Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6204

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-06-2017
Datum publicatie
13-10-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 816
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/55.19.4
V-N Vandaag 2017/2417
Viditax (FutD), 17-10-2017
FutD 2017-2640
NTFR 2017/2702
NLF 2017/2562 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 17/816

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. J.N. Hoek),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 11 januari 2017 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2014 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en daarbij in rekening gebrachte belastingrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2017.

Eiser is verschenen met zijn gemachtigde en bijgestaan door [persoon A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon B], [persoon C] en [persoon D].

Beslissing

De rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.776;

  • -

    vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

1. Voor het jaar 2014 heeft eiser een belastbaar inkomen uit werk en woning (biww) aangegeven van € 10.812, bestaande uit een inkomen uit werk en woning van € 21.321, verminderd met € 10.509 aan specifieke zorgkosten. Bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder de specifieke zorgkosten voor een bedrag van € 83 in aftrek toegelaten. De aanslag is aldus berekend naar een biww van € 21.238 (€ 21.321 -/- € 83).

2. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder het bedrag van de aftrekbare specifieke zorgkosten gesteld op € 1.273 en de aanslag verminderd tot een, berekend naar een biww van € 20.048 (€ 21.321 -/- € 1.273).

3. In geschil is het bedrag aan specifieke zorgkosten dat in mindering komt op het belastbare inkomen uit werk en woning.

4. In de loop van het geding heeft verweerder zich nader op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 2.337 aan uitgaven voor vervoer wegens ziekte of invaliditeit alsnog in aftrek kan worden toegelaten. De aftrek voor specifieke zorgkosten wordt daarmee gesteld op € 4.545, zodat de aanslag moet worden verminderd tot een, berekend naar een biww van € 16.776 (€ 21.321 /- € 4.545). De rechtbank sluit zich hierbij aan. In zoverre is het beroep dus gegrond.

5. Bij de specifieke zorgkosten die nog in geschil zijn gaat het kennelijk voor € 1.710 om uitgaven voor behandelingen aan voeten, rug en benen, voor € 525 om afschrijvingen op hulpmiddelen en een woningaanpassing, voor € 465 om extra uitgaven voor kleding en beddengoed en voor € 1.560 om uitgaven voor extra gezinshulp.

6. De uitgaven voor de behandelingen aan voeten, rug en benen kunnen in beginsel worden aangemerkt als uitgaven voor genees- en heelkundige hulp. Op grond van artikel 6.17, negende lid, van de Wet IB 2001 zijn deze uitgaven aftrekbaar als de behandelingen worden uitgevoerd door of onder begeleiding van een arts of een paramedicus. Op grond van hetgeen partijen daarvoor over en weer hebben aangevoerd is komen vast te staan dat de persoon die de desbetreffende handelingen bij eiser heeft verricht, geen arts of paramedicus is en dat de behandelingen zouden plaatsvinden onder begeleiding van een arts of paramedicus heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Weliswaar heeft eiser een verklaring van zijn huisarts in geding gebracht waarin klachten worden genoemd, maar daarin wordt niets verklaard over behandelingen die op voorschrift en onder begeleiding van de huisarts zouden moeten plaatsvinden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze uitgaven daarom terecht niet in aftrek toegelaten.

7. Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn aftrekbaar in het jaar waarin de uitgaven zijn gedaan. Op de aanschaffingskosten van hulpmiddelen wordt daarom niet afgeschreven, maar de aanschaffingskosten worden, als aan de andere daarvoor gelden voorwaarden is voldaan, geheel in aftrek gebracht in het jaar waarin de uitgaven zijn gedaan. Reeds hierom kunnen de door eiser vermelde afschrijvingen niet in aftrek worden toegelaten. Op grond van artikel 6.17, tweede lid, aanhef en onder 4°, van de Wet IB 2001 worden aanpassingen aan een woning niet aangemerkt als hulpmiddel en zijn uitgaven daarvoor op die grond niet aftrekbaar als specifieke zorgkosten. Verweerder heeft het bedrag van € 525 voor afschrijvingen op hulpmiddelen en aanpassing van de woning daarom terecht niet in aftrek toegelaten.

8. Op grond van artikel 38, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, worden de uitgaven voor extra kleding en beddengoed in aanmerking genomen voor € 310 of, als blijkt dat de uitgaven meer bedragen dan € 620 en aan de andere in dat artikellid gesteld voorwaarden is voldaan, voor € 775. Verweerder heeft een bedrag van € 310 in aftrek toegelaten. Met hetgeen eiser daarvoor heeft aangevoerd en aan stukken heeft overgelegd heeft hij, naar het oordeel van de rechtbank, niet aannemelijk gemaakt dat de desbetreffende uitgaven meer hebben bedragen dan € 620. Verweerder heeft daarom terecht geen hoger bedrag in aftrek toegelaten dan € 310.

9. Op grond van artikel 6.17, vijfde lid, van de Wet IB 2001 worden uitgaven voor extra gezinshulp slechts in aanmerking genomen voor zover zij blijken uit gedagtekende facturen waarin op duidelijke en overzichtelijk wijze de naam en het adres van de gezinshulp zijn vermeld. Eiser heeft in geding geen stukken ingediend die aan deze voorwaarden voldoen. Ook deze uitgaven heeft verweerder daarom terecht niet in aftrek toegelaten.

10. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4 is overwogen, is het beroep gegrond verklaard.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1). Voor vergoeding van de kosten van het bezwaar is geen aanleiding omdat gesteld noch gebleken is dat eiser in de bezwaarfase kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.