Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6182

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-06-2017
Datum publicatie
15-06-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 9748
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/9748

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. W.H.M. Ummels),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J. Tromp).

Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2017, aangevuld bij besluit van 2 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts was aanwezig K. Ajdid, tolk.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1987 in Tunis, Tunesië, en dat hij de Tunesische nationaliteit heeft. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is in oktober 2014 uit Tunesië gevlucht omdat de broers van een buurmeisje met wie hij een relatie heeft gehad wraak op hem wilden nemen. Het meisje is zwanger geraakt, maar eiser wilde niet met haar trouwen omdat zij uit een respectloze familie afkomstig is. Het meisje moest van haar familie abortus plegen. De vader van eiser heeft tevergeefs geprobeerd het probleem te sussen en heeft zelfs geld aangeboden aan de familie van het meisje, maar de familie wilde alleen maar wraak nemen. De broers van het meisje zijn op 28 oktober 2014 naar het huis van eiser gegaan op zoek naar hem en hebben bij zijn huis geschoten. Toen is de politie gekomen en zijn de broers van het meisje zelf gevlucht. Eiser heeft de politie verteld dat hij werd bedreigd, maar hij kon niet over de reden van de bedreiging vertellen, omdat hij dan zelf door de politie zou worden opgepakt. De broers van het meisje weten dat eiser tegen de politie niet zal zeggen wat er gebeurd was. Eiser kan in Tunesië geen bescherming van de autoriteiten krijgen, omdat hetgeen hij heeft gedaan daar wettelijk verboden is en hij daarvoor tot tien jaar gevangenisstraf kan krijgen. De broers van het meisje zoeken eiser overal en bedreigen hem met de dood. Eiser durfde door hen niet naar buiten te gaan. Eiser heeft van zijn vader geld gekregen om het land te verlaten.

Eiser is via Italië naar Frankrijk gegaan. In Frankrijk heeft hij twee jaar illegaal verbleven. Tijdens dit verblijf heeft eiser een relatie gehad met een vrouw met de Franse nationaliteit, uit welke relatie op 1 april 2016 hun dochter [persoon 1] is geboren. Het kind heeft de Franse nationaliteit en de achternaam van de moeder [persoon 2] gekregen. Eiser heeft het kind niet erkend, omdat de moeder daaraan niet wilde meewerken.

Eiser is naar Nederland gekomen omdat hij heeft gehoord dat hij hier asiel kan aanvragen.

Eiser is, naar eigen zeggen op 27 december 2016 Nederland ingereisd.

Op 28 december 2016 is eiser door de politie Zaanstreek-Waterland aangehouden in verband met een woninginbraak in Zaandam.

Op 29 december 2016 heeft eiser aangegeven een asielaanvraag te willen indienen.

Op 6 maart 2017 heeft eiser zijn asielaanvraag ondertekend.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond, op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, d, e en h, van de Vw 2000. Daarbij is bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en is aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Verweerder acht de door eiser opgegeven identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig. Op grond hiervan kan volgens verweerder er geen geloof worden gehecht aan de door eiser gestelde problemen, die tot zijn directe vertrek uit het land van herkomst zouden hebben geleid. Er bestaat daarom geen aanleiding om te overwegen of eiser in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning op één van de in artikel 29 van de Vw 2000 genoemde gronden, aldus verweerder.

3. Eiser heeft hiertegen, samengevat, het volgende aangevoerd. Verweerder heeft essentiële procedurele fouten gemaakt bij de behandeling van de aanvraag. Aan eiser is in strijd met artikel 3.109 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) geen rust- en voorbereidingstermijn gegeven en er is ten onrechte geen medisch onderzoek verricht. Er is geen gelegenheid geweest voor eiser om zich op de gehoren voor te bereiden. Dit heeft geleid tot misverstanden en heeft bijgedragen aan onduidelijkheid in zijn antwoorden met betrekking tot de aardrijkskundige gegevens. Verweerder twijfelt ten onrechte aan de door eiser opgegeven identiteit, nationaliteit en herkomst. Eiser heeft geen kennelijk inconsequente, tegenstrijdige, valse en onwaarschijnlijke verklaringen afgelegd. Slechts een aantal kennisvragen zijn onvoldoende beantwoord en daarvoor heeft eiser voldoende redenen aangedragen. Eiser is opgegroeid in een oude wijk en kent de stad slechts op wijkniveau. Zijn jeugd heeft eiser voornamelijk als hulpje van zijn vader doorgebracht. Aardrijkskundig overzicht heeft hij aldus niet verworven, op school noch in de praktijk. Toeristische bezienswaardigheden dan wel het grote stadsleven speelden geen rol in de leefwereld van eiser. Rekening houdend met de beperkingen van eiser dient ervan uit te worden gegaan dat Tunesië zijn land van herkomst is. Eiser verkeert in bewijsnood. Gelet op de samenwerkingsplicht ligt er in de rede om eiser middels een taalonderzoek in de gelegenheid te stellen om zijn herkomst aan te tonen. Het is in strijd met het vluchtelingenrecht om van een inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas af te zien. Tunesië kan niet worden gezien als een veilig land van herkomst. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 29 maart 2017, AWB 17/4539. Dat eiser kort na inreis verdacht werd voor een strafbaar feit, betekent niet dat hij niet in een acute vluchtsituatie verkeert. Eiser heeft zich wel degelijke onverwijld gemeld bij de Nederlandse autoriteiten. Eiser heeft verweerder niet misleid en geen valse informatie verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. De aanvraag is dan ook ten onrechte als kennelijk ongegrond afgewezen. Nu de kennelijke ongegrondheid ontbreekt, is er geen reden om eiser geen redelijke termijn te gunnen om Nederland te verlaten en een inreisverbod voor twee jaar op te leggen, te meer nu eiser een partner en een kind in Frankrijk heeft. Eiser onderhoudt nog immer een relatie met moeder en kind, zodat er sprake is van humanitaire redenen op grond waarvan verweerder van de oplegging van een inreisverbod dient af te zien.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 is het aan de vreemdeling om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken.

4.2

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven wegens strijd met artikel 3.109 van het Vb 2000. Nu eiser de asielaanvraag heeft ingediend terwijl hij zich in strafrechtelijke detentie bevond, kon verweerder geen toepassing geven aan de bepalingen omtrent de rust- een voorbereidingstermijn. Aangenomen kan worden dat hier zich een situatie als bedoeld in artikel 3.109, zevende lid, onder a, van het Vb 2000 voordoet op grond waarvan aan de vreemdeling geen rust- en voorbereidingstermijn wordt gegeven omdat hij, gezien zijn strafrechtelijke antecedenten, een gevaar voor de openbare orde vormt.

Hieruit vervolg voorts dat verweerder eiser het in artikel 3.109, zesde lid, van het Vb 2000 bedoelde medisch onderzoek niet hoefde aan te bieden. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen in de uitspraak van 23 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU6098, biedt de geschiedenis van de totstandkoming van de wijziging van de asielprocedure voldoende grond voor het oordeel dat dat medisch onderzoek deel uitmaakt van de rust- en voorbereidingstermijn.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verslagen van gehoor geen aanwijzingen bieden dat eiser niet in staat was gehoord te worden. Eiser heeft bij aanvang van het eerste gehoor verklaard dat hij de brochures met informatie over de asielprocedure in Nederland heeft ontvangen en dat hij daarover geen vragen heeft. Blijkens de verslagen van gehoor is aan eiser uitleg gegeven over het doel van het gehoor en het belang om alle vragen naar waarheid te beantwoorden. Eiser heeft in de gehoren verklaard de tolk goed te hebben verstaan en geen op- of aanmerkingen over de wijze van horen te hebben. In het nader gehoor is eiser door middel van nadere vragenstelling nogmaals gelegenheid geboden om zijn herkomst uit Tunesië aannemelijk te maken. Verder heeft eiser niet met medische stukken gestaafd dat sprake is van een psychische gesteldheid die hem belemmerde om vragen over zijn leefomgeving en herkomst te beantwoorden. In het licht van het vorenstaande kan de stelling van eiser dat hij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zich op de asielprocedure voor te bereiden, niet tot het oordeel leiden dat het bestreden besluit niet op grond van zijn verklaringen in het eerste en het nader gehoor genomen had mogen worden. Verweerder heeft in dit verband terecht overwogen dat niet valt in te zien dat eiser zonder voorbereiding geen vragen kan beantwoorden over zijn gestelde land van herkomst, waar hij 30 jaar zou hebben gewoond, schoolopleiding zou hebben genoten en zou hebben gewerkt.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder afdoende heeft gemotiveerd waarom de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig kunnen worden geacht. Eiser heeft geen enkel document overgelegd om aan te tonen wat zijn identiteit of nationaliteit is, terwijl hij, gezien zijn verklaringen in de gehoren, wel over een identiteitskaart in Tunesië heeft beschikt, maar geen actie heeft ondernomen om de identiteitskaart alsnog over te laten komen. Daarnaast heeft eiser op meerdere vragen over Tunis, geen dan wel een onjuist antwoord gegeven. Zo wist eiser niet of en welke wijken Tunis kent en aan welk water Tunis gelegen is, en kon hij geen bezienswaardigheden en geen naam van een markt noemen. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat gelet op de verklaringen van eiser dat hij geboren en getogen in Tunis is en daar tot oktober 2014 heeft gewoond en met zijn vader op de markt zou hebben gestaan, het gebrek aan kennis over de stad in ernstige mate een afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de verklaringen over zijn herkomst.

Verweerder heeft eiser voorts kunnen tegenwerpen dat eiser ook ten aanzien van Tunesië weinig tot geen informatie kan verstreken. Zo weet eiser niet wie de president of de regeringsleider van Tunesië is, aan welke zee Tunesië ligt, welke provincies er bestaan in Tunesië en welk Europees land een rol van betekenis in de geschiedenis van Tunesië heeft gespeeld. Nu eiser heeft verklaard dat hij tot en met de negende klas voortgezet onderwijs heeft gevolgd, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het gebrek aan kennis over basale gegevens van het gestelde land van herkomst, niet geëxcuseerd wordt door de stelling van eiser dat zijn blikveld klein was, maar het vermoeden versterkt dat eiser niet uit Tunesië afkomstig is. Verweerder heeft verder in het nadeel van eiser kunnen meewegen dat de verklaring van eiser dat in Tunesië de Franse taal niet wordt gesproken, tegenstrijdig is met de informatie uit openbare bronnen dat Frans nog immer gesproken wordt in Tunesië en dat de Franse taal vanaf groep drie als tweede taal op scholen gedoceerd wordt.

De omstandigheid dat eiser op een aantal vragen wel een juist antwoord heeft gegeven, is onvoldoende voor een ander oordeel met betrekking tot de geloofwaardigheid van de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst, nu, zoals verweerder terecht heeft overwogen, niet uit te sluiten is dat eiser deze informatie tot zich heeft genomen uit openbare bronnen, en de juiste antwoorden niet afdoen aan het geconstateerde gebrek aan kennis op basale vragen over Tunesië.

4.4

Aangezien eiser de gelegenheid heeft gehad om zijn identiteitskaart naar Nederland te laten overkomen, is er geen sprake van bewijsnood. Verweerder hoefde daarom geen aanleiding zien om nader onderzoek te doen. Verweerder was dan ook niet gehouden om een taalanalyse te laten uitvoeren. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2998.

4.5

Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat aan het asielrelaas dat zich in Tunesië zou hebben afgespeeld, geen geloof kan worden gehecht, reeds omdat niet aannemelijk is dat eiser uit dat land afkomstig is.

4.6

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling heeft een asielmotief slechts betekenis tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling. Nu eiser zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt, kan een verdere beoordeling van het asielrelaas niet worden verricht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2017 ECLI:NL:RVS:2017:292. De beroepsgrond dat verweerder in strijd met het vluchtelingenrecht geen inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas heeft verricht faalt.

4.7

De beroepsgrond dat Tunesië geen veilig land van herkomst is kan ook niet slagen, nu verweerder ongeloofwaardig heeft kunnen achten dat eiser uit dat land afkomstig is.

4.8

Verweerder heeft eiser voorts terecht tegengeworpen dat eiser zich niet onverwijld bij de Nederlandse autoriteiten heeft gemeld met een verzoek om internationale bescherming. Eiser heeft zijn wens om een asielaanvraag in te dienen aan de autoriteiten kenbaar gemaakt pas nadat hij in strafrechtelijke detentie werd gezet.

Verweerder heeft eiser voorts, zoals hiervoor reeds is overwogen, niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser inconsistente en onwaarschijnlijke verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst uit Tunesië heeft afgelegd. Verweerder heeft de aanvraag dan ook niet ten onrechte als kennelijk ongegrond afgewezen, onder verwijzing naar de bepalingen van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, d, e en h, van de Vw 2000.

5. Eiser heeft zijn stelling dat hij in Frankrijk een vriendin en een kind heeft niet onderbouwd. Verweerder heeft zich daarom niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat op grond van de door eiser verstrekte informatie geen aanleiding bestaat om aan eiser ambtshalve een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te verlenen.

6. Nu verweerder de aanvraag als kennelijk ongegrond mocht afwijzen, heeft verweerder conform artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. In hetgeen eiser heeft aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen die verweerder redelijkerwijs tot een andersluidend besluit met betrekking tot de vertrektermijn zouden moeten leiden.

7. Aangezien eiser zijn gestelde relatie en gezinsleven in Frankrijk niet aannemelijk heeft gemaakt, heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat geen sprake is van redenen om af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.