Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6518

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
29-06-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 19509
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verblijfsvergunning asiel; Irak, Bagdad-stad, soennieten; artikel 3 EVRM en Paposhvili-arrest.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/19509

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. J.A. Pieters),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.J. Balfoort).

Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Voorts is bij dit besluit een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser opgelegd.

Eiser heeft tegen dit besluit op 29 augustus 2016 beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2017. Eiser is verschenen en is bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig O. Al Othman, tolk Arabisch.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1955 en de Iraakse nationaliteit te hebben. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland.

2 Eiser heeft op 19 juni 2008 eerder een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Deze aanvraag is afgewezen. Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. Laatstbedoelde uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bij uitspraak van 27 juli 2011 bevestigd.

3 Eiser heeft ter onderbouwing van de onderhavige aanvraag - samengevat – aangevoerd dat hij vanwege de algemene veiligheidssituatie in Irak - meer in het bijzonder in Bagdad en mede gezien zijn soennitische achtergrond - niet naar zijn land kan terugkeren. Voorts heeft eiser verwezen naar zijn slechte gezondheidssituatie.

4 Verweerder twijfelt niet aan de gestelde nationaliteit, identiteit en herkomst van eiser. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat er in het geval van eiser geen sprake is van persoonlijke vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat in Bagdad geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en dat ten aanzien van soennieten in Bagdad geen sprake is van systematische blootstelling aan een praktijk van onmenselijke behandeling. Tenslotte meent verweerder dat terugkeer naar het land van herkomst geen schending van artikel 3 van het EVRM inhoudt, omdat volgens het Bureau Medische Advisering (BMA) geen sprake is van een terminaal of direct levensbedreigend stadium van ziekte, de ziekte niet ongeneeslijk is en behandeling in het land van herkomst aanwezig is.

5 De rechtbank overweegt het volgende.

5.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in Bagdad-stad geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw 2000. Gelet op de uitspraken van diverse meervoudige kamers van deze rechtbank (Den Haag, 21 februari 2017 - ECLI:NL:RBDHA:2017:1583, zittingsplaats Rotterdam, 13 mei 2016 – ECLI:NL:RBDHA:2016:6014 en zittingsplaats Arnhem, 16 juni 2016 – ECLI:NL:RBDHA:2016:6884), de uitspraken van de Afdeling van 21 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3085, ECLI:NL:RVS:2016:3083 en ECLI:NL:RVS:2016:3084) en de uitspraak van het Britse Upper Tribunal -Iraq CG [2015] UKUT 00544 (IAC)- van 5 oktober 2015, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er in Bagdad-stad geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, onder c, van de Definitierichtlijn 2011/95/EU. In de uitspraak van 5 oktober 2015 heeft het Upper Tribunal samengevat geoordeeld dat het geweldsniveau in Bagdad bij lange na niet het niveau van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn haalt (overweging 132). In de uitspraak van 17 januari 2017 -Iraq CG [2017] UKUT 00018 (IAC)- heeft het Britse Upper Tribunal geoordeeld dat het geweld in Bagdad-stad significant blijft maar dat geen reden wordt gezien om van de eerdere conclusie in de uitspraak van 2015, af te wijken. Verder heeft ook de Grote Kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in haar arrest van 23 augustus 2016 (59166/12) J.K. and others v. Sweden, geoordeeld dat de veiligheidssituatie in Irak niet zodanig is dat er een algemene behoefte bestaat voor internationale bescherming van asielzoekers. Over Bagdad-stad heeft het EHRM overwogen dat hoewel de veiligheidssituatie daar is verslechterd, de mate van geweld niet het niveau heeft bereikt dat sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM. Hierbij heeft het EHRM onder meer het rapport van het UK Home Office van november 2015 betrokken. Ook uit het meest recente algemeen ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 14 november 2016 blijkt niet van een sindsdien zodanig verslechterde veiligheidssituatie dat thans wel van een situatie moet worden uitgegaan als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

5.2

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat van hem, als soenniet, redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij terugkeert in de stad Bagdad en zich daar vestigt.

Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat er in Bagdad-stad ook soennitische wijken zijn waar eiser zich zou kunnen vestigen. Niet is gebleken dat soennieten in Bagdad-stad systematisch worden blootgesteld aan onmenselijke behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM.

6 Ten aanzien van de stelling van eiser dat zijn medische situatie maakt dat terugkeer naar Irak leidt tot schending van artikel 3 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt.

6.1

Volgens vaste jurisprudentie (zie de uitspraken van 2 mei 1997 in de zaak St. Kitts, nr. 146/1996/767/964, RV 1997, 70 en van 6 februari 2001 in de zaak Bensaid, nr. 44599/98, JV 2001/103) van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. Bij uitspraak van 13 december 2016 heeft het EHRM (Paposhvili, nr. 41738/10) nadere invulling gegeven aan de uitzonderlijke omstandigheden die onder artikel 3 EVRM in de weg kunnen staan aan uitzetting van ernstig zieke vreemdelingen. Uit het arrest Paposhvili volgt naar het oordeel van de rechtbank dat, anders dan voorheen, ook in gevallen waarin iemand niet binnen korte tijd komt te overlijden onder omstandigheden sprake kan zijn van schending van artikel 3 van het EVRM. Het gaat dan om een ernstig ziek persoon die wordt uitgezet naar een land waar de benodigde medische behandeling niet aanwezig is, dan wel feitelijk niet toegankelijk is voor de betreffende persoon, en die persoon door het uitblijven van de benodigde medische behandeling wordt blootgesteld aan een serieuze, snelle en niet omkeerbare verslechtering van diens gezondheid resulterend in intens lijden dan wel een significante verkorting van diens levensverwachting. Het EHRM heeft in dit arrest geen afstand gedaan van de eerder opgeworpen hoge drempel (“high threshold”) om op grond van medische omstandigheden aan te nemen dat artikel 3 EVRM geschonden wordt.

6.2

Uit het BMA-advies uitgebracht in het kader van artikel 3 EVRM van 26 augustus 2016 blijkt dat bij eiser sprake is van een chronische posttraumatische stressstoornis, een dissociatieve stoornis NAO en een depressieve stoornis.

6.3

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat bovengenoemde hoge drempel in het geval van eiser niet is gehaald nu het BMA heeft vastgesteld dat de behandeling van de psychische klachten in beginsel tijdelijk is, dat er onder de gegeven behandeling geen sprake is van een terminaal en levensbedreigend stadium van een ziekte en de ziekte niet ongeneeslijk is. Voorts heeft het BMA geconcludeerd dat behandeling in het land van herkomst aanwezig is. Niet is gebleken dat verweerder niet uit had mogen gaan van het door het BMA in de nota gestelde of dat het advies op grond van nieuwe feiten of omstandigheden als verouderd moet worden beschouwd. Dat volgens eiser het aantal bedden in het Ibn Rushd Hospital beperkt is, leidt niet tot een ander oordeel reeds nu niet gebleken is dat voor eiser met poliklinische behandeling niet zou kunnen volstaan en opname geïndiceerd zou zijn.

6.4

Het beroep van eiser op artikel 3 van het EVRM slaagt dan ook niet.

7 Verweerder heeft gelet op het voorgaande de aanvraag op goede gronden afgewezen.

8 Het beroep is ongegrond.

9 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2017.

Rechtmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).