Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6556

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
26-06-2017
Zaaknummer
AWB 16/16271
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:1980, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: Bagdad, vestigingsalternatief

Wetsartikelen: artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw

Samenvatting:

Eiser is een soennitische moslim afkomstig uit Irak, niet zijnde Bagdad. In deze zaak staat ter discussie of verweerder Bagdad terecht als vestigingsalternatief voor eiser heeft aangemerkt.

Uit de informatie van de UNHCR-rapporten trekt de rechtbank de conclusie dat het sponsorvereiste niet wettelijk is gereglementeerd en willekeurig wordt toegepast. Toegangsbeperkingen zijn niet altijd duidelijk gedefinieerd, de implementatie ervan kan variëren en de toelatingsvoorwaarden zijn onderhevig aan frequente willekeurige veranderingen. De (wijziging van) toelatingseisen worden niet officieel aangekondigd. Daarbij is nog van belang dat de autoriteiten zich het recht voorbehouden om naar eigen goeddunken toegang te weigeren, ook al wordt voldaan aan alle vereisten. Eenduidige, transparante en actuele toelatingsvoorwaarden voor ontheemden ontbreken dan ook. Verder trekt de rechtbank de conclusie dat ontheemden die geen connecties in Bagdad hebben, afhankelijk zijn van de welwillendheid van andere mensen om te fungeren als sponsor. Daarbij komt dat ontheemde soennieten, vooral die afkomstig uit IS-gebied, naar het zich laat aanzien collectief worden beschouwd als een bedreiging voor de veiligheid vanwege een toegedichte associatie met IS.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het op dit moment onzeker is dat eiser toegang kan verkrijgen tot Bagdad en dat van hem kan worden verlangd dat hij zich daar vestigt in het kader van een vestigingsalternatief.

Daarbij vindt de rechtbank van belang dat uit het UNHCR-rapport van 14 november 2016 ook blijkt dat het gebrek aan sponsoring, waar nodig, en/of het gebrek aan documentatie, waarschijnlijk leidt tot arrestatie en/of druk om terug te keren naar het gebied van herkomst. Deze informatie bevestigt eens te meer dat Bagdad voor eiser geen vestigingsalternatief kan zijn.

Eventuele opmerkingen:

Zie de uitspraken van deze rechtbank, deze zittingsplaats, van 7 juni 2017, met zaaknummers AWB 16/15501, AWB 16/16271, AWB 16/17567 en AWB 16/18437.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/16271

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [1992] , van Iraakse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. E. Ceylan),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. V. Schreuder).

Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij brief van 26 augustus 2016 heeft de rechtbank partijen bericht dat het beroep wordt aangehouden. Hiertoe werd besloten om de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) over de veiligheidssituatie (voor soennieten) in Bagdad af te wachten.

De ABRvS heeft bij uitspraken van 21 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3083, ECLI:NL:RVS:2016:3084 en ECLI:NL:RVS:2016:3085) en 23 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3442, ECLI:NL:RVS:2016:3443, ECLI:NL:RVS:2016:3445 en ECLI:NL:RVS:2016:3446) de situatie in Bagdad beoordeeld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig een tolk, J.A. Matti. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt ambtshalve dat op 20 juli 2015 de wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ter implementatie van de herziene Procedure- en Opvangrichtlijn in werking is getreden. Op grond van de uitspraak van de ABRvS van 18 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:510) en het in de richtlijn opgenomen overgangsrecht, moet op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw die zijn ingediend vóór 20 juli 2015 het recht worden toegepast zoals dit gold vóór 20 juli 2015. Omdat de aanvraag van eiser dateert van 22 oktober 2014 wordt in deze zaak het Vreemdelingenrecht toegepast zoals dit gold vóór 20 juli 2015.

2. Eiser is afkomstig uit [woonplaats] , gelegen in de provincie Ninewa. Hij is van soennitische afkomst en heeft de Koerdische etniciteit. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest voor Islamitische Staat (IS) en de Arabieren die daarmee samenwerken. Sinds de komst van IS moet zich uit elk huishouden één zoon bij IS aansluiten en eiser wilde dat niet. Verder heeft eiser aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij geen werk meer heeft nadat zijn werkgever is gevlucht uit [woonplaats] , omdat hij christen is. Anderhalve maand later is eiser gevlucht naar Fayidi waar hij drie dagen heeft verbleven voor hij uit Irak vertrok. Zijn familie kon niet naar Koerdistan, omdat daar geen garantsteller kon worden gevonden.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw afgewezen. Verweerder heeft de verklaringen van eiser over zijn redenen om asiel aan te vragen geloofwaardig geacht, behalve wat betreft zijn verklaringen over de reis die hij naar Nederland heeft afgelegd. Op grond van de door eiser ondervonden problemen is geoordeeld dat geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstig schade. Verweerder heeft daarom geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef, onder a en b, van de Vw.

4. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte zijn reisverhaal niet geloofwaardig heeft geacht. Volgens eiser heeft hij over zijn reis voldoende gedetailleerde verklaringen afgelegd. Over zijn verblijf in Istanbul heeft hij tijdens het eerste gehoor niets verklaard, omdat hem daarover niets werd gevraagd. Hij werd onderbroken toen hij daar uitgebreid over wilde vertellen. Verder heeft eiser aangevoerd dat hij geen bewijsstukken kan overleggen ter onderbouwing van zijn reisverhaal, omdat zijn reis grotendeels per vrachtwagen heeft plaatsgevonden. Volgens eiser is het niet vreemd dat hij zijn buskaartje niet heeft bewaard, omdat hij niet kon weten dat de Nederlandse autoriteiten daar belang aan zouden hechten.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het reisverhaal van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Hierbij heeft verweerder mogen overwegen dat eiser over zijn reis van Irak naar Nederland geen concrete verklaringen heeft afgelegd en dat bewijsstukken ontbreken. Zo heeft eiser geen enkel bewijsstuk overgelegd over zijn verblijf in Istanbul , terwijl hij heeft verklaard dat hij daar voor een periode van anderhalve maand heeft verbleven voordat hij naar Nederland is gereisd. Zijn verklaringen over dat verblijf zijn verder vaag en summier. Het is aan eiser om zijn reisverhaal, waaronder het gestelde verblijf in Istanbul , aannemelijk te maken en daarover voldoende concrete en verifieerbare verklaringen af te leggen. Gelet op het voorgaande is hij daar niet in geslaagd. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Niet is betwist dat de door eiser ondervonden problemen in Irak, die verweerder wel geloofwaardig heeft geacht, geen gegronde vrees voor vervolging opleveren. Verweerder heeft daarom de asielaanvraag op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, mogen afwijzen.

7. De vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet is of eiser bij terugkeer in Irak een reëel risico op ernstige schade loopt in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. In dit kader is niet in geschil dat in [woonplaats] , waaruit eiser afkomstig is, sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin eiser enkel door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade. In geschil is of verweerder aan eiser een vestigingsalternatief in Bagdad mag tegenwerpen.

8. Verweerder neemt een vlucht- of vestigingsalternatief aan als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a. het gaat om een gebied in het land van herkomst waar betrokkene geen risico loopt op vervolging of voor daden als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw óf toegang heeft tot bescherming;

b. het gaat om een gebied in het land van herkomst waar betrokkene op veilige en wettige wijze kan reizen en waartoe hij toegang kan verkrijgen; en

c. het gaat om een gebied waarvan redelijkerwijs van betrokkene kan worden verwacht dat hij zich in dat deel van het land vestigt.

9. Eiser heeft ten eerste aangevoerd dat hem geen vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen, omdat soennieten in Bagdad een reëel risico op ernstige schade lopen. Verweerder gaat er volgens eiser ten onrechte van uit dat eiser vanwege zijn Koerdische afkomst daar geen gevaar loopt. Eiser heeft immers een Arabisch-soennitische naam en is hoorbaar afkomstig uit een soennitische regio.

10. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in Bagdad geen sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin personen louter door hun aanwezigheid een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dat soennieten niet systematisch worden blootgesteld aan mensenrechtenschendingen. Hiervoor heeft verweerder zich in het bestreden besluit onder meer gebaseerd op het Algemeen ambtsbericht inzake Irak van oktober 2015, de uitspraak van het Britse Upper Tribunal van 5 oktober 2015 (AA/06175/2009) en het UNHCR-rapport van 3 mei 2016. In het verweerschrift heeft verweerder dit nader aangevuld en daarbij verwezen naar de uitspraak van het Britse Upper Tribunal van 17 januari 2017 (UKUT00018) en naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Gravenhage, van 13 januari 2017 (AWB 16/4870) en van 23 december 2016 (AWB 16/18694). Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van zijn Koerdische achtergrond problemen zal ondervinden in Bagdad . Verweerder wijst daarbij op paragraaf 2.2 van het Algemeen ambtsbericht inzake Irak van november 2016 waaruit blijkt dat in Bagdad ongeveer driehonderdduizend Koerden wonen op een totale bevolking van ruim zes miljoen, zodat soennitische Koerden zoals eiser zich daar ook kunnen vestigen. Onder verwijzing naar de onder het kopje ‘procesverloop’ vermelde uitspraken stelt verweerder zich op het standpunt dat de veiligheidssituatie in Bagdad het toelaat dat deze stad voor eiser als vestigingsalternatief geldt.

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich met het bestreden besluit, het verweerschrift en de toelichting op zitting voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat in Bagdad in het algemeen en voor soennieten in het bijzonder geen sprake is van een uitzonderlijke geweldssituatie waardoor eiser een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Naast de door verweerder genoemde uitspraken, vindt de rechtbank voor dit oordeel steun in de uitspraken van de ABRvS die zijn genoemd onder het kopje ‘procesverloop’. In laatst genoemde uitspraken is overwogen dat soennieten in Bagdad -stad niet systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. Weliswaar zijn soennieten in Bagdad -stad slachtoffer geworden van ontvoeringen en buitengerechtelijke executies, maar, gelet op het grote aantal soennieten in de stad, maakt dit niet dat wegens het enkele zijn van soenniet deze groep mensen een reëel risico loopt op een dergelijke onmenselijke behandeling. In de door eiser in beroep overgelegde stukken ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat het niet meer recente stukken betreft waarin een wezenlijk ander beeld wordt gegeven over de veiligheidssituatie (voor soennieten) in Bagdad . Ook heeft verweerder terecht opgemerkt dat niet is gebleken dat er voor Koerden in Bagdad een reëel risico bestaat op ernstige schade. Eiser heeft zijn standpunt daarover niet onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.

12. Verder heeft eiser aangevoerd dat hij niet op een veilige en wettige manier naar Bagdad kan reizen en toegang tot die stad kan krijgen, zodat ook om die reden het vestigingsalternatief niet aan hem kan worden tegengeworpen. Eiser heeft gesteld dat hij geen identiteits- en reisdocumenten bezit, terwijl die nodig zijn om terug te kunnen keren. Hij zal dus geen laissez-passer bij de ambassade in Nederland kunnen aanvragen. Zijn rijbewijs kan hij voor dit doel niet gebruiken en bovendien weet hij niet waar zijn rijbewijs zich nu bevindt. Verder heeft eiser aangevoerd dat hij geen sponsor zal kunnen krijgen in Bagdad . Ter onderbouwing van het vereiste van een sponsor en identiteits- en reisdocumenten om toegang te kunnen krijgen in Bagdad , heeft eiser verwezen naar verschillende stukken, waaronder het UNHCR-rapport van 13 mei 2016 en een Noors Landeninfo rapport van 16 december 2015. Verder heeft eiser aangevoerd dat er onvoldoende concrete aanknopingspunten zijn om Bagdad in zijn geval als vestigingsalternatief tegen te kunnen werpen. Eiser spreekt Arabisch alleen als tweede taal, hij heeft geen vorm van sociaal netwerk of familie in Bagdad en hij is alleenstaand. Ter zitting heeft eiser, onder verwijzing naar het UNHCR-rapport van november 2016, nog aangevoerd dat nauwe familiebanden in Bagdad nodig zijn om in individuele gevallen een vestigingsalternatief tegen te kunnen werpen.

13. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat het voor eiser niet mogelijk is om toegang te krijgen tot Bagdad . Omdat eiser heeft verklaard dat hij eerder identiteitsdocumenten en een rijbewijs in bezit heeft gehad, kan eiser volgens verweerder opnieuw identiteits- en reisdocumenten aanvragen. Daarnaast heeft verweerder, onder verwijzing naar het Algemeen ambtsbericht inzake Irak van november 2016, overwogen dat het niet noodzakelijk is dat een sponsor in Bagdad een familielid van de vreemdeling is. Het hebben van een sponsor en andere administratieve handelingen zijn geen onoverkomelijke eisen om toegang te kunnen krijgen. Verweerder heeft daarvoor verwezen naar de uitspraken van de ABRvS die zijn genoemd onder het kopje ‘procesverloop’ en naar de rapporten van Vluchtelingenwerk Nederland van december 2016 en februari 2017. Verder levert het feit dat eiser een volwassen man is, die Arabisch spreekt, volgens verweerder concrete aanknopingspunten op om in zijn geval Bagdad als vestigingsalternatief tegen te kunnen werpen.

14. In de onder het kopje ‘procesverloop’ vermelde uitspraken heeft de ABRvS geoordeeld dat binnenlands ontheemden toegang hebben tot Bagdad -stad. Iraakse burgers kunnen vanuit het buitenland met een laissez-passer via Baghdad International Airport naar Irak terugkeren en hebben via het vliegveld toegang tot de stad. Over de toegangseisen zoals het beschikken over een sponsor in de stad, heeft de ABRvS geoordeeld dat, voor zover voor langduriger verblijf administratieve handelingen zijn vereist, dit geen onoverkomelijke eisen zijn.

15. De rechtbank overweegt dat niet is gebleken en dus niet is vast komen te staan dat het voor eiser onmogelijk is om aan de benodigde identiteits- en reisdocumenten te komen, ofwel een laissez-passer te verkrijgen. Zo heeft eiser niet betwist dat hij eerder zowel identiteitsdocumenten als een rijbewijs in bezit heeft gehad. Zoals ter zitting besproken, mag van eiser verwacht worden dat hij eerst zich tot de Nederlandse ambassade wendt om opnieuw identiteits-en reisdocumenten aan te vragen.

16. Wel heeft de rechtbank over de toegangseisen die voor ontheemden gelden om zich te vestigen in Bagdad sterke twijfel bij de aard en zwaarte van de zo door de ABRvS bestempelde "administratieve handelingen".

17. Uit het Algemeen ambtsbericht volgt dat voor Irakezen die vanuit het buitenland terugkeren en in een andere provincie willen verblijven dan hun provincie van herkomst in principe dezelfde registratievoorwaarden gelden als voor binnenlandse ontheemden, zoals een sponsor, een veiligheidsverklaring van de lokale politie, een steunbrief van de mukhtar en de local council waarin bevestigd wordt dat hij een ontheemde is. Dit geldt ook voor de provincie en de stad Bagdad . De rechtbank overweegt dat dit openlaat hoe reëel het is voor iemand die oorspronkelijk afkomstig is uit [woonplaats] , nooit eerder in Bagdad is geweest en daar geen enkele connectie heeft, om daadwerkelijk bij aankomst in Bagdad een sponsor te verkrijgen.

18. Daarnaast zijn de UNHCR-rapporten gezaghebbend en baseert de rechtbank zijn oordeel mede daarop. De UNHCR-rapporten zijn in overstemming met wat in het Algemeen ambtsbericht staat vermeld, maar schetsten een uitgebreider beeld van de registratievoorwaarden.

19. Uit het UNHCR-rapport van 3 mei 2016, dat de ABRvS heeft betrokken in zijn eerder genoemde uitspraken, blijkt dat een sponsor een persoon moet zijn met een goede reputatie, bekend bij de gemeenschap en de autoriteiten. Idealiter moet de sponsor iemand zijn met een huis en een baan. Wanneer iemand wil fungeren als sponsor moet hij zich persoonlijk melden bij het controlepunt. Afhankelijk van het controlepunt moet de sponsor zich identificeren en de beschikking hebben over een huurcontract of een eigendomsbewijs van een huis. De autoriteiten op het controlepunt behouden zich het recht voor om naar eigen goeddunken toegang van ontheemden tot Bagdad -stad te weigeren, ook al voldoen zij aan alle vereisten. Sommige ontheemden werden naar verluidt bij controlepunten in Bagdad gevraagd om een tweede sponsor.

20. Uit het UNHCR-rapport van 14 november 2016, dat niet kenbaar is betrokken bij de eerder genoemde uitspraken van de ABRvS, blijkt dat de beperkende toegangseisen, zoals het sponsorvereiste, vaak zijn gebaseerd op discriminerende criteria, zoals toegedichte associatie met IS op grond van etnische, religieuze en/of aan stam gebonden achtergrond of het gebied van herkomst. De toegangseisen zijn in het bijzonder in negatieve zin relevant voor soennieten die vluchtten uit IS-gebied. Ontheemde soennieten worden naar het zich laat aanzien collectief beschouwd als een bedreiging voor de veiligheid vanwege een toegedichte associatie met IS. Naar verluidt wordt hun vaak toegang en verblijf in relatief veilige gebieden geweigerd op basis van brede en discriminerende criteria. Toegangsbeperkingen die bij controlepunten worden toegepast, zijn naar het zich laat aanzien niet altijd duidelijk gedefinieerd en/of de uitvoering daarvan kan variëren of onderhevig zijn aan plotselinge veranderingen die meestal afhankelijk zijn van de veiligheidssituatie op dat moment.

Verder is volgens het UNHCR-rapport van 14 november 2016 het sponsorvereiste over het algemeen niet wettelijk gemotiveerd en ook wordt het niet officieel aangekondigd. Het is onderhevig aan frequente, vaak willekeurige wijzigingen, waardoor de vrijheid van beweging van de ontheemden en de toegang tot gebieden van relatieve veiligheid nadelig worden beïnvloed. De uitvoering van het sponsorvereiste varieert per controlepunt, officier en ambtenaar. Zelfs als iemand voldoet aan het sponsorvereiste is toegang tot een gebied niet gegarandeerd. Zelfs aan personen met ernstige medische problemen is toegang geweigerd. In het bijzonder kunnen etnische en sektarische overwegingen bepalen of toegang wordt verleend of geweigerd. Het sponsorvereiste en het gebrek aan duidelijkheid in relatie tot hun reikwijdte en toepasselijke procedures, kunnen ontheemden blootstellen aan exploitatie en misbruik, waaronder seksueel en geslachtsgebonden geweld, aangezien sommige sponsors geld of diensten vragen voor garantstelling. Rapporten tonen aan dat personen die op zoek zijn naar veiligheid stranden zonder toegang tot basisdiensten, aangezien de controlepunten zijn gesloten of omdat hun toegang tot bepaalde gebieden wordt geweigerd.

21. Uit de informatie van de UNHCR-rapporten trekt de rechtbank de conclusie dat het sponsorvereiste niet wettelijk is gereglementeerd en willekeurig wordt toegepast. Toegangsbeperkingen zijn niet altijd duidelijk gedefinieerd, de implementatie ervan kan variëren en de toelatingsvoorwaarden zijn onderhevig aan frequente willekeurige veranderingen. De (wijziging van) toelatingseisen worden niet officieel aangekondigd. Daarbij is nog van belang dat de autoriteiten zich het recht voorbehouden om naar eigen goeddunken toegang te weigeren, ook al wordt voldaan aan alle vereisten. Op basis van discriminerende criteria wordt, naar het zich laat aanzien, regelmatig toegang en verblijf in relatief veilige gebieden geweigerd ook al wordt voldaan aan de toelatingseisen. Eenduidige, transparante en actuele toelatingsvoorwaarden voor ontheemden ontbreken dan ook. Verder trekt de rechtbank de conclusie dat ontheemden die geen connecties in Bagdad hebben, afhankelijk zijn van de welwillendheid van andere mensen om te fungeren als sponsor. Dat gaat dus sowieso niet om een "administratieve procedure" waarbij een naar objectieve maatstaven te beoordelen aanvraag kan worden ingediend, maar om een zoektocht naar een subjectieve persoon die begunstigend wil optreden. Daarbij komt dat ontheemde soennieten, vooral die afkomstig uit IS-gebied, naar het zich laat aanzien collectief worden beschouwd als een bedreiging voor de veiligheid vanwege een toegedichte associatie met IS. Het is dus nog maar de vraag of eiser iemand bereid kan vinden om voor hem garant te staan bij aankomst in Bagdad . De rechtbank is dan ook van oordeel dat het op dit moment onzeker is dat eiser toegang kan verkrijgen tot Bagdad en dat van hem kan worden verlangd dat hij zich daar vestigt in het kader van een vestigingsalternatief.

Dat de ABRvS in haar uitspraken uit november en december 2016 het UNHCR-rapport van 14 november 2016 toch zou hebben betrokken, valt uit die uitspraken niet op te maken en de rechtbank gaat er daarom ook niet voetstoots van uit.

22. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat uit het UNHCR-rapport van 14 november 2016 ook blijkt dat een intern vlucht- of verplaatsingsalternatief alleen beschikbaar zou zijn in uitzonderlijke omstandigheden. Hiervan is sprake als de persoon rechtmatig toegang kan krijgen tot het voorgestelde alternatief en daar kan verblijven, hij niet blootgesteld wordt aan een nieuw risico op ernstige schade en nauwe familiebanden heeft in het gebied die bereid en in staat zijn om de persoon te ondersteunen. Het gebrek aan sponsoring, waar nodig, en/of het gebrek aan documentatie leidt waarschijnlijk tot arrestatie en/of druk om terug te keren naar het gebied van herkomst. Deze informatie bevestigt eens te meer dat Bagdad voor eiser geen vestigingsalternatief kan zijn. Verweerder heeft erkend dat eiser niet naar [woonplaats] kan terugkeren, omdat in [woonplaats] sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Ook heeft verweerder niet betwist dat eiser geen familie heeft in Bagdad , die mogelijk zouden kunnen fungeren als sponsor. Verweerder heeft niet gesteld dat er voor eiser een ander vestigingsalternatief binnen Irak zou zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw ten onrechte heeft geweigerd.

23. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dit naar het zich laat aanzien geen efficiënte geschilafdoening zal opleveren. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

24. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, rechter, in aanwezigheid van mr. M.P. Beijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.