Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6308

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-06-2017
Datum publicatie
13-06-2017
Zaaknummer
17/8336
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter deelt niet de opvatting van verweerder dat bij de toepassing van artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 niet beoordeeld hoeft te worden of sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging van de openbare orde die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Zoals deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraken van onder meer 31 januari 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:895) en 28 februari 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:1507) - niet gepubliceerd maar bekend bij partijen - heeft overwogen, moet een overtreding van een strafbepaling ook als een daad in strijd met de openbare orde worden aangemerkt. Verweerder moet dus beoordelen of het persoonlijke gedrag van verzoeker een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Niet in geschil is dat verweerder deze beoordeling in het bestreden besluit niet heeft verricht. Het bestreden besluit kan dan ook niet in stand blijven, omdat verweerder daarin niet het juiste openbare ordecriterium heeft toegepast. Verweerder wil evenmin een subsidiair standpunt innemen voor de situatie dat het unierechtelijke openbare ordebegrip moet worden toegepast. De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit met inbegrip van het terugkeerbesluit en inreisverbod. Een minder vergaande voorlopige voorziening levert verzoeker, mede gelet op het bepaalde in artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder a (of b), en artikel 73, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, geen rechtmatig verblijf hangende bezwaar op. Nu het bestreden besluit voor verzoeker zeer belastend en naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet rechtmatig is, ligt het in de rede de gevraagde voorlopige voorziening te treffen, te weten rechtmatig verblijf in Nederland tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in zijn standpunt dat het niet mogelijk is een voorlopige voorziening te treffen die tot gevolg heeft dat verzoeker vooralsnog (opnieuw) rechtmatig in Nederland verblijft. De voorzieningenrechter ziet geen steekhoudende argumenten voor de conclusie dat hij een besluit dat door de rechtbank kan worden vernietigd niet kan schorsen. Het onverkort toepassen van de rechtspraak van de Afdeling op een zwaar inreisverbod heeft daarnaast tot gevolg dat dit verbod hangende bezwaar of beroep onverkort blijft gelden, hoe onrechtmatig dit verbod wellicht ook is en hoe nadelig de gevolgen daarvan voor de vreemdeling mogelijk ook zijn, wat de effectiviteit van het rechtsmiddel voorlopige voorziening zonder gebleken noodzaak ernstig ondergraaft.

De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de uitspraak van 19 januari 2012 van de Afdeling onverkort toepasbaar is op een inreisverbod. De Afdeling heeft zich hierover voor zover bekend nog niet expliciet uitgelaten. Bovendien schrijft artikel 13, eerste lid, van Richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn) voor dat de betrokken onderdaan van een derde land een doeltreffend rechtsmiddel kan aanwenden tegen de in artikel 12, eerste lid, van deze richtlijn bedoelde besluiten in het kader van terugkeer. In artikel 12, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn wordt ook het inreisverbod vermeld. Op grond van artikel 13, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn is de in het eerste lid bedoelde autoriteit of instantie bevoegd de in artikel 12, eerste lid, van deze richtlijn bedoelde besluiten in het kader van terugkeer te herzien of de uitvoering ervan tijdelijk op te schorten. De door verweerder voorgestane benadering, waarin het inreisverbod in bezwaar en beroep van kracht blijft, ook als de vreemdeling een voorlopige voorziening vraagt en terecht betoogt dat het inreisverbod onrechtmatig is, acht de voorzieningenrechter niet in overeenstemming met artikel 13, eerste en tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn en hetgeen in de vorige alinea is overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: AWB 17/8336, [nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juni 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker,

gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: S.Q. Sandifort MSc.

Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd van verzoeker ingetrokken met ingang van 15 december 2012, bepaald dat verzoeker de Europese Unie binnen 28 dagen moet verlaten (het terugkeerbesluit) en verzoeker een zwaar inreisverbod opgelegd voor de duur van vijf jaren.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verzoeker is geboren op 6 mei 1990 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Verweerder gaat ervan uit dat verzoeker sinds 29 augustus 1996 rechtmatig in Nederland verblijft. Op 15 januari 2012 is verzoeker in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.

2. Verweerder heeft aan de intrekking van de verblijfsvergunning ten grondslag gelegd dat verzoeker een gevaar vormt voor de openbare orde, omdat hij meermalen door de strafrechter is veroordeeld voor het plegen van een misdrijf. Verzoeker is laatstelijk op 13 februari 2017 veroordeeld vanwege een geweldsmisdrijf gepleegd op 8 september 2015. Bij de intrekking heeft verweerder de ‘glijdende schaal’ als bedoeld in artikel 3.86, vierde en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) toegepast. Verweerder legt verzoeker op grond van artikel 66a, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een inreisverbod op omdat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Verweerder legt verzoeker met toepassing van artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 een zwaar inreisverbod op omdat hij is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaar of meer is bedreigd. De intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod zijn volgens verweerder niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

3. Verzoeker voert aan dat verweerder ten onrechte niet het unierechtelijke openbare ordecriterium zoals omschreven in het arrest Z.Zh en I.O. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 11 juni 2015 (ECLI:EU:C:2015:377) heeft toegepast. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten te beoordelen of het persoonlijk gedrag van verzoeker een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.

3.1.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen in de uitspraak van 2 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1550) volgt uit het arrest van het Hof van 11 juni 2015 dat voor de uitvaardiging van een inreisverbod voor de duur van meer dan vijf jaar minstens is vereist dat sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Bij uitspraak van 8 november 2016 (ECLI:NL:RVS: 2016:3012) heeft de Afdeling in aanvulling hierop geoordeeld dat de lidstaten, ook wanneer zij op grond van de openbare orde een inreisverbod voor vijf jaar of minder uitvaardigen, het unierecht toepassen en (dus ook) het unierechtelijke openbare ordecriterium moeten hanteren.

3.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het begrip ‘gevaar voor de openbare orde’, zoals dat wordt uitgelegd door het Hof in het arrest Z.Zh. en I.O., in deze zaak niet van toepassing is, omdat aan verzoeker een zwaar inreisverbod is opgelegd op grond van artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder a (en niet onder b), van de Vw 2000. Deze bepaling en artikel 6.5a, vierde lid, van het Vb 2000 bevatten een door de Nederlandse wetgever concreet ingevuld openbare ordebegrip, dat volgens het nationale recht behoort te worden toegepast door verweerder en getoetst door de rechter.

3.3.

De voorzieningenrechter deelt niet de opvatting van verweerder dat bij de toepassing van artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 niet beoordeeld hoeft te worden of sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging van de openbare orde die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Zoals deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraken van onder meer 31 januari 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:895) en 28 februari 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:1507) - niet gepubliceerd maar bekend bij partijen - heeft overwogen, moet een overtreding van een strafbepaling ook als een daad in strijd met de openbare orde worden aangemerkt.

De voorzieningenrechter vindt evenals de rechtbank steun voor dit oordeel in de conclusie van 12 februari 2015 van de advocaat-generaal E. Sharpston bij het arrest Z.Zh. en I.O. onder de punten 18, 61 en 62. De advocaat-generaal heeft daarin onder meer overwogen dat strafrechtelijke bepalingen alle van openbare orde zijn en een overtreding van deze regels bijgevolg een verstoring inhoudt van de openbare orde van de lidstaten. Deze verstoring kan licht of zwaar zijn. Een overtreding van die strafbepalingen is daarom ook een daad in strijd met de openbare orde.

3.4.

Het inreisverbod is gebaseerd op een aantal strafrechtelijke veroordelingen van verzoeker. Dit kan niet anders worden opgevat dan dat verzoeker volgens verweerder een gevaar vormt voor de openbare orde. Ook uit de duur van het inreisverbod (vijf jaar) en de verdere motivering van het bestreden besluit leidt de voorzieningenrechter af dat volgens verweerder sprake is van een bedreiging voor de openbare orde en dat dit de reden was om het bestreden besluit te nemen. Het betoog van verweerder over de a-grond van artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 en het nationaalrechtelijke openbare ordebegrip doet er niet aan af dat de verblijfsvergunning is ingetrokken en het inreisverbod is opgelegd vanwege de door verzoeker gepleegde misdrijven.

3.5.

Nu het aan verzoeker uitgevaardigde inreisverbod niet anders kan worden opgevat dan als een inreisverbod op grond van de openbare orde, zoekt de voorzieningenrechter aansluiting bij de in 3.1 vermelde uitspraak van de Afdeling van 8 november 2016. Dit betekent dat verweerder moet beoordelen of het persoonlijke gedrag van verzoeker een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Niet in geschil is dat verweerder deze beoordeling in het bestreden besluit niet heeft verricht.

Verweerder heeft, ook desgevraagd ter zitting, geen subsidiair standpunt ingenomen. Hij wil niet vooruitlopen op de heroverweging in bezwaar als zou blijken dat het unierechtelijke openbare ordecriterium moet worden toegepast. Volgens verweerder is het mogelijk dat de intrekking en het inreisverbod dan in stand blijven, maar zou het ook kunnen dat het bestreden besluit dan wordt herroepen.

4. Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, omdat verweerder daarin niet het juiste openbare ordecriterium heeft toegepast. Verweerder wil evenmin een subsidiair standpunt innemen voor de situatie dat het unierechtelijke openbare ordebegrip moet worden toegepast. Gelet hierop en bij afweging van de betrokken belangen ziet de voorzieningenrechter aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat verzoeker vanaf 29 augustus 1996 tot aan het bestreden besluit, dat wil zeggen langdurig en bovendien vanaf jonge leeftijd, rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad.

De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit met inbegrip van het terugkeerbesluit en inreisverbod schorsen tot vier weken na de datum van verzending van de beslissing op verzoekers bezwaar tegen het bestreden besluit. Een minder vergaande voorlopige voorziening levert verzoeker, mede gelet op het bepaalde in artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder a (of b), en artikel 73, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, geen rechtmatig verblijf hangende bezwaar op. Nu het bestreden besluit voor verzoeker zeer belastend en naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet rechtmatig is, ligt het in de rede de gevraagde voorlopige voorziening te treffen, te weten rechtmatig verblijf in Nederland tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

4.1.

De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in zijn standpunt dat het niet mogelijk is een voorlopige voorziening te treffen die tot gevolg heeft dat verzoeker vooralsnog (opnieuw) rechtmatig in Nederland verblijft. Verweerder wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV6287), waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening kan treffen die tot gevolg heeft dat een ongewenstverklaarde vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland krijgt.

De voorzieningenrechter ziet geen steekhoudende argumenten voor de conclusie dat hij een besluit dat door de rechtbank kan worden vernietigd niet kan schorsen. Dit is ook overwogen in de uitspraak die de Afdeling bij voormelde uitspraak van 19 januari 2012 heeft vernietigd, terwijl de Afdeling dit argument in haar uitspraak van 19 januari 2012 niet expliciet heeft beoordeeld. Het onverkort toepassen van de rechtspraak van de Afdeling op een zwaar inreisverbod heeft daarnaast tot gevolg dat dit verbod hangende bezwaar of beroep onverkort blijft gelden, hoe onrechtmatig dit verbod wellicht ook is en hoe nadelig de gevolgen daarvan voor de vreemdeling mogelijk ook zijn (in het geval van verzoeker onder meer geen recht meer op een Wajong-uitkering en na het einde van zijn strafdetentie het risico van strafvervolging), wat de effectiviteit van het rechtsmiddel voorlopige voorziening zonder gebleken noodzaak ernstig ondergraaft.

De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de uitspraak van 19 januari 2012 van de Afdeling onverkort toepasbaar is op een inreisverbod. De Afdeling heeft zich hierover voor zover bekend nog niet expliciet uitgelaten. Bovendien schrijft artikel 13, eerste lid, van Richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn) voor dat de betrokken onderdaan van een derde land een doeltreffend rechtsmiddel kan aanwenden tegen de in artikel 12, eerste lid, van deze richtlijn bedoelde besluiten in het kader van terugkeer. In artikel 12, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn wordt ook het inreisverbod vermeld. Op grond van artikel 13, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn is de in het eerste lid bedoelde autoriteit of instantie bevoegd de in artikel 12, eerste lid, van deze richtlijn bedoelde besluiten in het kader van terugkeer te herzien of de uitvoering ervan tijdelijk op te schorten. De door verweerder voorgestane benadering, waarin het inreisverbod in bezwaar en beroep van kracht blijft, ook als de vreemdeling een voorlopige voorziening vraagt en terecht betoogt dat het inreisverbod onrechtmatig is, acht de voorzieningenrechter niet in overeenstemming met artikel 13, eerste en tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn en hetgeen in de vorige alinea is overwogen.

5. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de voorzieningenrechter vast op € 990,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot vier weken na de datum van bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoeker;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.