Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6141

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
08-06-2017
Zaaknummer
AWB 17/3391 en AWB 17/3392
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres komt uit Eritrea en heeft asiel aangevraagd. Zij heeft aangevoerd dat uitzetting en overdacht achterwege dient te blijven zolang het gelet op de gezondheidstoestand van haar niet verantwoord is om te reizen. Verder heeft zij gesteld dat er in Noorwegen sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen en verwijst ter onderbouwing naar nieuwsartikelen. Eiseres heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Uit de stukken blijkt namelijk niet dat sprake is van systematische tekortkomingen ten aanzien van de opvang of de asielprocedure. De medische voorzieningen in Noorwegen mogen van vergelijkbaar niveau worden verondersteld als in Nederland

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/03391 (beroep) en AWB 17/03392 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [persoonsnummer]

uitspraak met toepassing van de artikelen 8:54, eerste lid, en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het beroep en verzoek van

[de vrouw] ,

geboren op [geboortedatum] 1974, van Eritrese nationaliteit, eiseres/verzoekster, hierna te noemen: eiseres

(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 29 november 2016 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 niet in behandeling genomen.

Op 13 februari 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Bij brief van diezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de overdracht te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1. De rechtbank/voorzieningenrechter doet op grond van de artikelen 8:54 en 8:83 van de Awb uitspraak zonder zitting.

2. Eiseres komt uit Eritrea en heeft asiel aangevraagd. De invoer van de vingerafdrukken van eiseres heeft een resultaat opgeleverd in het Eurodac-systeem. Uit het Eurodac-systeem blijkt dat eiseres op 21 december 2009 in Noorwegen asiel heeft aangevraagd. Op 16 januari 2017 heeft verweerder de Noorse autoriteiten gevraagd eiseres terug te nemen. Noorwegen heeft de claim geaccepteerd op 17 januari 2017 op grond van artikel 18, eerste lid, aanheft en onder d, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening). Volgens verweerder staat met de acceptatie van het overnameverzoek de verantwoordelijkheid van Noorwegen voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres vast.

3. Eiseres voert aan dat zij medisch onderzocht dient te worden, alvorens een beslissing genomen kan worden. Uitzetting en overdracht dient derhalve achterwege te blijven zolang het gelet op de gezondheidstoestand van eiseres niet verantwoord is om te reizen. Verder stelt eiseres dat er in Noorwegen sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en verwijst ter onderbouwing naar nieuwsartikelen. Tevens is zij van oordeel dat de opvang in Noorwegen niet voldoet aan de vereisten als beschreven in de bepalingen van de Opvangrichtlijn.

4. Verweerder ziet geen aanleiding om ondanks de verantwoordelijkheid van Noorwegen toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

5.1

In principe kan Nederland erop vertrouwen dat als een lidstaat, in dit geval Noorwegen, ermee heeft ingestemd om iemand op grond van de Dublinverordening over te nemen, deze lidstaat garandeert dat de internationale verplichtingen zullen worden nagekomen. Indien eiseres stelt dat Noorwegen zijn internationale verplichtingen niet nakomt, is het aan haar om aannemelijk te maken dat Noorwegen zich niet aan zijn verdragsverplichtingen houdt. Anders dan in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 22 december 2016 (16/11984 en 16/11857), is de rechtbank van oordeel dat eiseres met de overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat Noorwegen zich niet houdt aan zijn internationale verplichtingen. Uit die stukken blijkt namelijk niet dat sprake is van systematische tekortkomingen ten aanzien van de opvang of de asielprocedure.

5.2

Ten aanzien van de stelling van eiseres dat zij door Noorwegen teruggestuurd zal worden naar Eritrea, is de rechtbank eens met het oordeel van verweerder dat de autoriteiten van Noorwegen middels het claimakkoord hebben gegarandeerd het onderhavige verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen, zoals bedoeld in artikel 2, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Van uitzetting is op dit moment nog geen sprake. Daarbij komt dat verweerder ook bij de uitzetting van eiseres ervan uit mag gaan dat Noorwegen zich aan zijn verdragsverplichtingen houdt.

5.3

Verweerder heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de medische voorzieningen in Noorwegen van vergelijkbaar niveau mogen worden verondersteld als in Nederland. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat behandeling in Noorwegen niet mogelijk is of dat Nederland het meest aangewezen land is om haar te behandelen. Uit het dossier blijkt bovendien dat eiseres een jaar geleden is geopereerd in Noorwegen. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om nader onderzoek te verrichten naar de medische situatie van eiseres.

5.4

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank daarom in de door eiseres aangevoerde omstandigheden in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien de aanvraag van eiseres op grond van artikel 17 van de Dublinverordening toch zelf te behandelen.

5.5

De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen reden waarom eiseres niet zou kunnen worden overgedragen aan Noorwegen. Het beroep is daarom ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

6. De gevraagde voorziening strekt er toe de overdracht te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 17/03391,

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 17/03392,

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. Boeree, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van D. Sevil, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: WGS

Coll.: DS

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.