Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:5996

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-06-2017
Datum publicatie
16-06-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 10019
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland, eiser betwist in Duitsland te zijn geweest, onvoldoende aanknopingspunten om aan Eurodac resultaat te twijfelen, ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/10019

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Talsma).

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat volgens verweerder Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van deze aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. P.J. Schüller, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen D.J. Doets, als tolk.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Soedanese nationaliteit. Op 16 februari 2017 heeft hij onderhavige asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening). Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 26 oktober 2016 in Duitsland en op 13 februari 2017 in Luxemburg een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Uit dactyloscopisch onderzoek is gebleken dat eiser op 27 oktober 2016 in Duitsland een verzoek een internationale bescherming heeft ingediend onder de personalia [persoon] , geboren op [geboortedatum] van Tsjadische nationaliteit. Op 15 december 2016 is het verzoek door de Duitse autoriteiten afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is op 19 januari 2017 eveneens afgewezen. Gelet op de beschikbare informatie zijn de Duitse autoriteiten op 9 maart 2017 gevraagd om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Zij hebben hiermee ingestemd op 13 maart 2017.

3.1

Eiser is het niet met verweerder eens dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Hij ontkent in Duitsland dan wel Luxemburg te zijn geweest en ooit een identiteit als [persoon] , van Tsjadische nationaliteit, te hebben opgegeven. Eiser voert aan dat aan het Eurodac systeem geen absolute bewijswaarde kan worden gehecht, zoals deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, ook heeft geoordeeld in een uitspraak van 18 augustus 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:14102). Onduidelijk is op hoeveel punten de vingerafdrukken met elkaar worden vergeleken en vanwege de geheimhouding van de werking van het algoritme kan niet vastgesteld worden hoe gevoelig dit is. Niet is uitgesloten dat ook sprake kan zijn van zogeheten ‘fout-positieven’. Dat de Duitse autoriteiten volgens verweerder juist en volledig zijn geïnformeerd acht eiser niet relevant, nu de Duitse autoriteiten geen invloed hebben op het algoritme van het Eurodac systeem. Verweerders motivering op dit punt is volgens eiser dan ook gebrekkig. Eiser voert aan dat hij voldoende concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd om in dit geval te twijfelen aan de juistheid van het Eurodac resultaat en het dactyloscopisch onderzoek. Behalve dat hij ontkent in Duitsland te zijn geweest en een andere naam heeft dan degene met wie zijn vingerafdrukken zouden matchen, heeft hij ter zitting ook betoogd duidelijk niet uit Tsjaad afkomstig te zijn, omdat hij geen Frans maar Soedanees Arabisch spreekt en ook niet de uiterlijke kenmerken heeft van iemand afkomstig uit Tsjaad. Primair voert eiser aan dat verweerder hierdoor op grond van zijn vergewisplicht gehouden was om nader onderzoek te doen, door bijvoorbeeld bij de Duitse autoriteiten navraag te doen of [persoon] nog in Duitsland verblijft of inmiddels is uitgezet. Subsidiair voert eiser aan dat hij, met het oog op een eerlijke procesvoering en het beginsel van equality of arms, door verweerder in de gelegenheid gesteld had moeten worden om een contra-expertise te laten uitvoeren. Hij baseert dit recht op artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 52, derde lid, van het Handvest, gelezen in het licht van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dat artikel 6 van het EVRM niet van toepassing zou zijn op deze zaak, is met de invoering van het Handvest achterhaald. Meer subsidiair wenst eiser dat de rechtbank onderhavige beroepsprocedure aanhoudt en de door hem verzochte voorlopige voorziening toewijst, zodat hij binnen deze beroepsprocedure de gelegenheid krijgt toezending van de vingerafdrukken af te wachten, een procedure om bekostiging van een contra-expertise bij het COA te doorlopen en een contra-expertise te laten uitvoeren. Eiser heeft reeds per e-mail aan de autoriteiten van Duitsland en Luxemburg verzocht om de vingerafdrukken waarmee zijn vingerafdrukken zijn gematcht.

3.2

De rechtbank is van oordeel dat gezien het systeem van controle en registratie in Eurodac er in beginsel van uit mag worden gegaan dat eiser in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan en hierop is beslist. Eisers geuite twijfel over de hoeveelheid punten waarop de vingerafdrukken met elkaar worden vergeleken en over de gevoeligheid van het algoritme, vormt geen reden om te twijfelen aan de wijze waarop het Eurodac systeem werkt. Ook in het specifieke geval van eiser is niet gebleken dat het Eurodac resultaat niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Uit het dossier volgt dat verweerder op 16 februari 2016 het Eurodac systeem heeft bevraagd naar matches met eisers vingerafdrukken. Hieruit kwam naar voren dat eiser eerder in Duitsland en Luxemburg heeft verzocht om internationale bescherming. Verweerder heeft vervolgens contact opgenomen met de Duitse autoriteiten met het verzoek een dactyloscopisch onderzoek uit te voeren naar de volgens de Eurodac registratie overeenkomende vingerafdrukken. Op 20 februari 2017 heeft een Nederlandse verbindingsambtenaar in Duitsland aangegeven dat de uitslag van dit onderzoek positief is. Een man met dezelfde vingerafdrukken en geboortedatum als eiser heeft volgens de Duitse autoriteiten onder andere personalia een asielprocedure doorlopen in Duitsland.

3.3

De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat aan het Eurodac resultaat geen absolute bewijswaarde kan worden gehecht. In geval van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid hiervan, kan verweerder zijn besluit niet hierop baseren zonder eerst nader onderzoek te doen. Het ligt, als een vreemdeling stelt dat de registratie in Eurodac onjuist is, echter wel op de weg van de vreemdeling om het tegendeel van die Eurodac-registratie aannemelijk te maken. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser hierin niet is geslaagd. De ontkenning dat hij ooit in Duitsland dan wel Luxemburg is geweest, is onvoldoende. Van eiser mogen inspanningen worden verwacht om op zijn minst een begin van bewijs te leveren waardoor twijfel ontstaat over zijn verblijf in Duitsland, door bijvoorbeeld bewijs te overleggen van zijn stelling dat hij via Italië en Frankrijk naar Nederland is gereisd. Eisers stelling dat hij verschilt van personen afkomstig uit Tsjaad, maakt niet dat hij zich in Duitsland niet als zodanig gepresenteerd zou hebben. Anders dan eiser betoogt, heeft verweerder daarbij wel van belang mogen achten dat de Duitse autoriteiten het terugnameverzoek hebben geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening, terwijl in het claimverzoek uitdrukkelijk is vermeld dat eiser zelf ontkent in Duitsland te zijn geweest. Behalve het Eurodac resultaat was ook een foto van eiser bij het terugnameverzoek bijgevoegd.

3.4

Gelet op het hiervoor geconstateerde gebrek aan concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het Eurodac resultaat, is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om hier nader onderzoek naar te doen. De Afdeling bestuursrecht van de Raad van State heeft overeenkomstig geoordeeld in de door verweerder in het bestreden besluit aangehaalde uitspraak van 20 maart 2002 (ECLI:NL:RVS:2002:AE2344). Verder heeft eiser op grond van de Eurodacverordening het recht om de hem betreffende gegevens uit Eurodac op te vragen, zodat hij hier een contra-expertise naar kan laten uitvoeren. Gelet op het ontbreken van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het Eurodac resultaat, volgt de rechtbank eiser echter niet in zijn subsidiaire standpunt dat verweerder gehouden was met zijn besluitvorming hierop te wachten. Om dezelfde reden ziet de rechtbank geen aanleiding de behandeling van dit beroep aan te houden in afwachting hiervan.

4.
Het beroep is ongegrond

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.