Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:4899

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
12-05-2017
Zaaknummer
C/09/527936 / KG ZA 17-270
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

vordering schorsing tul gevangenisstraf iav primair uitkomst gratieverzoek en subsidiair iav vaststelling detentiegeschitkeheid afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/527936 / KG ZA 17-270

Vonnis in kort geding van 9 maart 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. dr. G.P. Dayala te Amsterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. F.B. Lekkerkerker te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 2 maart 2017, met producties;

- de faxbrief van mr. A.R.A.R. Sitaldin, kantoorgenoot van mr. Dayala, van 6 maart 2017, met producties;

- de brief van mr. Lekkerkerker van 6 maart 2017, met producties;

- de faxbrief van mr. Sitaldin van 7 maart 2017, met productie;

- de op 7 maart 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Op 9 maart 2017 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiseres] is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 januari 2015 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voor – kort gezegd – het medeplegen van oplichting, witwassen en valsheid in geschrifte.

2.2.

Bij arrest van 9 februari 2016 heeft de Hoge Raad het door [eiseres] tegen voormeld arrest ingestelde cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.

2.3.

[eiseres] heeft, nadat zij op 7 maart 2016 was opgeroepen om zich op 4 april 2016 te melden bij de Penitentiaire Inrichting [locatie] voor het ondergaan van de aan haar opgelegde gevangenisstraf, op 24 maart 2016 een gratieverzoek ingediend op sociale en medische gronden. Aan dit verzoek kwam geen opschortende werking van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van rechtswege toe.

2.4.

Op 30 maart 2016 heeft [eiseres] verzocht de tenuitvoerlegging van de aan haar opgelegde gevangenisstraf op de voet van artikel 559a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) op te schorten of te schorsen, zolang nog niet op het gratieverzoek is beslist.

2.4.1.

Dit verzoek is bij brief van 20 april 2016 afgewezen vanwege het feit dat de medisch adviseur van het Bureau Individueel Medisch Advies [eiseres] detentiegeschikt acht.

2.5.

Nadat [eiseres] was opgeroepen om zich op 3 juni 2016 te melden voor het ondergaan van de aan haar opgelegde gevangenisstraf, heeft zij de Staat op 20 mei 2016 in kort geding gedagvaard en gevorderd de tenuitvoerlegging van deze straf met onmiddellijke ingang op te (doen) schorten, althans te (doen) schorsen, totdat op het gratieverzoek is beslist.

2.6.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij vonnis van 1 juni 2016 voormelde vordering van [eiseres] afgewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was op basis van de destijds door [eiseres] aangevoerde informatie niet aannemelijk dat het gratieverzoek hoogstwaarschijnlijk zou worden toegewezen. Ten aanzien van de door [eiseres] aangevoerde medische omstandigheden heeft de voorzieningenrechter overwogen dat niet was gebleken dat de door [eiseres] benodigde behandeling of zorg niet vanuit een van de justitiële inrichtingen in Nederland kan worden geleverd en dat ter zake van de juistheid van het oordeel van de medisch adviseur kan worden uitgegaan. De door [eiseres] aangevoerde sociale/persoonlijke omstandigheden maken volgens de voorzieningenrechter de voortzetting van de executie van de gevangenisstraf evenmin onrechtmatig, nu naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk was geworden dat de zorg voor de minderjarige kinderen van [eiseres] niet tijdelijk door derden kan worden overgenomen.

2.7.

Bij arrest van 19 juli 2016 heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de voorzieningenrechter van 1 juni 2016 bekrachtigd. Het hof heeft daarbij – kort gezegd – overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat het advies van de medisch adviseur op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat [eiseres] onvoldoende heeft aangevoerd om te oordelen dat haar kinderen gedurende haar detentie niet door een derde kunnen worden verzorgd.

2.8.

Bij brief van 10 februari 2017 is [eiseres] opgeroepen om zich op 10 maart 2017 te melden voor het ondergaan van de aan haar opgelegde gevangenisstraf.

2.9.

Bij beslissing van 3 maart 2017 heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het gratieverzoek van [eiseres] afgewezen. Daartoe is onder meer het volgende overwogen:

“In het gratieverzoek wordt onder andere aangevoerd dat u lichamelijke en psychische klachten heeft, u in een echtscheiding verwikkeld bent en u de zorg draagt voor twee minderjarige kinderen.

Voor de beoordeling van het gratieverzoek heb ik advies aan het openbaar ministerie en het desbetreffende gerecht gevraagd. Beide hebben afwijzend geadviseerd.

(…)

De advocaat-generaal is van oordeel dat een eventuele detentieongeschiktheid vanuit het detentiecircuit (selectie en plaatsing door de Dienst justitiële inrichtingen) behoort te worden beoordeeld op het moment dat executie van de opgelegde vrijheidsstraf aan de orde is. (…)

Het gerechtshof heeft (…) bericht dat met betrekking tot uw echtscheiding niet is gebleken dat bijvoorbeeld de vader niet tijdelijk de zorg voor de kinderen over zou kunnen nemen. Met betrekking tot uw gezondheid heeft het gerechtshof opgemerkt dat uw gezondheidstoestand ook ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is geweest. De nieuwe stukken die bij het gratieverzoek zijn ingebracht overtuigen het gerechtshof niet. Het gerechtshof is van oordeel dat in het gratieverzoek geen omstandigheden zijn aangevoerd waarmee het gerechtshof geen of onvoldoende rekening heeft gehouden en die, waren zij toen wel of voldoende bekend geweest, aanleiding zouden hebben gegeven tot het opleggen van een andere straf of maatregel of tot het afzien daarvan.”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij dagvaarding – zakelijk weergegeven – de tenuitvoerlegging van de aan haar opgelegde gevangenisstraf met onmiddellijke ingang op te schorten, althans te schorsen, totdat op het gratieverzoek is beslist. Ter zitting heeft [eiseres] te kennen gegeven haar eis te willen wijzigen, in die in dat zij een subsidiaire vordering wenst in te stellen, die strekt tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf totdat vaststaat dat zij detentiegeschikt is.

3.2.

Ter onderbouwing van het door haar gevorderde stelt [eiseres] dat haar medische problematiek sinds het arrest van 19 juli 2016 is verslechterd, reden waarom zij thans niet in staat is om een detentie voor de duur van drie maanden te ondergaan. Tot op heden is volgens [eiseres] om onbegrijpelijke redenen haar detentiegeschiktheid nog niet feitelijk onderzocht. [eiseres] verwijst ter onderbouwing van haar verslechterde medische toestand naar een verklaring van haar psychiater van 24 februari 2017. Volgens [eiseres] kan de behandeling die zij thans voor haar psychische problematiek ondergaat, niet onderbroken worden. Daarnaast wijst [eiseres] erop dat zij op korte termijn chemotherapieën zal moeten ondergaan ter bestrijding van geconstateerde adomen, voor welke behandeling zij reeds is opgeroepen. Ten slotte wijst [eiseres] erop dat zij de volledige zorg draagt voor haar beide kinderen, waarvan de jongste lijdt aan het syndroom van Tietze.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Beoordeeld dient in de eerste plaats te worden de door [eiseres] bij dagvaarding ingestelde vordering tot onmiddellijke opschorting dan wel schorsing van de tenuitvoerlegging van de aan haar opgelegde gevangenisstraf totdat op het gratieverzoek is beslist.

4.1.1.

Deze vordering dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter reeds te worden afgewezen vanwege het feit dat het gratieverzoek op 3 maart 2017 is afgewezen en [eiseres] bij toewijzing van die vordering thans dus geen belang meer heeft.

4.2.

Vervolgens is aan de orde de ter zitting door [eiseres] geformuleerde subsidiaire vordering tot het opschorten dan wel schorsen van bedoelde tenuitvoerlegging totdat vaststaat dat [eiseres] detentiegeschikt is.

4.2.1.

De Staat heeft ter zitting betoogd dat sprake is van een niet-tijdig aangekondigde eiswijziging, die bovendien niet op schrift is gesteld, reden waarom volgens de Staat deze eiswijziging wegens strijd met eisen van een goede procesorde niet behoort te worden toegestaan.

4.2.2.

De voorzieningenrechter volgt de Staat in dit verweer. Zowel op grond van de wet (artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) als het Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie (paragraaf 11.1) (hierna: ‘het Procesreglement’) dient een eiswijziging op schrift te worden gesteld. Vast staat [eiseres] haar gewijzigde eis niet op schrift heeft gesteld. Daarnaast is in voormelde paragraaf van het Procesreglement voorgeschreven dat een partij die een eis wenst te veranderen of te vermeerderen de inhoud van deze verandering of vermeerdering zo spoedig mogelijk en bij voorkeur vóór de terechtzitting schriftelijk dient mee te delen aan de wederpartij en aan de voorzieningenrechter. [eiseres] heeft, hoewel zij daartoe voldoende gelegenheid heeft gehad, niet zo spoedig mogelijk mededeling gedaan van haar voorgenomen eiswijziging. De voorzieningenrechter overweegt in dit verband dat door [eiseres] niet is weersproken dat zij (en in ieder geval haar advocaat) enige dagen vóór de zitting op de hoogte was van de afwijzing van haar gratieverzoek. Deze afwijzing is immers reeds op 3 maart 2017 aan haar advocaat verzonden. Daarmee had [eiseres] aldus voldoende gelegenheid om zowel de Staat als de voorzieningenrechter vóór de zitting van 7 maart 2017 schriftelijk over haar voorgenomen eiswijziging te berichten. [eiseres] heeft niet doen blijken van feiten of omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zulks ondanks het voorgaande niet van haar kon worden verlangd.

4.3.

De vordering van [eiseres] dient reeds op grond van het voorgaande te worden afgewezen. Echter ook indien ervan uit moet worden gegaan dat [eiseres] haar eis wel op juiste wijze heeft gewijzigd, is toewijzing van het subsidiair gevorderde niet aan de orde. Daartoe is redengevend dat [eiseres] met hetgeen zij in deze procedure naar voren heeft gebracht, niet heeft doen blijken van nieuwe, dat wil zeggen na het arrest van 19 juli 2016 voorgevallen feiten of omstandigheden, die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat zij – zoals zij kennelijk betoogt – thans als detentieongeschikt moet worden beschouwd. Ter zitting heeft [eiseres] desgevraagd verklaard dat er van een te ondergane chemotherapie geen sprake is.

4.4.

[eiseres] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, vermeerderd met de rente als gevorderd. Voor de door de Staat gevorderde veroordeling van [eiseres] in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [eiseres] om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.434,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 618,-- aan griffierecht;

- bepaalt dat [eiseres] bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2017.

mw