Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:6045

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-05-2017
Datum publicatie
30-06-2017
Zaaknummer
5410673 CV EXPL 16-5490
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres drijft een zorgonderneming en verleent in de periode maart tot en met mei 2016 zorg aan een verzekerde van Zilveren Kruis. De verzekerde draagt haar aanspraken op Zilveren Kruis aan eiseres over. Deze declareert bij Zilveren Kruis maar betaling wordt geweigerd. De kantonrechter wijst de vordering voor zover deze betrekking heeft op de periode tot eind april 2016 af omdat eiseres toen nog geen toegelaten zorginstelling was in de zin van de Wet Toelating Zorginstellingen. Voor de periode daarna (tot eind mei 2016) wordt de vordering afgewezen omdat het cessieverbod uit de polisvoorwaarden van Zilveren Kruis in dit geval ook werking tegen derden (waaronder eiseres) heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3396
GZR-Updates.nl 2017-0267 met annotatie van B.A. van Schelven
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Leiden

EJM

Rolnr.: 5410673 CV EXPL 16-5490

Datum: 31 mei 2017

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Monarch Care B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

eisende partij,

gemachtigde: mr. A.L. Miedema,

tegen

de naamloze vennootschap Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V.,

statutair gevestigd te Utrecht en (tevens) kantoorhoudende te Leiden,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. G.A. van den Berg.

Eiseres wordt aangeduid als “Monarch” en gedaagde als “Zilveren Kruis”.

Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 21 september 2016 met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties,

Na conclusie van antwoord is een inlichtingen- en schikkingscomparitie gelast.

De comparitie is gehouden op 16 februari 2017. De gemachtigden hebben pleitaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde is aantekening gehouden. Voorafgaande aan de comparitie heeft Monarch nog een aantal producties in het geding gebracht. Vervolgens is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

Feiten

Op grond van de onweersproken inhoud van de stukken en wat ter zitting is besproken gaat de kantonrechter van het volgende uit.

Monarch exploiteert sinds begin maart 2016 een zorgonderneming.

Monarch is op 7 maart 2016 een zorgovereenkomst aangegaan met [betrokkene] te Utrecht (hierna: [betrokkene]). Blijkens de overgelegde zorgovereenkomst betreft het de volgende zorg: WLZ Persoonlijke verzorging en gaat het om zorg gedurende 8 uur per dag (4 uur ‘s morgens en 4 uur ’s middags).

[betrokkene] was toentertijd voor zorgkosten verzekerd bij Zilveren Kruis.

Monarch is blijkens een bericht in de Staatscourant van 9 juni 2016 bij beschikking van 29 april 2016 toegelaten als zorginstelling in de zin van de Wet Toelatingen Zorginstellingen (WTZi).

Blijkens de door Monarch overgelegde stukken heeft [betrokkene] op 5 juni 2016 een machtiging ondertekend waarin zij Monarch last en volmacht geeft tot het direct innen van haar facturen bij Zilveren Kruis. Daarnaast heeft [betrokkene] op 4 juli 2016 een akte van cessie ondertekend waarbij zij Monarch volmacht verleent om tot aan de beëindiging van de zorgovereenkomst de declaratie met de zorgverzekeraar Zilveren Kruis af te handelen. In deze akte verklaart zij verder dat zij haar vorderingen op de zorgverzekeraar met deze akte van cessie overdraagt aan Monarch.

Bij brief van 6 juni 2016 heeft Monarch Zilveren Kruis betaling verzocht van een drietal facturen (ook gedateerd op 6 juni 2016) voor geleverde zorg aan [betrokkene]. Het betreft zorg die is verleend in de periode van week 10 tot en met week 21 van 2016. Het gaat om driemaal en bedrag van € 7.311,36, derhalve in totaal een bedrag van € 21.934,08 (in de stukken wordt gesproken over € 21.928,42, maar dit zal een verschrijving zijn, kantonrechter). Monarch zond verder de hiervoor genoemde machtiging mee.

Bij brief van 6 juli 2016 heeft Monarch aan Zilveren Kruis opnieuw om betaling verzocht. Bij deze brief heeft Monarch onder meer de akte van cessie en een aanvullend zorgplan meegezonden.

Bij e-mailbericht van 4 augustus 2016 aan een medewerker van Zilveren Kruis laat Monarch onder meer weten dat zij geen betaalovereenkomst met Zilveren Kruis heeft en dat het bij mevrouw [betrokkene] om zogenaamde ongecontracteerde zorg is gegaan. Monarch deelt mee dat haar is gebleken dat ondanks de toegezonden volmacht en akte van cessie Zilveren Kruis de eerste factuur aan [betrokkene] heeft betaald en niet aan Monarch. Zij verzoekt Zilveren Kruis geen betalingen meer te doen aan [betrokkene].

Na verder e-mailverkeer bericht de gemachtigde van Monarch bij brief van 11 augustus 2016 aan Zilveren Kruis, onder verwijzing naar de akte van cessie en met verwijzing naar rechterlijke uitspraken dat, nu betrokkene als gevolg van persoonlijke omstandigheden zelf niet de afhandeling van de declaraties ter hand kan nemen, betaling van de zorgfacturen alleen aan Monarch bevrijdend kan plaatsvinden. Deze brief wordt gevolgd door een brief met ingebrekestelling van 25 augustus 2016. Daarbij wordt aanspraak gemaakt op de hiervoor bedoelde hoofdsom, wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten, in totaal een bedrag van € 23.364,50.

Bij e-mailbericht van 31 augustus 2016 bericht Zilveren Kruis aan Monarch dat niet tot betaling aan haar zal worden overgegaan. Daarbij wordt verwezen naar, kort samengevat, het cessieverbod dat in de polisvoorwaarden is opgenomen. Voorts wordt opgemerkt dat een eventuele rechterlijke uitspraak in een andere kwestie hieraan niet afdoet. Tevens wijst Zilveren Kruis erop dat aan de verzekerde is betaald. In vervolg hierop is ter zitting namens Zilveren Kruis meegedeeld dat aan [betrokkene] een bedrag van ongeveer € 10.000,00 is betaald.

Partijen hebben na augustus 2016 daarna via de e-mail hun wederzijdse standpunten herhaald en nader toegelicht.

Vordering en verweer

Monarch vordert dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Zilveren Kruis zal worden veroordeeld aan haar te voldoen een bedrag van € 23.364,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2016 en met veroordeling van Zilveren Kruis in de kosten van het geding, waaronder de daadwerkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand.

Monarch legt aan haar vordering ten grondslag dat Zilveren Kruis toerekenbaar te kort is geschoten in de uitvoering van de verzekeringsovereenkomst die zij met [betrokkene] heeft en waarvan gezien de akte van cessie Monarch tot het vorderen van nakoming bevoegd is.

Zilveren Kruis bestrijdt dat sprake is van wanprestatie. Zij voert aan dat Monarch primair niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering omdat er tussen Monarch en Zilveren Kruis geen contractuele relatie bestaat. Zilveren Kruis wijst er daarbij op dat er geen zorgovereenkomst of betaalovereenkomst tussen haar en Monarch bestaat en dat er daarom geen sprake kan zijn van een tekortkoming in de nakoming. Subsidiair voert Zilveren Kruis aan dat Monarch niet-ontvankelijk is in haar vordering omdat het haar verzekerden niet is toegestaan een vordering op haar via cessie over te dragen.

Ten slotte wordt meer subsidiair aangevoerd dat Zilveren Kruis niet gehouden is tot betaling, nu niet vaststaat dat Monarch rechtmatige en doelmatige zorg heeft geleverd.

Beoordeling

Beoordeeld dient te worden of Monarch op grond van de tussen [betrokkene] en Zilveren Kruis bestaande verzekeringsovereenkomst recht heeft op vergoeding van de door haar verleende diensten.

De kantonrechter overweegt dat de Zorgverzekeringswet in artikel 11 een tweetal modaliteiten kent voor het vormgeven van de zorgplicht van de zorgverzekeraar. De verzekerde kan recht hebben op prestaties bestaande uit de zorg of de overige diensten waaraan hij behoefte heeft of recht hebben op vergoeding daarvan. Het gaat dan om respectievelijk een verzekering voor zorg in natura en een verzekering op basis van restitutie.

In het onderhavige geval staat vast dat [betrokkene] bij Zilveren Kruis is verzekerd op basis van een zogenaamde Basis Zeker-polis. Dit is een naturapolis. In beginsel dient [betrokkene] derhalve de zorg te betrekken bij zorgaanbieders met wie Zilveren Kruis een zorgovereenkomst heeft gesloten.

Ook staat vast dat tussen Monarch en Zilveren Kruis geen zorgovereenkomst tot stand is gekomen. In geval [betrokkene] vergoeding van de door Monarch geleverde zorg wenst, dan betreft het zogenaamde niet-gecontracteerde zorg. Zoals uit artikel 4 van de algemene voorwaarden basisverzekeringen van Zilveren Kruis blijkt, kan het tarief dat wordt vergoed in dat geval lager zijn dan bij een zorgverlener waarmee Zilveren Kruis wel een contract heeft.

De kantonrechter stelt het volgende voorop. Volgens artikel 5 van de Wet Toelatingen Zorginstellingen (WTZi) dient, kort samengevat, een zorginstelling die zorg verleent in, onder andere, het kader van de Zorgverzekeringswet, toegelaten te zijn door de Minister. Blijkens het door Zilveren Kruis overgelegde bericht in de Staatscourant van 9 juni 2016 is Monarch eerst bij beschikking van 29 april 2016 toegelaten als instelling voor persoonlijke verzorging en begeleiding als bedoeld in artikel 1.2. van het Uitvoeringsbesluit WTZi onder 17 en 19. Monarch heeft ter zitting bevestigd dat er inderdaad eerst per genoemde datum sprake is van toelating zoals vorenbedoeld.

De vordering van Monarch voor zover deze betrekking heeft op de vergoeding voor werkzaamheden die zijn verricht vóór 29 april 2016 (week 16) stuiten naar het oordeel van de kantonrechter reeds af op het feit dat Monarch tot deze datum geen toegelaten zorginstelling in de zin van de WTZi was en dit als voorwaarde geldt om als zorginstelling voor vergoeding in het kader van de Zorgverzekeringswet in aanmerking te komen.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat nog ter beoordeling staat de vordering voor zover deze betrekking heeft op de periode van 29 april 2016 tot en met 29 mei 2016.

Zilveren Kruis heeft aangevoerd dat de vordering van Monarch dient te worden afgewezen omdat er geen contractuele relatie tussen partijen bestaat nu Monarch geen partij is bij de verzekeringsovereenkomst tussen haar en [betrokkene]. Deze stelling wordt door de kantonrechter op grond van het volgende verworpen, nu Monarch zich erop beroept dat zij uit hoofde van cessie in de rechten van [betrokkene] is getreden en uit dien hoofde de onderhavige vordering instelt. Voorts is aan de voorwaarden van cessie voldaan nu er sprake is van een door Monarch en [betrokkene] ondertekende overeenkomst (akte), welke overeenkomst aan Zilveren Kruis bekend is gemaakt.

De kern van het geschil tussen partijen is of [betrokkene] op basis van cessie haar vordering op Zilveren Kruis aan Monarch kon overdragen. Zilveren Kruis meent van niet en beroept zich daarbij op artikel 5.4, laatste twee volzinnen, van de polisvoorwaarden. Deze luiden in de versie van deze polisvoorwaarden zoals deze golden per 1 januari 2016, als volgt:

“De vergoeding waar u recht op heeft, betalen wij altijd aan u (verzekeringnemer) op het rekeningnummer (IBAN) dat bij ons bekend is. U kunt ( onderstreping, kantonrechter ) uw vordering op ons niet aan derden overdragen.”

Volgens deze voorwaarden wordt de vergoeding waar de verzekerde recht op heeft altijd aan de verzekeringsnemer betaald en kan de vordering niet aan derden worden overgedragen (cessieverbod).

Volgens vaste rechtspraak (onder andere in het Coface/Intergamma-arrest) heeft het volgende uitgangspunt te gelden:

( a) dat een contractueel verbod tot overdracht of verpanding - dat naar zijn aard mede is bestemd om de rechtspositie te beïnvloeden van derden die de bedoeling van de contracterende partijen niet kennen, en dat ertoe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen - dient te worden uitgelegd naar objectieve maatstaven, met inachtneming van de Haviltexmaatstaf (zie HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493); en

( b) dat als uitgangspunt bij de uitleg van bedingen die de overdraagbaarheid van een vorderingsrecht uitsluiten, moet worden aangenomen dat zij uitsluitend verbintenisrechtelijke werking hebben, tenzij uit de - naar objectieve maatstaven uit te leggen - formulering daarvan blijkt dat daarmee goederenrechtelijke werking als bedoeld in art. 3:83 lid 2 BW is beoogd.

Het komt er in het onderhavige geval dus op aan vast te stellen of het in de polisvoorwaarden vastgelegde verbod goederenrechtelijke (en dus ook tegen derden als Monarch) werking heeft en dat is naar het oordeel van de kantonrechter het geval. In artikel 5.4 van de polisvoorwaarden is bepaald dat [betrokkene] de vordering niet kan overdragen. Dat betekent, gelet op de gebezigde bewoording “kan”, dat de vordering zelf onoverdraagbaar is. Een vervreemding in strijd met dit beding raakt dus in dit geval geldigheid van de overdracht. Dat had anders kunnen zijn wanneer in de polisvoorwaarden bijvoorbeeld had gestaan dat [betrokkene] de vordering niet mag (onderstreping, kantonrechter) overdragen. Nu van een rechtsgeldige overdracht geen sprake is, dient de vordering van Monarch over de periode van 29 april tot 29 mei 2016 te worden afgewezen.

Hetgeen Zilveren Kruis overigens als verweer heeft aangevoerd kan, gelet op voorgaande uitkomst, verder onbesproken blijven.

Als de in het ongelijk gestelde partij dient Monarch in de kosten van deze procedure te worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vorderingen van Monarch af;

- veroordeelt Monarch in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Zilveren Kruis tot op deze uitspraak vastgesteld op € 800,00 aan salaris voor haar gemachtigde, een en ander onverminderd de eventueel over de proceskosten verschuldigde BTW.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. E.J. van der Molen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 mei 2017.