Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:5852

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-06-2017
Datum publicatie
01-06-2017
Zaaknummer
09/852029-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte wegens schending van het vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/852029-17

Datum uitspraak: 1 juni 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 18 mei 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van het standpunt van de officier van justitie, mr. I. Doves en van hetgeen door de raadsman van de verdachte, mr. A.P. Stipdonk, advocaat te Leiden, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 oktober 2016 te Leiden, tezamen en in vereniging

althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een voetgangersoversteekplaats

(gelegen op de [straatnaam] ) heeft geverfd, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan Gemeente Leiden, in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk

(rode/oranje) verf aan te brengen op/over voornoemde

voetgangersoversteekplaats.

3 Voorvragen

3.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat aan de verdachte en zijn medeverdachten te kennen is gegeven dat de officier van justitie heeft besloten om geen strafrechtelijke vervolging in te stellen, maar dat mediation zal plaatsvinden, door middel van een gesprek met een vertegenwoordiger van de gemeente Leiden en van het COC. Verdachten is te kennen gegeven dat bij het niet nakomen van de afspraken alsnog een strafrechtelijk traject zou worden ingezet. Verdachte en zijn medeverdachten hebben in vervolg daarop met COC Leiden gesproken en excuses gemaakt die ook zijn geaccepteerd. Voorts hebben zij afgesproken een seminar over diversiteit te organiseren en is de gemeente schadeloos gesteld. Desondanks is het openbaar ministerie alsnog tot vervolging overgegaan. Daarmee heeft het openbaar ministerie het vertrouwensbeginsel geschonden. De verdachte heeft er immers op vertrouwd, en heeft er ook op mogen vertrouwen, dat hij niet zou worden vervolgd. Niet is gebleken van zwaarwegende belangen of van nieuwe feiten of omstandigheden die zich verzetten tegen het honoreren van dit gewekt vertrouwen.

3.2

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat mediation niet per definitie betekent dat een zaak zal worden geseponeerd. Ook na een geslaagde mediation kan een verdachte worden gedagvaard, zo blijkt uit artikel 51h Wetboek van Strafvordering (Sv).

Bovendien is een voorwaarde voor mediation dat partijen moeten instemmen en moeten meewerken. De verdachte en zijn medeverdachten hebben echter niet meegewerkt. Zij hebben in hun verhoor bij de politie immers nauwelijks openheid van zaken gegeven.

Verder is uit het onderzoek nieuwe informatie naar voren gekomen. Zo is gebleken dat een van de verdachten een hakenkruis op zijn borst had getekend en is duidelijk geworden dat de verdachten zich er bewust van waren dat het zebrapad een symbool was van tolerantie en solidariteit. Ook is gebleken dat zij hebben gehandeld op basis van een opdrachtenlijst. Op die lijst stonden ook andere discriminerende opdrachten, hetgeen de vraag heeft doen rijzen of ook anderen strafrechtelijk verantwoordelijk kunnen worden gehouden. Tevens is uit nader onderzoek gebleken dat het voorval van 17 oktober 2016 veel verder ging dan hetgeen reeds uit eerder onderzoek was gebleken. Het was een statement tegen homoseksuelen en joden. Deze nieuwe informatie heeft ertoe geleid dat het openbaar ministerie op de eerdere toezegging is teruggekomen en dat is in de gegeven omstandigheden ook toegestaan. Indien dit een schending van het vertrouwensbeginsel oplevert, dan was deze schending niet doelbewust of zodanig dat de belangen van de verdachte zijn geschaad door hem uiteindelijk te dagvaarden.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat de beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan, zich slechts in zeer beperkte mate leent voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Zo’n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd.

In de onderhavige zaak is uit het dossier het volgende gebleken. Op 24 oktober 2016 is namens de verdachten op het politiebureau een brief afgegeven waarin zij hebben bekend dat zij het zebrapad hebben vernield. Voorts hebben zij in de brief hun spijt betuigd en hebben zij verklaard dat zij bereid zijn de schade te vergoeden. Op 25 oktober 2016 heeft [verbalisant] overleg gehad met officier van justitie mr. M. Fikenscher en met haar de zaak besproken. Zij hebben de verschillende afhandelingen van het incident besproken en uit dit overleg kwam naar voren dat mediation door middel van een gesprek met een vertegenwoordiger van de gemeente Leiden en het vergoeden van de schade de beste oplossing was. De verbalisant heeft vervolgens contact opgenomen met de [medeverdachte] , die dit met alle medeverdachten zou bespreken. De verbalisant heeft hierbij aangegeven dat bij het niet nakomen van de afspraken alsnog een strafrechtelijk traject zou worden ingezet. Op 26 oktober 2016 heeft [medeverdachte] aangegeven dat de verdachten akkoord gingen met mediation.

Uit het dossier blijkt voorts dat de verdachten inmiddels hebben gesproken met de gemeente en het COC en dat de schade is vergoed. Ook zou er op [naam] , de studentenvereniging van de verdachten, een symposium georganiseerd worden met als onderwerp acceptatie en diversiteit.

De rechtbank is van oordeel dat door de hiervoor beschreven gang van zaken sprake was van een namens het openbaar ministerie gedane toezegging aan de verdachte en zijn medeverdachten dat zij niet zouden worden vervolgd indien de gemaakte afspraken werden nagekomen. De verdachten mochten op deze toezegging vertrouwen en hebben dat ook gedaan, door gesprekken met de gemeente Leiden en het COC te voeren, de schade te vergoeden en een seminar te organiseren. Door alsnog tot vervolging over te gaan, heeft het openbaar ministerie in strijd gehandeld met de gedane toezegging en het vertrouwensbeginsel geschonden.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of sprake was van feiten en omstandigheden die rechtvaardigden dat ondanks het gewekte vertrouwen alsnog tot vervolging zou worden overgegaan. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De door de officier van justitie aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden zijn niet van dien aard dat het openbaar ministerie mocht terugkomen op de gedane toezegging.

De rechtbank verwerpt het standpunt van de officier van justitie dat de verdachten de afspraken voor mediation niet zijn nagekomen, doordat zij geen openheid hebben gegeven in hun politieverhoren. De afspraken over mediation zijn door het openbaar ministerie reeds met verdachten gemaakt vóórdat de verdachten door de politie zijn verhoord. Indien het openbaar ministerie de houding van de verdachten tijdens het politieverhoor wilde meewegen bij de verdere afdoening van de zaak, had het deze verhoren moeten afwachten voordat een toezegging werd gedaan. De omstandigheid dat het openbaar ministerie later mogelijk anders over de afdoening van de zaak is gaan denken, mag indien reeds toezeggingen aan verdachten zijn gedaan in beginsel niet nadelig uitwerken voor de verdachten.

Ook de omstandigheden dat een van de verdachten een hakenkruis op zijn borst heeft getekend, dat het voorval een statement tegen homoseksuelen en joden was en dat de verdachten zich daar ook bewust van waren, kunnen niet leiden tot het oordeel dat vervolging in strijd met de gedane toezegging alsnog gerechtvaardigd was, omdat dit geen nieuwe informatie betreft. Deze feiten waren ten tijde van het maken van de mediation-afspraak met verdachten immers al bekend, nu zij zijn terug te zien op de eerste camerabeelden van het voorval, afkomstig van verdachten zelf – welke beelden veelvuldig op sociale media zijn gedeeld en in het nieuws zijn geweest – en op de camerabeelden gemaakt door een getuige, die deze daags na het voorval aan de politie heeft afgegeven.

De omstandigheid dat de verdachten mogelijk in opdracht van anderen hebben gehandeld is evenmin een omstandigheid die vervolging alsnog kan rechtvaardigen. Het verwijt dat de verdachten wordt gemaakt, wordt daarmee immers niet zwaarder.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

4 De beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Chr.A.J.F.M. Hensen, voorzitter,

mr. R.G.C. Veneman, rechter,

mr. A.M. Boogers, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. F.M. Schreuder, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juni 2017.