Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6435

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
15-06-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5298 en AWB-16_5299
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft in de jaren 2011 en 2012 afdrachtvermindering onderwijs toegepast wegens het door medewerkers volgens van de deelkwalificaties Ondersteunende vorming houtberoepen op de niveaus 2, 3 of 4. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder bevoegd te toetsen of is voldaan aan de eisen voor toepassing van de WVA. Die toets gaat echter niet zo ver dat verweerder mag beoordelen of de kwaliteit van de opleiding past binnen de WEB. Eiseres, op wie de bewijslast rust, heeft aannemelijk gemaakt dat het opleidingsprogramma ‘Slimmer produceren’ onderdeel is van de beroepspraktijkvorming van de beroepsbegeleidende leerweg van een beroepsopleiding. Eiseres heeft dan ook recht op toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs. Ook heeft eiseres recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/1476 met annotatie van Ferhat Aksoy
V-N Vandaag 2017/1397
NTFR 2017/1687 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 16/5298 en SGR 16/5299

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 juni 2017 in de zaken tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: J.J. Hoekman),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [kantoorplaats] , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 met dagtekening 24 februari 2014 een naheffingsaanslag loonheffingen ten bedrage van € 20.321 opgelegd. Tevens is bij beschikking een bedrag van € 1.204 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 met dagtekening 24 februari 2014 een naheffingsaanslag loonheffingen ten bedrage van € 87.396 opgelegd. Tevens is bij beschikking een bedrag van € 3.124 aan heffingsrente in rekening gebracht en een verzuimboete van € 1.500 opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslagen alsmede de beschikkingen heffingsrente en de bij de naheffingsaanslag loonheffingen over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 opgelegde verzuimboete gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend en een pleitnota toegestuurd. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2017.

Namens eiseres zijn verschenen drs. S. Metsers, mr. dr. C.W.M. van Ballegooijen, ing. D.J. Teerling, mr. I. Kayhan, [persoon 1] en [persoon 2] , directeuren van eiseres, bijgestaan door [persoon 3] en [persoon 4] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.M. Vissers, mr. H. Rijnders, [persoon 5] , mr. S.V. Dagevos, drs. E.G.J. de Ruijter en mr. drs. H.M. Zeeman.

Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan eiseres.

Met instemming van alle betrokken partijen zijn de zaken van eiseres ter zitting gezamenlijk behandeld met de zaken van [bedrijf] B.V. met zaaknummers SGR 16/2804, SGR 16/2806 en SGR 16/2811.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres drijft een groothandel in hout- en plaatmateriaal en haar activiteiten bestaan uit de handel in en de bewerking van hout, houtwaren en aanverwante artikelen en het transporteren van de verhandelde materialen.

2. In de periode 1 november 2011 tot 1 november 2012 hebben diverse werknemers van eiseres een opleidingsprogramma onder de werktitel ‘Slimmer produceren’ bij eiseres gevolgd. Het opleidingsprogramma werd in samenwerking met de Stichting Hout en Meubel-Trainingscentrum Hout (SH&M TH) en het instituut Censor Educatie te Tilburg (Censor) verzorgd.

3. SH&M TH is een door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (Minister van OCW) erkende, niet-bekostigde onderwijsinstelling die middelbare beroepsopleidingen in de timmer- en meubelindustrie, de houthandel en de parketbranche verzorgd.

4. Tussen Censor en SH&M TH als onderwijsinstelling is met dagtekening 24 juni 2011 een “OVEREENKOMST UITVOERING SCHOLING SH&M TH” gesloten, waarbij Censor als uitvoerder van het onderwijs is aangewezen.

5. Het bij eiseres verzorgde opleidingsprogramma bestond uit de in het Centraal Register Beroepsonderwijs (crebo) opgenomen deelkwalificaties Ondersteunende vorming houtberoepen op de niveaus 2 (crebo-code 56249), 3 (crebo-code 56240) en 4 (crebo-code 56234).

6. Door SH&M TH is op 30 juli 2009 een Onderwijs en examenregeling (OER) voor de eindtermengerichte deelkwalificaties Ondersteunende vorming houtberoepen op de niveaus 2, 3 en 4 vastgesteld.

7. Door SH&M TH is voor de periode 2011/2012/2013 voorts een “Verantwoordingsdocument van de kwalificatiedossiers voor de opleidingen ondersteunende vorming houtberoepen” (Verantwoordingsdocument) op de niveaus 2, 3 en 4 opgesteld.

8. Tussen de betreffende werknemers van eiseres, SH&M TH en eiseres zijn praktijkovereenkomsten en tussen SH&M TH en de werknemers zijn onderwijsovereenkomsten gesloten. In beroep heeft eiseres de praktijk- en onderwijsovereenkomsten van een tiental werknemers overgelegd. Deze overeenkomsten zijn representatief voor alle aan de opleiding ingeschreven werknemers. Bovenaan de overgelegde praktijkovereenkomsten staat vermeld “PRAKTIJKOVEREENKOMST SH&M – Trainingscentrum Hout LEERWEG: BEROEPSBEGELEIDEND”. Voor alle werknemers is in de praktijkovereenkomst vermeld dat de onderwijsinstelling met de deelnemer overeenkomt dat de beroepspraktijkvorming (BPV) een onderdeel vormt van een beroepsopleiding volgens de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) en dat de BPV deel uitmaakt van de deelkwalificatie Ondersteunende vorming houtberoepen op de niveaus 2, 3 of 4. De deelnemers zijn volgens de praktijkovereenkomsten ingeschreven voor de deelkwalificatie op grond van een onderwijsovereenkomst (tussen SH&M TH en de deelnemer) en de omvang van de BPV bedraagt voor elk van de deelkwalificaties 480 uren. De praktijkovereenkomsten vermelden als begindatum van de BPV 1 november 2011 en als einddatum 1 november 2012. In alle gevallen hebben eiseres en de deelnemer de praktijkovereenkomst op 10 november 2011 ondertekend en heeft SH&M TH de praktijkovereenkomst op 3 juli 2012 ondertekend. De in de onderwijsovereenkomsten genoemde opleiding, crebo-code, niveau, begindatum van de BPV en de omvang van de BPV komen overeen met de gegevens als vermeld in de praktijkovereenkomsten. De onderwijsovereenkomsten zijn door de deelnemer en SH&M TH ondertekend, maar niet gedagtekend.

9. Tot de gedingstukken behoren voorts de door eiseres overgelegde presentielijsten, schriftelijke verklaringen van de praktijkbegeleiders en de door hen ingevulde afteken- en beoordelingslijsten. Ook heeft eiseres portfolio’s van een tiental werknemers overgelegd, welke eveneens representatief zijn voor alle aan de opleiding ingeschreven werknemers.

10. Aan de werknemers die het examen met een voldoende resultaat hebben afgelegd, is door het Kenniscentrum SH&M in november 2012 een “Certificaat Middelbaar Beroepsonderwijs” voor de deelkwalificatie Ondersteunende vorming houtberoepen op de niveaus 2, 3 of 4 van de beroepsbegeleidende leerweg (BBL), uitgereikt. Aan de overige werknemers is voor deelname aan de opleiding door Censor een certificaat van deelname afgegeven.

11. Eiseres heeft in haar loonaangiften over de onderhavige tijdvakken met betrekking tot de werknemers die de deelkwalificaties Ondersteunende vorming houtberoepen op de niveaus 2, 3 of 4 hebben gevolgd, de afdrachtvermindering onderwijs toegepast op grond van artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (de WVA).

12. Naar aanleiding van een in 2013 bij eiseres ingesteld boekenonderzoek heeft verweerder geconcludeerd dat eiseres voor de onderhavige tijdvakken ten onrechte de afdrachtvermindering onderwijs heeft toegepast en heeft hij de onderhavige naheffingsaanslagen opgelegd.

Geschil
13. In geschil is of eiseres voor de onderhavige tijdvakken recht heeft op toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs voor de deelkwalificatie Ondersteunende vorming houtberoepen op de niveaus 2, 3 of 4 (het overkoepelend scholingsprogramma 'Slimmer produceren’). Voorts is in geschil of de beschikkingen heffingsrente en de verzuimboete terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Tussen partijen is niet in geschil dat een deelkwalificatie van een crebo-erkende beroepsopleiding recht kan geven op toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs.

14. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat verweerder niet bevoegd is een onderwijskundige toets aan te leggen. Subsidiair voert eiseres aan dat zij aan alle voorwaarden voor toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs heeft voldaan. Voorts stelt eiseres dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel en dat de verzuimboete ten onrechte is opgelegd omdat sprake is van een pleitbaar standpunt. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de naheffingsaanslagen en de verzuimboete en toekenning van een immateriële schadevergoeding.

15. Verweerder weerspreekt dat eiseres voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs. Volgens verweerder kwalificeert

het opleidingsprogramma 'Slimmer produceren’ niet als een beroepsopleiding in de zin van de WEB. Daarnaast stelt verweerder dat de praktijkovereenkomsten niet voldoen aan de wettelijke vereisten, dat eiseres niet over een ‘erkenning leerplaats’ beschikt voor de deelkwalificaties Ondersteunende vorming houtberoepen op de niveaus 2, 3 en 4 en acht verweerder het niet aannemelijk dat de werknemers daadwerkelijk BPV hebben gevolgd. Gelet hierop bestaat volgens verweerder geen recht op de afdrachtvermindering onderwijs.

Er is geen sprake van schending van het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel en de verzuimboete is volgens verweerder terecht en tot het juiste bedrag opgelegd. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

16. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

17. De rechtbank is ten aanzien van het primaire standpunt van eiseres van oordeel dat verweerder bevoegd is om te toetsen of is voldaan aan de eisen voor toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs. Het andersluidende standpunt van eiseres vindt geen steun in de WVA.

18. Met betrekking tot het subsidiaire standpunt van eiseres overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van de WVA stelt als voorwaarde voor de afdrachtvermindering onderwijs dat de werknemer de BPV volgt van de BBL van een beroepsopleiding in de zin van artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de WEB, op de grondslag van een in artikel 7.2.8 van de WEB bedoelde overeenkomst. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat eiseres aannemelijk dient te maken dat de door de werknemers gevolgde opleiding voldoet aan de wettelijke bepalingen waardoor eiseres recht heeft op de afdrachtvermindering onderwijs. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres aan haar bewijslast voldaan. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

19. Eiseres heeft met al hetgeen zij heeft aangevoerd en overgelegd aannemelijk gemaakt dat het opleidingsprogramma 'Slimmer produceren’ onderdeel is van de BPV van de BBL van een beroepsopleiding in de zin van artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de WEB. Eiseres heeft in dit verband onder meer verwezen naar de OER en het Verantwoordingsdocument welke door SH&M TH – het door de Minister van OCW erkende, onder zijn toezicht staande en tot het bepalen van de omvang en inhoud van de deelkwalificaties Ondersteunende vorming houtberoepen op de niveaus 2, 3 en 4 bevoegde orgaan – zijn opgesteld. Uit de OER en het Verantwoordingsdocument blijkt dat deze deelkwalificaties onderdeel uitmaken van de BBL van crebo-erkende beroepsopleidingen in de zin van de WEB, te weten de opleidingen tot Machinaal Houtbewerker Timmerindustrie, Allround Machinaal Houtbewerker Timmerindustrie en Kaderfunctionaris Timmerindustrie, en dat de studiebelasting 480 uren bedraagt. Uit het Verantwoordingsdocument volgt voorts dat het onderwijsprogramma ‘Slimmer produceren’ door SH&M TH is opgesteld als scholingsprogramma binnen de kwalificatiedossiers van voornoemde beroepsopleidingen en dat het een breed, groepsgewijs programma is dat op de genoemde niveaus wordt aangeboden in het eerste leerjaar. Eiseres heeft voorts verwezen naar een (als productie 8 bij de gronden van het beroepschrift van 18 juli 2016 overgelegd) schema waarin de kerntaken die zijn vastgelegd in de kwalificatiedossiers, zijn gekoppeld aan de competenties die binnen het onderwijsprogramma ‘Slimmer produceren’ zijn behandeld. Verder heeft eiseres toegelicht dat het onderwijsprogramma ‘Slimmer produceren’ uit een theoretische training bestaat en dat deze opleiding voor het overige op de werkvloer plaatsvindt. Dit is, aldus eiseres, in overeenstemming met het karakter van de BPV van de BBL, die met name in de praktijk, op de werkvloer, plaatsvindt. Dat, zoals verweerder stelt, in het onderwijsprogramma ‘Slimmer produceren’ geen onderscheid is gemaakt naar de verschillende MBO-niveaus, doet aan het voorgaande niet af. Zoals eiseres immers heeft verklaard, wordt het gehele onderwijsprogramma ‘Slimmer produceren’ op de werkvloer omgezet in maatwerk afhankelijk van het niveau van de betreffende werknemer. De rechtbank heeft, mede gelet op het praktijkgerichte karakter van de BPV, geen reden aan deze verklaring te twijfelen. Bovendien blijkt uit het hiervoor genoemde schema ook dat op alle niveaus een koppeling bestaat met de kerntaken en competenties binnen de kwalificatiedossiers. Op grond van de genoemde stukken en hetgeen eiseres heeft aangevoerd, concludeert de rechtbank dat de deelkwalificaties Ondersteunde vorming houtberoepen op de niveaus 2, 3 en 4 deel uitmaken van het onderwijsprogramma ‘Slimmer produceren’ en onderdeel zijn van de hiervoor genoemde crebo-beroepsopleidingen. Een verdergaande toets, zoals verweerder ter zitting heeft bepleit, namelijk of de kwaliteit van de opleiding past binnen de WEB, gaat naar het oordeel van de rechtbank verder dan waartoe verweerder in het kader van de vraag of recht bestaat op de afdrachtvermindering onderwijs bevoegd is. De toelichtingen die ter zitting namens de Onderwijsinspectie en het Ministerie van OCW zijn gegeven acht de rechtbank minder van belang nu deze betrekking hebben op de onderwijskundige toets die verweerder in het kader van de toepassing van de afdrachtvermindering - zoals hiervoor geoordeeld - nu juist niet mag aanleggen.

20. De na de zitting verschenen conclusies van A-G Niessen van 11 april 2017, nr. 16/05616 en 20 april 2017, nr. 16/03857, brengen de rechtbank - nog daargelaten dat de Hoge Raad in die zaken nog arrest moet wijzen - niet tot een ander oordeel.

21. Dat het onderwijsprogramma ‘Slimmer produceren’ door Censor is gegeven, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Niets staat er immers aan in de weg dat het onderwijs door de onderwijsinstelling wordt uitbesteed aan een andere uitvoerder. Nu aan de uitvoering van het onderwijs een overeenkomst tussen SH&M TH en Censor ten grondslag ligt waaruit blijkt dat Censor erkend uitvoerder van onderwijs is die zich bovendien aan een toezichtskader dient te houden, ziet de rechtbank geen aanleiding om in de uitvoering van het onderwijs door Censor een belemmering te zien. Anders dan verweerder leest de rechtbank in het rapport van de Onderwijsinspectie van 10 januari 2014 niet dat zij van mening is dat het door Censor verzorgde onderwijsprogramma niet als (onderdeel van) een beroepsopleiding kwalificeert. In het rapport wordt daarentegen geconcludeerd dat de kwaliteitsborging bij SH&M TH voldoende is en dat de door SH&M TH aangeboden beroepsopleiding Allround Machinaal Houtbewerker aan de wettelijke eisen voldoet. Hetgeen verweerder omtrent het rapport van de Onderwijsinspectie heeft aangevoerd, faalt dan ook.

22. Ingevolge artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van de WVA, is ook een overeenkomst vereist om voor de afdrachtvermindering onderwijs in aanmerking te komen. Nog daargelaten wat er zij van de verschillende momenten waarop de in beroep overgelegde praktijkovereenkomsten zijn ondertekend en het ontbreken van dagtekeningen op de onderwijsovereenkomsten, mag de inhoudingsplichtige op grond van artikel 11d van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering (Uitvoeringsregeling) de afdrachtvermindering onderwijs toch toepassen indien hij nog niet over een door alle betrokken partijen ondertekende overeenkomst, maar wel over een verklaring van het Regionaal Opleidingscentrum (ROC) beschikt waaruit blijkt dat de desbetreffende leerling de BBL volgt. De rechtbank verwijst in dit verband voorts naar de toelichting op het wijzigingsbesluit van de staatssecretaris van Financiën van 18 december 1997, Stcrt. 1997, nr. 246, pag. 26, blz. 14. Niet in geschil is dat eiseres voor alle aan de deelkwalificatie Ondersteunende vorming houtberoepen ingeschreven werknemers over een op 7 november 2011 ondertekende verklaring van het ROC beschikt, zodat het ontbreken van door alle betrokken partijen ondertekende praktijkovereenkomsten in dit geval niet aan de toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs in de weg staat. Voor zover verweerder stelt dat de praktijkovereenkomsten binnen een redelijke termijn van vier weken ná het opstellen van de ROC-verklaringen ondertekend hadden moeten zijn, overweegt de rechtbank dat noch de WVA, noch de Uitvoeringsregeling een dergelijke termijn voorschrijft.

23. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat eiseres voor de onderhavige deelkwalificaties niet over een erkenning leerplaats beschikt en zij daarom niet bevoegd is de BPV te verzorgen. De rechtbank volgt verweerder daarin niet. Eiseres heeft in dit verband verwezen naar de als productie 23 (bij de gronden van het beroepschrift van 18 juli 2016) overgelegde stukken waaruit blijkt dat zij erkend is als leerbedrijf als bedoeld in artikel 7.2.10, eerste lid, van de WEB. Ook heeft zij gemotiveerd gesteld dat een beschikking erkenning leerplaats enkel de volledige beroepsopleiding vermeldt, hetgeen de rechtbank niet onaannemelijk acht. Nu vast is komen te staan dat onderhavige deelkwalificaties onderdeel zijn van een volledige beroepsopleiding en uit de door eiseres overgelegde stukken kan worden afgeleid dat zij voor de volledige beroepsopleidingen over een erkenning leerplaats beschikte, is de rechtbank van oordeel dat eiseres bevoegd was de BPV van de onderhavige deelkwalificaties te verzorgen.

24. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met hetgeen zij heeft aangevoerd en overgelegd voldoende aannemelijk gemaakt dat de BPV daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Uit de overgelegde praktijkovereenkomsten, onderwijsovereenkomsten en ROC-verklaringen blijkt dat alle werknemers ingeschreven waren voor de deelkwalificatie Ondersteunende vorming houtberoepen op de niveaus 2, 3 of 4. Uit de presentielijsten blijkt dat de werknemers het onderwijsprogramma daadwerkelijk hebben gevolgd, hetgeen wordt ondersteund door de omstandigheid dat de werknemers certificaten als genoemd in 10 hebben ontvangen. Uit de overgelegde stukken leidt de rechtbank voorts af dat praktijkbegeleiding onder toezicht van een gekwalificeerde praktijkbegeleider heeft plaatsgevonden. Zo hebben de

praktijkbegeleiders voor aanvang van de praktijkbegeleiding met succes een training BPV afgerond en bevatten de praktijkovereenkomsten bepalingen over de praktijkbegeleiding zoals bedoeld in artikel 7.2.8 van de WEB. Zoals door eiseres is toegelicht, bewaakte de praktijkbegeleider het onderwijsproces en zorgde hij met name voor de begeleiding van de werknemers op de werkvloer. Ter onderbouwing van haar stelling dat de werknemers bij het volgen van de BPV zijn begeleid en beoordeeld, heeft eiseres schriftelijke verklaringen en afteken- en beoordelingslijsten van de praktijkbegeleiders overgelegd. Uit deze stukken leidt de rechtbank af dat de werknemers periodiek en tijdens het eindbeoordelingsgesprek met een voldoende dan wel onvoldoende werden beoordeeld. Eén van de directeuren van eiseres heeft ter zitting voorts geloofwaardig verklaard dat de mate van voortgang van de werknemers door middel van de aftekenlijsten werd bijgehouden en dat Censor er op toezag dat deze lijsten werden afgevinkt en ingeleverd. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat de werknemers werden begeleid en beoordeeld. Dat het theoretische deel van het onderwijsprogramma ‘Slimmer produceren’ in totaal slechts 54 uur heeft geduurd maakt niet dat, zoals verweerder stelt, het aantal uren dat op de praktijkovereenkomsten staat vermeld, niet is gehaald. Dit deel van het onderwijsprogramma betrof immers slechts het theoretische gedeelte van de BPV en de rechtbank acht aannemelijk dat de BPV grotendeels op de werkvloer heeft plaatsgevonden.

Dit blijkt onder meer uit de overgelegde portfolio’s van de werknemers en de daarin opgenomen praktijkopdrachten die in het kader van de BPV zijn gemaakt en de overgelegde verklaringen van praktijkbegeleiders. De rechtbank ziet, gelet op de overgelegde stukken en de geloofwaardige toelichting door eiseres ter zitting, in een en ander geen aanleiding om in twijfel te trekken dat de werknemers BPV hebben gevolgd.

25. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eiseres voor alle werknemers waarvoor verweerder het beroep op de afdrachtvermindering onderwijs heeft afgewezen, recht heeft op de afdrachtvermindering. Dit betekent dat de beroepen gegrond worden verklaard en dat de naheffingsaanslagen geheel worden vernietigd. Nu de naheffingsaanslagen worden vernietigd, dienen tevens de beschikkingen heffingsrente en de verzuimboete te worden vernietigd. De overige stellingen van eiseres behoeven daarom geen bespreking meer.

26. Eiseres heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tussen de indiening van het bezwaarschrift op 27 februari 2014 en deze uitspraak is een periode van drie jaar en ruim drie maanden verstreken. Dit is meer dan de redelijk te achten termijn van twee jaar voor de behandeling van het bezwaar en beroep tezamen. Daardoor bestaat recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Die vergoeding bedraagt € 500 per half jaar (naar boven afgerond) waarmee de redelijke termijn is overschreden. De overschrijding is in dit geval volledig toe te rekenen aan de bezwaarfase. Gelet hierop zal de rechtbank verweerder veroordelen tot betaling van een vergoeding van immateriële schade aan de zijde van eiseres van € 1.500.

Proceskosten

27. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.482 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslagen;

- vernietigt de beschikkingen heffingsrente;

- vernietigt de verzuimboete;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade aan eiseres van € 1.500;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.482;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, voorzitter, en mr. A.D. van Riel en mr. A.J.M. Arends, leden, in aanwezigheid van mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.