Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:5600

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-05-2017
Datum publicatie
24-05-2017
Zaaknummer
09-994536-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vrijspraak jacht houtsnippen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Parketnummer: 09/994536-15

Datum uitspraak: 24 mei 2017

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in economische strafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de door de economische politierechter naar de meervoudige strafkamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1955 te [geboorteplaats] ,

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van de economische politierechter van 28 juli 2016 en (na verwijzing naar) de meervoudige strafkamer van 12 mei 2017 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.C. Plantenga en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. P.C.H. van Schooten, advocaat te Rolde, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 30 januari 2015 te Voorschoten, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) althans alleen, al dan niet opzettelijk drie, althans één of meer houtsnip(pen), althans dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort heeft gedood en/of verwond en/of te gevangen en/of bemachtigd en/of met het oog daarop heeft opgespoord;

2.

hij op of omstreeks 31 januari 2015 te Voorschoten, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) althans alleen, al dan niet opzettelijk twee of één kuifeend(en), althans dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort heeft gedood en/of verwond en/of te gevangen en/of bemachtigd en/of met het oog daarop heeft opgespoord;

3.

hij op of omstreeks 31 januari 2015 te Voorschoten, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, op het landgoed Duivenvoorde, heeft gejaagd op wilde eenden nadat een half uur na zonsondergang was verstreken;

4.

hij op of omstreeks 31 januari 2015 te Voorschoten, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) althans alleen, al dan niet opzettelijk, twee of één kuifeend(en), althans dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort heeft verworven en/of in voorraad heeft gehad, heeft verkocht en/of ten verkoop heeft aangeboden en/of heeft vervoerd, ten vervoer heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd en/of heeft gebruikt voor commercieel gewin en/of heeft geruild en/of in ruil heeft aangeboden en/of heeft uitgewisseld en/of onder zich gehad.

3 Vrijspraak

3.1

Inleiding

Incident 1 (feit 1)

Op 30 januari 2015 heeft op het landgoed Duivenvoorde te Voorschoten een jachtpartij plaatsgevonden in aanwezigheid van onder andere verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Tijdens deze jachtpartij was ook aanwezig op het landgoed de [getuige] (vogelaar). [getuige] heeft verklaard dat toen hij ter plaatse was om vogels te fotograferen, hij knallen hoorde en zag dat er jagers in het aangrenzende weiland liepen. Direct na het horen van schoten, zag [getuige] houtsnippen opvliegen. Vervolgens hoorde hij nog meerdere schoten en zag hij dat er door de jagers werd gericht op de opvliegende houtsnippen. Een houtsnip fladderde daarop in zijn richting en kwam voor [getuige] in een sloot terecht. [medeverdachte 1] heeft een gewonde houtsnip uit het water gehaald die vervolgens in zijn handen is doodgegaan, waarna hij de vogel heeft achtergelaten in het bos. [getuige] heeft de door hem gemaakte foto’s van het incident op zijn website geplaatst, waarna de heer [betrokkene 1] , lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal namens de Partij voor de Dieren, aangifte heeft gedaan van het jagen op en het doden van (een) (beschermde) houtsnip(pen). (feit 1)

Incident 2 (feiten 2, 3 en 4)

Op 31 januari 2015 heeft in Voorschoten in de omgeving van Haagwijk een jachtpartij plaatsgevonden in aanwezigheid van onder andere verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . De verdachten hebben verklaard die dag op wilde eenden te hebben gejaagd.

[betrokkene 2] (handhaver buitengebied, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar van de provincie Zuid-Holland) heeft melding gemaakt van het doden (feit 2) en het onder zich hebben (feit 4) van twee (beschermde) kuifeenden en het jagen buiten de daarvoor toegestane tijd, te weten een half uur na zonderondergang (17.26 uur), zijnde 17.56 uur (feit 3).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, overeenkomstig haar op schrift gesteld requisitoir, gevorderd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, overeenkomstig de overgelegde pleitaantekeningen, bepleit dat – wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs – vrijspraak dient te volgen van de tenlastegelegde feiten. Verdachte heeft ontkend op de beschermde vogels te hebben geschoten. Verdachte heeft verklaard dat hij op grond van zijn jarenlange ervaring in het gebied en met de jacht zeer goed weet op welke vogels hij mag jagen en hoe vogelsoorten van elkaar te onderscheiden zijn. Verdachte heeft eveneens ontkend buiten de toegestane tijd te hebben gejaagd. Eventuele latere schoten waren zogenaamde vangschoten om dieren niet onnodig te laten lijden.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

3.4.1

Ten aanzien van feit 1 (houtsnip)

Verdachte en zijn medeverdachten hebben ter zitting met klem ontkend op houtsnippen te hebben gejaagd. Ze kennen het terrein goed en weten uit ervaring dat er niet gejaagd mag worden op houtsnippen. Vaststaat dat er op de betreffende dag en plaats door verdachte en zijn medeverdachten is gejaagd. Als vaststaand kan ook worden aangenomen dat er die dag in het bijzijn van getuige [getuige] een houtsnip uit het water is gehaald die kort daarop in de handen van een medeverdachte is doodgegaan. Op grond van het aanwezige bewijsmateriaal kan echter onvoldoende wettig en overtuigend worden bewezen dat de vogel door schoten is doodgegaan zodat de rechtbank niet toekomt aan de vraag of het de verdachte is geweest die al dan niet in vereniging op de houtsnip heeft gejaagd. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het hem ten laste gelegde.

3.4.2

Ten aanzien van feiten 2, 3 en 4 (kuifeend)

Ten aanzien van feit 2 (doden van twee kuifeenden)

Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario, inhoudende dat de kuifeenden door de bij de jachtpartij aanwezige jachthond zijn (gedood en) geapporteerd omdat zij ziek, zwak of tam waren, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgesloten op basis van het proces-verbaal van bevinding. De kuifeenden zijn niet nader onderzocht zodat uit het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting niet is komen vast te staan dat de eenden door schoten zijn gedood. Verdachte zal worden vrijgesproken van dit feit.

Ten aanzien van feit 3 (jagen buiten de daarvoor toegestane tijd)

Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario, inhoudende dat de buiten de daarvoor toegestane tijd geloste schoten geen jacht- maar vangschoten betroffen om aangeschoten eenden op het water niet onnodig te laten lijden (Ktg. Breukelen-Nijenrode, 8 juni 1932, NJ 1932 en artikel 47 van de Flora- en faunawet (zorgplicht)), kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgesloten op basis van het proces-verbaal van bevinding zodat verdachte ook ter zake dit derde tenlastegelegde feit zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 4 (onder zich hebben van twee kuifeenden)

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld of, en zo ja door wie, de kuifeenden zijn geschoten, door wie zij zijn opgeraapt, door wie zij zijn meegenomen, of diegene op dat moment ook de wetenschap had dat het kuifeenden betrof, en door wie zij bij de auto’s zijn gelegd. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte de kuifeenden op enig moment onder zich heeft gehad. Voorts zijn er geen aanwijzingen dat tussen de verdachten onderling enige afspraak bestond tot het gezamenlijk (in vereniging) onder zich hebben of houden van de kuifeenden. Daarbij betrekt de rechtbank het feit dat niet kan worden vastgesteld of, en zo ja door wie, een tableau is gelegd. Niet uitgesloten kan worden geacht dat dit door [betrokkene 2] is gedaan ten behoeve van het maken van foto’s. Verdachte zal derhalve ook van dit feit worden vrijgesproken.

4 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Chr.A.J.F.M. Hensen, voorzitter,

mr. C.W. de Wit, rechter,

mr. A. Dantuma-Hieronymus, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Heirman-Huisman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 mei 2017.

Mr. Dantuma-Hieronymus is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.