Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:5826

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-06-2017
Datum publicatie
15-06-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 9615
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, ongeloofwaardige identiteit, nationaliteit en herkomst

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/9615

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. L. Sinoo),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J. Tromp).

Procesverloop

Bij besluit van 5 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts was aanwezig K. Ajdid, tolk.

Overwegingen

1. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Eiser stelt dat hij geboren is op [geboortedatum] 1998 in [plaats] , westelijke Jordaanoever (bezet Palestina), en dat hij van Palestijnse afkomt is. Eiser woonde tot zijn vierde levensjaar in [plaats] . Daarna verhuisde hij samen met zijn ouders en zijn zus naar Maghnia, Algerije, omdat zijn ouders als leraar op een school daar gingen werken. De ouders van eiser zijn verongelukt toen eiser zes of zeven jaar oud was. Eiser en zijn zus werden geadopteerd door buren. Eiser heeft in het gezin van hun adoptieouders verbleven tot zijn twaalfde. Hij moest van zijn adoptieouders alleen maar werken en aan hen al zijn verdiensten afstaan. Als eiser geen geld binnen bracht, werd hij door zijn adoptieouders weggestuurd. Zodoende kwam eiser, toen hij negen jaar oud was, bij een onbekende man genaamd [persoon] terecht om bij hem te slapen en werd door hem verkracht. Eiser is naar de politie gegaan om een aangifte tegen deze man te doen, maar de politie heeft eiser niet serieus genomen. Eiser heeft psychische problemen gekregen als gevolg van de verkrachting. Eiser heeft op zijn dertien- of veertienjarige leeftijd Algerije verlaten, omdat hij op straat leefde nadat hij zijn adoptieouders had verlaten. In Algerije werd eiser van wege zijn Palestijnse afkomst niet goed behandeld. Eiser wil niet terug naar Algerije vanwege de problemen die hij daar heeft ondervonden. Eiser gaat zich zelf in dat geval ophangen. Eiser kan wel naar Palestina, waar zijn opa woont, terugkeren als hij de juiste papieren heeft, maar hij weet niet hoe hij dergelijke papieren kan krijgen. Hij heeft daartoe ook geen pogingen ondernomen.

Eiser heeft vier jaar geleden Maghnia verlaten en heeft in verschillende landen in Europa illegaal verbleven alvorens naar Nederland te komen.

Op 20 december 2016 is eiser door de politie Groningen aangehouden in verband met een vermoedelijke overtreding van de Opiumwet en is hij in bewaring gesteld. De bewaringsmaatregel is op 28 december 2016 in verband met een vormfout opgeheven.

Op 14 april 2017 is eiser wederom in bewaring gesteld in verband met een vermoedelijke overtreding van de Opiumwet.

Op 14 april 2017 heeft eiser voor het eerst na zijn komst in Nederland een asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft deze asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, e en h, van de Vw 2000. Daarbij is bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en is aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Verweerder acht de door eiser opgegeven identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij van Palestijnse afkomst is en woonachtig is geweest in Algerije, kan de aanvraag van eiser niet inhoudelijk worden getoetst. Eiser komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op één van de in artikel 29 van de Vw 2000 genoemde gronden, aldus verweerder.

3. Eiser heeft in beroep, onder verwijzing naar de zienswijze, samengevat, het volgende aangevoerd. Verweerder twijfelt ten onrechte aan zijn Algerijnse herkomst. Aan eiser zijn tijdens het nader gehoor nauwelijks vragen over zijn herkomst gesteld. Eiser heeft diverse vragen over Algerije correct beantwoord. Gezien zijn jeugdige leeftijd en de jonge leeftijd waarop hij naar Algerije verhuisde, heeft eiser afdoende verklaringen over dat land gegeven. De aanvraag van eiser leent zich niet voor afdoening binnen de Algemene asielprocedure. Verweerder heeft ten onrechte niet besloten te onderzoeken of eiser slachtoffer is van mensenhandel. Verweerder heeft onvoldoende aandacht besteed aan de kwetsbaarheid van eiser als jongvolwassene. Verweerder heeft geen onderzoek verricht naar de medische situatie van eiser en het feit dat eiser zich suïcidaal heeft geuit, hetgeen – gezien de jeugdige leeftijd van eiser – buitengewoon zorgwekkend is. Er moet een onderzoek door een arts van het Bureau Medische Advisering (BMA) plaatsvinden in het kader van artikel 64 van de Vw 2000. Eiser heeft aangegeven suïcide te plegen in het geval van gedwongen terugkeer, zodat niet uit te sluiten is dat er zich een situatie als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zal voordoen.

4. De rechtbank overweegt het volgende.

4.1

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 is het aan de vreemdeling om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken.

4.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder afdoende heeft gemotiveerd waarom de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig kunnen worden geacht. Eiser heeft geen enkel document overgelegd die zijn identiteit, nationaliteit en herkomst kunnen ondersteunen. Eiser is in het eerste en het nader gehoor door middel van nadere vragenstelling voldoende gelegenheid geboden om zijn herkomst uit Algerije aannemelijk te maken. Eiser heeft op een groot deel van deze vragen geen of een onjuist antwoord gegeven. Zo heeft eiser verklaard dat Maghnia een klein plaatsje is, maar uit openbare bronnen blijkt dat het een stad is met 114 000 inwoners. Eiser wist niet de naam en het adres van de school waar hij tot aan de zesde klas naartoe is gegaan en op welke school zijn ouders volgens zijn verklaringen les hebben gegeven. Eiser kon de naam en het adres van het restaurant waar hij in Maghnia heeft gewerkt niet noemen. Eiser kon ook geen naam noemen van een moskee, het busstation, het ziekenhuis, namen van wijken, pleinen of straten in Maghnia, en heeft de vlag van Algerije niet juist beschreven.

Gezien het vorenstaande, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het herkomst van eiser uit Algerije niet aannemelijk is.

De omstandigheid dat eiser op een aantal vragen wel een juist antwoord heeft gegeven, is onvoldoende voor een ander oordeel met betrekking tot de geloofwaardigheid van de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst, nu de juiste antwoorden niet afdoen aan het geconstateerde gebrek aan kennis op basale vragen over Maghnia, waar eiser vanaf zijn vierde tot aan zijn vertrek op zijn vijftiende zou hebben gewoond, een schoolopleiding zou hebben genoten en zou hebben gewerkt. Verweerder heeft in dit verband kunnen overwegen dat niet valt in te zien dat eiser door hetgeen hij zou hebben meegemaakt en zijn jeugdige leeftijd geen vragen kan beantwoorden over het gestelde woon- en leefomgeving.

De omstandigheid dat voor het niet geven van een correct antwoord op een aantal vragen mogelijk een goede reden zou bestaan – zoals de gestelde misverstand bij de vraag naar de eetspecialiteiten – is onvoldoende voor een ander oordeel gezien het aantal onjuiste antwoorden.

Verweerder heeft zich voorts niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser ook zijn gestelde Palestijnse afkomst niet aannemelijk heeft gemaakt, gelet op de summiere en oppervlakkige informatie die eiser daarover heeft verstrekt.

4.3

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft een asielmotief slechts betekenis tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling. Nu eiser zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt, heeft verweerder terecht geen inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas verricht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:292.

4.4

Eiser heeft geen afzonderlijke grieven met betrekking tot de tegengeworpen gronden c, e en h, van artikel 30b, eerste lid, van de Vw 2000 aangevoerd. De rechtbank zal de tegenwerping van deze gronden daarom onbesproken laten.

4.5

Eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat aan hem op grond van zijn medische situatie uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 dient te worden verleend. Niet is aangetoond dat eiser onder behandeling staat, noch zijn de gestelde medische klachten met stukken gestaafd. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat er geen aanleiding bestaat om een BMA-onderzoek op te starten in het kader van artikel 64 van de Vw 2000 of artikel 3 van het EVRM.

4.6

Verweerder heeft voorts terecht overwogen dat het asielrelaas van eiser geen gronden bevat om aan te nemen dat eiser slachtoffer van een criminele organisatie of mensenhandel is. Indien eiser meent dat hiervan sprake is, is het aan hem om dit aan te geven en de daarvoor bestemde verblijfsrechtelijke procedure in gang te (laten) zetten.

5. Eiser heeft tegen het inreisverbod geen zelfstandige gronden ingediend. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het inreisverbod onrechtmatig is.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.