Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6095

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
21-06-2017
Zaaknummer
16/26362
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Poolse, rechtmatig verblijf na drie maanden Unierecht, geen werknemer, onvoldoende middelen van bestaan,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/26362

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. M.P. de Boo).

Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht.

Bij besluit van 19 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2017.

Eiser is niet verschenen, hij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1978 en heeft de Poolse nationaliteit. Hij is op 16 maart 2016 geregistreerd als vreemdeling door de Koninklijke Marechaussee. De politie heeft eiser op 12 april 2016 en op 12 juli 2016 gehoord. Naar aanleiding hiervan heeft de politie, eenheid Midden-Nederland, verweerder voorgesteld om vast te stellen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft.

2. Verweerder heeft bij het primaire besluit vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 8.12, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb). Uit onderzoek is naar voren gekomen dat eiser niet staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP), hij geen werknemer dan wel zelfstandige is en hij ook niet staat ingeschreven voor een opleiding in Nederland. Hiermee is volgens verweerder vast komen te staan dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

3. Eiser voert in beroep aan dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft waarom er geconcludeerd is dat hij onvoldoende middelen van bestaan zou hebben. Eiser stelt dat uit het Suwi-overzicht blijkt dat hij wel degelijk inkomsten uit arbeid heeft gehad. Vervolgens dient dan naar de specifieke persoonlijke omstandigheden van eiser gekeken te worden om te beoordelen of die inkomsten voor eiser voldoende middelen van bestaan opleveren. Eiser verwijst hiervoor naar het arrest van het Hof van Justitie van 4 maart 2010 in de zaak Chakroun (C-578/08) en stelt dat dit in zijn geval ook toegepast kan worden. Eiser gaf bij zijn verhoor bij de politie namelijk aan dat hij nog wel geld op zijn rekening had en tevens dat zijn huurlasten € 300,- bedragen.

4. Ingevolge artikel 8.12, eerste lid, van het Vb heeft een burger van de Unie, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, langer dan drie maanden rechtmatig verblijf in Nederland op grond van het Unierecht in de volgende situaties:

  • -

    De burger is werknemer of zelfstandige, of de burger kan bewijzen dat hij werk zoekt en een reële kans daarop heeft;

  • -

    De burger heeft voor zichzelf en voor zijn gezin genoeg middelen om van te leven en hij heeft voor zichzelf en zijn gezin een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt; of

  • -

    De burger volgt onderwijs aan een Nederlandse onderwijsinstelling, hij heeft een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt en hij kan de zekerheid geven dat hij voor zichzelf en voor zijn gezin genoeg middelen heeft om van te leven.

Ingevolge B10/2/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) beschouwt de IND een burger van de Unie als werknemer of zelfstandige als deze reële en daadwerkelijke arbeid verricht. Van reële en daadwerkelijke arbeid is in ieder geval sprake als:

  • -

    de inkomsten uit arbeid meer bedragen dan 50% van de toepasselijke bijstandsnorm; of

  • -

    de burger van de Unie ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd werkt.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf na drie maanden, zoals neergelegd in artikel 8.12, eerste lid, van het Vb. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit het overzicht van Suwi-net, zoals dat is opgenomen in de tekst van het bestreden besluit, niet blijkt dat eiser reële en daadwerkelijke arbeid verricht heeft. Eiser verdiende ver onder de richtnorm van 50% van de bijstandsnorm voor alleenstaanden per 1 juli 2016. Eiser betwist voorts niet dat hij reeds ten tijde van het verhoor door de politie en ten tijde van verweerders besluitvorming geen werknemer of zelfstandige was, noch is door hem aannemelijk gemaakt dat hij een reële kans op werk heeft. Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit het onderzoek voldoende naar voren is gekomen dat eiser niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Eiser komt meermalen in de politiesystemen voor in verband met winkeldiefstal en is dakloos. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank niet in waarom verweerder, zoals eiser stelt, nader onderzoek zou moeten doen naar de vraag of de inkomsten die eiser heeft – waarvan aldus geen sprake is –, voor hem voldoende middelen van bestaan opleveren. Eiser volgt voorts geen opleiding in Nederland en beschikt niet over een zorgverzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt.

5.2.

Gezien het voorgaande is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. De overige beroepsgronden hoeven dan ook geen bespreking meer.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.