Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6179

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-06-2017
Datum publicatie
22-06-2017
Zaaknummer
NL17.2326 en NL17.2323
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, Iran, bekering

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummers: NL17.2326 en NL17.2323


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2017 in de zaken tussen

[eiser 1] , eiser

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. N. Brands),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. B.M. Kristel).


Procesverloop

Bij separate besluiten van 8 mei 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers om hen een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Hiertegen hebben eisers beroepen ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2017.Eisers zijn verschenen, bijgestaan door mr. M.E. Muller, kantoorgenoot van hun gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Mehrian. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers zijn vader en dochter, geboren respectievelijk op [geboortedatum 1] 1966 en [geboortedatum 2] 1998, en hebben de Iraanse nationaliteit. Zij hebben op 29 november 2015 de onderhavige asielaanvragen ingediend. Eisers hebben ten grondslag hiervan, samengevat, het volgende aangevoerd. Tijdens een vakantie met hun gezin in Turkije zijn eisers op straat aangesproken door twee Farsi sprekende mensen die aan eiser twee Bijbels gratis hebben gegeven. Eiser heeft de Bijbels in zijn koffer naar Iran meegenomen. Bij aankomst in Iran is de bagage van eiser gecontroleerd, maar de Bijbels bleven ongemerkt. Eiser is in Iran de Bijbel gaan lezen en nadat hij een droom over Jezus Christus heeft gehad, heeft hij het christendom omarmd. Eiser is in aanraking gekomen met andere christenen en heeft in het geheim huiskerken bezocht. Hij heeft ook een keer bij hem thuis een huiskerk gehouden.

Eiseres is door eiser geïnteresseerd geraakt in het christendom en is begonnen met het lezen van de Bijbel. Eiseres heeft een keer tijdens een les op school een lerares die het christendom aan het beledigen was, tegengesproken. Eiseres is toen door de lerares uit de klas gestuurd. Later op die dag heeft eiseres met klasgenoten over dit voorval gesproken en hen verteld dat zij in de Bijbel tot nu toe geen slechte dingen heeft gelezen en met haar vader over het christendom sprak. Dezelfde dag, in afwezigheid van eisers, is een inval bij eisers thuis geweest door staatsdiensten, waarbij Bijbels en documenten in beslag werden genomen. De echtgenote van eiser heeft hem gewaarschuwd om niet naar huis te komen. Nadat eiseres van school terug kwam, heeft er een tweede inval plaatsgevonden. Eiseres is toen met haar moeder en broer meegenomen voor verhoor. De volgende dag is eiseres naar school gegaan, maar zij mocht de klas niet binnen. Zij werd ondervraagd door een man, die haar bedreigd heeft om haar gedwongen te laten trouwen als eiseres en haar vader zich niet terug keren naar de islam. Diezelfde dag is eiseres met haar moeder en haar broer vanuit huis meegenomen voor een verhoor. Eiseres is hierna in het geheim naar de schuilplaats van eiser gegaan en is samen met hem uit Iran gevlucht.

Eisers kunnen niet naar Iran terugkeren, omdat zij tot het christendom zijn bekeerd en de Iraanse autoriteiten hiervan op de hoogte zijn. Eisers zijn in Nederland gedoopt en zijn praktiserende christenen. Van eisers kan niet worden verwacht om hun religie niet openbaar te maken.

2. Verweerder heeft de asielaanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond, op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Verweerder volgt eisers in de door hen opgegeven identiteit, nationaliteit en herkomst, maar acht ongeloofwaardig de verklaringen van eisers over hun afkeer van de islam, hun bekering tot het christendom en de problemen die zij ten gevolge van de bekering hebben ondervonden.

3. Eisers hebben in beroep, samengevat, aangevoerd dat hun afkering van de islam en bekering tot het christendom en de naar aanleiding daarvan ondervonden problemen geloofwaardig moeten worden geacht. Eisers hebben geen tegenstrijdige verklaringen afgelegd en hebben wel degelijk inzicht verschaft in hun proces omtrent de afkering van de islam en hoe hun bekering heeft plaatsgevonden, en welke gevoelens zij tijdens het proces van afkering en bekering hebben gehad.

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat eiser niet alle details van de inval weet. Eiser heeft in de zienswijze benadrukt dat hij vermoedt dat zijn bekering ontdekt is door de uitlatingen van zijn dochter. Eiser weet dit niet zeker. De verklaringen van eiser doorstaan de toets uit de werkinstructie 2014/10 van verweerder.

Eiseres heeft aangevoerd dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar leeftijd. Wellicht zijn er details vervaagd, maar eiseres heeft wel degelijk over de invallen verklaard. Verweerder heeft eiseres ten onrechte tegengeworpen dat zij geen documenten ter staving van haar relaas heeft overgelegd.

Dat eisers daadwerkelijk bekeerd zijn en hun overtuiging oprecht is blijkt niet enkel uit hun verklaringen, maar ook uit de overgelegde schriftelijke verklaringen van kerken in Nederland. Door geen waarde hieraan toe te kennen heeft verweerder in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geen volledig en zorgvuldig onderzoek verricht. Eisers stellen dat zij als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag moeten worden aangemerkt dan wel aan hen een verblijfsvergunning op grond van artikel 3 van het EVRM dient te worden verleend.

4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), onder meer de uitspraak van 24 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA0955), blijkt dat de staatssecretaris een vaste gedragslijn toepast bij het onderzoek naar de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging. Hierbij zijn van belang de motieven voor en het proces van bekering, de persoonlijke betekenis van de bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling en de algemene, basale kennis van de betrokken geloofsleer en geloofspraktijk. Bijzondere waarde moet worden toegekend aan de beantwoording door een vreemdeling van vragen over de motieven voor en het proces van bekering, als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar men overwegend een andere geloofsovertuiging heeft, dan wel waar de eerdere geloofsovertuiging van een vreemdeling de enige maatschappelijk aanvaarde godsdienst of de staatsgodsdienst is en het zich bekeren tot een andere geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel of strafbaar is. Verweerder dient de verklaringen over de gestelde geloofsovertuiging in onderlinge samenhang te bezien. Het is daarnaast aan de vreemdeling om zijn gestelde bekering aannemelijk te maken door overtuigende verklaringen af te leggen omtrent zijn bekering en het proces daaraan voorafgaand.

5. De rechtbank stelt vast dat verweerder ook in het geval van eisers volgens de voormelde gedragslijn heeft gehandeld.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom hij geen geloof hecht aan de verklaringen van eisers over hun afkering van de islam en bekering tot het christendom, en de problemen die zij stellen ten gevolge van hun bekering te hebben ondervonden.

6.1.1

Ten aanzien van eiser heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat zijn verklaringen niet inzichtelijk maken het proces waarbinnen hij heeft besloten zich af te keren van de islam. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn keuze om zijn islamitisch geloof te verlaten welbewust en weloverwogen is geweest. Eiser heeft verklaard dat hij en zijn gezin een normaal praktiserend islamitisch gezin waren en dat nadat hij met pensioen is gegaan, hij gestopt is met de islamitische tradities uit te voeren. Eiser heeft niet gemotiveerd waarom het voor hem persoonlijk zo belangrijk was om zich op 49-jarige leeftijd van de islam af te wenden en welke gevoelens en gedachten met dit proces gepaard gingen. Verweerder heeft daartoe niet toereikend kunnen achten de verklaringen van eiser, medewerker bij een bank, dat hij op zijn werk verplicht was de islamitische tradities uit te voeren, daar gezien heeft dat collega’s de religieuze regels niet naleefden en gemerkt heeft dat hij niet dicht bij God stond. Verweerder heeft in dit verband niet ten onrechte overwogen dat van eiser, die in een islamitisch land geboren en opgegroeid is en vrijwillig de keuze heeft gemaakt om het islamitische geloof te verlaten en over te stappen naar een nieuwe verboden religie, verwacht mag worden dat hij hierover inzichtelijk, concreet en gedetailleerd kan verklaren.

6.1.2

Ook ten aanzien van eiseres heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat zij niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de reden voor haar persoonlijk is geweest om zich van de islam af te keren. Verweerder heeft hierbij niet ten onrechte overwogen dat eiseres in algemene woorden heeft verklaard welke elementen van de islam zij als negatief ervaart en niet concreet heeft gemaakt waarom de islamitische waarden en normen waarmee zij opgegroeid is, op een bepaald moment niet meer voldeden en zodanig met haar eigen ideologie en opvattingen strookten dat zij zich genoodzaakt voelde om zich van de islam af te wenden. Daarbij heeft verweerder tevens kunnen betrekken dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard met eiser over hoe hun gezin invulling aan het islamitisch geloof gaf. Daar waar eiser verklaarde dat hun gezin een normaal praktiserend islamitisch gezin was en de gezinsleden aan het vasten en aan het bieden meededen, verklaarde eiseres dat het gezin samen niet bad en niet meedeed met rituelen. Deze tegenstrijdigheid, in onderling samenhang bezien met de overige verklaringen van eiseres, doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van hetgeen eiseres als reden om de islam te verlaten heeft aangevoerd.

6.2.1

Verweerder heeft zich voorts niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser niet overtuigen dat sprake is van een oprechte bekering. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat de manier waarop eiser met het christendom in aanraking is gekomen niet geloofwaardig is. Verweerder heeft kunnen overwegen dat niet valt in te zien dat in Turkije, een islamitisch land, tijdens de ramadan mensen op straat de Bijbel zouden verspreiden, en eiser en zijn gezin zouden hebben aangesproken om hen twee Bijbels te geven. Deze mensen wisten niet dat eiser hiervoor open zou staan. Verweerder heeft voorts kunnen overwegen dat eiser zijn spontane interesse in het christendom niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft niet aannemelijk kunnen achten dat de echtgenote van eiser het geen probleem vond dat eiser de Bijbels in ontvangst nam en deze met zijn bagage naar Iran bracht. Verweerder heeft eveneens ongeloofwaardig kunnen achten dat eiser vergeten zou hebben dat de Bijbels in zijn koffer zaten, nu eiser heeft verklaard dat hij blij was dat hij de Bijbels heeft gekregen en bovendien wist dat hij via de officiële luchthaven van Iran op gecontroleerde wijze zou terugkeren naar zijn land van herkomst alwaar aan afvallige moslims de doodstraf kan worden opgelegd. Niet valt in te zien dat eiser een dergelijk groot risico zou hebben genomen. De verklaring van eiser dat het “misschien Gods wil” is geweest, heeft verweerder in redelijkheid niet afdoende kunnen achten.

Verweerder heeft zich voorts niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet gebleken is van een innerlijk proces waarin eiser de voor- en nadelen van een bekering heeft afgewogen alvorens van geloof te veranderen. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt van enige twijfel ten aanzien van het christendom. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat eiser slechts in algemene termen heeft verteld wat hem nu zo in het christendom aansprak en geen inzicht heeft gegeven in hetgeen het christendom voor hem persoonlijk betekent. Termen als “liefde” en “vrede” zijn algemene elementen binnen het christendom, die niet getuigen van een dieperliggende persoonlijke motivatie. Verweerder heeft verder de verklaringen van eiser dat hij na zijn bijzondere droom over God, daadwerkelijk tot het christendom zou zijn bekeerd, eveneens ongeloofwaardig kunnen achten. Dit moet volgens eiser rond 2 augustus 2015 zijn geweest, net een maand nadat hij in Turkije was geweest. Eiser heeft verklaard dat hij na deze droom waardoor hij daadwerkelijk bekeerd is, niet over de negatieve gevolgen die de bekering teweeg zou kunnen brengen, heeft nagedacht. Verweerder heeft hierover kunnen overwegen dat niet valt in te zien dat eiser noch tijdens de aanloop naar zijn daadwerkelijke bekering, noch na het moment van bekering zelf, na zou denken over de voor- en nadelen die dit met zich meebrengt en de gevaren die dit voor zijn gezinsleden kan opleveren. Verweerder heeft voorts afdoende gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser over de wijze waarop hij na deze droom gehandeld heeft, ongeloofwaardig zijn. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat niet aannemelijk is dat eiser met alle risico’s van dien de door hem gestelde beleving van zijn droom met een derde, die hij niet kent, in een café heeft gedeeld en dat gelet op het grote risico voor eiser bij ontdekking van zijn bekering niet aannemelijk is dat eiser hiermee nier voorzichtiger en selectiever is omgegaan.

6.2.2

Verweerder heeft ook ten aanzien van eiseres de gestelde bekering niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Nu eiseres heeft gesteld dat zij via haar vader in aanraking is gekomen met het christendom, en verweerder de bekering van haar vader niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht, heeft verweerder het gestelde eerste contact van eiseres met het christendom eveneens ongeloofwaardig kunnen achten. Verweerder heeft daarbij niet ten onrechte overwogen dat eiseres niet kan vertellen wanneer zij met het lezen van de Bijbel is begonnen en niet inzichtelijk kan maken wat de reden was om Christus in haar hart te plaatsen. Eiseres heeft bovendien wisselend verklaard over het moment waarop zij Christus in haar hart heeft geplaats. Verweerder heeft voorts niet aannemelijk kunnen achten dat eiseres geen enkele twijfel ten aanzien van het christendom heeft gehad. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaring van eiseres, dat zij alles dat zij in de Bijbel heeft gelezen leuk en interessant vond, niet er op duidt dat eiseres enige vorm van een bekeringsproces zou hebben doorgemaakt.

Verweerder heeft tevens in aanmerking kunnen nemen dat eiseres niet heeft kunnen beschrijven wat er in Nederland uiteindelijk voor gezorgd heeft dat zij zich daadwerkelijk wilde bekeren en wat de dieperliggende motieven waren die hieraan ten grondslag lagen. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres hierover steeds in algemene termen heeft verklaard en geen inzicht heeft gegeven in haar gestelde interesse in het christendom. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat nu eiseres een opgeleide volwassen vrouw is die heeft gesteld via haar bekeerde vader in contact met het christendom te zijn gekomen, van haar mag worden verwacht dat zij in staat is om voldoende inzicht te bieden in de motieven voor en het proces van de bekering.

6.3

Verweerder heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat eisers enige basale kennis met betrekking tot de inhoud van de Bijbel en het christendom bezitten, maar dat dit onvoldoende onderscheidend is om te concluderen dat sprake is van een oprechte bekering. Hierbij is van belang dat eisers afkomstig zijn uit Iran, waar bekering tot een andere dan de in dat land heersende geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel en strafbaar is, en dat verweerder, ingevolge vaste jurisprudentie, in het bijzonder waarde mag hechten aan de antwoorden op vragen over de motieven voor en het proces van bekering. Het hebben van bijbelkennis en het bezoeken van een kerk is onvoldoende voor een ander oordeel over de oprechtheid van de bekering. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 28 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4065.

Met betrekking tot het betoog dat eisers bekering geloofwaardig moet worden geacht gezien hun vele geloofsactiviteiten in Nederland, overweegt de rechtbank dat eisers verklaringen over geloofspraktijk en kerkgang onderdeel vormen van de beoordeling van hun gestelde bekering. De afgelegde verklaringen door derden over eisers geloofspraktijk en kerkgang kunnen ter staving van de gestelde bekering dienen, maar laten onverlet dat eisers ook tegenover verweerder overtuigende verklaringen moeten kunnen afleggen over hun bekering en het proces dat daartoe heeft geleid. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3514.

De door derden overgelegde verklaringen over de geloofsbelijdenis en de betrokkenheid van eisers bij een kerkgemeenschap in Nederland bieden naar het oordeel van de rechtbank geen inzicht in de motieven voor en het proces van bekering en kunnen de geconstateerde tegenstrijdige, summiere en onwaarschijnlijke verklaringen van eisers aangaande hun bekering, niet wegnemen. Dit geldt evenzeer voor de doopaktes van eisers, alsmede voor het rapport van stichting Gave waarop eisers ter zitting een beroep hebben gedaan.

6.4

Verweerder heeft voorts afdoende onderbouwd waarom de gestelde problemen ten gevolge van de bekering tot het christendom ongeloofwaardig zijn.

6.4.1

Ten aanzien van eiser heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat zijn verklaringen over de invallen niet gedetailleerd zijn en gebaseerd zijn op vermoedens en aannames waarom de invallen hebben plaatsgevonden. Eiser weet niet het aantal van de invallen, noch de data waarop deze zouden hebben plaatsgevonden. Eiser weet niet of al zijn gezinsleden thuis waren tijdens de eerste inval en hoe vaak zijn gezinsleden meegenomen zijn voor gehoor of waar zij naar toe zijn gebracht. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat de omstandigheid dat eiser zelf niet aanwezig was, geen afdoende reden is voor het niet concreter kunnen verklaren over de invallen, nu eiser hierna meermaals contact heeft gehad met zijn vrouw en met zijn dochter, met wie hij naar Nederland is gereisd.

Ook heeft eiser over de voorvallen op de school van zijn dochter summier en vaag verklaard. Eiser weet niet met wie zijn dochter heeft gesproken en ook niet wat de reden is dat zij hierover heeft gesproken.

Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat niet valt in te zien dat eiser over zulke essentiële elementen van het relaas niet meer informatie van zijn dochter had kunnen of willen inwinnen.

Verweerder heeft verder ongeloofwaardig kunnen achten dat eiser gezien zijn geringe ervaring met het christendom bij hem thuis een huiskerk heeft georganiseerd en Bijbels van anderen bewaarde, alsmede dat eiser deze boeken niet verborgen had. Niet valt in te zien dat eiser voor zijn gezinsleden een dergelijk risico zou willen lopen, terwijl hij nauwelijks ingewijd in de religie was.

6.4.2

Ten aanzien van eiseres heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres het verband tussen het voorval op school en de daarna ontstane problemen niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat ook indien eiseres gevolgd zou moeten worden in haar betoog ter zitting, dat zij op een school zat waar relatief veel leerlingen uit christelijke gezinnen studeren en zich in de klas niet negatief over de islam heeft uitgelaten, maar gezegd heeft dat er over alle godsdiensten met respect moet worden gesproken, verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom de gestelde problemen niet geloofwaardig worden geacht. Eiseres baseert zich slechts op aannames en vermoedens dat de inval bij haar thuis plaatsvond vanwege haar uitlatingen op school. Eiseres heeft summier verklaard over de man die haar op school zou hebben bedreigd. Eiseres weet zijn naam niet en ook niet tot welke instelling hij behoort, maar heeft haar verklaringen hierover op vermoedens gebaseerd. Verweerder heeft eiseres voorts kunnen tegenwerpen dat eiseres niet weet waar haar vader tijdens de invallen was. Verweerder heeft hierover kunnen overwegen dat niet valt in te zien dat eiseres over zulk essentieel onderdeel van haar relaas informatie van haar vader niet via hem had kunnen of willen inwinnen.

Verweerder heeft voorts de verklaringen van eiseres over haar vrijlating eveneens ongeloofwaardig kunnen achten, nu eiseres hiermee de mogelijkheid zou kunnen krijgen om te vluchten, van welke mogelijkheid eiseres ook gebruik heeft gemaakt.

6.5

Nu verweerder de bekering en de hieruit voortvloeiden problemen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers op grond van hun relaas niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat er hen persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden zijn die hun vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen. Ook hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat zij bij uitzetting een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

6.6

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden eisers aanvragen om een verblijfsvergunning als kennelijk ongegrond heeft afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Verweerder heeft afdoende gemotiveerd dat sprake is van kennelijk inconsequent en duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen, waardoor aan de maatstaf van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 is voldaan.

7. De beroepen zijn ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr.G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2017.

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.