Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6570

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-06-2017
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
NL17.154
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- VA

- Bagdad

- ongeloofwaardig relaas

- geen 15C

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL17.154
V-nummer: [nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 2 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde: mr. P.R. Klaver,

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. T. Boekholt.


Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 december 2016 (het bestreden besluit).


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden te Breda op 3 mei 2017. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

  1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Iraakse nationaliteit. Op 29 september 2015 heeft hij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend.

  2. Aan deze aanvraag heeft eiser het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft in Irak vanwege zijn werk als zanger in oktober 2012 problemen ondervonden met een neef. Deze neef is fanatiek moslim en wilde dat eiser stopte met zingen, omdat dit een taboe is en slecht voor de reputatie van de stam. Later in dat jaar zijn er in eisers woonplaats foto’s verspreid waarop eiser als zesjarige te zien is op een gelegenheid in 2001 waar zijn oom werd geëerd door een hoge officier van het regime van Saddam Hoessein. Door personen die de uitgelekte foto’s hebben gezien werd eiser aangemerkt als aanhanger van dat regime. In januari of februari 2013 is eiser ontvoerd en een paar uur vastgehouden. Eiser weet niet door wie hij is ontvoerd, maar hij vermoedt dat zijn neef er achter zat. Na de ontvoering is eiser gestopt met zingen en heeft hij geen problemen meer ondervonden. Op 7 september 2015 heeft eiser Irak verlaten.

  3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, alsmede zijn verklaringen over zijn werk als zanger. Eisers verklaringen over de problemen met zijn neef die hij vanwege dat werk zou hebben ondervonden en zijn verklaringen over de ontvoering acht verweerder niet geloofwaardig, zodat eiser niet in aanmerking komt voor een asielvergunning. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat als wel van de geloofwaardigheid van eisers verklaringen over de problemen met de neef uitgegaan zou moeten worden, de daaraan door hem ontleende vermoedens over wat hem bij terugkeer te wachten staat niet aannemelijk zijn. Eiser is na de gestelde ontvoering nog ruim tweeënhalf jaar in Irak gebleven, zonder problemen te hebben ondervonden van enige zijde, zodat niet aannemelijk is dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Iraakse autoriteiten of anderen. Tot slot heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er in eisers woonplaats Bagdad geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw.

  4. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
    De rechtbank oordeelt als volgt.

  5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over de gestelde problemen met zijn neef en de gestelde ontvoering niet geloofwaardig zijn. Verweerder heeft dit standpunt in het bestreden besluit uitgebreid onderbouwd en is daarbij gemotiveerd ingegaan op eisers stellingen uit de zienswijze. De enkele stelling in beroep dat eiser meent dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn asielrelaas wel geloofwaardig is, is onvoldoende om tot een ander oordeel te kunnen leiden.

  6. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3083, ECLI:NL:RVS:2016:3084 en ECLI:NL:RVS:2016:3085) terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in de stad Bagdad geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw. Ter zitting heeft verweerder ter nadere onderbouwing van dit standpunt verwezen naar de uitspraak van het Upper Tribunal van 23 januari 2017 ([2017] UKUT 18), waarin opnieuw is geoordeeld dat er in Bagdad geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15 aanhef en onder c van de Richtlijn 2011/95/EU. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de door eiser overgelegde documenten, waaronder het rapport ‘Veelgestelde vragen – Irak – Veiligheidssituatie’ van Vluchtelingenwerk Nederland van 5 januari 2017, niet van een significante verslechtering van de veiligheidssituatie in die stad. Er is dan ook geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

7. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2017.

griffier

rechter

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: