Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6568

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 17567
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:2060, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: Bagdad, vestigingsalternatief

Wetsartikelen: artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw

Samenvatting:

Eiser is een soennitische moslim afkomstig uit Irak, niet zijnde Bagdad. In deze zaak staat ter discussie of verweerder Bagdad terecht als vestigingsalternatief voor eiser heeft aangemerkt.

Uit de informatie van de UNHCR-rapporten trekt de rechtbank de conclusie dat het sponsorvereiste niet wettelijk is gereglementeerd en willekeurig wordt toegepast. Toegangsbeperkingen zijn niet altijd duidelijk gedefinieerd, de implementatie ervan kan variëren en de toelatingsvoorwaarden zijn onderhevig aan frequente willekeurige veranderingen. De (wijziging van) toelatingseisen worden niet officieel aangekondigd. Daarbij is nog van belang dat de autoriteiten zich het recht voorbehouden om naar eigen goeddunken toegang te weigeren, ook al wordt voldaan aan alle vereisten. Eenduidige, transparante en actuele toelatingsvoorwaarden voor ontheemden ontbreken dan ook. Verder trekt de rechtbank de conclusie dat ontheemden die geen connecties in Bagdad hebben, afhankelijk zijn van de welwillendheid van andere mensen om te fungeren als sponsor. Daarbij komt dat ontheemde soennieten, vooral die afkomstig uit IS-gebied, naar het zich laat aanzien collectief worden beschouwd als een bedreiging voor de veiligheid vanwege een toegedichte associatie met IS.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het op dit moment onzeker is dat eiser toegang kan verkrijgen tot Bagdad en dat van hem kan worden verlangd dat hij zich daar vestigt in het kader van een vestigingsalternatief.

Daarbij vindt de rechtbank van belang dat uit het UNHCR-rapport van 14 november 2016 ook blijkt dat het gebrek aan sponsoring, waar nodig, en/of het gebrek aan documentatie, waarschijnlijk leidt tot arrestatie en/of druk om terug te keren naar het gebied van herkomst. Deze informatie bevestigt eens te meer dat Bagdad voor eiser geen vestigingsalternatief kan zijn.

Eventuele opmerkingen:

Zie de uitspraken van deze rechtbank, deze zittingsplaats, van 7 juni 2017, met zaaknummers AWB 16/15501, AWB 16/16271, AWB 16/17567 en AWB 16/18437.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/17567

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [1992] , van Iraakse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. drs. E.R. Weegenaar),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Peeters).

Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de behandeling van het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording op de door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) gestelde vragen aan verweerder over de situatie in Bagdad.

De ABRvS heeft bij uitspraken van 21 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3083, ECLI:NL:RVS:2016:3084 en ECLI:NL:RVS:2016:3085) en 23 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3442, ECLI:NL:RVS:2016:3443, ECLI:NL:RVS:2016:3445 en ECLI:NL:RVS:2016:3446) de situatie in Bagdad beoordeeld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is afkomstig uit Mosul en is een soennitische moslim. In Mosul is sprake van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

2. Aan zijn asielaanvraag heeft eiser kort samengevat ten grondslag gelegd dat Mosul is binnengevallen door Islamitische Staat (IS) en dat hij vreest voor geweld bij terugkeer naar Mosul. Verder heeft eiser aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zijn oom eind september 2015 door IS is geëxecuteerd. Eiser verbleef van augustus 2014 tot september 2015 bij zijn oom en tante in Mosul. Hij heeft toen geen persoonlijke problemen ondervonden, omdat hij zoveel mogelijk thuis bleef om niet lastig te worden gevallen door IS. Eiser weet niet waarom zijn oom is geëxecuteerd. Volgens eiser moet een buurtbewoner met rancune zijn oom hebben verlinkt bij IS. Hij weet niet wie deze buurtbewoner is. Naar aanleiding van de executie is eiser uit Mosul gevlucht. Een aantal dagen later heeft eiser contact gehad met zijn tante en zij heeft hem verteld dat IS ook naar hem op zoek is. Volgens eiser staat zijn naam in de systemen van IS geregistreerd en daarom is hij onder een andere naam en met valse documenten gevlucht.

3. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser niet wordt gevolgd in zijn relaas dat zijn oom door IS is geëxecuteerd en dat eiser om die reden wordt gezocht door IS. Verder heeft verweerder Bagdad als vestigingsalternatief aangemerkt. Verweerder heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat eiser zijn informatie niet uit eigen hand heeft verkregen en dat hij de dood van zijn oom niet heeft onderbouwd met documenten. Verder heeft eiser zijn vermoedens over wie zijn oom heeft aangeven, waarom hij zou zijn geëxecuteerd en waarom IS eiser zou zoeken niet duidelijk kunnen maken. Verder heeft verweerder gesteld dat eiser geen persoonlijke problemen heeft ondervonden en dat hij relatief eenvoudig het door IS gedomineerde gebied heeft kunnen verlaten.

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat de oom van eiser in de negatieve belangstelling stond van IS en als gevolg daarvan is geëxecuteerd. Daarbij heeft verweerder van belang mogen achten dat eiser zijn asielrelaas op dit punt niet nader heeft kunnen onderbouwen of heeft kunnen verduidelijken. Dat er van zo'n executie geen stukken voorhanden zijn, is op zich logisch, maar eiser had wel zijn verhaal op dit punt moeten verduidelijken. Verweerder heeft eisers verklaringen over de reden waarom nu juist zijn oom werd verdacht door IS onvoldoende mogen achten. Uit de verklaringen van eiser komt naar voren dat zijn oom geen activiteiten verrichtte die IS op het idee zou kunnen brengen dat hij spionagewerkzaamheden tegen IS verrichtte. Eiser denkt dat een buurtbewoner in het geheim zijn oom en hem bij IS heeft verraden. Hij weet niet welke buurtbewoner de informatie verstrekt zou hebben aan IS, maar dit zou mogelijk een ontevreden klant van zijn oom kunnen zijn. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser met deze verklaringen niet heeft onderbouwd wie deze klant is en waarom een ontevreden klant zover zou gaan dat hij zijn oom en hemzelf bij IS zou verraden. Daarnaast kan uit de verklaringen van eiser niet worden opgemaakt dat zijn oom dezelfde werkzaamheden verrichtte als eiser. In het verlengde daarvan heeft verweerder van belang mogen achten dat eisers informatie dat IS vanwege de toegedichte activiteiten van zijn oom ook naar hem op zoek zou zijn, afkomstig is van zijn tante. Eiser heeft zijn verklaringen hierover alleen gebaseerd op de stellingen van zijn tante. Tot slot heeft verweerder in zijn beoordeling mogen betrekken dat eiser heeft verklaard persoonlijk geen problemen te hebben ondervonden in Mosul. Dat hij zoveel mogelijk thuis bleef om problemen te voorkomen, kan juist zijn, maar dat maakt eisers verhaal niet plausibeler. Uit zijn verklaringen volgt immers dat eisers oom thuis door IS zou zijn opgepakt. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat niet geloofwaardig wordt geacht dat de oom van eiser door IS verdacht werd, hij door IS is geëxecuteerd en eiser vanwege de toegedichte activiteiten van zijn oom ook gezocht zou worden door IS. Dat eisers naam geregistreerd zou staan in de systemen van IS kan eiser gelet op het voorgaande niet hard maken. De beroepsgrond slaagt niet.

5. De rechtbank stelt vast dat verder ter discussie staat of verweerder Bagdad terecht als vestigingsalternatief voor eiser heeft aangemerkt.

6. Verweerder neemt een vlucht- of vestigingsalternatief aan als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a. het gaat om een gebied in het land van herkomst waar betrokkene geen risico loopt op vervolging of voor daden als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw óf toegang heeft tot bescherming;

b. het gaat om een gebied in het land van herkomst waar betrokkene op veilige en wettige wijze kan reizen en waartoe hij toegang kan verkrijgen; en

c. het gaat om een gebied waarvan redelijkerwijs van betrokkene kan worden verwacht dat hij zich in dat deel van het land vestigt.

7. Over het vestigingsalternatief Bagdad heeft eiser allereerst aangevoerd dat Bagdad voor hem als soennitische moslim niet veilig is. Volgens eiser staan soennitische moslims uit Bagdad wantrouwend tegenover soennitische moslims uit Mosul. Soennieten uit Mosul worden verdacht van sympathie of zelfs samenwerking met IS. Ook loopt eiser in Bagdad het risico om slachtoffer te worden van sjiitische milities.

8. Verweerder heeft zich hierover onder verwijzing naar de onder het kopje ‘procesverloop’ vermelde uitspraken van de ABRvS op het standpunt gesteld dat de veiligheidssituatie in Bagdad het toelaat dat dit voor eiser als vestigingsalternatief geldt.

9. In de onder het kopje ‘procesverloop’ vermelde uitspraken heeft de ABRvS geoordeeld dat soennieten in de stad Bagdad geen reëel risico lopen op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Soennieten worden in Bagdad-stad niet systematisch blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. Weliswaar zijn soennieten in Bagdad-stad slachtoffer geworden van ontvoeringen en buitengerechtelijke executies, maar, gelet op het grote aantal soennieten in de stad, maakt dit niet dat wegens het enkele zijn van soenniet deze groep mensen een reëel risico loopt op een dergelijke onmenselijke behandeling. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.

10. Vervolgens heeft eiser over het vestigingsalternatief Bagdad aangevoerd dat hij geen toegang kan krijgen tot Bagdad, wat wel nodig is op grond van wat hiervoor onder 6 is overwogen. Volgens eiser is het zeer moeilijk voor ontheemden om toegang te verkrijgen tot Bagdad en zal hij bij de controleposten rondom de stad worden tegengehouden. Hij voldoet niet aan de toelatingseisen om als ontheemde toegang te krijgen tot Bagdad. Zo beschikt eiser op voorhand niet over een sponsor. Eiser is nooit eerder in Bagdad geweest en heeft daar geen familie of vrienden die voor hem garant kunnen staan. Verder is het een onzekere situatie of eiser bij aankomst in Bagdad over een sponsor kan beschikken. Eiser is namelijk afhankelijk van de welwillendheid van wildvreemde mensen die hem die gunst moeten verlenen. Daarbij heeft eiser opgemerkt dat hij als soenniet uit Mosul een streepje achter heeft. Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst eiser naar de brief ‘Internal Flight Alternative in Bagdad’ van de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) van 3 augustus 2016, het rapport ‘Relevant COI for Assessments on the Availability of an Internal Flight or Relocation Alternative (IFA/IRA) in Bagdad for Sunni Arabs from ISIS-Held Areas’ van de UNHCR van 3 mei 2016 en het Algemeen ambtsbericht Irak van november 2016 (Algemeen ambtsbericht).

11. Verweerder heeft erkend dat een sponsorvereiste geldt voor ontheemden om zich in Bagdad te kunnen vestigen. Dit wordt bevestigd door het UNHCR-rapport van 3 mei 2016 en het Algemeen ambtsbericht. Volgens verweerder heeft de ABRvS deze omstandigheid betrokken in de uitspraken van 21 november en 23 december 2016 en geoordeeld dat het sponsorvereiste geen onoverkomelijke administratieve hobbel is. Onder verwijzing naar onder andere de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 21 februari 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:1583) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 6 februari 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:976) heeft verweerder gesteld dat het oordeel van de ABRvS wordt overgenomen door rechtbanken. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat de rechtbank Den Haag in haar uitspraak van 21 februari 2017 een recenter rapport van het UNHCR heeft betrokken en dat dit geen aanleiding was voor een ander oordeel. Dit is het rapport ‘UNHCR Position on Returns to Iraq’ van 14 november 2016. Volgens verweerder volgt uit de overgelegde informatie dat het aantal soennieten in Bagdad blijft groeien en dat het voor eiser niet onmogelijk is om zich in Bagdad te vestigen.

12. In de onder het kopje ‘procesverloop’ vermelde uitspraken heeft de ABRvS geoordeeld dat binnenlands ontheemden toegang hebben tot Bagdad-stad. Iraakse burgers kunnen vanuit het buitenland met een laissez-passer via Baghdad International Airport naar Irak terugkeren en hebben via het vliegveld toegang tot de stad. Over de toegangseisen zoals het beschikken over een sponsor in de stad, heeft de ABRvS geoordeeld dat, voor zover voor langduriger verblijf administratieve handelingen zijn vereist, dit geen onoverkomelijke eisen zijn.

13. De rechtbank heeft over de toegangseisen die voor ontheemden gelden om zich te vestigen in Bagdad sterke twijfel bij de aard en zwaarte van de zo door de ABRvS bestempelde "administratieve handelingen".

14. Uit het Algemeen ambtsbericht volgt dat voor Irakezen die vanuit het buitenland terugkeren en in een andere provincie willen verblijven dan hun provincie van herkomst in principe dezelfde registratievoorwaarden gelden als voor binnenlandse ontheemden, zoals een sponsor, een veiligheidsverklaring van de lokale politie, een steunbrief van de mukhtar en de local council waarin bevestigd wordt dat hij een ontheemde is. Dit geldt ook voor de provincie en de stad Bagdad. De rechtbank overweegt dat dit openlaat hoe reëel het is voor iemand die oorspronkelijk afkomstig is uit Mosul, nooit eerder in Bagdad is geweest en daar geen enkele connectie heeft, om daadwerkelijk bij aankomst in Bagdad een sponsor te verkrijgen.

15. Daarnaast zijn de UNHCR-rapporten gezaghebbend en baseert de rechtbank zijn oordeel mede daarop. De UNHCR-rapporten zijn in overstemming met wat in het Algemeen ambtsbericht staat vermeld, maar schetsten een uitgebreider beeld van de registratievoorwaarden.

16. Uit het UNHCR-rapport van 3 mei 2016, dat de ABRvS heeft betrokken in zijn eerder genoemde uitspraken, blijkt dat een sponsor een persoon moet zijn met een goede reputatie, bekend bij de gemeenschap en de autoriteiten. Idealiter moet de sponsor iemand zijn met een huis en een baan. Wanneer iemand wil fungeren als sponsor moet hij zich persoonlijk melden bij het controlepunt. Afhankelijk van het controlepunt moet de sponsor zich identificeren en de beschikking hebben over een huurcontract of een eigendomsbewijs van een huis. De autoriteiten op het controlepunt behouden zich het recht voor om naar eigen goeddunken toegang van ontheemden tot Bagdad-stad te weigeren, ook al voldoen zij aan alle vereisten. Sommige ontheemden werden naar verluidt bij controlepunten in Bagdad gevraagd om een ​​tweede sponsor.

17. Uit het UNHCR-rapport van 14 november 2016, dat niet kenbaar is betrokken bij de eerder genoemde uitspraken van de ABRvS, blijkt dat de beperkende toegangseisen, zoals het sponsorvereiste, vaak zijn gebaseerd op discriminerende criteria, zoals toegedichte associatie met IS op grond van etnische, religieuze en/of aan stam gebonden achtergrond of het gebied van herkomst. De toegangseisen zijn in het bijzonder in negatieve zin relevant voor soennieten die vluchtten uit IS-gebied. Ontheemde soennieten worden naar het zich laat aanzien collectief beschouwd als een bedreiging voor de veiligheid vanwege een toegedichte associatie met IS. Naar verluidt wordt hun vaak toegang en verblijf in relatief veilige gebieden geweigerd op basis van brede en discriminerende criteria. Toegangsbeperkingen die bij controlepunten worden toegepast, zijn naar het zich laat aanzien niet altijd duidelijk gedefinieerd en/of de uitvoering daarvan kan variëren of onderhevig zijn aan plotselinge veranderingen die meestal afhankelijk zijn van de veiligheidssituatie op dat moment.

Verder is volgens het UNHCR-rapport van 14 november 2016 het sponsorvereiste over het algemeen niet wettelijk gemotiveerd en ook wordt het niet officieel aangekondigd. Het is onderhevig aan frequente, vaak willekeurige wijzigingen, waardoor de vrijheid van beweging van de ontheemden en de toegang tot gebieden van relatieve veiligheid nadelig worden beïnvloed. De uitvoering van het sponsorvereiste varieert per controlepunt, officier en ambtenaar. Zelfs als iemand voldoet aan het sponsorvereiste is toegang tot een gebied niet gegarandeerd. Zelfs aan personen met ernstige medische problemen is toegang geweigerd. In het bijzonder kunnen etnische en sektarische overwegingen bepalen of toegang wordt verleend of geweigerd. Het sponsorvereiste en het gebrek aan duidelijkheid in relatie tot hun reikwijdte en toepasselijke procedures, kunnen ontheemden blootstellen aan exploitatie en misbruik, waaronder seksueel en geslachtsgebonden geweld, aangezien sommige sponsors geld of diensten vragen voor garantstelling. Rapporten tonen aan dat personen die op zoek zijn naar veiligheid stranden zonder toegang tot basisdiensten, aangezien de controlepunten zijn gesloten of omdat hun toegang tot bepaalde gebieden wordt geweigerd.

18. Uit de informatie van de UNHCR-rapporten trekt de rechtbank de conclusie dat het sponsorvereiste niet wettelijk is gereglementeerd en willekeurig wordt toegepast. Toegangsbeperkingen zijn niet altijd duidelijk gedefinieerd, de implementatie ervan kan variëren en de toelatingsvoorwaarden zijn onderhevig aan frequente willekeurige veranderingen. De (wijziging van) toelatingseisen worden niet officieel aangekondigd. Daarbij is nog van belang dat de autoriteiten zich het recht voorbehouden om naar eigen goeddunken toegang te weigeren, ook al wordt voldaan aan alle vereisten. Op basis van discriminerende criteria wordt, naar het zich laat aanzien, regelmatig toegang en verblijf in relatief veilige gebieden geweigerd ook al wordt voldaan aan de toelatingseisen. Eenduidige, transparante en actuele toelatingsvoorwaarden voor ontheemden ontbreken dan ook. Verder trekt de rechtbank de conclusie dat ontheemden die geen connecties in Bagdad hebben, afhankelijk zijn van de welwillendheid van andere mensen om te fungeren als sponsor. Dat gaat dus sowieso niet om een "administratieve procedure" waarbij een naar objectieve maatstaven te beoordelen aanvraag kan worden ingediend, maar om een zoektocht naar een subjectieve persoon die begunstigend wil optreden. Daarbij komt dat ontheemde soennieten, vooral die afkomstig uit IS-gebied, naar het zich laat aanzien collectief worden beschouwd als een bedreiging voor de veiligheid vanwege een toegedichte associatie met IS. Het is dus nog maar de vraag of eiser iemand bereid kan vinden om voor hem garant te staan bij aankomst in Bagdad. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het op dit moment onzeker is dat eiser toegang kan verkrijgen tot Bagdad en dat van hem kan worden verlangd dat hij zich daar vestigt in het kader van een vestigingsalternatief.

Dat de ABRvS in haar uitspraken uit november en december 2016 het UNHCR-rapport van 14 november 2016 toch zou hebben betrokken, valt uit die uitspraken niet op te maken en de rechtbank gaat er daarom ook niet voetstoots van uit.

19. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat uit het UNHCR-rapport van 14 november 2016 ook blijkt dat een intern vlucht- of verplaatsingsalternatief alleen beschikbaar zou zijn in uitzonderlijke omstandigheden. Hiervan is sprake als de persoon rechtmatig toegang kan krijgen tot het voorgestelde alternatief en daar kan verblijven, hij niet blootgesteld wordt aan een nieuw risico op ernstige schade en nauwe familiebanden heeft in het gebied die bereid en in staat zijn om de persoon te ondersteunen. Het gebrek aan sponsoring, waar nodig, en/of het gebrek aan documentatie leidt waarschijnlijk tot arrestatie en/of druk om terug te keren naar het gebied van herkomst. Deze informatie bevestigt eens te meer dat Bagdad voor eiser geen vestigingsalternatief kan zijn. Verweerder heeft erkend dat eiser niet naar Mosul kan terugkeren, omdat in Mosul sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Ook heeft verweerder niet betwist dat eiser geen familie heeft in Bagdad, die mogelijk zouden kunnen fungeren als sponsor. De stelling van verweerder dat het aantal soennieten in Bagdad blijft toenemen, is onvoldoende om Bagdad voor eiser als vestigingsalternatief aan te merken. Verweerder heeft niet gesteld dat er voor eiser een ander vestigingsalternatief binnen Irak zou zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw ten onrechte heeft geweigerd.

20. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dit naar het zich laat aanzien geen efficiënte geschilafdoening zal opleveren. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

21. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A. Verburg, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2017.

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.