Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:5795

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-06-2017
Datum publicatie
15-06-2017
Zaaknummer
NL17.2113
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

iraanse - eerste asielaanvraag - gestelde bekering tot het christendom ongeloofwaardig - beroep ogg

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.2113

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. N. Brands),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins).

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft verweerder aan eiser, ambtshalve toetsend, geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend en evenmin uitstel van vertrek.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2017. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiseres is niet ter zitting verschenen omdat zij een afspraak had bij de huisarts. Ter onderbouwing heeft zij een afspraakkaartje overgelegd. Omdat niet nader is onderbouwd waarom het huisartsbezoek niet voor of na de zitting kon plaatsvinden en omdat de gemachtigde van eiseres ter zitting desgevraagd niet kon aangeven wat er precies met eiseres aan de hand is, heeft de rechtbank hierin geen aanleiding gezien de zitting uit te stellen of te schorsen.

2. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1986 en in het bezit te zijn van de Iraanse nationaliteit. Aan haar asielaanvraag heeft zij -samengevat weergegeven- het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres stelt dat zij oorspronkelijk moslima is, maar dat zij tot het christendom is bekeerd. Twee of drie jaar geleden was eiseres met een vriendin in Baku, Azerbeidzjan, waar zij van twee dames cd’s met informatie over het christendom kreeg. Eiseres heeft deze cd’s, verstopt in haar tas, mee teruggenomen naar Iran. Toen zij zes of zeven maanden later haar tas uitpakte vond zij de spullen terug. Eiseres besloot één van de films over het christendom te bekijken. Enkele nachten later had zij een droom. Zij droomde dat zij in zee was en dat rondom haar grote vissen waren. Toen eiseres vervolgens op het internet ontdekte dat de vis een christelijk symbool is, realiseerde zij zich dat de droom een teken van God was geweest en dat zij de weg van het christendom moest volgen. Via haar vriendin kon eiseres aan een Bijbel in het Farsi komen, die zij heeft gelezen.

Eiseres heeft voorts verklaard dat zij problemen heeft ondervonden van ene [persoon 1] , die met haar wilde trouwen. In november 2016 werd eiseres door deze man achtervolgd van haar werk naar huis. Thuis aangekomen vroeg de man eiseres om haar telefoonnummer. Eiseres was bang en gaf haar huistelefoonnummer. De volgende dag belde de man. De moeder van eiseres nam op. De man zei dat hij met eiseres wilde trouwen en dat hij later die week zou langskomen. De moeder van eiseres vertelde dit de broer van eiseres. Die zei dat de man maar moest komen en dat hij wel zou zien wie het was. Toen de man eind van die week langs kwam bleef eiseres in haar kamer. De man vertelde de broer van eiseres dat hij in de handel zat en hij herhaalde dat hij eiseres leuk vond. De broer van eiseres zei dat eiseres de man eerst beter moest leren kennen. Een week later belde de man weer. Hij zei dat hij eiseres mee zou nemen om haar beter te leren kennen. Eiseres wilde niet maar haar broer zei dat ze met hem mee moest gaan, dat ze niet bang moest zijn en dat hij achter hen aan zou rijden. De broer van eiseres wilde dat eiseres met de man mee ging, omdat hij een reden wilde hebben om hem af te wijzen. De man nam eiseres mee naar een restaurant. Daar kwam eiseres er achter dat de man bekend was, dat hij op bedevaart was geweest naar Mekka en dat hij een wapen droeg. De man zei eiseres dat zij samen naar Syrië, Mekka en Karbala zouden reizen. Die avond zei eiseres tegen haar broer dat de man niet te vertrouwen was. Toen de man vervolgens de broer belde zei die tegen hem dat eiseres hem niet wilde en dat zij hem dierbaar is. De man begon daarop met dreigen. Hij zei onder meer dat hij de wet voorschrijft. Eiseres vermoedt daarom dat de man tot de inlichtingendienst behoort. De man bleef eiseres volgen. Twee personen zijn de broer van eiseres voorts op zijn werk komen opzoeken en hebben hem gezegd dat hij teveel praatjes had. Eiseres kwam uit angst steeds minder buitenshuis. Op een avond, nadat de man de broer een ultimatum had gesteld, raadde hij haar en haar moeder aan om naar een tante te gaan. Toen eiseres die avond met haar moeder in de auto stapte hebben twee mannen zuur over de auto gegooid. Eiseres bracht vervolgens haar moeder naar binnen en belde de politie. De politie kwam maar zei dat zij zonder getuigen niets konden doen. Die avond bracht de broer van eiseres haar en haar moeder naar Kordan. Na een paar dagen belde hij om te zeggen dat eiseres beter uit Iran kon vertrekken. Met zijn hulp heeft zij Iran vervolgens verlaten. Toen eiseres tijdens haar reis vanuit Turkije haar moeder belde vertelde zij dat zij van de buren had vernomen dat er een inval was geweest in hun huis en dat daarbij de Bijbel van eiseres was gevonden.

2. Verweerder heeft in de verklaringen van eiseres de volgende relevante elementen onderscheiden:

  • -

    Identiteit en nationaliteit;

  • -

    Problemen met [persoon 1] ;

  • -

    Inval in de woning;

  • -

    Bekering tot het christendom.

3. Verweerder acht het eerste relevante element wel geloofwaardig, de overige relevante elementen niet. Omdat eiseres volgens verweerder verklaringen heeft afgelegd die kennelijk inconsequent en tegenstrijdig zijn heeft verweerder haar aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

4. Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Op hetgeen door haar in beroep is aangevoerd zal hieronder -voor zover van belang- worden ingegaan.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.1.

In haar correcties en aanvullingen op het rapport van nader gehoor heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat de communicatie tijdens het nader gehoor niet goed verliep, dat hierdoor veel moest worden gecorrigeerd en dat dit mede vanwege de psychische en medische gesteldheid van eiseres vervelend is. Dit standpunt heeft eiseres in haar zienswijze en ook in beroep gehandhaafd.

5.1.2.

Voornoemd standpunt slaagt niet. Verweerder overweegt naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte dat eiseres tijdens het nader gehoor niet heeft laten blijken dat sprake was van communicatieproblemen. Bij aanvang en na afloop van het nader gehoor heeft eiseres desgevraagd aangegeven dat zij de tolk goed kon verstaan en begrijpen en na afloop van het gehoor heeft zij desgevraagd aangegeven dat zij tevreden was over de manier waarop het gesprek was verlopen en dat zij daarover en over de hoormedewerker en/of de tolk geen op- of aanmerkingen had. Dat eiseres - een erg timide vrouw volgens haar gemachtigde - uit respect voor de tolk niet tijdens het gehoor heeft durven zeggen dat zij over de communicatie niet tevreden was maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder niet van de verklaringen van eiseres tijdens het gehoor uit mocht gaan. Daarbij overweegt de rechtbank dat, wat van de eventuele miscommunicatie tijdens het nader gehoor verder ook zij, eiseres de gelegenheid heeft gehad om correcties en aanvullingen in te dienen, welke door verweerder kenbaar bij de besluitvorming zijn betrokken.

5.1.3.

Eiseres heeft zich in haar zienswijze en in beroep voorts meermaals onder verwijzing naar het medisch advies van FMMU van 8 februari 2017 op het standpunt gesteld dat zij getraumatiseerd is en geheugenproblemen heeft. Hiermee is volgens eiseres door verweerder onvoldoende rekening gehouden. Eiseres stelt in beroep voorts dat, indien haar asielrelaas geloofwaardig wordt geacht, niet kan worden ontkend dat zij traumatische ervaringen achter de rug heeft.

5.1.4.

Ook voornoemd standpunt slaagt niet. Verweerder overweegt niet ten onrechte dat, hoewel uit het medisch advies van FMMU blijkt dat eiseres onder meer geheugenproblemen heeft en dat om die reden enkelvoudige vragen moeten worden gesteld en eventueel herhaald, hieruit niet blijkt dat eiseres als gevolg van traumatiserende gebeurtenissen in zijn algemeenheid niet of verminderd in staat is om te verklaren. Daarbij heeft eiseres geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij getraumatiseerd is. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder met het advies van FMMU kenbaar rekening heeft gehouden bij de besluitvorming. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres de geconstateerde tegenstrijdigheden, ongerijmdheden en vage en summiere verklaringen dan ook wel mogen aanrekenen.

5.2.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gestelde problemen van eiseres met [persoon 1] niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder betrekt hierbij allereerst niet ten onrechte dat eiseres vaag en summier over [persoon 1] heeft verklaard. Zo weet eiseres niet waar deze man vandaan komt en waar hij in handelt en heeft zij slechts een zeer summiere omschrijving van zijn uiterlijk kunnen geven. Verweerder overweegt voorts niet ten onrechte dat eiseres wisselend over [persoon 1] heeft verklaard door eerst te verklaren dat hij handelaar is en dat zij niet weet wat zijn functie is, om later te verklaren dat hij (ook) voor de overheid dan wel de inlichtingendienst werkt. Ook op zichzelf bezien heeft verweerder de verklaringen van eiseres over de betrokkenheid van [persoon 1] bij de inlichtingendienst voorts vaag en wisselend mogen achten. Eiseres heeft namelijk enerzijds stellig verklaard dat [persoon 1] tot de inlichtingendienst behoort, om anderzijds te verklaren dat dit slechts een vermoeden is, gebaseerd onder meer op het feit dat hij macht had, intimiderend overkwam, een wapen droeg en een afwijkend kenteken had.

5.2.2.

Verweerder betrekt bij de geloofwaardigheidsbeoordeling ook niet ten onrechte dat eiseres vaag en ongerijmd heeft verklaard over de eerste benadering door [persoon 1] . Zo heeft eiseres niet inzichtelijk gemaakt wanneer zij doorhad dat zij op weg van werk naar huis achtervolgd werd, terwijl haar in dit verband herhaaldelijk om opheldering is gevraagd. Verder heeft eiseres ten aanzien van het voertuig waarin [persoon 1] haar zou hebben achtervolgd niet meer kunnen verklaren dan dat het een zwart kenteken had. Verweerder heeft voorts ongerijmd mogen achten dat eiseres, toen zij door [persoon 1] werd achtervolgd, naar huis zou zijn gereden en niet bijvoorbeeld naar de politie. De door eiseres gegeven verklaring dat de politie niets doet heeft verweerder in dit verband ontoereikend mogen achten. Immers, als eiseres dit beeld van de politie had valt niet in te zien waarom zij later wel naar de politie zou zijn gegaan toen er door handlangers van [persoon 1] zuur over haar auto was gegooid. De verklaringen van eiseres over de aankomst bij haar huis na de eerste achtervolging door [persoon 1] heeft verweerder voorts wisselend en ongerijmd mogen achten. Enerzijds heeft eiseres verklaard dat zij, na aankomst bij haar huis, wel ertoe gekomen is op de bel te drukken zodat iemand zou opendoen. Anderzijds heeft zij echter verklaard dat zij niet heeft kunnen aanbellen omdat [persoon 1] te snel was. Dat eiseres niet heeft verklaard dat zij aangebeld heeft en dat de hoorambtenaar dit wellicht niet duidelijk heeft opgeschreven, zoals zij in haar zienswijze heeft gesteld, heeft verweerder niet hoeven volgen. Blijkens het rapport nader gehoor heeft eiseres meerdere keren verklaard dat zij wel aangebeld heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat het niet aannemelijk is dat de hoorambtenaar zich in deze tot tweemaal toe zou hebben vergist. Hierbij betrekt verweerder niet ten onrechte dat eiseres over deze vermeende vergissingen in haar correcties en aanvullingen niets heeft opgemerkt. Verder valt niet in te zien waarom eiseres geen tijd zou hebben gehad om aan te bellen of zelf de deur te openen, nu zij tevens heeft verklaard dat [persoon 1] een stukje achter haar reed en zijn auto aan de overkant had geparkeerd. Verweerder overweegt ook niet ten onrechte dat niet valt in te zien waarom eiseres [persoon 1] haar (juiste) telefoonnummer zou hebben gegeven. De door eiseres gegeven verklaring dat hij haar gebiedend om haar nummer vroeg en dat het leek alsof hij van de politie was heeft verweerder in dit verband ontoereikend mogen achten.

5.2.3.

Ook de verklaringen van eiseres over de latere problemen zijdens [persoon 1] acht verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig. Eiseres heeft vaag verklaard over het aantal keren dat zij [persoon 1] in totaal zou hebben gezien, door te verklaren dat zij hem ‘drie of vier keer’ heeft gezien, één keer toen hij haar achtervolgd had en ‘twee of drie keer’ bij haar huis als zij van haar werk kwam. Eiseres heeft ook niet kunnen aangeven wanneer die andere confrontaties zich zouden hebben afgespeeld. Verder heeft eiseres wisselend verklaard door enerzijds te stellen dat [persoon 1] haar, de dag dat hij haar meenam naar het restaurant, om vijf of zes uur belde en om zeven uur ophaalde, om anderzijds te verklaren dat hij haar al om vijf of zes uur ophaalde en daarvoor al had gebeld. Ook de verklaringen van eiseres over het restaurantbezoek zelf heeft verweerder vaag en wisselend mogen achten. Eiseres heeft desgevraagd nauwelijks iets kunnen vertellen over wat er tijdens dit restaurantbezoek zou zijn voorgevallen en besproken, terwijl het één tot anderhalf uur zou hebben geduurd. Verder heeft eiseres enerzijds verklaard dat zij niets gegeten heeft, om anderzijds te verklaren dat zij van [persoon 1] juist moest eten. Verder overweegt de rechtbank dat niet valt in te zien hoe de broer van eiseres rond vijf of zes uur in de middag, gedurende veertig tot vijfenveertig minuten, van het huis van eiseres tot aan het restaurant buiten de stad, achter eiser en [persoon 1] aan heeft kunnen rijden zonder hen uit het oog te verliezen. Eisers heeft voorts zelfs niet bij benadering kunnen aangeven hoe vaak [persoon 1] nog zou hebben gebeld nadat haar broer hem de dag na het restaurantbezoek had laten weten dat het niet van een huwelijk zou komen. Eiseres heeft ook niet kunnen concretiseren hoe zij wist dat het [persoon 1] was die belde, terwijl zij niet opnam. Eiseres heeft in dit verband slechts verklaard dat het vreemde nummers waren.

5.2.4.

In beroep heeft eiseres enkele foto’s overgelegd van haar volgens haar met zuur overgoten auto. Verweerder heeft ter zitting niet ten onrechte overwogen dat aan deze foto’s geen waarde kan worden gehecht, aangezien daaruit niet valt af te leiden of het om de auto van eiseres gaat en evenmin op welke wijze het zuur op de auto terechtgekomen is.

5.3.

Ook de gestelde inval in de woning van eiseres, waarbij haar Bijbel zou zijn gevonden, acht verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig, nu eiseres te dien aanzien vage en summiere verklaringen heeft afgelegd. Eiseres heeft desgevraagd aangegeven niet te weten wanneer deze inval plaatsvond, hoeveel mensen het huis binnenvielen, wat er bij de inval gebeurde, waarom de inval plaatsvond, of er een huiszoekingsbevel was, of er iets meegenomen is, hoe de buren van de inval op de hoogte zijn geraakt en hoe de buren de moeder van eiseres na de inval konden bereiken. Ook heeft eiseres niet kunnen concretiseren wie het huis zijn binnengevallen, maar slechts het vermoeden uitgesproken dat het mensen van inlichtingendienst of de Sepah waren.

5.4.1.

Ten aanzien van de gestelde bekering van eiseres tot het christendom overweegt de rechtbank het volgende. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 24 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA0955), blijkt dat de staatssecretaris een vaste gedragslijn toepast bij het onderzoek naar de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging. Hierbij zijn van belang de motieven voor en het proces van bekering, de persoonlijke betekenis van de bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling en de algemene, basale kennis van de betrokken geloofsleer en geloofspraktijk. Bijzondere waarde moet worden toegekend aan de beantwoording door een vreemdeling van vragen over de motieven voor en het proces van bekering, als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar men overwegend een andere geloofsovertuiging heeft, dan wel waar de eerdere geloofsovertuiging van een vreemdeling de enige maatschappelijk aanvaarde godsdienst of de staatsgodsdienst is en het zich bekeren tot een andere geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel of strafbaar is. Verweerder dient de verklaringen over de gestelde geloofsovertuiging in onderlinge samenhang te bezien. Het is daarnaast aan de vreemdeling om zijn gestelde bekering aannemelijk te maken door overtuigende verklaringen af te leggen omtrent zijn bekering en het proces daaraan voorafgaand.

5.4.2.

De rechtbank stelt vast dat verweerder ook in het geval van eiseres volgens de voormelde gedragslijn heeft gehandeld. Verweerder overweegt allereerst niet ten onrechte dat eiseres in algemeenheden is blijven steken ten aanzien van de vraag waarom zij de islam de rug heeft toegekeerd. Eiseres heeft verklaard dat zij de islam niet accepteert vanwege onder meer de ontkenning van mensenrechten, de onderdrukking van vrouwen en de vermenging van islam en politiek, en omdat de islam volgens haar een religie is van dwang, agressie en geweld. Ten aanzien van de vraag in hoeverre het gebed in de islam afwijkt van het gebed in het christendom heeft eiseres niet meer kunnen verklaren dan dat men in de islam in het Arabisch moet bidden, terwijl dat in het christendom in de eigen taal mag. Eiseres heeft in dit verband ook verklaard dat haar islamitische moeder denkt dat met bidden alles voor elkaar komt, maar zij heeft vervolgens niet kunnen aangeven in hoeverre dit anders is dan bij het gebed in het christendom. Verweerder heeft voorts niet ten onrechte overwogen dat eiseres tegenstrijdig en ongerijmd heeft verklaard ten aanzien van de vraag welke rol de islam in haar ouderlijk huis speelde. Waar zij enerzijds heeft verklaard dat zij van haar moeder altijd moest bidden en dat zij hierover jarenlang met haar moeder heeft gestreden dan wel gediscussieerd, heeft zij anderzijds verklaard dat haar moeder, toen eiseres haar vertelde dat zij de bijbel las en tot het christendom was bekeerd, dit zonder slag of stoot aannam, dat ook haar broer dit accepteerde, en dat haar familie ‘eigenlijk niet zo gelovig’ is. Dat de moeder en broer van eiseres de bekering van eiseres zo gemakkelijk zouden hebben geaccepteerd klemt temeer nu Iran een streng islamitisch land is waar op afvalligheid de doodstraf staat.

5.4.3.

Verweerder overweegt voorts niet ten onrechte dat eiseres ook ten aanzien van haar keuze voor het christendom en proces van bekering ongerijmde en vage verklaringen heeft afgelegd. Zo valt niet in te zien waarom eiseres in de periode tussen haar afscheid van de islam en haar kennismaking met het christendom naar eigen zeggen nooit onderzoek naar andere religies heeft gedaan, terwijl zij wel naar God op zoek zou zijn geweest. Daarbij is eiseres, hoewel zij heeft verklaard dat zij ontevreden was en iets miste, in vaagheden blijven steken ten aanzien van de vraag wat het dan was dat zij in het christendom gevonden heeft. Op de vraag wat haar in het christendom zo aantrekt heeft zij slechts geantwoord: ‘Liefde’. Wat zij in dit verband onder liefde verstaat heeft zij niet inzichtelijk gemaakt, terwijl haar meerdere malen om opheldering is gevraagd. Eiseres heeft voorts ongerijmd verklaard over de cd’s met informatie over het christendom die zij in Baku van twee dames zou hebben gekregen. Gelet op de risico’s die kleven aan afvalligheid in Iran en het feit dat eiseres de cd’s daarom uit angst onderin haar tas zou hebben verstopt, valt niet in te zien hoe eiseres de cd’s na haar terugkeer naar Iran heeft kunnen vergeten om ze pas zes of zeven maanden later weer terug te vinden. Dat eiseres zich niet meteen na terugkeer naar Iran in die informatie zou hebben verdiept klemt temeer nu zij al sinds zij zich van de islam had afgewend op zoek zou zijn geweest naar God. Daarbij heeft eiseres nauwelijks kunnen concretiseren wat haar zo aansprak in de film over Jezus Christus die zij na het terugvinden van de cd’s zou hebben bekeken. Eiseres heeft voorts wisselend verklaard over het moment waarop zij besloot zich te bekeren. Enerzijds heeft zij aangegeven dat dit gebeurde bij het zien van de film over Jezus Christus en anderzijds dat dit pas gebeurde nadat zij erachter was gekomen wat haar droom betekende. Verweerder werpt eiseres ook niet ten onrechte tegen dat zij niet heeft kunnen concretiseren wanneer zij deze droom, die voor haar een zo cruciale rol zou hebben gespeeld, zou hebben gehad. Eiseres weet slechts dat dit enkele dagen na het zien van de film was, maar zelfs de maand heeft zij niet kunnen noemen. Verweerder overweegt voorts niet ten onrechte dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe zij na haar droom louter door het woord ‘vis’ te googelen terecht zou zijn gekomen bij de informatie die haar heeft doen besluiten christen te worden.

5.4.4.

Gelet op de positie van christenen in Iran en de bijzondere waarde die daardoor toekomt aan de verklaringen van eiseres over de motieven voor en het proces van haar gestelde bekering, heeft verweerder eiseres voornoemde ongerijmde en vage verklaringen mogen aanrekenen.

5.4.5.

Verweerder werpt eiseres ook niet ten onrechte tegen dat zij weinig kennis van het christendom bezit. Hoewel eiseres heeft verklaard dat zij iedere zondag de kerk bezoekt en daarbij meezingt met de liederen, heeft zij noch de naam van de kerk noch de naam van ook maar één enkel lied kunnen noemen. Op de vraag om te beschrijven wat er tijdens een kerkdienst gebeurt heeft eiseres voorts slechts geantwoord dat er gezongen, gepredikt en gebeden wordt. Ook deze verklaringen heeft verweerder summier mogen achten. In antwoord op de vraag wat met Pasen gevierd wordt heeft eiseres voorts de kruisiging van Jezus Christus en niet zijn wederopstanding genoemd. Hoewel eiseres heeft aangegeven dat Petrus en Samuel haar favoriete heilige personen zijn, heeft zij voorts nauwelijks kunnen concretiseren waarom dat zo is. Het standpunt van eiseres in beroep dat haar een gebrek aan kennis over het christendom niet mag worden aangerekend omdat zij aan het begin van haar bekeringsproces staat slaagt, gelet op het feit dat zij al maanden geleden zou zijn bekeerd en de bijbel zou hebben gelezen, niet.

5.4.6.

Gelet op het feit dat ingevolge de door verweerder gehanteerde vaste gedragslijn bij het onderzoek naar de gestelde bekering ook belang wordt gehecht aan de algemene, basale kennis van de betrokken geloofsleer en geloofspraktijk, is de rechtbank van oordeel dat van eiser mag worden verlangd dat zij meer over het christendom kan vertellen dan zij heeft gedaan.

5.4.7.

In beroep heeft eiseres een verklaring van 14 mei 2017 overgelegd, waarin de pastoor van de Persian Baptist Church in Utrecht aangeeft dat hij eiseres sinds ongeveer twee maanden kent en dat zij waarschijnlijk binnen twee maanden zal worden gedoopt. Hoewel dergelijke stukken kunnen dienen als ondersteuning van de verklaringen van een vreemdeling over zijn gestelde bekering, is het in eerste plaats aan de vreemdeling zelf om zijn gestelde bekering aannemelijk te maken. Eiseres is daarin, gelet op al het voorgaande, niet geslaagd.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.