Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:477

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-01-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5721
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

weigering WIA-uitkering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/5721

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.L. de la Parra),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: drs. P.F.G. Hermans).

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eiseres met ingang van 12 januari 2016 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen.

Bij besluit van 20 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door [persoon] , als waarnemer van gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiseres heeft zich op 14 januari 2014 ziekgemeld voor haar werkzaamheden als thuishulp gedurende 11,19 uur per week wegens psychische klachten. Vervolgens heeft eiseres gedurende de maximale 104 weken een uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangen.

1.2

Eiseres heeft op 26 november 2015 een WIA-uitkering aangevraagd. In dat kader heeft een medische beoordeling plaatsgevonden en is op 8 januari 2016 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige vastgesteld dat eiseres in staat is meer dan 65% van het maatmanloon te verdienen.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder geweigerd eiseres met ingang van 12 januari 2016 een uitkering op grond van de WIA toe te kennen.

1.4

Op 3 mei 2016 heeft eiseres zich per 1 januari 2016 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld vanwege paniekaanvallen, straatvrees en meer stress vanwege haar zoon. Bij brief van 10 mei 2016 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat deze informatie wordt meegenomen in de lopende bezwaarprocedure.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van mening is dat er vanuit medisch oogpunt reden is om de FML iets aan te vullen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) is tot de conclusie gekomen dat er 3 van de 6 geduide functies komen te vervallen, maar dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres minder dan 35% blijft op basis van de resterende 3 functies. Gelet hierop is verweerder tot de conclusie gekomen dat eiseres per 12 januari 2016 terecht voor minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht, zodat zij geen WIA-uitkering krijgt.

3. Eiseres voert aan dat bij het bestreden besluit haar medische situatie onvoldoende is erkend. Vanwege een bij haar vastgestelde psychotische persoonlijkheidsorganisatie is zij zeer kwetsbaar en moe. Eiseres heeft straatvrees, veel stress, last van vergeetachtigheid, concentratie- en slaapproblemen en omgang met mensen maakt haar nerveus. Daarnaast is eiseres bekend met hemofilie, stofallergie en een slijmbeursontsteking. Eiseres is van mening dat ten onrechte geen urenbeperking is overwogen, omdat zij tijd en energie nodig heeft voor diverse behandeltrajecten. Verder voert eiseres aan dat de verzekeringsarts niet over voldoende informatie beschikte, zodat de FML onzorgvuldig tot stand is gekomen. Voorts kan zij zich ook niet vinden in de FML die de verzekeringsarts b&b heeft opgesteld, omdat haar klachten hierin onvoldoende zijn vertaald.

4. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 5 januari 2016 is gezien door M. Bouma, arts. Blijkens zijn rapport van 8 januari 2016, dat akkoord is bevonden door verzekeringsarts dr. M.L.A. Broekhuizen, heeft hij eiseres psychisch onderzocht en als diagnose gesteld: reactie op ernstige stress, atopisch eczeem en hemofilie. Tijdens het onderzoek heeft deze arts geen aanwijzingen voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek vastgesteld. Omdat voldoende informatie aanwezig was, is geen informatie bij de behandelend sector opgevraagd. Op basis van de dossiergegevens en informatie verkregen tijdens het spreekuur acht deze arts aannemelijk dat bij eiseres sprake is van forse psychische problemen met beperkingen op het persoonlijk en sociaal functioneren. Voorts zijn beperkingen aangenomen ten aanzien van de energetische belastbaarheid en is regelmaat gewenst, aldus deze arts. Voorts heeft hij een FML opgesteld, die met ingang van 8 januari 2016 geldig is.

Vervolgens is eiseres in het kader van de bezwaarprocedure op 13 april 2016 gezien door verzekeringsarts b&b V. Ramautar, die aanvullend medisch onderzoek heeft verricht. In zijn rapport van 2 juni 2016 is vermeld dat een beeld naar voren komt dat niet significant anders is dan bij het primaire onderzoek. Deze arts heeft medische informatie opgevraagd en ontvangen van drs. J.P. Waasdorp, GZ-psychologist, van klinisch psycholoog A. Duijm en van de huisarts van eiseres.

Uit de gegevens van de behandelend sector komen volgens de verzekeringsarts b&b geen crisisinterventies naar voren en wordt het beeld beschreven zoals de primaire arts heeft vastgesteld. Die heeft forse beperkingen aangenomen in het persoonlijk en sociaal functioneren. Voor verdergaande beperkingen wordt geen medische onderbouwing gevonden, behoudens een beperking door de medicatie.

Om die reden heeft de verzekeringsarts b&b een aangepaste FML opgesteld, die met ingang van 12 januari 2016 geldig is. Het betreft een beperking voor het werken in gevaarlijke situaties en bij gevaarlijke machines. Daarnaast acht deze arts een urenbeperking niet aan de orde, omdat eiseres niet aan een van de hiervoor geldende criteria voldoet. Bij brief van 11 oktober 2016 heeft verweerder een rapport van verzekeringsarts b&b V. Ramautar van 6 oktober 2016 overgelegd, waarin is geconcludeerd dat de beroepsgronden geen aanleiding geven om het standpunt te wijzigen.

5.1

Uit de hiervoor beschreven verzekeringsgeneeskundige onderzoeken zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor eiseres geldende arbeidsbeperkingen te kunnen komen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Eiseres is immers zowel door de primaire arts als door de verzekeringsarts b&b onderzocht. Er zijn forse beperkingen aangenomen in het persoonlijk en sociaal functioneren. Daarnaast heeft de verzekeringsarts b&b mede op basis van informatie van de curatieve sector aanvullende beperkingen gesteld. De rechtbank heeft met betrekking tot de medische beoordeling dan ook geen redenen gevonden voor het oordeel dat de beperkingen van eiseres, ook in onderlinge samenhang bezien, zoals vastgelegd in de FML van 12 januari 2016, zijn onderschat. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiseres in beroep geen nieuwe objectieve medische gegevens heeft overgelegd die haar standpunt ondersteunen. Ook in de informatie van klinisch psycholoog A. Duijm van 11 april 2016 ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er meer of andere medische beperkingen hadden moeten worden aangenomen, aangezien hieruit blijkt dat deze klinisch psycholoog pas vanaf 11 februari 2016, dus na de datum in geding, als hulpverlener bij eiseres is betrokken.

5.2

Nu gelet op het voorgaande geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de belastbaarheid van eiseres ten tijde van de datum in geding op onjuiste wijze in de FML is vastgelegd, moet het ervoor worden gehouden dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd.

6. Ten aanzien van de arbeidsdeskundige grondslag van het bestreden besluit voert eiseres aan dat zij de geduide functies niet geschikt zijn voor haar. In de functie medewerker postverzorging moeten werkzaamheden in een hoog handelingstempo worden verricht, hetgeen volgens haar onverenigbaar is met de geconstateerde psychische problematiek. Ook is daardoor de kans op ‘papercuts’ groot, terwijl eiseres bekend is met hemofilie en is voorts de werkomgeving niet rustig genoeg voor eiseres. Daarnaast acht eiseres de functie wikkelaar vanwege haar mentale en concentratieproblemen en medicijngebruik niet geschikt. Zij kan daardoor het vereiste vlotte precisiewerk niet aan en mist de benodigde inventiviteit.

7. De rechtbank stelt voorts vast dat eiseres op 20 januari 2016 heeft gesproken met arbeidsdeskundige J.B.A. Groen, die de mogelijkheden in gangbare arbeid heeft onderzocht. Blijkens zijn rapport van dezelfde datum heeft hij de functies productiemedewerker (sbc-code 111180), bode-bezorger (sbc-code 315140) en snackbereider (sbc-code 111071) geselecteerd. Op basis van die functies heeft de arbeidsdeskundige de resterende verdiencapaciteit van eiseres vastgesteld op € 12,58 per uur, hetgeen neerkomt op een mate van arbeidsongeschiktheid van 0%. Voorts heeft de arbeidsdeskundige de functies inpakker (sbc-code 111190), wikkelaar (sbc-code 267050) en productiemedewerker textiel (sbc-code 272043) geduid.

Voor zover zich in de geduide functies signaleringen voordoen, heeft de arbeidsdeskundige na overleg met de verzekeringsarts uitvoerig toegelicht waarom die functies voor eiseres geschikt zijn. Voorts stelt de rechtbank vast dat arbeidsdeskundige b&b W.G.E. Buskermolen blijkens zijn rapport van 17 juni 2016 de geduide functie (1) snackbereider en de reservefuncties (2) inpakker en (3) productiemedewerker textiel heeft laten vervallen. De (overige) door de arbeidsdeskundige aan de schatting ten grondslag gelegde (reserve)functies kunnen volgens de arbeidsdeskundige b&b gehandhaafd blijven. Voorts heeft de arbeidsdeskundige b&b aangegeven dat het verminderde reactievermogen van eiseres niet aan het verrichten van de functies in de weg staat en dat van een persoonlijk risico waarop de verzekeringsarts b&b doelt, geen sprake is. Volgens de arbeidsdeskundige b&b doet zich geen verlies aan verdiencapaciteit voor.

8.1

De rechtbank is van oordeel dat in de toelichtende aantekeningen ten aanzien van signaleringen op de functieduiding, behorend bij het arbeidsdeskundig rapport van 20 januari 2016 in combinatie met het rapport van de arbeidsdeskundige b&b van 17 juni 2016 afdoende is gemotiveerd dat en waarom met de door de arbeidsdeskundige b&b geduide functies de belastbaarheid van eiseres niet wordt overschreden. Hetgeen tegen die geduide functies is aangevoerd gaat deels uit van verdergaande beperkingen dan in de FML zijn opgenomen. Zoals uit het voorgaande volgt, gaat de rechtbank echter uit van de juistheid van de FML. In de toelichtende aantekeningen is verder op het hoge handelingstempo, het huidcontact en het vermogen om problemen op te lossen afdoende door de arbeidsdeskundige ingegaan. Eiseres was naar het oordeel van de rechtbank dan ook per 12 januari 2016 in staat te achten de door de arbeidsdeskundige b&b voorgehouden functies te verrichten.

8.2

Aangezien eiseres met het vervullen van de geduide functies een zodanig inkomen kan verwerven dat in vergelijking met het maatmanloon het verlies aan verdiencapaciteit 0%, en dus minder dan 35%, bedraagt, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht aan eiseres per 12 januari 2016 een uitkering op grond van de WIA onthouden.

9. Het beroep is dan ook ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.X. Cozijn, rechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.