Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6596

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-06-2017
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
NL17.2210, NL17.2212
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Dublin Duitsland

- Jong gezin

- moeder zwanger

- Omstandigheden in de opvang

- Systeem van gefinancierde rechtsbijstand

- Beroepen ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: [nummers]


uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 8 juni 2017 in de zaken tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [nummers], en

[eiseres] , eiseres,

mede namens hun minderjarige kind [kind],

V-nummers: [nummers],

hierna gezamenlijk te noemen: eisers,

gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. drs. M.F. van der Lubbe.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen twee afzonderlijke besluiten van verweerder van 9 mei 2017 (bestreden besluiten).

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaken met nummers NL17.2211 en NL17.2213, plaatsgevonden op 1 juni 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. P.R. Klaver, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig Z. Jgamadze, tolk in de Georgische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eisers zijn geboren op [geboortedatum], [geboortedatum] en [geboortedatum] en hebben de Georgische nationaliteit. Op 10 maart 2017 hebben eiser en eiseres mede namens hun kind aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de aanvragen niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 omdat uit onderzoek in het Eurodac-systeem is gebleken dat eisers eerder asiel hebben aangevraagd in Duitsland. Het door verweerder aan de Duitse autoriteiten gezonden terugnameverzoek is op 20 maart 2017 geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening).

3. Op wat eisers daartegen hebben aangevoerd wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Niet in geschil is dat de Duitse autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvragen van eisers. Eisers hebben een beroep gedaan op artikel 17 van de Dublinverordening en voeren daartoe aan dat de omstandigheden in de opvang in Duitsland voor asielzoekers mensonterend zijn en hebben ter onderbouwing daarvan foto’s overgelegd. Ook hebben zij erop gewezen dat zij als gezin met een driejarig kind als kwetsbaar moeten worden gezien. Verder is eiseres zwanger en is zij uitgerekend op 17 juni 2017.

5. Ten aanzien van de omstandigheden in de opvang voor asielzoekers in Duitsland oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht heeft overwogen dat eisers met het overleggen van foto’s van de opvanglocatie waar zij eerder hebben verbleven niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen. Ook heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers dienen te klagen bij de daartoe aangewezen instanties in Duitsland als daartoe aanleiding zou bestaan. Gesteld noch gebleken is dat dit voor eisers niet mogelijk zou zijn. Eiser heeft immers verklaard dat hij geen klacht heeft ingediend tegen de omstandigheden in de opvang. Voor zover hij ter zitting een afwijkende stelling heeft ingenomen, is deze niet onderbouwd. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de situatie in Duitsland nader had moeten onderzoeken.

6. Eisers hebben een beroep gedaan op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014 met zaaknummer 29217/12 inzake Tarakhel tegen Zwitserland. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat dit arrest niet op eisers van toepassing is, omdat daarin de omstandigheden in de opvang voor asielzoekers in Italië ter discussie stonden. Eisers hebben verder een beroep gedaan op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 met zaaknummer C-578/16 inzake C.K. tegen Slovenië. Dat beroep faalt ook omdat in dit geval niet is gebleken van een ernstige aandoening waardoor overdracht een ernstige verslechtering van de gezondheidstoestand tot gevolg zou hebben.

7. Eisers voeren ten slotte aan dat in Duitsland in strijd met de Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn) geen gratis rechtsbijstand wordt verstrekt. Die grond faalt. In artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn is neergelegd dat de lidstaten kunnen bepalen dat kosteloze rechtsbijstand niet wordt aangeboden wanneer het beroep geen reële kans van slagen heeft. Ook is bepaald dat deze kans moet worden beoordeeld door een rechterlijke instantie, of indien de kans wordt beoordeeld door een andere instantie, deze beoordeling moet kunnen worden voorgelegd aan de rechter. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat het stelsel van rechtsbijstand in Duitsland hieraan niet voldoet.

8. Geconcludeerd wordt dat verweerder in redelijkheid van gebruikmaking van zijn discretionaire bevoegdheid om behandeling van de asielverzoeken aan zich te trekken heeft mogen afzien. Daarbij is voorts van belang dat verweerder ter zitting heeft gemeld ervan uit te gaan dat overdracht aan Duitsland van eisers overeenkomstig de gebruikelijke werkwijze zes weken na de bevalling van eiseres zal plaatsvinden.

9. De beroepen zijn ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2017.

De griffier is verhinderd deze uitspraak

mede te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.