Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6240

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
19-06-2017
Zaaknummer
C/09/518360 / HA ZA 16-1081
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over afwikkeling kabelschade, welke eerst voorlopig en enige tijd later definitief wordt hersteld en separaat wordt gefactureerd. Beroep op rechtsverwerking met betrekking tot de factuur voor het definitieve herstel. Dit beroep gaat onder de gegeven omstandigheden op.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3138
RVR 2017/91
JA 2017/107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/518360 / HA ZA 16-1081

Vonnis van 7 juni 2017 (bij vervroeging)

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WESTLAND INFRA NETBEHEER B.V.,

gevestigd te Poeldijk, gemeente Westland,

eiseres,

advocaat mr. F.J. van Velsen te Haarlem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GLAS GROENVOORZIENINGEN B.V.,

gevestigd te Noordwijkerhout,

gedaagde,

advocaat mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven.

Partijen zullen hierna WIN en GG genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 26 augustus 2016;

  • -

    de akte overlegging producties en aanvulling gronden van WIN van 28 september 2016, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 21 december 2016, waarbij de rechtbank een comparitie van partijen heeft gelast;

  • -

    de akte overlegging producties en uitlaten ten behoeve van de comparitie van WIN van 9 mei 2017, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 9 mei 2017.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

WIN is netbeheerder in de zin van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet met betrekking tot de netten in onder meer Naaldwijk, onderdeel van de gemeente Westland.

2.2.

GG is een onderneming die zich bezighoudt met onder meer waterbouw en terreininrichting.

2.3.

[B.V.1] (hierna: [B.V.1] ) heeft in 2013 als hoofdaannemer werkzaamheden verricht voor de Provincie Zuid-Holland voor aanleg van de nieuwe Veilingroute en herinrichting van provinciale wegen. GG was voor dat project onderaannemer van [B.V.1] .

2.4.

Bij de uitvoering van haar werkzaamheden heeft GG op 26 februari 2013 schade toegebracht aan een onderdeel van het net van WIN (twee middenspanningstracés van 20 kV inclusief signaleringskabels). De kabels zijn beschadigd door het machinaal aanbrengen van houten damwanddelen als beschoeiing van de watergang ter plaatse. Deze gebeurtenis wordt hierna ook aangeduid als “het voorval”.

2.5.

Bij brief van 4 maart 2013 heeft [X B.V.] (hierna: [X B.V.] ), de gevolmachtigde van WIN, GG aansprakelijk gesteld voor alle uit het voorval voortvloeiende schade. Daaraan heeft [X B.V.] toegevoegd: “Zodra de omvang daarvan bekend is, zullen wij u daarvan opgave doen.”

2.6.

Bij brief van 27 mei 2013 heeft [X B.V.] aan GG onder meer en voor zover hier van belang het volgende meegedeeld:

“(…)

Op 4-03-2013 hebben wij u aansprakelijk gesteld voor de bovenvermelde schade. Wij kondigden daarbij aan dat wij u nog nader opgave zouden doen van de schadeomvang. U treft deze opstelling bijgaand aan.

Betaling

Wij verzoeken u het totaalbedrag van onze schade ad EUR 7.416,01 binnen 30 dagen te voldoen op rek. nr. (…) t.n.v. Geko Infraschade te Haarlem (…)”

De hiervoor bedoelde opstelling luidt als volgt:

2.7.

Bij brief van 27 juni 2013 heeft [X B.V.] aan GG met betrekking tot de vordering van

€ 7.416,01 onder meer meegedeeld:

“De schade wordt financieel afgewikkeld door Geko Infraschade. Bevrijdend betalen kan alleen aan Geko.”

2.8.

Bij brief van 12 juli 2013 heeft Geko Invordering, onderdeel van Geko Infraschade B.V. (hierna: Geko) aan GG onder meer het volgende bericht:

“(…)

Op 26-02-2013 is bij werkzaamheden, onder uw verantwoordelijkheid uitgevoerd te Naaldwijk, aan de Vlietweg nabij w. 22. 2 20kV circuits + signaalkabel van Westland Infra Netbeheer beschadigd. Over deze kwestie zijn door cliënte brieven geschreven zonder dat dit tot betaling heeft geleid.

De zaak is aan ons overgedragen om tot gerechtelijk verhaal en executie over te gaan. Wij zijn houder van het dossier en wikkelen dit krachtens volledige volmacht af. Namens Westland Infra delen wij mee dat betaling op haar eigen rekeningen niet langer als bevrijdend geldt . Wij zijn thans kwijtingsbevoegd.

Door onze advocaat is de bijgaande dagvaarding opgesteld. Om u nog een laatste gelegenheid te geven de zaak zonder juridische procedure - en de daaraan verbonden aanzienlijke kosten af te doen zal de dagvaarding nog gedurende tien dagen niet worden verzonden.

Als u ervoor zorgt dat het verschuldigde bedrag van € 7.491,63 binnen tien dagen na heden is

bijgeschreven (…) op rekening: (…) t.n.v. Geko lnfraschade te Haarlem, zal de kwestie daarmee uit de wereld zijn.

(…)”

2.9.

Bij deze brief heeft Geko een concept-dagvaarding gevoegd, waarin betaling wordt gevorderd van € 7.491,63, namelijk een hoofdsom van € 6.716,01, € 75,62 aan rente en

€ 700 aan kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Aan deze concept-dagvaarding heeft Geko een document gehecht genaamd “mededeling aan de gedaagde”. Dit document vermeldt onder meer dat het dossier “ter finale afwikkeling” aan Geko is overgedragen.

2.10.

GG heeft het voorval gemeld bij haar verzekeraar, Interpolis. Bij e-mailbericht van 16 juli 2013 heeft de heer [A] namens Interpolis aan Geko onder meer meegedeeld dat Interpolis de schade in behandeling neemt en een schade-expert zal inschakelen.

2.11.

In reactie hierop heeft Geko per e-mailbericht van 17 juli 2013 onder meer bericht dat, behoudens tussentijdse toezegging tot betaling, de dagvaarding in de loop van de volgende week aan GG betekend zal worden.

2.12.

Op 18 juli 2013 heeft Interpolis het bedrag van € 7.491,63 aan Geko betaald. Interpolis heeft ervan afgezien een schade-expert in te schakelen.

2.13.

Bij e-mailbericht van 13 april 2016 heeft [X B.V.] aan GG onder meer het volgende geschreven:

“(…)

schadevoorval

Op 26-02-2013 is geconstateerd dat onder uw verantwoordelijkheid grondroerende werkzaamheden zijn verricht waarbij schade is ontstaan aan een tweetal middenspanningstracés (20kV) inclusief signaleringskabels van Westland lnfra. Het gaat om de locatie Vlietweg nabij nr. 22 te Naaldwijk (in de watergang langs de Burgemeester Elsenweg/N213). De werkzaamheden zagen op het aanbrengen van houten damwanden met het doel te dienen als beschoeiing langs de watergang.

eerder schadeverhaal (I.v.m. kosten tijdelijk herstel)

Per brief d.d. 04-03-2013 bent u eerder aansprakelijk gesteld in verband met deze schade. De zaak was destijds bekend onder dossiernummer [nummer] . Aan u is op 27-05-2013 de schadeopstelling verstuurd, welke (uiteindelijk na kennisgeving) is betaald op 18-07-2013 (een bedrag van € 7.491,63 inclusief rente). De zaak was bij uw verzekeraar Interpolis bekend onder kenmerk [kenmerk] . Thans wordt u aangeschreven in verband met de kosten van definitief herstel.

(…)

nieuwe aansprakelijkstelling

Alhoewel wij u al eerder aansprakelijk hebben gesteld voor deze schade stellen wij u uit zorgvuldigheidsoogpunt opnieuw aansprakelijk voor de kosten van definitief herstel.

schadeopstelling

Zodra wij de kostenopgave inclusief bijlagen met betrekking tot het definitief herstel hebben gecontroleerd op volledigheid en relevantie, zal aan u een e-mail met schadeopstelling met begeleidende brief worden verzonden.(…)”

2.14.

In aansluiting hierop heeft [X B.V.] bij brief van 27 juni 2016 een schadeopstelling met achterliggende documenten aan GG toegezonden en heeft zij verzocht om een bedrag van € 57.675,80 te betalen. GG is niet tot betaling overgegaan.

3 Het geschil

3.1.

WIN vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, GG veroordeelt tot betaling aan WIN van € 62.818,01, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 26 augustus 2016 tot de dag van algehele voldoening en GG veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

WIN legt aan haar vordering, samengevat, ten grondslag dat GG onvoldoende voorzorgsmaatregelen heeft getroffen om te bewerkstelligen dat er geen schade aan eigendommen van WIN zou worden veroorzaakt. Daarom is GG op grond van onrechtmatige daad verplicht de schade voortvloeiend uit het voorval te vergoeden. GG heeft de kosten van de tijdelijke herstelmaatregelen van € 7.416,01 vergoed, maar blijft in gebreke om de kosten van het definitief herstel van € 56.175,80 te vergoeden. Naast wettelijke rente over de hoofdsom dient GG op te komen voor de kosten ter vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid van € 1.500.

3.3.

GG voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

GG erkent dat zij aansprakelijk is voor de door WIN geleden schade ten gevolge van het voorval, maar stelt zich op het standpunt dat WIN het recht heeft verwerkt om nakoming van haar vordering te verlangen en/of afstand heeft gedaan van haar vorderingsrecht. De rechtbank honoreert het beroep op rechtsverwerking. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.2.

Het beroep op rechtsverwerking moet als een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid worden gekwalificeerd (artikel 6:2 BW). Een zodanig beroep kan slechts gegrond worden geoordeeld, indien de gevolgen voor GG van het alsnog geldend maken van een vordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Enkel tijdsverloop levert hiertoe geen toereikende grond op. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan bij GG hetzij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat WIN haar aanspraak niet (meer) geldend zou maken, hetzij GG in haar positie onredelijk zou worden benadeeld indien WIN haar aanspraak alsnog geldend zou maken. Beide situaties zijn hier aan de orde.

Gerechtvaardigd vertrouwen

4.3.

Niet in geschil is dat WIN aanvankelijk [X B.V.] en later Geko gevolmachtigd heeft om voor haar op te treden. [X B.V.] heeft GG bij brief van 4 maart 2013 (zie 2.5) aansprakelijk gesteld voor de door WIN geleden schade ten gevolge van het voorval, waarvan de omvang volgens deze brief nog nader zou worden opgegeven. Refererend aan deze brief, heeft [X B.V.] bij brief van 27 mei 2013 (zie 2.6) een schadeopstelling met een beloop van € 7.416,01 aan GG toegezonden en heeft zij GG verzocht dit bedrag te betalen. In deze brief, noch in de schadeopstelling, is vermeld dat het bedrag betrekking heeft op de kosten van tijdelijke herstelmaatregelen.

4.4.

Geko heeft vervolgens namens WIN bij brief van 12 juli 2013 (zie 2.8) aanspraak gemaakt op betaling van het bedrag van € 7.491,63, welk bedrag ook in de meegestuurde concept-dagvaarding is vermeld (zie 2.9). In haar brief heeft Geko onder meer geschreven dat bij tijdige betaling “de kwestie daarmee uit de wereld [zal] zijn” en daarnaast heeft Geko meegedeeld dat het dossier “ter finale afwikkeling” aan haar is overgedragen. Deze passages duiden erop dat na betaling van € 7.491,63 de door WIN geleden schade volledig zou zijn vergoed, temeer nu in de brief en in de concept-dagvaarding van Geko niet is vermeld dat voormeld bedrag betrekking heeft op de kosten van tijdelijke herstelmaatregelen. Kort na de brief van Geko heeft Interpolis voormeld bedrag, zonder inschakeling van een schade-expert, betaald. In de e-mail van 13 april 2016 (zie 2.13) heeft WIN pas voor het eerst aan GG medegedeeld dat het door Interpolis betaalde bedrag betrekking had op de kosten van tijdelijke herstelmaatregelen. Naar het oordeel van de rechtbank mocht GG evenwel uit de namens WIN verzonden correspondentie van 2013 afleiden dat de kwestie ook voor WIN na de betaling door Interpolis was afgewikkeld.

4.5.

WIN heeft zich er op beroepen dat het voor GG - gelet op de geringe kosten - duidelijk had moeten zijn dat het bij de schadeopstelling van 2013 slechts ging om tijdelijke herstelmaatregelen. Zij heeft daarbij verwezen naar een verklaring van de hoofduitvoerder van [B.V.1] , die aan WIN had verklaard dat het hem duidelijk was dat het definitieve herstel door een gestuurde boring zou moeten plaatsvinden en dat dit gegeven de herinrichting van het gebied langere tijd zou duren. GG heeft evenwel ter zitting onweersproken aangevoerd dat zij geen kennis heeft op het gebied van kabelschade en de maatregelen en kosten voor het herstel van dergelijke schade. Nu de kennis van de hoofdaannemer [B.V.1] niet aan GG kan worden toegerekend en WIN niet nader heeft onderbouwd dat het voor GG duidelijk had moeten zijn dat de schadeopstelling van 2013 nog niet alle schade dekte, wordt dit betoog verworpen.

4.6.

Gelet op hetgeen onder 4.3. tot en met 4.5 is overwogen, is sprake van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan bij GG het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat met het - door Interpolis betaalde - bedrag van € 7.491,63 de door WIN geleden schade volledig was vergoed, zodat het beroep op rechtsverwerking reeds om die reden slaagt.

Onredelijke benadeling

4.7.

Tot slot overweegt de rechtbank dat GG tevens onredelijk in haar positie zou worden benadeeld indien WIN haar aanspraak alsnog geldend zou maken. Redengevend hiertoe is dat het voor GG, zoals zij terecht heeft aangevoerd, als gevolg van het lange tijdsverloop en de reeds verrichte herstelwerkzaamheden voor haar onevenredig bezwaarlijk, zo niet onmogelijk, is de toedracht van het voorval en de kosten van het herstel alsnog te (laten) onderzoeken.

4.8.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering van WIN wordt afgewezen.

4.9.

Bij deze uitkomst past dat WIN wordt veroordeeld in de kosten van de procedure. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van GG op € 3.717, namelijk € 1.929 aan griffierecht en € 1.788 aan salaris advocaat (2 punten à € 894, volgens tarief IV). Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL: HR:2010: BL1116, NJ 2011/237).

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt WIN in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van GG begroot op € 3.717;

5.3.

verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Honée en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2017.1

1 type: 1554 Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.