Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6153

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-06-2017
Datum publicatie
26-09-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 10100
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bodemprocedure, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/10100

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.J.W. de Water),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder

(gemachtigde: C. Schravesande).

Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 4 januari 2016 geweigerd.

Bij besluit van 30 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De gronden zijn later ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. A.W. Rijn, als waarnemer van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser, voorheen werkzaam als productspecialist voor 38,3 uren per week bij [bedrijf A] te [plaats] , heeft zich op 6 januari 2014 vanuit de Werkloosheidswet ziek gemeld voor dit werk met psychische klachten. Aan eiser is na deze ziekmelding een ZW-uitkering toegekend. Eiser heeft op 14 oktober 2015 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet WIA, wat heeft geleid tot de onder ‘Procesverloop’ genoemde besluitvorming.

2. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiser op de in geding zijnde datum niet meer geschikt is voor het verrichten van zijn eigen arbeid maar wel voor het uitoefenen van andere, voor hem geselecteerde, functies. Op basis van die functies is het verlies aan verdiencapaciteit volgens verweerder 30,80 %, dat wil zeggen minder dan 35 %, waarmee eiser niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet WIA.

3. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert hiertoe -kort samengevat- aan dat de beslissing onzorgvuldig is voorbereid en onjuist is gemotiveerd. De beslissing is gestoeld op het expertiserapport van Psyon. Dit rapport bevat tegenstrijdigheden en de prognose is gebaseerd op wankele aannames.

4.1.

De rechtbank overweegt te dien aanzien het volgende. Uit het dossier blijkt dat eiser in het kader van zijn aanvraag is uitgenodigd voor het spreekuur bij de (verzekerings)arts op 20 november 2015, waar hij zowel lichamelijk als psychisch is onderzocht. Tevens heeft de (verzekerings)arts een expertise aangevraagd bij Psyon. Psychiater G.E.A. de Waard heeft op 9 december 2015 een onderzoek verricht en hiervan een verslag opgemaakt van 27 januari 2016. De (verzekerings)arts heeft kennis genomen van dit verslag. De (verzekerings)arts heeft voorts dossierstudie verricht en hierbij kennis genomen van een brief van de psycholoog van 25 november 2014, een brief van de neuroloog van 24 april 2015 en een brief van de psychiater van 8 mei 2015. Uit zijn rapport van 26 februari 2016 volgt dat de (verzekerings)arts tot de conclusie is gekomen dat eiser in verband met zijn duizeligheid wordt afgeraden om op hoogte en met gevaarlijke machines te werken. Verder acht hij eiser in verband met beperkte energie voor lopen en staan enigszins beperkt. Ook acht hij eiser op conflicthantering en samenwerken beperkt.

De verzekeringsarts heeft de beperkingen vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML).

4.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) heeft vervolgens aan de hand van de door eiser aangevoerde bezwaren de bevindingen van de (verzekerings)arts beoordeeld. De verzekeringsarts b&b heeft dossierstudie verricht en hierbij kennis genomen van het expertiserapport van Psyon van 27 januari 2016, brieven van de psycholoog van 6 april 2014, 23 juli 2014 en 25 november 2014, een brief van de neuroloog van 24 april 2015 en een brief van de psychiater van 8 mei 2015. Uit haar rapport van 16 november 2016 blijkt dat de verzekeringsarts b&b tot de conclusie is gekomen dat de schatting in de FML overeenkomt met haar bevindingen. Zij heeft in de medische gegevens geen aanleiding gezien om de medische problematiek anders in te schatten dan de verzekeringsarts heeft gedaan.

5. Met betrekking tot de medische beoordeling van het bestreden besluit heeft de rechtbank geen redenen gevonden om te oordelen dat het medisch onderzoek zoals vermeld onder 4.1 en 4.2 onjuist of onzorgvuldig is verlopen of dat de beperkingen van eiser niet juist zijn vastgelegd in de FML. In hetgeen door eiser is aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet op deugdelijke wijze heeft plaatsgevonden, de ter zake opgestelde rapportages inconsistenties bevatten of niet concludent zijn, dan wel dat de medische beoordeling onjuist is of dat aan de juistheid van deze beoordeling moet worden getwijfeld. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat de rapportage van Psyon een voldoende uitgebreide weergave van anamnese, klachtenpatroon en psychisch onderzoek bevat. Ook heeft de psychiater naar het oordeel van de rechtbank in zijn nadere brief van 27 januari 2016 afdoende gemotiveerd waarom eisers opmerkingen in zijn brief van 21 januari 2016 de psychiater geen reden heeft gegeven om wijzigingen in zijn rapport aan te brengen. De rechtbank heeft geen grond voor een ander oordeel. Uit haar rapport blijkt immers dat de verzekeringsarts b&b elke klacht van eiser heeft bezien in samenhang met het expertiserapport en de informatie van de behandelaars en dit geheel heeft meegewogen en vertaald naar de FML. Mede gelet hierop heeft de rechtbank ook geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen, zoals door eiser ter zitting is verzocht.

6. Aan de hand van de FML heeft de arbeidsdeskundige voor eiser de functies commercieel-administratief medewerker (sbc-code 516110), acquisiteur, verkoper (sbc-code 516180) en technisch werkvoorbereider, planner (sbc-code 521010) geduid. Als reserve zijn de functies schadecorrespondent, wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur, productiemedewerker textiel en keukenverkoper geselecteerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de functies heroverwogen en geschikt bevonden.

7. De rechtbank constateert dat eiser geen specifieke op de geduide functies gerichte gronden heeft aangevoerd. Uitgaande van de juistheid van de FML moet eiser in staat worden geacht de werkzaamheden die zijn verbonden aan deze functies te verrichten. Voor zover sprake is van signaleringen in de aan de schatting ten grondslag liggende functies, is door de arbeidsdeskundige in zijn brief van 3 augustus 2016 toereikend gemotiveerd waarom de geduide functies ondanks de signaleringen toch geschikt zijn voor eiser.

8. Aangezien eisers met het vervullen van de geduide functies een zodanig inkomen kan verwerven dat in vergelijking met het maatmanloon het verlies aan verdiencapaciteit 30,80 % bedraagt, heeft verweerder eiser terecht een WIA‑uitkering geweigerd.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van J.A. de Kievit-Tempels, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.