Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:616

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 8129
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:2139, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

omgevingsvergunning verleend t.b.v. uitbreiding supermarkt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/8129

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 januari 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.J. Bakhuijsen),

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Hillegom, verweerder

(gemachtigde: mr. P. van der Eijk).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [bedrijf 1] B.V., te [vestigingsplaats 2] , vergunninghoudster

(gemachtigde: mr. E.M. van Bommel).

Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de bestaande supermarkt Dekamarkt door het samenvoegen van bestaande winkels en een entreepassage op de locatie [adres 1] te [woonplaats] .

Bij besluit van 30 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en dit besluit in stand gelaten, onder verbetering van de motivering daarvan.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 25 november 2016 (zaaknummer SGR 16/8727) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het door eiseres hangende het beroep ingediende verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Verweerder heeft een verweerschrift en een aanvullend stuk ingediend.

Vergunninghoudster heeft eveneens een aanvullend stuk in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2017. Namens eiseres is verschenen [persoon 1] , bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld van

[persoon 2] , werkzaam bij adviesbureau Kardol. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [persoon 3] , vergezeld van [persoon 4] werkzaam bij Droogh Trommelen en Partners. Namens vergunninghoudster is verschenen [persoon 5] , bijgestaan door gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Het bouwplan, waarvoor vergunninghoudster op 5 augustus 2015 een aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend, voorziet in het uitbreiden van de bestaande supermarkt Dekamarkt met 775 m2 winkelvloeroppervlak (wvo) door het samenvoegen van vier bestaande winkels op de locatie [adres 1] te [vestigingsplaats 1] en voorts de huidige entreepassage van 160 m2 wvo bij de winkel te betrekken.

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

1.3

Verweerder heeft in bezwaar het primaire besluit nader gemotiveerd door te verwijzen naar de op 2 juni 2015 door de gemeente Hillegom in samenwerking met koopcentrum Hillegom uitgebrachte detailhandelsvisie “Een vitaal winkelhart voor Hillegom” (de detailhandelsvisie).

1.4

Hangende de bezwaarprocedure zijn verder in opdracht van vergunninghoudster het rapport “Onderbouwing en effecten uitbreiding Dekamarkt Hillegom” van [bedrijf 2] B.V. (BSP) te Amsterdam van 12 april 2016 uitgebracht en in opdracht van verweerder de “Distributieve analyse en effectenstudie uitbreiding supermarkt Hillegom” van Droogh Trommelen en Partners (DTNP) te Nijmegen van 13 april 2016.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder gedeeltelijke overname van het advies van de commissie bezwaarschriften (de commissie) van 8 augustus 2016, het primaire besluit gehandhaafd. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat hij de conclusies ten aanzien van de effecten van de uitbreiding, die zijn vermeld in genoemde rapporten van BSP en DTNP, aan verlening van de omgevingsvergunning ten grondslag kan leggen. De rapporten zijn immers opgesteld door deskundigen en vertonen naar de mening van verweerder naar inhoud en wijze van totstandkoming geen gebreken.

Daarnaast is in het bestreden besluit overwogen dat de uitbreiding van de Dekamarkt geen negatieve effecten heeft op het kernwinkelgebied en past binnen het vigerende beleid. Door de voorziene uitbreiding van de Dekamarkt wordt de berekende uitbreidingsruimte voor supermarkten in Hillegom niet overschreden. De uitbreiding past ook binnen de detailhandelsvisie van de gemeente, waarin als doelstelling is geformuleerd om de positie van het centrum te versterken door supermarktinitiatieven te faciliteren die verbetering van de kwaliteit en de omvang van de winkels beogen. Volgens verweerder is geen sprake van uitbreiding van detailhandelsmeters, maar van het wijzigen van het gebruik van de bestaande detailhandelsruimte naar supermarkt. Daarom wordt aan het toetsingskader uit bijlage 4 van de detailhandelsvisie, waarin onder meer is vermeld dat de maximaal toegestane uitbreiding 15% mag bedragen, niet toegekomen.

Voorts is in het bestreden besluit overwogen dat DTNP in haar distributieve analyse met beduidend hogere inwoneraantallen heeft gerekend dan waarvan ten tijde van de detailhandelsvisie is uitgegaan. Dit heeft in een positieve marktruimteberekening geresulteerd, waardoor ruimte is ontstaan voor uitbreiding van het winkelvloeroppervlak voor supermarkten, aldus verweerder.

3. Eiseres voert aan dat de planwetgever in het geldende bestemmingsplan geen ruimte heeft gegeven voor uitbreiding van winkeloppervlakte voor supermarkten, noch heeft voorzien in een daartoe strekkende wijzigingsbevoegdheid.

Uitbreiding van de bestaande winkelvloeroppervlakte van de supermarkt met circa 63% voldoet naar de mening van eiseres niet aan de in de detailhandelsvisie genoemde voorwaarde dat de uitbreiding maximaal 15% van de huidige vloeroppervlakte mag bedragen. Daarnaast is volgens eiseres de rapportage van DTNP onzorgvuldig tot stand gekomen, omdat daarin de aanname dat de koopkrachtbinding in 2020 zal zijn toegenomen tot 85% niet is onderbouwd.

Eiseres heeft bij brief van 16 november 2016 een rapport van adviesbureau Kardol (Kardol) van 2 november 2016 overgelegd. Hierin is geconcludeerd dat (1) zowel nu als in 2020 de distributieve ruimte voor de uitbreiding van supermarkten in Hillegom niet of nauwelijks aanwezig zal zijn, (2) de beoogde uitbreiding van de Dekamarkt nu en in 2020 negatieve gevolgen zal hebben voor het functioneren van de supermarktsector in Hillegom, (3) de uitbreiding haaks staat op het recent geformuleerde gemeentelijke detailhandelsbeleid en (4) veranderingen in het gebruik van de bestemming detailhandel planologisch en ruimtelijk wel degelijk van belang zijn.

Bij brief van 21 december 2016 heeft eiseres een aanvullend rapport van Kardol van gelijke datum overgelegd, getiteld “Supermarktsector distributieve & markttechnische toets”.

4.1

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie onder meer haar uitspraken van 19 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:942) en 28 maart 2012 (ECLI:NL:RVS:2011:BT8546), is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit belanghebbende. Daarvoor is van belang of eiseres in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied werkzaam is als vergunninghoudster.

4.2

Eiseres exploiteert een [naam supermarkt] supermarkt aan de [adres 2] te [vestigingsplaats 1] , hemelsbreed op minder dan 500 meter gelegen van de Dekamarkt, en is actief in hetzelfde marktsegment en hetzelfde verzorgingsgebied als vergunninghoudster. Daarom kan eiseres naar het oordeel van de rechtbank als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het bestreden besluit worden aangemerkt.

5.1

In artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is bepaald dat een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar gegeven weigeringsgronden.

Ingevolge het bepaalde onder c van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo dient de omgevingsvergunning te worden geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

5.2

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Centrum”. Het betrokken perceel heeft de bestemming “Centrum - 1”. In artikel 5.1 van de planregels is bepaald dat deze gronden onder meer bestemd zijn voor woningen, detailhandelsbedrijven en ter plaatse van de aanduiding “supermarkt” tevens voor een supermarkt, zij het uitsluitend op de begane grond.

5.3

Daarnaast geldt ter plaatse de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie”.

Ingevolge artikel 23.1 van de planregels zijn deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden.

Omdat niet gebleken is dat er bij de uitvoering van het bouwplan grondwerkzaamheden moeten plaatsvinden, is het vergunningvereiste als bedoeld in artikel 23.3.2 van de planregels in dit geval naar het oordeel van de rechtbank niet van toepassing.

5.4

Het bouwplan is in strijd met de regels van het geldende bestemmingsplan, omdat ter plaatse van de uitbreiding van de supermarkt geen aanduiding “supermarkt” op de verbeelding aanwezig is.

5.5

Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

5.6

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2o, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening, in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

5.7

Ingevolge artikel 4, categorie 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) komt voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers.

5.8

Bij de toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2o, van de Wabo komt verweerder, in aanmerking genomen de bewoordingen van dat artikel en de aard van de bevoegdheid die daarin aan verweerder is toegekend, beleidsvrijheid toe. Bij de beslissing om al dan niet van het bestemmingsplan af te wijken moeten alle daarbij betrokken belangen in aanmerking worden genomen.

6. De rechtbank is van oordeel dat het bouwplan voldoet aan de in artikel 4, categorie 9, van bijlage II van het Bor vermelde eisen. Hoewel de oppervlakte van de supermarkt wordt vergroot, worden de bebouwde oppervlakte en het bouwvolume van de bestaande bouwwerken niet vergroot. Verder wijzigt het gebruik van vier bestaande winkels en de huidige entreepassage in supermarkt. Derhalve bestond voor verweerder de bevoegdheid om van het bestemmingsplan af te wijken op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2o, van de Wabo. Vervolgens moet worden beoordeeld of verweerder in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft mogen maken.

7.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder aan het bestreden besluit de rapporten van BSP van 12 april 2016 en van DTNP van 13 april 2016 ten grondslag heeft gelegd. In het rapport van BSP is geconcludeerd dat uit berekeningen blijkt dat de uitbreiding van de Dekamarkt in Hillegom met circa 775 m2 wvo distributief verantwoord is.

Voorts zal daardoor de verhuurbaarheid van omliggende winkelunits toenemen en heeft het initiatief geen zodanige leegstand tot gevolg dat dit uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening tot een onaanvaardbare aantasting van het woon-, leef- en ondernemersklimaat zal leiden. DTNP heeft geconcludeerd dat de voorziene uitbreiding vrijwel overeenkomt met de berekende uitbreidingsruimte voor supermarkten in Hillegom.

Weliswaar verwacht DTNP dat als gevolg van de uitbreiding de gemiddelde vloerproductiviteit licht zal dalen, maar dit heeft geen gevolgen voor het voortbestaan van de huidige supermarkten. Voorts heeft de uitbreiding volgens DTNP naar verwachting positieve effecten op het kernwinkelgebied, wat betekent dat de uitbreiding past binnen het vigerende beleid van de gemeente.

7.2

Verweerder heeft bij brief van 17 november 2016 een reactie van DTNP van dezelfde datum op het rapport van Kardol van 16 november 2016 overgelegd. In deze reactie van DTNP is geconcludeerd dat het rapport van Kardol van 16 november 2016 en de daarin genoemde argumenten om de koopkrachtbinding op het niveau van 2011 te houden geen aanleiding geven de conclusies en inschattingen zoals weergegeven in het rapport van DTNP van 13 april 2016 te wijzigen. Daarnaast is in de reactie van DTNP vermeld dat zelfs als er, anders dan in het rapport van 13 april 2016 is berekend, geen kwalitatieve uitbreidingsruimte voor supermarkten in Hillegom aanwezig zou zijn, er uitgaande van de gemeentelijke beleidsambities voldoende kwalitatieve argumenten zijn om mee te werken aan de uitbreiding van de Dekamarkt.

7.3

Vergunninghoudster heeft bij brief van 17 november 2016 een reactie van BSP van dezelfde datum op het onder 3. genoemde rapport van Kardol in geding gebracht. In deze reactie van BSP is geconcludeerd dat uit berekening is gebleken dat er in de huidige situatie in Hillegom een indicatieve uitbreidingsruimte is. Indien mede rekening wordt gehouden met bevolkingsaanwas en een toename van de koopkrachtbinding, zal die uitbreidingsruimte circa 750 m2 winkelvloeroppervlak (wvo) bedragen. Daarnaast neemt volgens BSP de leegstand in de dagelijkse sector in Hillegom als gevolg van de uitbreiding van de Dekamarkt af met ongeveer 20% en verbeteren hierdoor het woon- en leefklimaat en het ondernemersklimaat. Voorts is volgens BSP van additionele detailhandelsruimte geen sprake, omdat de uitbreiding van het wvo wordt verkregen door het betrekken van bestaande buurunits. Verder acht BSP de stelling van Kardol dat een uitbreiding van supermarkten beperkt is tot 15% van het wvo per winkel onjuist. Daarnaast blijkt uit deze reactie van BSP, alsmede uit het rapport van BSP van 12 april 2016, dat de koopkrachtbinding in 2020 in Hillegom zal zijn toegenomen tot 84%.

7.4

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich bij de (ruimtelijke) belangenafweging mogen baseren op de onderzoeksresultaten betreffende de effecten van de uitbreiding van de Dekamarkt die in de rapporten van BSP en DTNP zijn neergelegd. In kwantitatieve zin berekenen BSP en DTNP een distributieve uitbreidingsruimte voor supermarkten in Hillegom van circa 775 m2 wvo. Een van de door BSP en DTNP daarbij gehanteerde uitgangspunten is een toename in 2020 van de koopkrachtbinding -dat is het deel van de koopkracht dat inwoners in de eigen stad uitgeven- van 81% naar 84%, respectievelijk 85%. De stelling van eiseres, dat het rapport van DTNP onzorgvuldig tot stand is gekomen op de grond dat de toegenomen koopkrachtbinding niet is onderbouwd, deelt de rechtbank niet. DTNP heeft een lichte toename tot 85% aangenomen als gevolg van de alsdan gerealiseerde versterking van het winkelaanbod in Hillegom. De rechtbank acht deze aanname niet onredelijk in het licht van het navolgende.

In de rapporten van BSP van 12 april 2016 en 17 november 2016 is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat de koopkrachtbinding in 2020 zal zijn toegenomen tot 84%. Hierbij is in aanmerking genomen dat niet onaannemelijk is dat de koopkrachtbinding in Hillegom in 2020 zal zijn veranderd, nu de laatste berekeningen daarvan zijn gebaseerd op een onderzoek van I&O Research uit 2011. Daarnaast komt de reden die BSP voor deze toename heeft gegeven, te weten dat een grotere supermarkt ertoe zal leiden dat de inwoners van Hillegom meer van hun dagelijkse bestedingen zullen uitgeven in hun eigen gemeente, de rechtbank niet onaannemelijk voor. Voorts acht de rechtbank van belang dat BSP de koopkrachtbinding in gemeenten van vergelijkbare grootte als Hillegom heeft betrokken in haar onderzoek. Gebleken is dat de koopkrachtbinding daar thans hoger ligt dan in Hillegom. Uit de rapporten van BSP blijkt verder dat bij de berekening van de distributieve ruimte nog geen rekening is gehouden met toevloeiing vanuit omliggende gemeenten, die zich wellicht zal voordoen door de dan gerealiseerde versterking van het winkelaanbod in Hillegom. Eiseres heeft haar stelling dat landelijk sprake is van een negatieve ontwikkeling van koopkrachtbinding niet met cijfers onderbouwd, zodat de rechtbank aan deze stelling voorbij gaat.

De rechtbank stelt in dit verband verder vast dat het door eiseres overgelegde rapport van Kardol van 21 december 2016, in tegenstelling tot het eerder overgelegde rapport van Kardol, niet alleen van de uitbreiding van de Dekamarkt uitgaat, maar tevens van uitbreidingsplannen van drie andere in Hillegom gevestigde supermarkten. In het meest recente rapport van Kardol wordt, uitgaande van al die vermeende uitbreidingsplannen, berekend dat de distributieve uitbreidingsruimte in Hillegom fors zal worden overschreden. Tijdens de behandeling ter zitting is echter komen vast te staan dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bij verweerder geen aanvragen om een omgevingsvergunning voor uitbreiding van een of meer andere supermarkten waren ingediend. Voor zover daarvan in het rapport van Kardol van 21 december 2016 is uitgegaan, is dat rapport naar het oordeel van de rechtbank daarom in het kader van deze procedure niet van belang.

Opvallend is nog dat in dit laatste rapport van Kardol van een hoger koopkrachtbindingscijfer (88%) is uitgegaan dan waarvan DNTP, BSP en Kardol zelf in de eerdere rapportage zijn uitgegaan. Namens Kardol is hierover ter zitting desgevraagd het standpunt ingenomen dat sprake is van een vergissing en dat het koopkrachtbindingscijfer uit het eerste rapport van Kardol wordt gehandhaafd. Het komt de rechtbank evenwel onaannemelijk voor dat sprake is van een vergissing. Op pagina 6 van het rapport van Kardol van 21 december 2016 wordt immers toegelicht waarom in 2020 volgens haar sprake zal zijn van een toename van de koopkrachtbinding (door een aantrekkelijker en omvangrijker winkelaanbod) en onderaan diezelfde bladzijde, doorlopend op bladzijde 7, wordt overwogen dat de cijfers, berekend door de drie onderzoeksbureaus STNP, BSP en Kardol, elkaar nauwelijks ontlopen en dat het verschil in uitkomst wordt verklaard door de uitbreidingsplannen van drie andere supermarkten bij de berekening te betrekken. Wat verder ook van het ter zitting ingenomen standpunt van Kardol zij, de rechtbank zal, gelet op het vorenstaande, aan het rapport van Kardol van 21 december 2016 niet de betekenis toekennen die eiseres daaraan gehecht wenst te zien.

7.5

De conclusie uit het voorgaande is dat verweerder in redelijkheid heeft mogen uitgaan van voldoende uitbreidingsruimte in kwantitatieve zin om de uitbreiding van de Dekamarkt toe te staan.

8. Eiseres vreest dat andere ondernemers van de uitbreiding van de Dekamarkt de dupe zullen worden, hetgeen tot leegstand van winkelpanden kan leiden.

De rechtbank stelt vast dat uit de rapporten van BSP en DTNP blijkt dat de uitbreiding juist een aantrekkend effect kan hebben, omdat de leegstand van winkelpanden daardoor met 20% afneemt. Dekamarkt trekt volgens deze rapporten een grotere, deels nieuwe, klantenstroom aan, waarvan ook winkeliers in de directe omgeving profiteren. Bovendien neemt volgens deze rapporten de verhuurbaarheid van de panden toe en zal door de schaalvergroting het vestigingsmilieu voor bedrijven in het centrum worden verbeterd. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de in de rapporten van BSP en DTNP gegeven onderbouwing. Voor de stelling van eiseres dat ten gevolge van de uitbreiding meer leegstand zal optreden ziet de rechtbank, mede in het licht van het vorenstaande, onvoldoende onderbouwing. Ook in kwalitatieve zin heeft verweerder, gelet op het voorgaande, in redelijkheid tot zijn besluit kunnen komen.

9. Ten aanzien van het betoog van eiseres, dat de uitbreiding van de Dekamarkt op het [adres 1] in strijd met gemeentelijk beleid is, overweegt de rechtbank het volgende. In de detailhandelsvisie is vermeld dat uit marktruimteberekening blijkt dat het nu en in 2020 ongewenst is dat additionele detailhandelsruimte in het centrum en elders in Hillegom of de regio wordt ontwikkeld. Dit geldt voor alle branchegroepen. Als uitzondering is in bijlage 4 van deze detailhandelsvisie onder meer genoemd een beperkte uitbreiding van winkelvloeroppervlakte om de kwaliteit en rentabiliteit van een bestaande winkel te verbeteren (maximaal 15%), hetgeen bijvoorbeeld het geval kan zijn in de supermarktbranche. Indien niet aan deze oppervlakte-eis wordt voldaan, is vervolgens blijkens deze bijlage de vraag van belang of er aantoonbaar geen negatieve effecten op het kernwinkelgebied zijn te verwachten.

De rechtbank stelt, mede op basis van het verhandelde ter zitting, vast dat ten gevolge van de voorziene uitbreiding sprake zal zijn van een toename aan wvo van maximaal 160 m2, doordat de huidige entreepassage bij de Dekamarkt zal worden getrokken, die immers niet als wvo kan worden aangemerkt. Het wvo van de bestaande winkelunits, die eveneens bij de Dekamarkt worden gevoegd, kan niet als toename worden beschouwd. Daarvoor geldt immers dat het al wvo betrof. Nu het wvo van de Dekamarkt in de bestaande situatie circa 1.250 m2 wvo bedraagt, betreft de toename maximaal 12,8% (160:1.250 x 100%), zijnde minder dan 15%. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat niet wordt toegekomen aan de vraag of door de uitbreiding aantoonbaar negatieve effecten op het kernwinkelgebied zijn te verwachten.

Daarbij acht de rechtbank van belang dat op pagina 15 en 16 van de detailhandelsvisie nu juist expliciet is vermeld dat er op het [adres 1] ruimte is voor uitbreiding en relocatie van bestaande supermarkten. Het betoog van eiseres dat de uitbreiding van de Dekamarkt in strijd is met gemeentelijk beleid faalt derhalve. Van strijd met enig ander gemeentelijk, provinciaal of rijksbeleid is evenmin gebleken.

10. Verweerder heeft bij de afweging van de betrokken belangen nog overwogen dat de uitbreiding van de Dekamarkt in de detailhandelsvisie voor het centrum past, omdat detailhandelsmeters worden onttrokken ten gunste van de supermarktontwikkeling. Om de centrumpositie te versterken dient de gemeente ontwikkelingen zoals het verbeteren van de kwaliteit en omvang van supermarkten te faciliteren. Er zijn geen overwegende stedenbouwkundige of andere bezwaren om de gevraagde afwijking niet te verlenen, aldus verweerder. De constatering van eiseres in dit verband dat de planwetgever in het geldende bestemmingsplan geen ruimte geeft voor uitbreiding van winkeloppervlakte voor supermarkten, noch heeft voorzien in een daartoe strekkende wijzigingsbevoegdheid, acht de rechtbank op zich juist.

Dit betekent, gelet op hetgeen is overwogen onder 6., evenwel niet dat verweerder om die reden niet bevoegd zou zijn om door middel van het nemen van een afwijkingsbesluit van het geldende bestemmingsplan af te wijken. Het betoog van eiseres faalt.

11. De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder in redelijkheid van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wabo gebruik heeft gemaakt. Zij komt daarom niet toe aan beantwoording van de vraag of artikel 8:69a van de Awb aan een eventuele vernietiging van het bestreden besluit in de weg zou hebben gestaan.

12. Aangezien geen van de andere in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo genoemde weigeringsgronden zich voordoet, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden de gevraagde omgevingsvergunning verleend en deze bij het bestreden besluit terecht gehandhaafd.

13. Het beroep is dan ook ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.X. Cozijn, rechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.