Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:643

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
26-01-2017
Zaaknummer
NL17.3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

e

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.3

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

van Algerijnse nationaliteit,

V-nummer [nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. H.P.H.M. Teunissen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. M.G. van Pijkeren).

Procesverloop

Op 1 januari 2017 is eiser in bewaring gesteld met toepassing van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank. Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 strekt dit beroep tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ten aanzien van de grondslag van de maatregel

Eiser stelt dat voor de toepassing van vreemdelingenbewaring op vreemdelingen omdat zij vallen onder de categorie ‘overlastgevende asielzoekers’ een wettelijke grondslag ontbreekt.

Deze beroepsgrond faalt. Eiser is niet in bewaring gesteld omdat hij valt in de categorie ‘overlastgevende asielzoekers’, maar omdat - volgens de maatregel - op hem de Dublinverordening van toepassing is, en een significant risico bestaat dat hij zich zal onttrekken aan overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat.

2. Ten aanzien van de gronden in het algemeen

Ter zitting heeft verweerder de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden dat eiser ‘een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek’ en dat eiser ‘niet beschikt over middelen van bestaan’ laten vallen.

3. Ten aanzien van de vraag of de gronden juist zijn, dan wel of daaruit kan worden afgeleid dat een risico op onttrekking bestaat

Eiser stelt dat uit het feit dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, niet volgt dat een risico bestaat dat hij zich aan toezicht zal onttrekken.

Dat betoog faalt. Uit het enkele gegeven dat een vreemdeling Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of en poging daartoe heeft gedaan, volgt niet zonder toelichting - die ontbreekt - dat daarom een risico bestaat dat die vreemdeling zich zal onttrekken aan het toezicht. Dat kan anders zijn als de vreemdeling zich daarna aan het toezicht onttrekt. Dat is hier het geval, zoals hierna zal blijken.

Eiser stelt dat de grond dat hij zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken ten onrechte aan de maatregel ten grondslag is gelegd. In dat verband stelt hij dat hij op 20 september 2016 Nederland is ingereisd en zich op 21 september 2016 heeft gemeld. Voorts stelt hij dat hem niet duidelijk was op welk moment de aan hem opgelegde maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw 2000 zou eindigen, nu dat uit die maatregel onvoldoende blijkt. Ten slotte stelt hij dat hij zich slechts korte tijd niet aan die maatregel heeft gehouden, en dat hij ten tijde van zijn staandehouding op weg was naar het asielzoekerscentrum.

Dat betoog slaagt in zoverre, dat verweerder niet zonder meer eiser kan tegenwerpen dat hij zich niet onmiddellijk na zijn inreis in Nederland heeft gemeld. In het rapport aanmeldgehoor Dublin wordt vermeld: “ Datum aanmelding : 21 september 2016. [..] Datum aankomst in Nederland : Omstreeks 20 september 2016.” Verweerder betoogt weliswaar terecht dat eiser niet heeft aangetoond op of omstreeks 20 september 2016 Nederland binnen te zijn gekomen, maar maakt evenmin aannemelijk dat dat niet het geval zou zijn.

Dat kan eiser echter niet baten. Uit de maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw 2000 blijkt dat aan eiser de verplichting is opgelegd met ingang van 31 december 2016, 8:00 uur tot 1 januari, 8:00 2017 uur te verblijven op het terrein van COA/vrijheidsbeperkende locatie te Blitterswijck en zich te melden op 31 december om 16.00 uur en om 23.00 uur en op

1 januari om 01.00 uur. Het ontgaat de rechtbank wat daaraan niet duidelijk is. Dat eiser zich slechts korte tijd niet aan de maatregel zou hebben gehouden en dat hij ten tijde van zijn staandehouding op weg zou zijn naar het asielzoekerscentrum (wat overigens niet overeenkomt met de door eiser bij zijn staandehouding afgelegde verklaring) maakt niet dat deze grond daarom niet juist zou zijn. Het betoog faalt daarom.

4. Ten aanzien van de vraag of de gronden de maatregel in beginsel kunnen dragen

Gelet op het bepaalde in artikel 59a, eerste lid van de Vw 2000, gelezen in samenhang met de artikelen 5.1, vijfde lid en 5.1b, tweede lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kunnen de gronden de maatregel in beginsel dragen.

Wat eiser overigens met betrekking tot de aan de maategel ten grondslag gelegde gronden heeft aangevoerd kan daarom onbesproken blijven.

5. Ten aanzien van de vraag of de hiervoor genoemde gronden de maatregel daadwerkelijk kunnen dragen

In die gevallen waarin de gehanteerde gronden de maatregel van bewaring in beginsel kunnen dragen, dient steeds, aan de hand van hetgeen door partijen omtrent het gedrag van de betrokken vreemdeling en de overige feiten en omstandigheden naar voren is gebracht, te worden beoordeeld of die gronden de maatregel ook in het geval van de betrokken vreemdeling daadwerkelijk kunnen dragen.

Eiser stelt dat verweerder ten onrechte niet heeft volstaan met toepassing van een minder verstrekkende maatregel, omdat hij meewerkt aan de verwijdering naar Duitsland.

Dat betoog faalt. Hiervoor bleek al dat eiser zich niet heeft gehouden aan de hem opgelegde maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw 2000. Uit het dossier blijkt verder dat eiser op 16 december 2016 niet is verschenen op een geplande afspraak voor een vertrekgesprek. Dat hij het briefje waarop die afspraak stond vermeld niet zou hebben kunnen lezen doet daar niet aan af; niet is gesteld dat eiser enige actie heeft ondernomen om daarover duidelijkheid te krijgen. Onder deze omstandigheden heeft verweerder in de enkele verklaring van eiser dat hij mee zal werken aan overdracht aan Duitsland geen aanleiding hoeven zien te volstaan met een minder verstrekkende maatregel.

6. Het beroep is ongegrond. Daarom kan geen schadevergoeding worden toegekend.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman, rechter, in aanwezigheid van M.N.A. Reiche-IJsselstijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.