Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:550

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-01-2017
Datum publicatie
24-01-2017
Zaaknummer
AWB 16/26158
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

- Uitspraak buiten zitting

- Visum kort verblijf

- Vervalste stukken overgelegd

- Beroepschrift geen betrekking op afwijzingsgrond

- Beroep kennelijk ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 16/26158

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 23 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde: M. Ali,

en

De minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 2 november 2016 (het bestreden besluit) beroep ingesteld. De rechtbank heeft het onderzoek, zonder behandeling ter zitting, gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

Het beroep is naar het oordeel van de rechtbank kennelijk ongegrond, wanneer uit het beroepschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Daartoe wordt de inhoud van het beroepschrift beoordeeld in samenhang met de motivering van het bestreden besluit en met hetgeen in bezwaar door betrokkene is aangevoerd.

2. Na te hebben kennis genomen van de stukken, acht de rechtbank in dit geval termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:54 van de Awb uitspraak te doen. Zij overweegt daartoe het volgende.

3. Eiser, geboren op [geboortedatum] en van Pakistaanse nationaliteit, heeft op 24 augustus 2016 verzocht om de afgifte van een visum voor kort verblijf. Verweerder heeft deze aanvraag bij primair besluit van 7 september 2016 afgewezen op grond van artikel 32 van de Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode). Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b van de Visumcode gehandhaafd en eisers bezwaar tegen de geweigerde visumaanvraag ongegrond verklaard, omdat eiser valse dan wel vervalste stukken ter staving van zijn visumaanvraag heeft overgelegd. In de besluitvorming is gemotiveerd verklaard dat en waarom deze stukken, te weten uitnodigingen voor het congres ESPAnet, vals of vervalst zijn. Dit betreft de enige reden voor afwijzing van de visumaanvraag.

4. In het beroepschrift voert eiser aan dat de aanvraag is afgewezen omdat er geen bewijs van een reis- dan wel zorgverzekering zou zijn overgelegd. Eiser geeft uitleg waarom ten tijde van de besluitvorming geen reis- en zorgverzekeringspapieren zijn overgelegd.

5. De rechtbank overweegt dat de beroepsgrond in het geheel geen betrekking heeft op de grondslag voor de afwijzing van de visumaanvraag. Er is daarom in redelijkheid geen twijfel over mogelijk dat de beroepsgrond faalt. De rechtbank acht voortzetting van het onderzoek onnodig. Het beroep is kennelijk ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Diepenhorst, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2017.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.