Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:5933

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-06-2017
Datum publicatie
16-06-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 9796
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië, afhankelijk van familieleden in Nederland niet onderbouwdbroer, oom en schoonzussen in Nederland

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/9796

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. K. Yousef),

en

de staatsecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Talsma).

Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat volgens verweerder Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van deze aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig eisers broer en N. Zenouf, als tolk.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1980 en heeft de Syrische nationaliteit. Op 13 januari 2017 heeft hij onderhavige asielaanvraag ingediend. Zijn echtgenote en kinderen verblijven in een vluchtelingenkamp in Libanon.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening). Uit Eurodac is gebleken dat eiser de buitengrens van de lidstaten die gebonden zijn aan de Eurodacverordening op 30 december 2016 op illegale wijze heeft overschreden via Italië. Gelet op de beschikbare informatie zijn de autoriteiten van Italië op 8 februari 2017 gevraagd om eiser over te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening. Omdat de autoriteiten van Italië niet tijdig op het verzoek hebben gereageerd, staat sinds 9 april 2017 de verantwoordelijkheid van Italië vast.

3.1

Eiser voert aan dat verweerder de behandeling van zijn asielaanvraag aan zich had moeten trekken. In Nederland verblijven zijn broer, oom en twee schoonzussen, terwijl in Italië geen enkel familielid van eiser verblijft. Eiser stelt afhankelijk te zijn van de zorg van zijn broer in Nederland, om de oorlog in Syrië en het verlies van naasten hierdoor te verwerken. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening, dan wel artikel 17 van de Dublinverordening had verweerder de behandeling van zijn aanvraag daarom aan zich moeten trekken.

3.2

De rechtbank begrijpt eisers wens om in hetzelfde land als zijn familieleden te verblijven. Eisers broer heeft ter zitting verklaard tijdens de oorlog veel samen meegemaakt te hebben. Eiser zou hem ook verzorgd hebben, toen hij door de oorlog gewond was geraakt. Voor zover eiser ter zitting zijn beroep op artikel 16 van de Dublinverordening heeft gehandhaafd, kan dit evenwel niet slagen. Uit de tekst van het eerste lid van dit artikel blijkt dat dit ziet op afhankelijkheid wegens een zwangerschap, pasgeboren kind, ernstige ziekte, zware handicap of hoge leeftijd. Niet in geschil is dat hiervan geen sprake is. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt een hiermee vergelijkbare afhankelijkheid van de zorg van zijn broer te hebben. Verweerder heeft terecht betrokken dat eiser tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard niet afhankelijk te zijn van zijn familieleden en dat eiser niet met documenten heeft onderbouwd zorgbehoevend te zijn. Voorts heeft verweerder zich in het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet maken dat overdracht van eiser tot onevenredige hardheid getuigt. Dat eisers in Nederland verblijvende oom onder behandeling staat bij de GGZ is hiervoor onvoldoende. Dat eiser graag bij zijn broer zou verblijven vanwege de geschiedenis die zij stellen te delen, maakt, terughoudend toetsend, evenmin dat verweerder niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Hierbij merkt de rechtbank op dat eerst ter zitting eisers broer een aanvang heeft gemaakt met de duiding van hun band. Verweerder heeft mogen besluiten de behandeling van eisers asielaanvraag niet onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.

4.1

Eiser voert verder aan dat het bestreden besluit is gebaseerd op een claimakkoord dat is gebaseerd op gebrekkige informatievoorziening door verweerder. Verweerder heeft onvoldoende zorgvuldig gehandeld door in het claimverzoek geen melding te maken van het feit dat de broer en oom van eiser en twee zussen van zijn echtgenote in Nederland wonen en dat eiser naar Nederland is gekomen voor deze familieleden. Ook de afhankelijkheidsrelatie met zijn broer had verweerder moeten vermelden. Hierdoor kleeft volgens eiser een zorgvuldigheidsgebrek aan het bestreden besluit. Ter onderbouwing verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 25 november 2013 (ECLI:NL:RBOVE:2013:2860).

4.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij de Italiaanse autoriteiten niet op de hoogte heeft hoeven stellen van eisers beroep op een afhankelijkheidsrelatie als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij de door verweerder in het bestreden besluit aangehaalde uitspraak van 17 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3822) heeft geoordeeld, volgt dit niet uit artikel 16 van de Dublinverordening, gelezen in samenhang met punt 16 van de preambule. Uit artikel 21, derde lid, van de Dublinverordening volgt alleen dat het overnameverzoek relevante elementen uit de verklaring van de vreemdeling moet bevatten aan de hand waarvan de autoriteiten van de aangezochte lidstaat kunnen nagaan of deze lidstaat op grond van de criteria van de Dublinverordening verantwoordelijk is. Artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening, valt echter niet onder die criteria als genoemd in hoofdstuk III van de Dublinverordening op grond waarvan een aangezochte lidstaat kan bepalen of hij terecht verantwoordelijk wordt gesteld, zodat verweerder niet verplicht is om de gestelde afhankelijkheidsrelatie met, in dit geval, de Italiaanse autoriteiten te delen. Voor zover verder in punt 16 van de preambule staat dat het bestaan van een afhankelijkheidsrelatie een bindend verantwoordelijkheidscriterium is, betekent dit dat indien sprake is van een afhankelijkheidsrelatie de desbetreffende lidstaat de behandeling van het verzoek aan zich moet trekken. Het is aan Nederland om te toetsen of sprake is van een afhankelijkheidsrelatie als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening, temeer nu Italië niet in een positie is om zich een oordeel te vormen over de gestelde afhankelijkheid tussen de in Nederland verblijvende broer en eiser. Voor de beoordeling van eisers beroep op artikel 17 van de Dublinverordening geldt naar het oordeel van de rechtbank hetzelfde. Eisers beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 25 november 2013, kan niet slagen nu in die zaak gezinsleden als bedoeld in de Dublinverordening in Nederland verbleven. Het informeren van de Italiaanse autoriteiten hiervan was daarom, anders dan in het geval van eiser, wel relevant voor de beoordeling welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.

5.1

Eiser voert verder aan dat Italië zich niet aan zijn internationale verplichtingen houdt en daarom niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij stelt dat de asielprocedure in Italië veel gebreken vertoont. Asielzoekers moeten in erbarmelijke omstandigheden leven, krijgen geen opvang en hebben geen toegang tot rechtshulp. Hierdoor is het volgens eiser ook niet uitgesloten dat Italië zich schuldig maakt aan ‘indirect refoulement’. Ter onderbouwing heeft eiser in beroep een brief overgelegd van VluchtelingenWerk Nederland van 6 februari 2017, waarin informatie uit verschillende bronnen is opgenomen die is verschenen na het stuk "Veelgestelde vragen Dublin Italië" van oktober 2015. Daarnaast heeft eiser rapporten aangehaald uit 2012 en 2013.

5.2

De Afdeling heeft in de door verweerder in het bestreden besluit aangehaalde uitspraak van 10 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2278), na het betrekken van jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, geoordeeld dat ten aanzien van Italië nog steeds uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Bij dit oordeel heeft de Afdeling het stuk van VluchtelingenWerk Nederland "Veelgestelde vragen Dublin Italië" van oktober 2015 betrokken. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser met de door hem ingeroepen rapporten niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Italië thans wel sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, die ernstige gronden vormen om aan te nemen dat eiser een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest. Voor zover de door eiser aanhaalde rapporten dateren van na voornoemde jurisprudentie en niet enkel zien op de positie van vrouwen, minderjarigen en de overzeese oversteek, geven deze hiervoor geen aanleiding.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.