdstukken 6 (algemene bepalingen over bezwaar en beroep) en 7 (bijzondere bepalingen over bezwaar en administratief beroep) ook van toepassing zijn op andere handelingen van bestuursorganen dan besluiten, als is voorzien in de mogelijkheid van bezwaar of beroep tegen deze handelingen.

17. Artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 geeft de mogelijkheid om tegen een feitelijke handeling bezwaar of beroep in te dienen. In de tekst van de Vw of van de Awb wordt nergens een uitzondering gemaakt voor de toepassing van artikel 6:12 van de Awb op deze feitelijke handelingen. Om deze reden is de rechtbank van oordeel dat er in beginsel geen rechtsregel in de weg staat als een vreemdeling beroep instelt, omdat verweerder niet tijdig een feitelijke handeling neemt in een situatie zoals in deze zaak. De rechtbank vindt hierbij ook van belang dat het beleid, het Programma Vreemdelingen, is geschreven om opvang te bieden aan mensen die kwetsbaar zijn en die opvang nodig hebben. In een dergelijke situatie is het belangrijk dat een persoon een effectief rechtsmiddel kan instellen om zich ervan te verzekeren dat de opvangverlener zijn situatie tijdig, goed en zorgvuldig beoordeelt. Wel zal bij het instellen van een beroep tegen het niet-tijdig beslissen aan de andere wettelijke vereisten moeten zijn voldaan.

18. In de wet staat dat alleen beroep tegen het niet tijdig beslissen kan worden ingediend als eiser het bestuursorgaan eerst in gebreke heeft gesteld.5 Niet is gebleken dat eiser verweerder in gebreke heeft gesteld. Eiser zegt namelijk zelf in zijn beroepschrift dat hij direct beroep tegen het niet tijdig beslissen instelt omdat hij uitgaat van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2016. Evenmin is gebleken dat van eiser redelijkerwijs niet kon worden gevergd om verweerder eerst in gebreke te stellen. Eisers stelling hierbij dat hij uitgaat van de uitspraak van rechtbank Amsterdam volgt de rechtbank niet, omdat die uitspraak over een andere aanvraag gaat.6 De rechtbank stelt dan ook vast dat eiser verweerder niet eerst in gebreke heeft gesteld. Dat betekent dat het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 10 maart 2016 niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Aan een oordeel over de gevraagde dwangsom komt de rechtbank daarom niet toe.

19. Dit alles neemt overigens niet weg dat verweerder nog niet op eisers nieuwe aanvraag van 10 maart 2016 heeft gereageerd.

20. Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. Boeree, voorzitter, en mr. E.J. Otten en mr. L.Z. Achouak el Idrissi, leden, in aanwezigheid van mr. R.J.R. van Broekhoven, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 april 2017.

griffier ,

namens de voorzitter

de oudste rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Op grond van artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2 gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (ECLI:NL:RVS:2016:1782).

3 Afdeling en de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 26 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3415, ECLI:NL:CRVB:2015:3803 en ECLI:NL:CRVB:2015:3834).

4 Artikel 6:1 van de Awb in combinatie met artikel 72 van de Vw.

5 Dit staat in artikel 6.12, lid 2 van de Awb.

6 Zie hierboven onder rechtsoverweging 10.