Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:5164

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-05-2017
Datum publicatie
16-05-2017
Zaaknummer
AWB 16/26928
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank stelt geen prejudiciële vragen aan het HvJ-EU om de algemene veiligheidssituatie in Libië te kunnen beoordelen.

Met betrekking tot de vraag of zich in Libië, en Tripoli en Benghazi in het bijzonder een uitzonderlijke situatie voordoet waartegen artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw 2000 bescherming biedt, verwijst de rechtbank verder naar de Afdelingsuitspraken van 20 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2123, Tripoli en ECLI:NL:RVS:2016:2124, JV 2016/245, Benghazi). In deze uitspraken heeft de Afdeling geoordeeld dat de algemene veiligheidssituatie in Libië, in het bijzonder in Tripoli en/of Benghazi, niet zodanig slecht is dat een vreemdeling reeds om die reden daarnaar niet kan terugkeren. Dit oordeel is nadien door de Afdeling steeds herhaald. De rechtbank ziet thans geen reden om tot een ander beoordeling te komen.

Om deze beoordeling te kunnen maken ziet de rechtbank voorts geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ-EU. De rechtbank overweegt daartoe dat het Europees gemeenschappelijk asielstelsel is neergelegd in verscheidene richtlijnen en verordeningen, die alle op zichzelf en in onderlinge samenhang de harmonisatie van de verschillende asielstelsels bevorderen. Dat betekent niet dat de asielstelsels hetzelfde zijn maar, bij de huidige stand van zaken, dat de asielstelsels van de lidstaten ten minste aan dezelfde minimumnormen voldoen. Daarbij laat het Europees gemeenschappelijk asielstelsel in zijn huidige vorm de lidstaten ruimte voor verschillende kwalificaties van eenzelfde feitelijke situatie. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen bepaling in een Europese richtlijn of verordening aan te wijzen waaruit volgt dat de lidstaten hun kwalificatie onderling moeten afstemmen, noch een bepaling aan de hand waarvan zulke afstemming, indien gewenst, zou kunnen worden afgedwongen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/26928

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 mei 2017 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedag] 1971, eiser,

en

[eiseres] , geboren op [geboortedag] 1975, eiseres,

mede ten behoeve van hun minderjarige dochters [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2004 en [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2008,

allen van Libische nationaliteit, gezamenlijk te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Verheijen).

Procesverloop


Bij gezamenlijk besluit van 14 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aan eisers verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingetrokken op grond van het bepaalde in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 met terugwerkende kracht tot 20 juli 2012. Daarnaast heeft verweerder besloten de aanvragen van eisers om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hen verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dan wel om hen een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen als bedoeld in artikel 33 Vw 2000 af te wijzen. Voorts heeft verweerder besloten dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000 juncto artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Tot slot heeft verweerder ambtshalve besloten dat eiseres geen uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 Vw 2000.

Eisers hebben tegen dit besluit op 13 mei 2015 beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2016, waarbij eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. R.J.M.F.P. Wouters.

Bij uitspraak van 15 juni 2016 (AWB 15/9667) heeft deze rechtbank en zittingsplaats dit beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft verweerder op 13 juli 2016 hoger beroep ingesteld.

Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 3 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3001) is het hoger beroep gegrond verklaard. De uitspraak van 15 juni 2016 is vernietigd en de zaak is terugverwezen naar de rechtbank.

De zaak is behandeld op de zitting van 9 februari 2017, waar eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

  1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 17 juli 2008 hebben eisers aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij afzonderlijke besluiten van 26 maart 2009 heeft verweerder deze aanvragen ingewilligd en aan eisers een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000. Bij afzonderlijke besluiten van 5 februari 2014 heeft verweerder deze aan eisers verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken en hun aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgewezen. Het beroep van eisers van 6 maart 2014 tegen deze besluiten is bij mondelinge uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 augustus 2014 (AWB 14/5608 en AWB 14/5609) gegrond verklaard, waarbij de besluiten van 5 februari 2014 zijn vernietigd.

  2. In het bestreden besluit heeft verweerder opnieuw besloten om de aan eisers verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te trekken en hun aanvragen om verlenging van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dan wel verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd af te wijzen. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard bij uitspraak van 15 juni 2016 en het besluit vernietigd. Het hoger beroep van verweerder tegen deze uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 3 november 2016 gegrond verklaard. Daarbij is de uitspraak van 15 juni 2016 vernietigd en heeft de Afdeling de zaak terugverwezen naar de rechtbank.

3. Bij brief van 22 november 2016 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken te reageren op de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2016, waarbij de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 juni 2016 is vernietigd. Verweerder heeft bij faxbericht van 6 december 2016 aangegeven geen aanleiding te zien op deze uitspraak te reageren. De gemachtigde van eisers heeft bij faxbericht van 20 december 2016 gereageerd. In deze reactie verzoekt de gemachtigde van eisers de rechtbank om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ-EU) om duidelijkheid te verschaffen. De rechtbank heeft verweerder bij brief van 16 januari 2017 verzocht om een schriftelijke reactie hierop. Bij faxbericht van 24 januari 2017 heeft verweerder deze reactie gegeven.

4. De Afdeling is in haar uitspraak, die is gedaan op basis van de daartegen gerichte grieven, niet ingegaan op de overwegingen van de rechtbank over de beoordeling van het individuele asielrelaas van eisers. Deze overwegingen, met de strekking dat verweerder terecht geen vergunning heeft verleend vanwege het individuele asielrelaas van eisers, staan zodoende in rechte vast.

5. De overwegingen van de Afdeling zien enkel op het oordeel van de rechtbank over het besluit ten aanzien van de algemene veiligheidssituatie in Libië, in het bijzonder Tripoli en Benghazi. Het geschil spitst zich aldus toe op de vraag of zich in Libië, in het bijzonder Tripoli en Benghazi, een uitzonderlijke situatie voordoet waartegen artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw 2000 bescherming biedt.
De rechtbank stelt verder vast dat in de uitspraak van 15 juni 2016, noch in de daarop volgende uitspraak van de Afdeling is geoordeeld over de door verweerder gemaakte weging van het belang van eisers bij voortzetting van het gezinsleven in Nederland, op welk punt door eisers wel beroepsgronden zijn geformuleerd. Op het geschilpunt of het recht op gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zich verzet tegen intrekking van de verblijfsvergunning dan wel noopt tot vergunningverlening, zal in het navolgende eveneens worden ingegaan.

6. Eisers’ gemachtigde voert aan dat in de uitspraak van de Afdeling slechts wordt overwogen dat de omstandigheid dat andere landen er anders over denken niet afdoet aan het oordeel van verweerder. Hierbij is geen aandacht besteed aan de Unierechtelijke gevolgen van het gegeven dat verschillende landen eenzelfde situatie verschillend beoordelen, terwijl daaraan in de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 18 mei 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:5480) juist wel uitgebreid aandacht is besteed. Dit leidt tot de onwenselijke situatie dat Unierechtelijke regelgeving aan effectiviteit inboet. Daarnaast meent de gemachtigde van eisers dat de rechtbank in de uitspraak van 15 juni 2016 terecht heeft overwogen dat het bevreemding wekt dat verschillende landen op basis van dezelfde juridische kwalificatie op basis van dezelfde informatie tot verschillende conclusies komen. Eisers betogen daarom dat ofwel Nederland het juridisch kader verkeert hanteert, ofwel dat de andere landen dit doen, hetgeen uit oogpunt van harmonisatie onwenselijk is. Eisers verzoeken de rechtbank prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ-EU, zodat duidelijkheid kan worden verkregen over hoe met deze situatie moet worden omgegaan.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen aanleiding bestaat om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ-EU. Naar de mening van verweerder bestaat geen reden om niet langer uit te gaan van het oordeel van de Afdeling in de uitspraken van 20 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2123 en ECLI:NL:RVS:2016:2124) dat de omstandigheid dat ons omliggende landen de algemene veiligheidssituatie in Libië verschillend beoordelen, niet tot een ander oordeel over de motivering van verweerder leidt dat geen sprake is van een uitzonderlijke situatie in Libië. Hierbij wijst verweerder er op dat de Afdeling in de uitspraak van 29 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3510) nog eens het oordeel over de verschillende beoordelingen van de algemene veiligheidssituatie heeft herhaald.

8. De rechtbank overweegt als volgt.

9. In de uitspraak van 15 juni 2016 heeft deze rechtbank en zittingsplaats – onder verwijzing naar de overwegingen in haar uitspraak van 18 mei 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:5480) – het bestreden besluit van 14 april 2015 vernietigd, omdat het in strijd met artikel 3:46 van de Awb onvoldoende zorgvuldig was voorbereid. Gezien de daaropvolgende uitspraak van de Afdeling van 3 november 2016 is van zo’n motiveringsgebrek geen sprake.

10. Met betrekking tot de vraag of zich in Libië, en Tripoli en Benghazi in het bijzonder een uitzonderlijke situatie voordoet waartegen artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw 2000 bescherming biedt, verwijst de rechtbank verder naar de Afdelingsuitspraken van 20 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2123, Tripoli en ECLI:NL:RVS:2016:2124, JV 2016/245, Benghazi). In deze uitspraken heeft de Afdeling geoordeeld dat de algemene veiligheidssituatie in Libië, in het bijzonder in Tripoli en/of Benghazi, niet zodanig slecht is dat een vreemdeling reeds om die reden daarnaar niet kan terugkeren. Dit oordeel is nadien door de Afdeling steeds herhaald. De rechtbank ziet thans geen reden om tot een ander beoordeling te komen.

11. Om deze beoordeling te kunnen maken ziet de rechtbank voorts geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ-EU. De rechtbank overweegt daartoe dat het Europees gemeenschappelijk asielstelsel is neergelegd in verscheidene richtlijnen en verordeningen, die alle op zichzelf en in onderlinge samenhang de harmonisatie van de verschillende asielstelsels bevorderen. Dat betekent niet dat de asielstelsels hetzelfde zijn maar, bij de huidige stand van zaken, dat de asielstelsels van de lidstaten ten minste aan dezelfde minimumnormen voldoen. Daarbij laat het Europees gemeenschappelijk asielstelsel in zijn huidige vorm de lidstaten ruimte voor verschillende kwalificaties van eenzelfde feitelijke situatie. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen bepaling in een Europese richtlijn of verordening aan te wijzen waaruit volgt dat de lidstaten hun kwalificatie onderling moeten afstemmen, noch een bepaling aan de hand waarvan zulke afstemming, indien gewenst, zou kunnen worden afgedwongen.

12. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraak van de Afdeling van 5 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3231), eveneens over de beoordeling van de algemene veiligheidssituatie in Libië, waarin de Afdeling overwoog dat, de vraag wanneer zich een uitzonderlijke situatie voordoet als vorenbedoeld, door het HvJ-EU is beantwoord in het arrest Elgafaji tegen Nederland van 17 februari 2009 (ECLI:EU:C:2009:94, rechtsoverweging 43). De vraag of zich, in dit geval in Libië, een dergelijke uitzonderlijke situatie voordoet, vergt geen nadere uitleg door het HvJ-EU van het Unierecht, maar gaat uitsluitend over de beoordeling van een feitelijke situatie, die is voorbehouden aan de lidstaten (zie Elgafaji-arrest van 17 februari 2009, rechtsoverweging 43 en het arrest van het HvJ-EU in de zaak Servizi Ausiliari Dottori Commercialisti tegen Italië van 30 maart 2006, ECLI:EU:C:2006:208, rechtsoverweging 69). Met de omstandigheid dat de ons omringende landen de algemene veiligheidssituatie in Libië verschillend beoordelen doet zich dan ook volgens de Afdeling geen situatie voor als bedoeld in het arrest van het HvJ-EU in de zaak Ferreira da Silva e Brito e.a. tegen Portugal, van 9 september 2015 (ECLI:EU:C:2015:565).

13. Het beroep is in zoverre ongegrond.
8 EVRM

14. In verband met het door eisers uitgeoefende gezinsleven hebben partijen erop gewezen dat er ook nog een procedure loopt over het al dan niet verlenen van een verblijfsvergunning regulier in verband met het kinderpardon. Partijen zijn het erover eens dat die procedure de meest geëigende is om de bescherming van het gezinsleven in te beoordelen, maar dat de ambtshalve door verweerder gemaakte beoordeling onderdeel vormt van dit geschil. Derhalve zal de rechtbank in deze procedure oordelen over die beoordeling.

14. Op grond van artikel 3.6a, eerste en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit en voor zover hier van belang, kan bij intrekking van een asielvergunning ambtshalve een verblijfsvergunning regulier worden verleend aan de vreemdeling wiens uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM.

16. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM, voor zover thans van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven en familie- en gezinsleven.
Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

17. Volgens paragraaf C1/3.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), geldend ten tijde van het bestreden besluit, past verweerder paragraaf B7/3.8 Vc overeenkomstig toe bij de ambtshalve beoordeling op grond van artikel 3.6a van het Vb 2000.
Paragraaf B7/3.8 van de Vc 2000 omschrijft in welke gevallen verweerder aanneemt dat sprake is van gezinsleven. Eisers en hun kinderen vallen onder deze omschrijving. Verder volgt uit verweerders beleid dat verweerder ook aanneemt dat met het bestreden besluit sprake is van een inmenging in de uitoefening van dat privéleven, nu eisers in het bezit zijn geweest van een verblijfsvergunning. Dat neemt niet weg dat verweerder een afweging maakt tussen de belangen van de Staat en die van eisers.
Om te kunnen bepalen of weigering van (voortzetting van) het verblijf van de vreemdeling in strijd is met artikel 8 EVRM, neemt verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in ogenschouw en brengt deze tot uitdrukking in een belangenafweging. Welke belangen verweerder bij de belangenafweging betrekt, hangt af van de concrete individuele casus. Van belang is dat het altijd gaat om de feitelijke situatie in het individuele geval, die per casus verschilt.
Bij deze beoordeling is voor verweerder Werkinstructie 2015/4 van belang.

18. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de M-ens (hierna: het EHRM), onder meer het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99 (www.echr.coe.int) en de jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2009 in zaak nr. 200903237/1/V2), volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van gezinsleven een "fair balance" moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en de kinderen enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

19. De rechter moet beoordelen of de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een "fair balance" tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn.

19. Blijkens het bestreden besluit concludeert verweerder dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op een van de gronden genoemd in artikel 3.6a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), zoals dat gold op 14 april 2015. Daarbij heeft verweerder, kennelijk in reactie op de zienswijze van 27 augustus 2013, betrokken dat eisers hun stelling, dat het inhumaan is om hen geen verblijf toe te staan, niet hebben onderbouwd en dat eisers zelf ook niet alle mogelijkheden voor verkrijging van een (reguliere) verblijfsvergunning hebben onderzocht.

19. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat zij sinds 26 maart 2009 in Nederland hebben verbleven op grond van een verblijfsvergunning asiel. In die tijd hebben eisers hun inburgeringsexamen behaald en geleerd Nederlands te spreken. De kinderen van eisers hebben het grootste deel van hun leven in Nederland doorgebracht, het jongste kind zelfs zijn hele leven. Vertrek naar Libië is niet in het belang van de kinderen, aangezien zij het leven in Libië niet kennen. Zij zijn opgegroeid in Nederland en kennen hier de normen, waarden en gebruiken. Bovendien gaan de kinderen hier naar school. Zoals eisers ter zitting van 11 maart 2016 hebben opgemerkt, gaat het niet alleen om de vraag of sprake is van objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Libië uit te oefenen, maar ook om subjectieve belemmeringen. De kinderen van eisers zullen bij vertrek moeite hebben zich aan te passen, hetgeen een “degree of hardship” zal opleveren in de zin van het arrest Jeunesse van 3 oktober 2014, nr. 12738/10, (het arrest Jeunesse; www.echr.coe.int) van het EHRM. Het zal ook hun ontwikkeling naar volwassenheid schaden.

19. Verweerder heeft in beroep in zijn brief van 8 februari 2017 aangevoerd dat zijn uitgangspunt is dat slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden een verblijfsvergunning wordt verleend wegens schending van het recht op privéleven. Het enkele feit dat eisers een privéleven in Nederland uitoefenen betekent niet dat het weigeren van voortgezet verblijf leidt tot schending van het recht op dat privéleven als neergelegd in artikel 8 van het EVRM. Daartoe is vereist dat de banden die eisers met Nederland hebben de gebruikelijke banden overstijgen. De normale binding die ontstaat met Nederland door langdurig verblijf en waarop eisers in feite hebben gewezen is onvoldoende, aldus verweerder.
Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat eisers een substantieel deel van hun leven in Libië hebben verbleven en dat ook familie daar nog woont, zodat hun banden met Libië sterker worden geacht. Ten aanzien van de kinderen geldt dat zij hun ouders kunnen volgen; ook zij hebben geen bijzondere banden met Nederland opgebouwd. Het feit dat ze niet of niet lang in Libië hebben verbleven staat daaraan niet in de weg. Dat de ontwikkeling zal worden geschaad acht verweerder niet voldoende onderbouwd.

19. Ter zitting van 9 februari 2017 hebben eisers daartegen aangevoerd dat niet vereist is dat hun banden de gebruikelijke banden met Nederland overstijgen; langdurig verblijf kan wel degelijk voldoende zijn. Daarbij hebben eisers verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1286). Verder hebben eisers verwezen naar het rapport “De schade die kinderen oplopen als zij na langdurig verblijf in Nederland gedwongen worden uitgezet” van dr. [persoon 1] en [persoon 2] , van april 2006, waarin is geconcludeerd dat gedwongen uitzetting na een verblijf van ten minste vijf jaar schadelijk is voor kinderen.
Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat er in het voorliggende geval geen sprake is van bijzondere banden met Nederland. In de belangenafweging weegt ten voordele van eisers eigenlijk slechts de duur van het rechtmatig verblijf in Nederland. Maar die duur acht verweerder niet van zo’n zwaar gewicht dat daarom voortgezet verblijf moet worden toegestaan. Met betrekking tot de belangen van de kinderen stelt verweerder dat het rapport van [persoon 1] en [persoon 2] onvoldoende concreet is om conclusies aan te kunnen verbinden.

19. De rechtbank overweegt dat uit het bestreden besluit volgt dat eisers met hun kinderen Nederland zullen moeten verlaten. Het bestreden besluit beoogt aldus niet het uiteenvallen van het gezin en in zoverre vormt het bestreden besluit geen inmenging in de uitoefening van het gezinsleven. Wel vormt het bestreden besluit onmiskenbaar een inmenging in het privéleven dat eisers en hun kinderen in Nederland hebben en waarop eisers ook hebben gewezen.

19. De rechtbank overweegt verder dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat ten voordele van eisers weegt dat zij vanaf 2009 tot het bestreden besluit rechtmatig in Nederland hebben verbleven op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar dat dat gegeven niet noopt tot voortzetting van het verblijf op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 gezien de tot dusver beperkte duur van het verblijf in Nederland. Het door eisers gestelde gegeven dat zij in Nederland zijn ingeburgerd maakt dit oordeel niet anders. Tegenover het – ingeburgerde – verblijf in Nederland staat immers de aanzienlijke periode die eiser en eiseres daarvoor in hun land van herkomst Libië hebben doorgebracht en waar zij ook familieleden hebben.

19. Met verweerder is de rechtbank verder van oordeel dat het rapport van [persoon 1] en [persoon 2] onvoldoende concreet is om in het voorliggende beroep te kunnen concluderen dat de kinderen van eisers door de gevolgen van het bestreden besluit zo in hun ontwikkeling zullen worden geschaad dat dit een schending van het recht op privéleven oplevert als beschermd door artikel 8 van het EVRM.
De rechtbank is desalniettemin van oordeel dat verweerder zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van eisers, die in Nederland zijn opgegroeid en hier te lande naar school gaan. Uit het bestreden besluit, noch het daaraan voorafgaande voornemen, noch de daarna door verweerder ingenomen standpunten blijkt dat verweerder de belangen van de kinderen adequaat in kaart heeft gebracht, met name ten aanzien van de vraag of en in hoeverre vertrek naar Libië gelet op hun leeftijd en de duur van het verblijf in Nederland (al dan niet ten opzichte van die leeftijd) een ontoelaatbare inmenging in het privéleven oplevert.
Daarmee is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank in strijd met artikel 3:2 en 3:4 van de Awb onvoldoende zorgvuldig voorbereid.

27. Het beroep, voor zover gericht tegen de ambtshalve weigering een verblijfsvergunning regulier te verlenen op grond van artikel 8 van het EVRM, is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank ziet aanleiding om niet nader te bezien of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit op dit punt in stand kunnen worden gelaten, om de nog lopende procedure over het kinderpardon en waarin dezelfde materie speelt niet te compliceren. Daarbij betrekt de rechtbank dat partijen ter zitting hebben aangegeven dat het partijdebat over het verblijfsrecht van eisers op grond van artikel 8 EVRM voornamelijk in die nog lopende procedure moet worden gevoerd.

28. Omdat het beroep gegrond zal worden verklaard ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eisers hebben moeten maken. De Afdeling heeft in de uitspraak van 3 november 2016 de proceskosten van eisers voor het hoger beroep begroot op € 496,00. Voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank worden de kosten begroot op € 1.732,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor de behandeling ter zitting van 11 maart 2016, 1 punt voor de behandeling ter zitting van 9 februari 2017 en een half punt voor de nadere schriftelijke uiteenzetting naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling, met een waarde van € 495,00 en wegingsfactor 1). In totaal bedragen de proceskosten van eisers die voor vergoeding in aanmerking komen dus € 2.228,50.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd, dan wel niet-verlenging van de geldigheidsduur van de verleende verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd, ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de ambtshalve weigering om eisers in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van het EVRM, gegrond;

  • -

    vernietigt in zoverre het bestreden besluit en draagt verweerder op daarover een nieuw besluit te nemen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op in totaal € 2.228,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. van Lokven, voorzitter, en mr. A.F.C.J. Mosheuvel en mr. C.T.C. Wijsman, leden, in aanwezigheid van mr. A.A.M.J. Smulders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

16 mei 2017.

griffier voorzitter

de griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak

mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.