Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:462

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
24-01-2017
Zaaknummer
AWB 17/ 64 en 17/66
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Asielaanvragen afgewezen als ongegrond. Identiteit niet aannemelijk, relazen ongeloofwaardig. Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 17/64 en AWB 17/66

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2017 in de zaken tussen

[naam] , eiser 1,

[naam 2] eiser 2,

gezamenlijk te noemen: eisers,

gemachtigde mr. W.A. Derogee-Berghuis,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. J.A.C.M. Prins.

Procesverloop

Bij twee afzonderlijke besluiten van 30 december 2016 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond op artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eisers zijn van Guinee-Bissause nationaliteit. Zij hebben gesteld te zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum] en [geboortedatum 2]

2. Eisers hebben aan hun asielaanvragen ten grondslag gelegd dat zij problemen hebben gekregen door inname van hun grond door moslims. Zij hebben hun land van herkomst om deze reden moeten verlaten.

3. Verweerder acht de nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. De identiteit van eisers wordt niet geloofwaardig geacht, nu zij over hun namen en geboortedata wisselende verklaringen hebben afgelegd in Nederland, Duitsland en Italië. De door eisers gestelde problemen met moslims worden ook niet geloofwaardig geacht. Eisers hebben hierover afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien onaannemelijke, vage, summiere en tegenstrijdige verklaringen afgelegd, aldus verweerder.

4. Op wat eisers daartegen hebben aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. In artikel 29, eerste lid, van de Vw is bepaald dat een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling die (a) verdragsvluchteling is of (b) die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade zoals in dat artikel omschreven.

6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden, die hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

7. Beoordeeld dient te worden, gelet op de beroepsgronden, of verweerder de relazen van eisers niet ten onrechte als ongeloofwaardig heeft aangemerkt.

8. Voor zover eisers hebben gesteld dat hun geestelijke toestand dusdanig is dat zij niet naar behoren zouden hebben kunnen verklaren tijdens hun gehoren, worden zij daarin niet gevolgd. Uit de adviezen van de Forensisch Medische Maatschappij Utrecht (FMMU) van 14 september 2016 blijkt dat er geen ziekten of beperkingen zijn vastgesteld die van invloed zijn op het horen en beslissen. Tevens blijkt niet uit de verslagen van de gehoren dat eisers niet in staat waren hun verhaal te vertellen. Eisers hebben ook geen informatie overgelegd die een andere conclusie rechtvaardigen. De stelling dat een medewerker van Stichting Nidos het vermoeden heeft dat eiser 1 mogelijk zwakzinnig is wordt niet onderbouwd door medische bescheiden. Deze beroepsgrond treft geen doel.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht tegengeworpen dat eisers wisselend hebben verklaard over hun identiteit. Eiser 1 heeft in Nederland opgegeven op 1 januari 1999 geboren te zijn terwijl hij in Duitsland heeft opgegeven dat hij [naam 3] heet en geboren is [geboortedatum] Eiser 2 heeft in Duitsland aangegeven [naam 2] te heten en in Italië [naam 2] . Ook heeft eiser 2 in Nederland opgegeven op [geboortedatum 2] geboren te zijn terwijl hij in Duitsland en in Italië heeft opgegeven dat hij op respectievelijk [geboortedatum 2] geboren is. Op de foto van de kopie van de geboorteakte van eiser 2 staat als geboortedatum [geboortedatum 2] . Eisers hebben geen documenten overgelegd om hun identiteit te staven. De door hen overgelegde foto’s van kopieën van hun geboorteaktes zijn hiertoe onvoldoende. Dat in zowel Italië als Duitsland ongevraagd andere gegevens door de autoriteiten aan eisers zijn toegekend, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte geoordeeld dat eisers hun identiteit niet aannemelijk hebben gemaakt.

10. Eisers voeren in beroep aan dat hun verklaringen over de problemen met de moslims geloofwaardig moeten worden geacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze verklaringen niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft terecht tegengeworpen dat het niet geloofwaardig is dat zij de namen niet konden noemen van de moslims die hen bedreigden. De stelling dat er ten tijde van de problemen geen autoriteiten aanwezig waren om hen bescherming te bieden wordt door eisers niet onderbouwd. Ook heeft verweerder kunnen oordelen dat eisers vaag en summier en ten opzichte van elkaar tegenstrijdig hebben verklaard over de gestelde gebeurtenissen. Zo verklaren zij onder andere tegenstrijdig over wie er met hen in het ouderlijk huis woonde en blijven zij vaag en summier in hun verklaringen over het moment dat de problemen met de moslims begonnen en het moment van de start van de bouw van de moskee op hun grond.

11. Gelet op het voorgaande zijn de aanvragen terecht afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.

12. De beroepen zijn ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2017.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.