Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:469

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
20-01-2017
Zaaknummer
NL17.24
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Afwijzing asielaanvraag. Veilig land Georgië

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.24
V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2017 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde: mr. S. Zwiers,

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

gemachtigde mr. J.A.C.M. Prins.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 2 januari 2017 (het bestreden besluit) waarbij verweerder eisers asielaanvraag heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Hij heeft de voorzieningenrechter gelijktijdig verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dat verzoek is geregistreerd onder nummer NL17.25.

De behandeling van het beroep ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van het verzoek, plaatsgevonden op 12 januari 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, voor wie mr. drs. J.M. Walls is verschenen. Verweerder is eveneens vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Georgische nationaliteit. Op 6 oktober 2016 heeft hij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in 2010 is veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf vanwege een poging tot doodslag op een politieman, terwijl hij onschuldig was. Nadat hij vanwege een generaal pardon op 21 november 2014 vervroegd is vrijgelaten, is hij ontvoerd door de betrokken politieagent en zijn handlangers, en is hij met een auto meegenomen naar Kus Tba. Daar is hij mishandeld en bedreigd. Daarna heeft hij uit vrees dat hij opnieuw zou worden opgepakt op 25 april 2016 zijn land verlaten.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht de kern van eisers asielrelaas ongeloofwaardig en merkt Georgië aan als veilig land van herkomst. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Georgië ten aanzien van hem persoonlijk zijn verdragsverplichtingen niet nakomt, noch dat hij bij voorkomende problemen niet de bescherming van de Georgische autoriteiten zou kunnen inroepen, bestaat volgens verweerder geen rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel.

4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat Georgië niet kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst. Hij wijst daarbij op het rapport 'Country Summary' van Human Rights Watch van januari 2016, en het rapport 'Georgia 2015/2016' van Amnesty International. De Regeling houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, gepubliceerd in de Staatscourant van 31 oktober 2016, waarbij Georgië is toegevoegd aan de lijst met veilige landen van herkomst (de Regeling), dient onverbindend te worden verklaard. Verweerder heeft zijn asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig geacht, aldus eiser.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. In het bestreden besluit is weliswaar opgenomen dat in zijn algemeenheid kan worden aangenomen dat Georgië een veilig land van herkomst is, maar verweerder heeft niet gemotiveerd waarom nog steeds kan worden uitgegaan van deze aanname ondanks de door eiser ingebrachte landeninformatie. Het bestreden besluit is in zoverre onvoldoende gemotiveerd. Het beroep is reeds daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens schending van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

6. De rechtbank ziet aanleiding om het geschil finaal te beslechten en overweegt daartoe als volgt.

7. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn stelling dat Georgië niet kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst grotendeels baseert op dezelfde informatie als die waarop verweerder zijn standpunt baseert. Daarmee heeft eiser verweerders conclusie dat geen sprake is van systematische schendingen van mensenrechten niet kunnen weerleggen. De rechtbank wijst er daarbij op dat in de bijlage bij de Kamerbrief van verweerder aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 11 november 2016 (over de derde tranche nationale lijst veilige landen van herkomst) vergelijkbare kritiek wordt geuit op Georgië als in de door eiser aangehaalde rapporten, waaronder de signalering dat in het land terughoudend wordt omgegaan met het onderzoeken van mishandelingen door politiefunctionarissen. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat verweerder onjuiste conclusies heeft verbonden aan genoemde kritiek. De rechtbank zal de aanwijzing van Georgië als veilig land van herkomst daarom niet onverbindend verklaren, zoals door eiser bepleit.

8. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat Georgië niet als veilig land kan worden aangemerkt in zijn specifieke geval, en dat hij bij voorkomende problemen niet de bescherming van de Georgische autoriteiten zou kunnen inroepen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser heeft verklaard dat hij Georgië op legale wijze heeft verlaten, en dat hij alle nationale rechtsmiddelen heeft gebruikt toen hij werd aangeklaagd.
9. Verweerder acht eisers detentie gedurende de periode van mei 2010 tot 21 november 2014, en eisers veroordeling tot negen jaar gevangenisstraf wegens poging tot doodslag op een politieagent geloofwaardig. Verweerder acht ongeloofwaardig dat eiser onschuldig is en dat sprake is van een gerechtelijke dwaling. De door eiser gestelde problemen met de betrokken politieagent die zijn ontstaan na zijn vervroegde vrijlating acht verweerder evenmin geloofwaardig.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn veroordeling berust op een gerechtelijke dwaling en dat hij onschuldig is. Eiser heeft zijn stelling dat dit wel het geval is niet nader onderbouwd. De omstandigheid dat eiser geen bescherming heeft gevraagd van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens staat ook op gespannen voet met de door hem gestelde onschuld. Verweerder heeft ook niet ten onrechte onaannemelijk geacht dat eiser onvoldoende rechtsbescherming heeft gehad in Georgië, omdat eiser – zoals hiervoor reeds overwogen – zelf heeft verklaard dat hij alle nationale rechtsmiddelen heeft gebruikt. Verder wordt verweerder gevolgd in zijn standpunt dat niet is gebleken dat eiser na zijn vrijlating op 21 november 2014 in negatieve aandacht stond van de autoriteiten, nu hij volgens zijn eigen verklaringen na de gestelde ontvoering en mishandeling nog tot 25 april 2016 zonder problemen in een klooster in Georgië heeft kunnen verblijven. Verweerder heeft ook onwaarschijnlijk kunnen achten dat de betrokken politieagent nog steeds wrok koesterde tegen eiser na het uitzitten van diens gevangenisstraf. De rechtbank acht ook van belang dat eiser Georgië op legale wijze heeft verlaten, een omstandigheid die moeilijk te rijmen is met eisers verklaring dat de betrokken politieagent connecties heeft op hoog niveau.

11.
Gelet op het vorenstaande concludeert de rechtbank dat verweerder eisers asielrelaas niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. In beroep heeft eiser geen feiten of omstandigheden genoemd die aanleiding geven voor een ander oordeel. Hij heeft met name de redeneringen en overwegingen van verweerder betwist, terwijl het op zijn weg lag om zijn asielrelaas aannemelijk te maken met (geloofwaardige) verklaringen of schriftelijke stukken.

12.
De slotsom is dat verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen op grond van artikel 31, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. De rechtbank zal daarom de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb.

13. Verweerder zal op na te melden wijze in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit;

 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

 veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 990 (negenhonderdnegentig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2017.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.