Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:5196

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
16-10-2017
Zaaknummer
C/09/527489 / FA RK 17-1309
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

beëindiging gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd & Bopz

Rekestnummer: FA RK 17-1309

Zaaknummer: C/09/527489

Datum beschikking: 16 maart 2017

Beschikking van de kinderrechter

Beëindiging gezag

Beschikking op het op 16 februari 2017 ingekomen verzoek van:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,

gevestigd te Den Haag,

hierna te noemen: de Raad.

betreffende:

[minderjarige] , [minderjarige]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

hierna ook te noemen: [minderjarige] .

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[belanghebbende] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats] .

[belanghebbende] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J.H. Weermeijer, te Den Haag.

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

de beoogd voogdes,

alsmede

[pleegouder] en [pleegouder] ,

hierna te noemen: de pleegouders,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift.

Op 16 maart 2017 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

- de heer [naam] , namens de Raad;

- mevrouw [naam] namens de gecertificeerde instelling;

- de vader;

- de heer mr. J.H. Weermeijer, de advocaat van de moeder;

- de pleegouders.

Opgeroepen en niet verschenen is:

- de moeder.

Feiten

- [minderjarige] is erkend door de vader.

- Bij beschikking d.d. 24 september 2008 van deze rechtbank zijn de ouders belast met het gezamenlijk gezag.

- De kinderrechter van de Rechtbank Gelderland, locatie Zutphen heeft bij beschikking d.d. 1 september 2016 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 9 september 2016 tot 9 september 2017 , alsmede voor dezelfde duur een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.

- Sinds 8 september 2008 verblijft [minderjarige] in het huidige, perspectiefbiedende pleeggezin.

Verzoek en verweer

De Raad verzoekt het gezag van de ouders over [minderjarige] te beëindigen en Jeugdbescherming west Haaglanden te benoemen tot voogdes over de minderjarige. De gronden voor het verzoek zijn, blijkens het verzoekschrift en hetgeen ter terechtzitting is toegelicht, gelegen in het navolgende. [minderjarige] is een kwetsbaar kind. Zij heeft moeite met het tonen van emoties. Ze verblijft sinds 8 september 2008, middels een ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing, in het huidige perspectiefbiedende pleeggezin. Zij ontwikkelt zich daar goed en heeft zich in de afgelopen acht jaar gehecht aan haar pleegouders. [minderjarige] ontvangt in het pleeggezin wat zij (extra) nodig heeft. Zowel terugplaatsing bij de vader als terugplaatsing bij de moeder acht de Raad niet meer aan de orde.

Niettemin heeft de Raad geconstateerd dat de moeder stappen heeft gezet om haar leven op orde te krijgen en de verzorging en opvoeding van de broers van [minderjarige] op zich te nemen. De Raad acht de moeder evenwel niet in staat daarnaast de verzorging en opvoeding voor [minderjarige] op zich te nemen, binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn. Dat geldt volgens de Raad eveneens voor de vader, ondanks de opbouw in het contact tussen de vader en [minderjarige] gedurende de afgelopen periode.

De vader voert verweer. Hij vindt dat hij in dit kader niet gelijkgesteld kan worden met de moeder. De vader geeft aan inmiddels goed contact te hebben met [minderjarige] nu er sinds twee jaar sprake is van een ruime omgangsregeling. Dat [minderjarige] een kwetsbaar meisje zou zijn, wordt door de vader weersproken. Als daarvan al sprake zou zijn, acht de vader zichzelf niettemin geschikt de volledige zorg en opvoeding van [minderjarige] op zich nemen. Subsidiair verzoekt de vader het verzoek van de Raad af te wijzen en een minder verstrekkende maatregel uit te spreken, te weten verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing.

Namens de moeder is het volgende naar voren gebracht. De moeder houdt de wens om samen met [minderjarige] en haar broers een gezin te vormen. [minderjarige] heeft blijkens het raadsrapport weinig last van het telkens verlengen van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing. Voor zover de kinderrechter wel van oordeel mocht zijn dat een gezagsbeeïndiging aan de orde is, wil moeder haar bezwaren uiten tegen Jeugdbescherming west als de instelling die de voogdij zou moeten uitvoeren. De relatie tussen de moeder en deze gecertificeerde instelling is verstoord, hetgeen zich onder meer uit in de vele schriftelijke aanwijzingen van de zijde van de gecertificeerde instelling. De moeder is bang dat door de gezagsbeëindiging het contact tussen [minderjarige] en haar nog verder verwatert, doordat de gecertificeerde instelling het als voogdijinstelling alleen voor het zeggen krijgt. Om die reden heeft de moeder dominee [naam] uit Naaldwijk benaderd en bereid gevonden de voogdij op zich te nemen. Mocht de kinderrechter besluiten het gezag van de ouders te beëindigen dan verzoekt de moeder dominee [naam] als natuurlijk persoon en uit hoofde van zijn ambt te belasten met de voogdij over [minderjarige] .

Beoordeling

Ten aanzien van de relatieve bevoegdheid

De rechtbank Den Haag is relatief bevoegd het verzoek te behandelen en de kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Uit artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat in zaken betreffende minderjarigen de rechter van de woonplaats van de minderjarige bevoegd is.

Op grond van artikel 1:12, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt een minderjarige de woonplaats van hem die het gezag over hem uitoefent. Oefenen beide ouders tezamen het gezag over hun minderjarige kind uit, doch hebben zij niet dezelfde woonplaats, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven.

Uit het uittreksel van de Basisregistratie Personen (hierna BRP) blijkt dat [minderjarige] laatstelijk feitelijk verbleef bij haar beide ouders, destijds nog tezamen woonachtig in [woonplaats] , voordat zij uit huis geplaatst werd. De moeder is na de uithuisplaatsing verhuisd naar een woonplaats buiten het arrondissement van deze rechtbank en de vader is binnen dit arrondissement blijven wonen. Voor deze situatie – beide ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit, maar wonen gescheiden, terwijl de minderjarige laatstelijk bij de beide ouders verbleef toen zij nog samenwoonden – biedt de wet geen uitsluitsel over welke woonplaats de woonplaats van de minderjarige betreft. Gelet daarop zal de kinderrechter aansluiting zoeken bij de feitelijke woonplaats van de [minderjarige] die zich, net als de woonplaats van haar vader, in dit arrondissement bevindt. Op grond hiervan acht de kinderrechter zich bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.

Ten aanzien van het verzoek

De kinderrechter overweegt dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid BW het gezag van een ouder kan beëindigen, indien:

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

De kinderrechter is van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a BW is voldaan. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de ouders [minderjarige] al bijna acht jaar niet meer verzorgen en opvoeden en zij aldus al bijna haar hele leven wordt opgevoed door de pleegouders. De pleegouders vormen dan ook thans voor [minderjarige] de belangrijkste hechtingsfiguren. Op grond van artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) mogen kinderen niet van hun ouders worden gescheiden, tenzij dit in het belang van het kind noodzakelijk is. Artikel 20 IVRK bepaalt nadrukkelijk dat er ten aanzien van kinderen die niet in hun eigen gezin verblijven, op passende wijze rekening moet worden gehouden met de wenselijkheid van continuïteit in de opvoeding van het kind.

Hoewel het uitgangspunt is dat kinderen bij hun ouders opgroeien, is de rechtbank reeds op grond van het belang van de continuïteit in de opvoeding van oordeel dat het niet in het belang van [minderjarige] is om haar terug te plaatsen naar een van haar ouders. Hoewel de kinderrechter de wens van de beide ouders begrijpt om zelf zorg te dragen voor de verzorging en opvoeding, laat het belang van [minderjarige] bij continuïteit van haar opvoedingssituatie en duidelijkheid over haar opvoedperspectief zwaarder wegen. Dit betekent overigens niet dat er geen contact meer zal zijn tussen de ouders en [minderjarige] . Bij de wijze waarop dat contact vorm krijgt, zal het belang van [minderjarige] voorop dienen te staan. De aanvaardbare termijn als bedoeld in artikel 1:266, eerste lid BW acht de kinderrechter verstreken.

Nu de kinderrechter van oordeel is dat beëindiging van het gezag noodzakelijk is, zal zij op grond van artikel 267, eerste lid, BW het gezag van de ouders beëindigen.

Aangezien de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de kinderrechter op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over haar te benoemen. Door de moeder is verzocht in dat geval dominee [naam] te belasten met de voogdij over [minderjarige] . De kinderrechter overweegt dat sprake is van een complexe situatie waarbij sprake is van ernstig verstoorde verhoudingen tussen de moeder en de broers van [minderjarige] enerzijds en de vader anderzijds. De moeder kampt met gezondheidsproblematiek en woont ver weg van de regio waar [minderjarige] thans opgroeit. De kinderrechter acht het van belang dat een onafhankelijke en professionele organisatie de voogdij zal uitvoeren die de belangen van alle betrokkenen goed voor ogen houdt. Dominee [naam] is een persoon uit de omgeving van de moeder met een andere professionele achtergrond. Alleen al om die reden acht de kinderrechter het niet opportuun te overwegen hem in deze complexe situatie te belasten met de voogdij.

De gecertificeerde instelling heeft zich schriftelijk bereid verklaard de voogdij over [minderjarige] te aanvaarden.

Gezien het vorenstaande zal de kinderrechter als volgt beslissen.

Beslissing

De kinderrechter:

beëindigt het ouderlijk gezag van de moeder,

[moeder] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

en de vader,

[vader] ,

Geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Bondsrepubliek Duitsland,

over de minderjarige:

[minderjarige]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

benoemt tot voogdes over voormelde minderjarige:

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. drs. S.M. Borkent, kinderrechter, in tegenwoordigheid van R.G. Knegt als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2017.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.