Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:5516

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-05-2017
Datum publicatie
24-05-2017
Zaaknummer
09/827560-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vier jaar cel en tbs voor steken arts

De rechtbank Den Haag heeft vandaag een 37-jarige vrouw veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 jaar. Daarna moet zij tbs met dwangverpleging ondergaan. De vrouw heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord op een kinderarts van een consultatiebureau in Zoetermeer. De vrouw houdt de kinderarts ervoor verantwoordelijk dat haar zoon autistisch is geworden na een inenting.

De vrouw heeft gedurende ruim een jaar onder meer diverse bedreigingen geuit aan het adres van het consultatiebureau waar de kinderarts werkte. Op 29 augustus 2016 wist de vrouw het beveiligde consultatiebureau binnen te komen. Ze is naar de werkkamer van de kinderarts gerend en heeft direct met een stiletto op het hoofd van de kinderarts ingestoken. Toegesnelde collega’s wisten de vrouw te overmeesteren en hebben de kinderarts eerste hulp verleend.

Verminderd toerekeningsvatbaar

Bij het opleggen van de straf heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat de psychiater en de psychologen die de vrouw hebben onderzocht van mening zijn dat de vrouw verminderd toerekeningsvatbaar is.

Schadevergoeding

De vrouw moet aan de kinderarts een schadevergoeding van ruim 8000 euro betalen.

Zij heeft dusdanig letsel opgelopen dat zij haar beroep op dit moment niet kan uitoefenen. Het is onzeker of zij daartoe in de toekomst nog in staat zal blijken te zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0493

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/827560-16

Datum uitspraak: 24 mei 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats],

BRP adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Zuid Oost - huis van bewaring “Ter Peel,” te Evertsoord.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 13 december 2016, 23 februari 2017 en 11 mei 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. van den Heuvel en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. P.R.L.V.M. Kruik, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 29 augustus 2016 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een mes in haar hand op [slachtoffer] is afgerend/afgelopen en/of met genoemd mes (meermalen) (met kracht) in het hoofd van [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden en/of (terwijl verdachte [slachtoffer] bij haar haren vastpakte) (meermalen) met genoemd mes een stekende beweging in de richting van het hoofd, althans het (boven)lichaam, van [slachtoffer]

heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 29 augustus 2016 te Zoetermeer aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een doorgesneden pees van een pink heeft toegebracht door met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een mes in haar hand op [slachtoffer] af te rennen/af te lopen en/of met genoemd mes (meermalen) (met kracht) in het hoofd van [slachtoffer] te steken en/of te snijden en/of (terwijl verdachte [slachtoffer] bij haar haren vastpakte) (meermalen) met genoemd mes een stekende beweging in de richting van het hoofd, althans het (boven)lichaam, van [slachtoffer] te maken

en/of (ten gevolge waarvan) [slachtoffer] (met de bedoeling om genoemd mes op afstand te houden en/of genoemd mes van verdachte af te pakken) met haar hand(en) genoemd mes bij het lemmet heeft vastgepakt;

2.

zij op of omstreeks 20 juli 2015 te Zoetermeer [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend naar het consultatiebureau waar genoemde [slachtoffer] werkzaam was gestuurd/in de brievenbus gedeponeerd

- een envelop met hierop de tekst '[slachtoffer] deze is voor jou' en/of in genoemde envelop een tweetal papieren, te weten

- een papier met hierop de afbeelding van een mes (met daarbij getekend bloeddruppels) en/of met de tekst '[slachtoffer] je gaat eraan' en/of

- een papier met hierop de afbeelding van een vuurwapen en/of met de tekst 'Al is 't het laatste wat ik doe in dit leven';

3.

zij op of omstreeks 16 december 2015 te Zoetermeer [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend op de (toegangs)deur van het consultatiebureau waar [slachtoffer] werkzaam was (met zwarte stift) de tekst geschreven 'Blijf goed met de deur op slot werken!!! Vooral op MAANDAG!';

4.

zij op of omstreeks 17 december 2015 te Zoetermeer [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend het consultatiebureau waar [slachtoffer] werkzaam was gebeld en daarbij (tegen een andere medewerkster dan [slachtoffer]) gezegd 'U spreekt met mevrouw [naam]. De moeder van [naam]. Ik wil even zeggen dat ik in 2016 even langskom om dokter [slachtoffer] een gelukkig nieuwjaar te wensen.' en/of direct daarna de telefoonverbinding te verbreken;

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van het door de verdediging gevoerde verweer tot uitsluiting van het bewijs verkregen van de iPad en telefoon van verdachte, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het gestelde verzuim niet tot uitsluiting van het bewijs dient te leiden. Immers, de benodigde rechterlijke toestemming zou zijn verleend als daarom zou zijn verzocht. Voor het overige heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de poging moord (feit 1. primair) en de overige ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit de resultaten van het onderzoek van de iPad en telefoon van verdachte van het bewijs uit te sluiten. Alvorens onderzoek te doen naar de iPad en telefoon is daarvoor immers niet op de juiste wijze toestemming verkregen. Hierdoor is er sprake van een inbreuk op de privacy van verdachte. Door het onderzoek van de iPad en telefoon is namelijk een compleet beeld van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van verdachte verkregen.

Vervolgens heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit van poging moord. Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd. De verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] over de uitlatingen van verdachte inhoudende dat zij de arts die haar zoon inentte, wilde vermoorden, zijn onbetrouwbaar. [getuige 2] heeft psychische problemen en heeft vaker onbetrouwbaar verklaard. [getuige 3] had een motief om onjuist te verklaren omdat hij probeerde de voogdij over [naam], de gezamenlijke zoon van hem en verdachte, te verkrijgen. Het mes dat verdachte meenam naar het consultatiebureau, had zij ter zelfverdediging bij zich.

Er zijn contra-indicaties aanwezig die in de weg staan aan bewezenverklaring van voorbedachte raad. Immers, verdachte schrok achteraf van haar daad, ze kan zich slechts herinneren dat zij eenmaal heeft gestoken, terwijl het slachtoffer drie verwondingen had en ze heeft niet nagedacht toen zij handelde, maar is rennend naar binnen gegaan. Daarnaast had verdachte niet verwacht dat zij het consultatiebureau binnen zou kunnen komen. De uitingen van verdachte zoals onder de feiten 2, 3 en 4 ten laste gelegd, zijn niet aan te merken als een serieus moordplan. Zo ontbreken bijvoorbeeld aantekeningen over een dergelijk plan. Hoewel er sprake was van een wisselend medicijnengebruik met een lage dosering, zou er bovendien sprake kunnen zijn geweest van afkickverschijnselen of bijwerkingen.

Ten slotte heeft de raadsvrouw ook vrijspraak bepleit van poging doodslag.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging1

Overweging ten aanzien van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting

Bij de beoordeling van de ernst van een gesteld vormverzuim, en derhalve bij de vraag of en zo ja, welke sanctie moet worden toegepast, dient rekening te worden gehouden met de in het tweede lid van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) genoemde factoren: het belang dat met het geschonden voorschrift wordt gediend, de ernst van het verzuim en het nadeel dat wordt veroorzaakt.

Van de verdediging, die een beroep doet op het bestaan van een vormverzuim mag worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren wordt aangegeven tot welk in artikel 359a, eerste lid, Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden (HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, r.o. 3.7).

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het verweer van de raadsvrouw niet aan de eisen die artikel 359a Sv stelt, nu het gevoerde verweer slechts inhoudt dat sprake is van een vormverzuim en dat dit tot bewijsuitsluiting moet leiden, terwijl niet concreet wordt ingegaan op het belang van het voorschrift dat, naar gesteld, is geschonden, de ernst van het verzuim, noch op de vraag of en in hoeverre verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Gelet op het voorgaande behoeft de rechtbank het verweer van de verdediging strekkende tot bewijsuitsluiting niet nader te bespreken.

De resultaten van het onderzoek van de iPad en telefoon van verdachte zijn daarom bruikbaar voor het bewijs van het tenlastegelegde.

Algemene overweging

De rechtbank overweegt dat verdachte de feitelijke gedragingen die haar onder de feiten 2 tot en met 4 ten laste zijn gelegd, heeft bekend. De feitelijke gedragingen die verdachte onder feit 1 ten laste zijn gelegd, heeft verdachte ook hoofdzakelijk bekend. De feiten 2 tot en met 4 zijn, in tijd, aan feit 1 voorafgegaan. De rechtbank betrekt de feiten 2 tot en met 4 bij de beoordeling van de kwalificatie van verdachtes handelen zoals dat onder feit 1 ten laste is gelegd. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank daarom de feiten 2 tot en met 4 eerst bespreken en vervolgens feit 1 beoordelen.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2

De rechtbank overweegt dat, als het gaat om feit 2, er sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv. De raadsvrouw heeft voor dit feit geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 11 mei 2017;

- het proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 30 augustus 2016 (p. 28-37);

- het proces-verbaal van aangifte d.d. 20 juli 2015 (p. 131-135).

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3

De rechtbank overweegt dat, ook als het gaat om feit 3, er sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv. De raadsvrouw heeft voor dit feit geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 11 mei 2017;

- het proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 30 augustus 2016 (p. 28-37);

- het proces-verbaal van aangifte d.d. 17 december 2016 (p. 137-141).

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 4

De rechtbank overweegt dat, ook als het gaat om feit 4, er sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv. De raadsvrouw heeft voor dit feit geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 11 mei 2017;

- het proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 30 augustus 2016 (p. 28-37);

- het proces-verbaal van aangifte d.d. 17 december 2016 (p. 137-141).

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

Feiten en omstandigheden op 29 augustus 2016

Op 29 augustus 2016 is verdachte met een mes (stiletto) naar het consultatiebureau op [adres] te Zoetermeer gegaan, heeft daar voor de deur gewacht en op het moment dat iemand het consultatiebureau verliet, is zij naar binnen gegaan. Ze is direct naar de werkkamer van [slachtoffer] gegaan en heeft met het mes dat zij bij zich had, in het hoofd van [slachtoffer] gestoken. [slachtoffer] zat op dat moment met de rug naar verdachte toe. [slachtoffer] heeft door verdachtes handelen een steekwond nabij haar slaap en een snijwond in haar wang opgelopen.23456

Deze feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen – zoals genoemd in de voetnoten – als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de bewijsvraag.

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte op [slachtoffer] is afgelopen of afgerend (zoals in de tenlastelegging opgenomen) acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] en [getuige 1] van belang. [slachtoffer] verklaarde snelle voetstappen te horen voordat zij in haar hoofd werd gestoken7. [getuige 1] verklaarde dat zij zag dat een vrouw met donker haar naar binnen rende en naar de kamer van [slachtoffer] rende.8 Zelf heeft verdachte ter terechtzitting van 11 mei 2017 verklaard dat zij “in hoog tempo” naar binnen is gelopen, op het knopje van de stiletto drukte en [slachtoffer] in het hoofd heeft gestoken.9 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte op [slachtoffer] is afgerend en haar direct in haar hoofd heeft gestoken. Gelet op de omstandigheid dat [slachtoffer] een steekwond nabij haar slaap had en een snijwond in haar wang 1011 als gevolg van verdachtes handelen, acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte, [slachtoffer] tweemaal heeft gestoken, dan wel eenmaal heeft gestoken en eenmaal heeft gesneden.

Tussenconclusie

De rechtbank is gelet op de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op 29 augustus 2016 [slachtoffer] opzettelijk meermalen met een mes in het hoofd heeft gestoken en/of heeft gesneden.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of sprake is geweest van poging moord, zoals de officier van justitie meent, dan wel of er sprake is van poging doodslag zoals dat impliciet primair ten laste is gelegd of dat er sprake is van zware mishandeling zoals dat subsidiair ten laste is gelegd.

Voorbedachte raad

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' - in de tenlastelegging nader uitgedrukt met de woorden “na kalm beraad en rustig overleg”- moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en zij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen (HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2761).

Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen sommige omstandigheden de rechtbank uiteindelijk tot het oordeel brengen dat verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Voor de beantwoording van de vraag of ‘voorbedachten rade' bewezen kan worden, acht de rechtbank in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

Feiten en omstandigheden voorafgaand aan het neersteken van [slachtoffer] op 29 augustus 2016

Verdachte heeft tijdens het verhoor bij de politie en ter terechtzitting van 11 mei 2017 verklaard dat zij [slachtoffer] er verantwoordelijk voor houdt dat er bij haar zoon autisme is ontstaan omdat [slachtoffer] [naam] heeft gevaccineerd. Volgens verdachte loog [naam] tijdens een gesprek in augustus 2014; zij zei dat zij verdachte had voorgelicht over de mogelijke bijwerkingen van de vaccinatie van [naam], maar dit had zij niet gedaan. Verdachte heeft ook verklaard dat [slachtoffer] zat te grijnzen en hooghartig deed. Volgens verdachte sloegen bij haar vanaf dat moment ‘de stoppen door’.1213 [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte op 1 juli 2015 het consultatiebureau bezocht en tegen een verpleegkundige zei dat als zij [slachtoffer] zou tegenkomen, zij [slachtoffer] zou grijpen. Verdachte zei tegen de verpleegkundige dat zij bereid was om voor die bedreiging naar de gevangenis te gaan, aangezien gevangenissen in Nederland ‘hotels’ zijn.14

Op 2 juli 2015 zijn door ‘[verdachte]’ de hierna weergegeven WhatsAppberichten verstuurd aan ‘[naam]’. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij [verdachte]’ is en dat ‘[naam]’ [getuige 2] is.

“Ben gisteren naar consultatiebureau geweest”

“Heb gezegd die kanker hindoestaans vrouw kan maar beter niet meer in zoetermeer werken want als ik haar vind is ze van mij”

“Toen zeiden ze wij vaan aangifte doen ik zei doe maar gevangenis van nederland is toch een hotel” 15

[getuige 3] heeft verklaard dat verdachte beweerde dat hun zoon autistisch was geworden door de vaccinatie en dat vanaf het moment dat [naam] ongeveer 18 maanden oud was, hij verdachte herhaaldelijk heeft horen zeggen dat verdachte de arts van het consultatiebureau zou doodsteken. Verdachte was daar volgens [getuige 3] heel stellig in en hij achtte haar daartoe in staat. [getuige 3] heeft een schermafdruk van een WhatsAppconversatie met verdachte overgelegd waarin verdachte het volgende aan [getuige 3] verstuurde: “Je weet hoe ik eraan toe was en dat ik zelfs de arts wilde neersteken”.16

Op 21 juli 2015 heeft verdachte een envelop met daarop de naam ‘[naam]’ bij het consultatiebureau laten bezorgen. In deze envelop zaten twee papieren. Op het ene papier stond een afbeelding van een mes met daarbij getekend bloeddruppels en de tekst '[naam] je gaat eraan'. Op het andere papier stond een afbeelding van een vuurwapen met de tekst 'Al is 't het laatste wat ik doe in dit leven'.17

[getuige 2] heeft verklaard dat zij met verdachte bevriend was en drie maanden, tot november 2015, bij verdachte in huis heeft gewoond. [getuige 2] heeft gehoord dat verdachte sinds de inenting van [naam] ‘wel honderd keer’ heeft gezegd dat zij de arts van [naam] ging vermoorden. Ze vertelde dat ze de dokter met een mes ging vermoorden, aldus [getuige 2]. Zij heeft verdachte vaak gevraagd te stoppen met praten over het vermoorden van de dokter, laatstelijk nog in augustus 2016. 1819

Op 16 december 2015 heeft verdachte op de toegangsdeur van het consultatiebureau met zwarte stift de tekst geschreven 'Blijf goed met de deur op slot werken!!! Vooral op MAANDAG!' 20 Op 17 december 2015 heeft verdachte gebeld naar het consultatiebureau en daarbij tegen een medewerkster gezegd: 'U spreekt met mevrouw [naam]. De moeder van [naam]. Ik wil even zeggen dat ik in 2016 even langskom om dokter [slachtoffer] een gelukkig nieuwjaar te wensen.'21

Uit onderzoek naar de zoekgeschiedenis op de iPad van verdachte volgt dat op 19 augustus 2016 via de website van Google werd gezocht met de zoekterm “taakstraf moord”. Op 24 augustus 2016 werd via de website van Google gezocht met de zoekterm “taakstraf voor moord” Ook werd gezocht op “[slachtoffer]”.22

Ter terechtzitting van 11 mei 2017 heeft verdachte verklaard, naar aanleiding van de aan haar voorgehouden verklaring van [getuige 3] zoals die hiervoor is weergegeven, dat zij aan twee personen heeft verteld dat zij de arts zou gaan neersteken. Ook heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat zij het mes waarmee zij [slachtoffer] heeft gestoken, van huis had meegenomen.23

De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande volgt dat verdachte vanaf ongeveer juli 2015, gedurende ongeveer een jaar, aan medewerkers van het consultatiebureau, waaronder [slachtoffer], alsmede aan de vader van haar zoon [getuige 3] en haar toenmalige vriendin [getuige 2] op zeer expliciete wijze kenbaar heeft gemaakt dat zij [slachtoffer] wilde vermoorden, dan wel wilde neersteken. De stelling van de raadsvrouw dat [getuige 3] en [getuige 2] daar onjuist over hebben verklaard, wordt reeds weerlegd door de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring daarover.24 De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen, en het dossier biedt daarvoor ook geen aanknopingspunten, dat [getuige 3] de overgelegde WhatsAppconversatie zou hebben vervalst, zoals verdachte ter terechtzitting van 11 mei 2017 heeft aangevoerd. De inhoud van deze conversatie vindt voorts steun in de verklaring die verdachte zelf op die terechtzitting heeft afgelegd en in de verklaring van [getuige 3].

Uit het onderzoek van de iPad van verdachte volgt dat op verschillende dagen in de week voorafgaand aan het neersteken van [slachtoffer] op internet is gezocht met de woorden ‘taakstraf’ in combinatie met ‘moord’. Ook werd er gezocht naar de naam [slachtoffer]”. Niet is gebleken dat andere personen dan verdachte de iPad van verdachte hebben gebruikt voor het doen van zoekopdrachten.

Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat de verdachte gedurende een langere periode de wens en het vooropgezette plan heeft gehad om [slachtoffer] van het leven te beroven. Op basis van het voorgaande en met name de omstandigheid dat verdachte op verschillende dagen in de week voorafgaand aan het neersteken van [slachtoffer] heeft gezocht naar een mogelijke strafrechtelijke afdoening voor moord op internet, trekt de rechtbank voorts de conclusie dat de verdachte vóór de uitvoering van haar daad, heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van die daad en zij zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. Vervolgens heeft verdachte haar vooropgezette plan uitgevoerd. Zij heeft een mes gepakt en meegenomen naar het consultatiebureau. Ze heeft daar gewacht en toen iemand naar buiten kwam, is zij naar binnen gegaan. Ze is direct doorgerend naar de kamer van [slachtoffer], heeft het mes uitgeklapt en heeft direct – zonder de verbale confrontatie aan te gaan met [slachtoffer] – [slachtoffer] met het mes in haar hoofd gestoken, terwijl die [slachtoffer] met haar rug naar verdachte toe zat. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld, is niet gebleken. De door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheden
– door haar als contra indicaties aangeduid – staan, wat daar ook van zij, aan het aannemen van voorbedachte raad niet in de weg. Dat er wellicht een ‘trigger’ is geweest die verdachte op enig moment heeft doen besluiten haar plan uit te voeren, doet aan het voorgaande niets af.

Gelet op de bovengenoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat de verdachte daadwerkelijk de bedoeling – en daarmee ‘boos’ opzet – had om [slachtoffer] van het leven te beroven.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht poging tot moord bewezen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

zij op of omstreeks 29 augustus 2016 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een mes in haar hand op [slachtoffer] is afgerend/afgelopen en/of met genoemd mes (meermalen) (met kracht) in het hoofd van [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden en/of (terwijl verdachte [slachtoffer] bij haar haren vastpakte) (meermalen) met genoemd mes een stekende beweging in de richting van het hoofd, althans het (boven)lichaam, van [slachtoffer]

heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

zij op of omstreeks 20 juli 2015 te Zoetermeer [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend naar het consultatiebureau waar genoemde [slachtoffer] werkzaam was gestuurd/in de brievenbus gedeponeerd

- een envelop met hierop de tekst '[slachtoffer] deze is voor jou' en/of in genoemde envelop een tweetal papieren, te weten

- een papier met hierop de afbeelding van een mes (met daarbij getekend bloeddruppels) en/of met de tekst '[slachtoffer] je gaat eraan' en/of

- een papier met hierop de afbeelding van een vuurwapen en/of met de tekst 'Al is 't het laatste wat ik doe in dit leven';

3.

zij op of omstreeks 16 december 2015 te Zoetermeer [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend op de (toegangs)deur van het consultatiebureau waar [slachtoffer] werkzaam was (met zwarte stift) de tekst geschreven 'Blijf goed met de deur op slot werken!!! Vooral op MAANDAG!';

4.

zij op of omstreeks 17 december 2015 te Zoetermeer [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend het consultatiebureau waar [slachtoffer] werkzaam was gebeld en daarbij (tegen een andere medewerkster dan [slachtoffer]) gezegd 'U spreekt met mevrouw [naam]. De moeder van [naam]. Ik wil even zeggen dat ik in 2016 even langskom om dokter [slachtoffer] een gelukkig nieuwjaar te wensen.' en/of direct daarna de telefoonverbinding te verbreken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1 primair:

poging tot moord;

ten aanzien van feit 2

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van feit 3

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van feit 4

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het haar onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit een, gedeeltelijk voorwaardelijke, gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde een behandelverplichting.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregelen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

Verdachte heeft de kinderarts die haar zoon inentte, gedurende ruim een jaar verschillende malen met de dood bedreigd. Uiteindelijk wist verdachte het inmiddels - in verband met de door verdachte geuite doodsbedreigingen - beveiligde consultatiebureau, binnen te komen en is op het hoofd van de arts gaan insteken. Dat de arts de aanval van verdachte heeft overleefd, is te danken aan het optreden van de snel toegesnelde collega-verpleegkundigen en collega-artsen die verdachte onder bedwang wisten te houden en de wonden van het slachtoffer meteen konden verzorgen. Het slachtoffer heeft dusdanig letsel opgelopen dat zij haar beroep op dit moment niet kan uitoefenen en het is onzeker of zij daartoe in de toekomst nog in staat zal blijken te zijn. Ook had en heeft het gebeuren zeer ingrijpende gevolgen voor de psychische gesteldheid van het slachtoffer en de manier waarop zij in het leven staat, hetgeen duidelijk blijkt uit de ter terechtzitting van 11 mei 2017 voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring. Een dergelijke geweldsuitbarsting is zeer schokkend. Dat geldt allereerst voor het slachtoffer en haar naaste omgeving, zoals haar familie en ook haar collega’s. Daarnaast wakkeren zulke vormen van excessief geweld gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving aan, zeker nu het gebeuren plaatsvond in een consultatiebureau en het geweld gericht was tegen een arts, een hulpverlener. Verdachte heeft geen enkel oog gehad voor deze gevolgen en heeft alleen gedacht aan haar eigen wraakgevoelens.

De feiten zoals door verdachte gepleegd zijn ernstige misdrijven en zij rechtvaardigen dan ook een forse bestraffing.

Justitiële documentatie

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 31 augustus 2016 blijkt dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit niet eerder is veroordeeld.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van de Pro Justitia rapporten van dr. J. Vreugdenhil, psychiater, van 17 maart 2017 en drs. M.H. Keppel, GZ-psycholoog, met medewerking van drs. S.L. Zichterman, forensisch psycholoog van 14 maart 2017. Zij hebben zich uitgelaten over – onder meer – de toerekeningsvatbaarheid van verdachte en de eventueel aan haar op te leggen maatregel en daarbij ook het uitgevoerde milieuonderzoek betrokken.

Toerekeningsvatbaarheid

De psychiater en psychologen hebben geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een borderline persoonlijkheidsstoornis, dat er sprake is van een chronische aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag en dat er sprake is van een zwakbegaafd intelligentie niveau.

De deskundigen concluderen dat hiervan tevens sprake was ten tijde van het ten laste gelegde en dat dit de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte heeft beïnvloed. Verdachte dient volgens de deskundigen verminderd toerekeningsvatbaar te worden verklaard.

De maatregel van terbeschikkingstelling (tbs)

Psychiater Vreugdenhil schat de kans op toekomstig gewelddadig gedrag als hoog in als er geen intensieve behandeling en toezicht worden geboden. Psychiater Vreugdenhil adviseert

een intensieve, multimodale, behandeling, gericht op de afname van gewelddadige denkbeelden, verbetering van het zelfbeeld en afname van de krenkingsgevoeligheid en verbetering van de emotie- en agressieregulatie. Daarnaast is het van belang verdachte te begeleiden bij het beperkt houden van de draaglast, het verkrijgen en behouden van overzicht over spanningsvolle situaties die zich in haar leven voordoen en het verbeteren van probleemoplossende vaardigheden. Behandeling moet binnen een gedwongen en

gesloten kader plaatsvinden omdat er sprake is van chronische en ernstige problematiek, er geen sprake is van inzicht, er sprake is van een ambivalente behandelingsmotivatie en het recidivegevaar hoog is. Behandeling kan hierom niet plaatsvinden binnen het kader van een voorwaardelijk strafdeel. Ook tbs met voorwaarden zal het maatschappelijk gevaar niet kunnen afwenden. Daarom wordt tbs met dwangverpleging geadviseerd.

Ook de psychologen Keppel en Zichterman spreken van een verhoogd recidiverisico. Zij constateren dat er nog steeds (onverminderd) gewelddadige denkbeelden en gevoelens van wrok naar het slachtoffer toe bestaan. Ook ontbreken gevoelens van spijt. Betrokkene is de mening toegedaan dat het slachtoffer het verdiend heeft. Evenals Vreugdenhil adviseren Keppel en Zichterman aan verdachte tbs met dwangverpleging op te leggen.

Reclassering Nederland heeft op 27 maart 2017 advies uitgebracht. In dit advies heeft reclasseringsmedewerker H.M.G. Siemeling zich geconformeerd aan het advies van de psychiater en psychologen.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot de hare.

Conclusie ten aanzien van toerekeningsvatbaarheid en maatregel

Met de deskundigen is de rechtbank dan ook van oordeel dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is en dat oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling, met het bevel dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd, passend en geboden is. Aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van deze maatregel is voldaan. De bewezenverklaarde feiten betreffen misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, tijdens het begaan van deze feiten bestond bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist het opleggen van deze maatregel.

Nu de maatregel van terbeschikkingstelling onder meer zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten poging tot moord, kan de totale duur van de maatregel een periode van vier jaar te boven gaan.

Gevangenisstraf

Naast de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van na te melden duur. Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de justitiële documentatie van verdachte, haar verminderde toerekeningsvatbaarheid en hetgeen in vergelijkbare zaken pleegt te worden opgelegd, is naar het oordeel van de rechtbank in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren aan de orde.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer], bijgestaan door mr. E.W. Bosch, advocaat te Den Haag, heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, groot

€ 16.314,72, welke betrekking heeft op zowel materiële als immateriële schade, te weten:

* kledingschade: € 200,--

* eigen risico: € 338,41

* kosten apotheek: € 62,89

* kosten verpleegartikelen: € 12,99

* extra gereden kilometers: € 129,05

* kosten opvragen medische informatie: € 571,89

* immateriële schade: € 15.000,--

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering omdat de brief waarmee de vordering is ingediend, geen handtekening van de benadeelde partij bevat. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit om de kosten van het opvragen van de medische informatie te beperken tot € 22,50 per medicus dan wel medische instantie. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om de immateriële schadevergoeding te matigen tot een bedrag van € 5.000 in verband met de te verwachten betalingsonmacht van verdachte.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Blijkens de vordering van de benadeelde partij is advocaat E.W. Bosch uitdrukkelijk gemachtigd om de vordering namens de benadeelde partij in te dienen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.

De onderdelen voor kledingschade, eigen risico, kosten apotheek, kosten verpleegartikelen en de extra gereden kilometers zijn door verdachte niet betwist. Deze posten zijn voorts voldoende onderbouwd zodat deze posten voor een totaalbedrag van € 743,34 voor toewijzing in aanmerking komen.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat deze schade rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit 1 primair is veroorzaakt, komen voornoemde bedragen voor toewijzing in aanmerking.

Kosten opvragen medische informatie

In hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om de gevorderde schadevergoeding te matigen. Deze post en de noodzaak van het maken van deze kosten is voldoende onderbouwd.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat deze schade rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit 1 primair is veroorzaakt, komt een bedrag van € 571,89 voor toewijzing in aanmerking.

Immateriële schade

De rechtbank zal naar billijkheid een bedrag van € 7.500,00 toewijzen. In dit bedrag is zowel het lichamelijk letsel als de psychische schade verdisconteerd. Daarbij heeft de rechtbank gelet op in vergelijkbare gevallen opgelegde bedragen aan immateriële schade. De rechtbank ziet in de gestelde betalingsonmacht van verdachte geen aanleiding om het bedrag te matigen, zoals door de raadsvrouw is verzocht.

De vordering

De rechtbank zal gelet op het vorengaande de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 8.815,23, te weten te weten een bedrag van € 1.315,23 aan materiele schade en € 7.500,00 aan immateriële schadevergoeding.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 29 augustus 2016, zijnde de dag van het schade toebrengende feit.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

Nu de vordering grotendeels wordt toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De schadevergoedingsmaatregel

Nu verdachte voor het plegen van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit zal worden veroordeeld en zij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan verdachte, ten behoeve van het [slachtoffer], de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 8.815,23, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening. De rechtbank ziet in de gestelde betalingsonmacht van verdachte geen aanleiding de vervangende hechtenis te bepalen op 1 dag, zoals door de raadsvrouw is verzocht.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

poging tot moord;

ten aanzien van feit 2

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van feit 3

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van feit 4

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (VIER) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de terbeschikkingstelling van veroordeelde;

beveelt dat de veroordeelde van overheidswege zal worden verpleegd;

wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], een bedrag van € 8.815,23 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat zij dat dit van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Straat van een bedrag groot € 8.815,23 ten behoeve van het [slachtoffer] vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt in geval volledige betaling nog volledig verhaal van de verschuldigde bedrag volgt
– onder handhaving van de verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 91 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijk betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.E. Bierling, voorzitter,

mr. G.P. Verbeek, rechter,

mr. L.C. Bannink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. B. Schaafsma en J.A. Schuttevaer, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 mei 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, dan betreft dit de doorgenummerde pagina’s van onderzoek Zink bevattende de processen-verbaal met de nummers PL1500-2016241165 en DH4R016050, van de politie eenheid Den Haag, district Zoetermeer – Leidschendam/Voorburg, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 219).

2 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer], p. 28-37.

3 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1], p. 38-42.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 61-64.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 72.

6 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 mei 2017.

7 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer], p. 28-37.

8 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1], p. 39.

9 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 mei 2017.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 61-64.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 72.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 184 en 185.

13 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 mei 2017.

14 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 29.

15 Proces-verbaal onderzoek Ipad en telefoon, p. 111.

16 Proces-verbaal van verhoor [getuige 3], p. 105 en p. 108.

17 Voor de bewijsmiddelen wordt verwezen naar de bewijsmiddelen zoals die onder feit 2 zijn opgenomen.

18 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], p. 213-216.

19 Proces-verbaal van bevindingen, p. 112.

20 Voor de bewijsmiddelen wordt verwezen naar de bewijsmiddelen zoals die onder feit 3 zijn opgenomen.

21 Voor de bewijsmiddelen wordt verwezen naar de bewijsmiddelen zoals die onder feit 4 zijn opgenomen.

22 Proces-verbaal onderzoek Ipad en telefoon, p. 112-113.

23 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 mei 2017.

24 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 mei 2017.