Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6479

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
22-08-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 7129
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schuld vanwege lening studiefinanciering.

In geschil is of verweerder terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Met name dient de vraag te worden beantwoord of de termijnoverschrijding bij het indienen van het bezwaarschrift aan eiser is te wijten.

De rechtbank acht het aannemelijk dat eiser niet betrokken is geweest bij en op de hoogte is geweest van de aanvraag, wijzigingen en betaling van de studiefinanciering en de daarbij ontstane schulden, hetgeen ertoe leidt dat de rechtbank de termijnoverschrijding verschoonbaar acht. Eiser heeft zo spoedig mogelijk in juni 2016 bezwaar gemaakt, nadat hij in mei 2016 op de hoogte is geraakt van het bestaan van de schuld bij DUO en van de voorafgaande beslissingen van DUO die tot die schuld hebben geleid. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarom het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank verklaart het beroep derhalve gegrond. De rechtbank draagt verweerder op om opnieuw uitspraak op bezwaar te doen en inhoudelijk op het geschil in te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 16/7129

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde G. Wuite)

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft tegen het hierna onder 15 te noemen emailbericht en de onder 16 te noemen brief bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij besluit van 29 juli 2016 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft voor de zitting nadere stukken ingediend op 25 oktober 2016, 11 april 2017, 24 april 2017 en op 3 mei 2017. Van deze brieven zijn afschriften aan verweerder toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , en [persoon 4] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee.

De onderhavige zaak is tegelijkertijd ter zitting behandeld met de zaak SGR 16/7131 ten name van [persoon 1] , broer van eiser. Hetgeen in de ene zaak is aangevoerd, wordt geacht te zijn aangevoerd in de andere zaak.

Overwegingen

Feiten

1. Bij aanvraag van 6 augustus 2004 is ten name van eiser studiefinanciering aangevraagd.

2. Bij bericht van 13 augustus 2004 is aan eiser per september 2004 een prestatiebeurs toegekend, alsmede een lening. De studiefinanciering had betrekking op de inschrijving van een studie aan de Hogeschool Enschede te Enschede.

3. Per 1 september 2005 heeft de studiefinanciering betrekking op de aanmelding aan de Universiteit Twente te Enschede. Deze inschrijving is nadien per die datum gewijzigd in een inschrijving voor het tweede jaar aan de Saxion Hogeschool te Enschede.

4. Bij bericht van 28 oktober 2005 is aan eiser meegedeeld dat per 28 oktober 2005 de schuld wegens de lening inclusief rente € 6.707,63 bedraagt.

5. Verweerder heeft bij brief van 11 oktober 2005 aan eiser meegedeeld dat eiser op een door hem aan te kruisen postkantoor zijn ov-studentenkaart kan afhalen. Deze brief is geretourneerd aan verweerder, waarbij het postkantoor in Hengelo is aangekruist.

6. Met dagtekening 11 augustus 2006 is naar aanleiding van een formulier ‘Wijziging student beroepsonderwijs en hoger onderwijs’ aangegeven dat er per 1 september 2006 een wijziging zal plaatsvinden en wel dat er een nieuwe opleiding Bedrijfswetenschappen wordt gestart aan de Universiteit Twente te Enschede.

7. Bij bericht van 7 november 2008 is aan eiser meegedeeld dat eiser vanaf 1 januari 2009 alleen recht heeft op een lening omdat aan hem het maximaal aantal maanden basisbeurs en/of aanvullende beurs is toegekend.

Tevens is hem meegedeeld dat de schuld wegen de lening per 10 oktober 2008 € 23.545,09 bedraagt.

8. Op 17 juni 2010 is bij verweerder een machtiging, met dagtekening 17 juni 2010, ingekomen. Hierin is aangegeven dat eiser (in de machtiging aangeduid als [persoon 5] ) aan zijn moeder [persoon 6] een machtiging heeft verleend om zijn zaken bij DUO te behartigen.

9. Bij bericht van 2 juni 2012 is aan eiser meegedeeld dat hij vanaf april 2012 geen recht op studiefinanciering meer heeft, omdat hij niet (meer) (voltijd) studeert.

10. Bij bericht van 6 februari 2013 heeft verweerder eiser meegedeeld dat zijn recht op studiefinanciering op 31 augustus 2011 is geëindigd. Tevens wordt hem meegedeeld dat zijn schuld op 1 februari 2013 vanwege de lening € 57.051,79 bedraagt en dat hij met ingang van 1 januari 2014 € 355,64 per maand dient terug te betalen.

11. Verweerder heeft eiser bij brief van 16 oktober 2013 laten weten, dat de schuld vanwege de lening op 31 december 2013 € 57.778,30 inclusief een bedrag aan rente van € 6.308,77 bedraagt en dat het maandelijks bedrag bij de terugbetaling is vastgesteld op € 355,56.

12. Bij bericht van 6 januari 2014 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat de aflosfase van de lening op 1 januari 2014 is gestart. Tevens wordt meegedeeld dat de schuld vanwege de lening € 57.778,30 bedraagt.

13. Verweerder heeft eiser bij brief van 6 januari 2015 laten weten dat het bedrag over de maand juli 2014, na aanmaning, niet volledig is betaald en dat tevens de bedragen over de maanden augustus tot en met december 2014 niet (volledig) zijn betaald.

14. Verweerder heeft aan eiser tussen de aanvraag van 6 augustus 2004 en het bericht van 6 januari 2015 voorts diverse (hierboven niet allen vermeld) berichten gezonden. Een overzicht daarvan is door verweerder opgenomen in zijn stuk van 3 april 2017, ingekomen bij de rechtbank op 6 april 2017.

15. Verweerder heeft eiser bij emailbericht van 12 mei 2016 bericht, hoe het verstrekken van de studiefinanciering aan hem is verlopen. Tevens is eiser meegedeeld dat zijn schuld wegens de lening op 1 januari 2014 € 57.778,30 bedroeg, en dat de lening vanaf 1 januari 2014 diende te worden terugbetaald, dat er inmiddels een achterstand bestond in terugbetaling ten bedrage van € 8.089,16 en dat er vanaf juni 2016 maandelijks € 355.57 afgelost diende te worden.

16. Verweerder heeft eiser bij brief van 12 mei 2016 meegedeeld, dat eiser in een telefoongesprek van 12 mei 2016 heeft aangegeven dat hij op dit moment zijn achterstand in de betaling van de langlopende schuld niet in één keer kan betalen en dat verweerder hem bij wijze van uitzondering een betalingsregeling wil aanbieden. De betalingsregeling houdt in dat eiser het bedrag van de schuld, exclusief wettelijke rente, van € 8.089,16 over de maanden januari 2014 tot en met mei 2016 in maandelijkse termijnen van € 145 moet terugbetalen.

17. Eiser heeft bij brief van 9 juni 2016 een bezwaarschrift tegen het emailbericht van 12 mei 2016 en tegen de brief van 12 mei 2016 ingediend en (impliciet) tegen alle berichten van DUO in het verleden. Hierin stelt eiser dat hij de vordering die DUO op hem heeft uitdrukkelijk betwist. Hij heeft nimmer een aanvraag voor studiefinanciering ingediend en hij heeft de uitbetaalde bedragen evenmin ontvangen. Hij heeft op geen enkele wijze het beheer casu quo de beschikking gehad over de door DUO op de ABNAMRO rekening te Oldenzaal overgemaakte bedragen. De hoogte van de toegekende studiefinanciering klopt ook niet met de situatie dat hij gedurende zijn studie thuiswonend was.

18. Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar van 29 juli 2016 het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

19. Eiser heeft op 7 september 2016 een beroepschrift ingediend. Hierbij heeft hij als bijlagen meegezonden onder meer foto’s van ongeopende correspondentie van DUO, een (schriftelijke) verklaring van DUO van 23 mei 2016 met betrekking tot het machtigingsformulier waarin is vermeld dat “het in het verleden mogelijk is geweest dat alleen bij het afgeven van het formulier een stempel werd geplaatst en dat het formulier dan volledig kan zijn ingevuld door moeder met mogelijk een valse handtekening.”

20. De gemachtigde van eiser heeft bij brief van 24 oktober 2016 toegezonden twee proces-verbalen van aangifte van eiser en zijn broer [persoon 1] , opgemaakt op 7 juni 2016 en op 10 juni 2016, bij de politie Eenheid Oost-Nederland tegen de moeder van eiser en zijn broer.

In het proces-verbaal van eiser is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Ik doe aangifte van fraude cq oplichting en vermoedelijk valsheid in geschrifte tegen mijn moeder [persoon 6] .

Mijn moeder heeft met het oogmerk zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam of hoedanigheid, DUO bewogen tot uitkering van jarenlange studiefinanciering en een studielening op mijn naam. Verder heeft mijn moeder de aanvraagformulieren ondertekend met een handtekening die vervalst is waardoor het leek alsof ik de contracten/ aanvraagformulieren zou hebben ondertekend.

Ik heb al die jaren niet geweten dat er studiefinanciering en een studielening op mijn naam was afgesloten omdat ik nooit een bankpas dan wel bankpapieren heb gezien.

Mijn moeder heeft deze altijd in haar eigen beheer gehad en de gelden ook voor zichzelf gehouden en gebruikt.

Ik verklaar u het volgende:

Op 12 mei 2016 kreeg ik van DUO een e-mail dat ik mijn adres gegevens moest doorgeven. Volgens hun klopte er iets niet. De gegevens zouden verouderd zijn omdat ze geen reactie op de post die ze verzonden kregen. Ik heb toen met DUO gebeld omdat deze mail geheel onverwachts was. Ik wist dat het iets te maken had met de IB groep maar verder niets. Ik had namelijk nooit studie geld of iets dergelijks aangevraagd. Ik vroeg toen de medewerker van DUO dan ook de reden van het telefoontje. Hij vertelde mij dat ik sinds 1 januari 2014 had moeten beginnen met het aflossen van mijn studieschuld van 57.778,30 euro. Ik gaf aan dat hij zich moest vergissen. Ik had geen studieschuld. Ik heb de medewerker verzocht: deze gegevens nogmaals te checken. Dit moest een vergissing zijn. De medewerker keek in het systeem en gaf nogmaals aan dat het geen vergissing was.Ik heb toen opgehangen en gelijk contact met mijn broers, [persoon 1] en [persoon 7] , via de app gezocht. Zij hebben toen ook met DUO gebeld en het bleek dat zij hetzelfde probleem hadden. [persoon 1] heeft hetzelfde bedrag open staan en [persoon 7] , die iets jonger is staat inmiddels op 49.000 euro schuld. Ook mijn broers wisten van niets. Ik heb toen mijn moeder gebeld. Ik heb haar gevraagd of het klopte dat ik een studieschuld van 57.000 euro had. Mijn moeder beaamde dit tot mijn grote schrik.

(. . .)

Ik heb daarna de gegevens bij DUO opgevraagd. Ik kreeg toen per mail op 24 mei 2016 originele IBG aanvraagformulier (. . .) opgestuurd door de medewerkster van DUO (. . .).”

Tevens zijn bij voormelde brief 5 getuigenverklaringen meegezonden, te weten van [persoon 4] , [persoon 8] , [persoon 3] en van twee zusters van eiser, [persoon 9] en [persoon 10] . Uit deze verklaringen is af te leiden dat de moeder van eiser heeft toegegeven dat zij de lening bij DUO heeft aangegaan en daarbij de schuld heeft opgebouwd op naam van eiser en op naam van zijn broers.

21. De gemachtigde van eiser heeft bij brief, gedagtekend 11 april 2017, nogmaals de voormelde 5 getuigenverklaringen meegezonden. Tevens heeft de gemachtigde van eiser een usb-stick meegezonden met beeld en/of geluidsopnames van gesprekken tussen eiser, zijn moeder en overige familieleden in september 2016 waaruit blijkt dat de moeder van eiser toegeeft dat zij de studiefinanciering heeft aangevraagd. Bij brief van 2 mei 2017 is nogmaals een usb-stick toegezonden met dezelfde inhoud, die de rechtbank aan verweerder heeft toegezonden.

22. De gemachtigde van eiser heeft bij brief, gedagtekend 24 april 2017, onder meer de volgende bijlagen bijgesloten, te weten een transcriptie van de gesprekken, opgesteld door “AVRO TROS Opgelicht?!, die zijn opgeslagen op de toegezonden usb-stick, de onder 19 genoemde verklaring van DUO die per emailbericht van 23 mei 2016 aan [persoon 1] is toegezonden, een foto van 42 ongeopende brieven van DUO met daarop (op een aantal) het handschrift van de moeder van eiser, vier processen-verbaal van aangiften van eiser, [persoon 1] , van [persoon 7] en van [persoon 2] , de vader van eiser en aktes van cessie ABNAMRO bank en eiser en ABNAMRO bank en de broer van eiser [persoon 1] .

Geschil
23. In geschil is of verweerder terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Met name dient de vraag te worden beantwoord of de termijnoverschrijding bij het indienen van het bezwaarschrift aan eiser is te wijten.

24. Eiser stelt dat hij niet tijdig bezwaar heeft kunnen maken, omdat zijn moeder willens en wetens de post heeft onderschept. Zijn moeder heeft bovendien valselijk studiefinancieringen op naam van haar zonen aangevraagd om zich zo de studiegelden toe te eigenen zonder medeweten van eiser en zijn broers. Eiser is pas sinds kort op de hoogte van de hele kwestie nadat hij door DUO is benaderd op 12 mei 2016. Er loopt een juridisch onderzoek naar de strafbare handelingen van zijn moeder. Kort en zakelijk weergegeven komt het standpunt van eiser er op neer dat de overschrijding van de termijn voor het indienen van een of meer bezwaarschriften hem niet kan worden toegerekend en hij daarom ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar.

25. Verweerder stelt dat alle besluiten waarbij de door eiser betwiste schulden zijn ontstaan zijn gezonden naar eisers adres [adres] . Hiermee zijn deze conform artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht op de juiste wijze bekendgemaakt. Nu eiser niet binnen zes weken na bekendmaking van deze besluiten een bezwaarschrift heeft ingediend, is het bezwaarschrift derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Beoordeling van het geschil

26. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van een beslissing geschiedt door toezending of uitreiking aan de belanghebbende. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

27. Vaststaat dat de beslissingen van DUO ten name van eiser aan het juiste adres zijn toegezonden en dat het bezwaar tegen de beslissingen te laat is ingediend. Bij de beantwoording van de vraag of de termijnoverschrijding aan eiser te verwijten valt, neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

Eiser heeft bij de politie aangifte gedaan van fraude casu quo van oplichting en vermoedelijk valsheid in geschrifte tegen zijn moeder. Eiser verklaart hierin dat hij niet op de hoogte was van de aanvraag van studiefinanciering en van een studielening op zijn naam. Er zijn voorts 5 getuigenverklaringen aanwezig, waarin wordt vermeld dat de moeder van eiser tijdens gesprekken (onder meer in mei 2016) met de familie desgevraagd heeft erkend dat zij de studieleningen op naam van de zoons heeft aangevraagd zonder dat zij daar iets van af wisten. De op de usb-stick voorkomende opnamen ondersteunen die verklaringen. Voorts zijn bewijsstukken in de ouderlijke woning in een schoenendoos aangetroffen in de vorm van 42 ongeopende enveloppen van DUO, naast onbetaalde rekeningen en aanmaningen van incassobureaus/advocaten. Eiser heeft in het bezwaarschrift verklaard, dat op enkele enveloppen aantekeningen zijn aangetroffen, hetgeen ook op een foto is te zien, welke aantekeningen met het handschrift van zijn moeder lijken te zijn gemaakt.

De aanvragen en de wijzigingsformulieren voor de studiefinanciering voor zowel eiser als zijn broer lijken van hetzelfde handschrift te zijn voorzien, hetgeen een sterke aanwijzing vormt voor het feit dat de aanvraag en wijzigingsformulieren voor studiefinanciering niet door eiser zijn ingediend. Ook slaat de rechtbank acht op de - onder 19 vermelde - verklaring van DUO, waaruit blijkt dat in de betreffende jaren een machtiging heel goed kan zijn ingediend door een ander dan de student zelf en ook door een ander dan de student zelf kan worden ingevuld en van een (valse) handtekening zijn voorzien. Voorts neemt de rechtbank in ogenschouw dat de debetstand op de rekening ten name van eiser - die is gebruikt voor de ontvangst van de studiefinanciering - door de ABNAMRO bank aan eiser is ‘kwijtgescholden’ en de vordering die eiser in dat verband desalniettemin mogelijk op zijn moeder heeft aan de bank is gecedeerd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank het aannemelijk dat eiser niet betrokken is geweest bij en op de hoogte is geweest van de aanvraag, wijzigingen en betaling van de studiefinanciering en de daarbij ontstane schulden, hetgeen ertoe leidt dat de rechtbank de termijnoverschrijding verschoonbaar acht. Eiser heeft zo spoedig mogelijk in juni 2016 bezwaar gemaakt, nadat hij in mei 2016 op de hoogte is geraakt van het bestaan van de schuld bij DUO en van de voorafgaande beslissingen van DUO die tot die schuld hebben geleid. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarom het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank verklaart het beroep derhalve gegrond. De rechtbank draagt verweerder op om opnieuw uitspraak op bezwaar te doen en inhoudelijk op het geschil in te gaan.

Proceskosten
28.De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

De rechtbank is van oordeel dat in beroep sprake is van twee (met zaaknummer SGR 16/7131) samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid van het Besluit, nu er sprake is van door twee belanghebbenden ingestelde beroepen, die door de rechtbank gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon die deel uitmaakt van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Samenhangende zaken worden beschouwd als één zaak. De helft dient aan de onderhavige zaak te worden toegekend, dat wil zeggen € 495.

De overige door eiser genoemde kosten, te weten de reiskosten en de verletkosten worden, eveneens met toepassing van dat Besluit, gesteld op een bedrag van € 47,40, wat betreft de reiskosten, (openbaar vervoer tweede klasse) en op een bedrag van € 142,48, wat betreft de verletkosten, zoals eiser heeft verzocht.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beslissing op bezwaar en draagt verweerder op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 684,88;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. van Duijvendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.